warme wijn); adj. voornaamst, belangrijkst, donkerrood: Cardinal bird =
kardinaalsvogel; Cardinal numbers = hoofdgetallen; Cardinal points =
vier hoofdpunten (van het kompas); Cardinal signs = de vier voornaamste
teekens van den dierenriem: Aries, Libra, Cancer, Capricorn; Cardinal
virtues = de vier hoofddeugden (bij de Ouden): Prudence, Temperance,
Justice, Fortitude; Cardinalate, Cardinalship = kardinaalschap.
Carditis, kâdaitis, ontsteking van het hart.
Cardoon, kâdûn, artisjok.
Carduus, kâdjuɐs, distel.
Care, kêə, subst. zorg, angst, oplettendheid, opzicht; Care verb.
zorgen, bezorgd zijn, zich bekommeren om, geneigd zijn, lust of trek
hebben, houden van: With care = voorzichtig! To Mr. W. (To the care of)
Mrs. Müller = per adres (ook c. o. = p. a.); Have a care = pas op! He
took care to ... = zorgde er voor, dat ...; I don’t care if I do = ’t
is mij goed; He did not care to do it = deed het liever niet; I like
you, and I don’t care to own it = en erken het graag; He did not care a
pin, a curse, a damn = hij gaf er geen zier om; Let him go, I don’t
care = het kan mij niet schelen; I don’t care about wine just now = heb
liever niet; Care-taker = huisbewaarder; Care-worn = aftgetobd, door
zorgen versleten; Careful = bedacht, zorgvuldig, spaarzaam: I am
careful for nothing = ik geef om niets; Careful of = zorgvuldig,
spaarzaam; He was not careful to deny it = hij erkende het gaarne;
subst. Carefulness; Careless, zorgeloos; subst. Carelessness.
Careen, kərîn, een schip kanten, naar ééne zijde overhellen, kielen;
Careenage = plaats daarvoor, of de kosten daarvan.
Career, kərîə, subst. loopbaan, snelle vaart; Career verb. zich snel
bewegen, snel doen loopen: We were careering along at the rate of sixty
miles an hour = wij snelden voort met eene vaart....
Carelia, kərîljə, Carelië.
Caress, kəres, subst. liefkoozing, omhelzing; Caress verb. liefkoozen,
omhelzen, aanhalen.
Caret, kêrət, karət, een teeken (^) bij het corrigeeren, om aan te
duiden, dat een ontbrekend woord moet worden ingevoegd.
Carew, kərû, karû.
Cargo, kâgou, lading, goederen; Cargo-carrying = vrachtvarend.
Caria, kêriə, Carië.
Carib, karib, Karibe; Caribal, Karibisch = Carib(b)ean, karibjən;
Carib(b)ee, karibî = Carib = Carrib(b)ean Islands.
Caribou, karibû, karibû, N. Amer. rendier.
Caricature, karikətjuə, subst. karikatuur; Caricature verb.
karikatureeren, bespottelijk voorstellen; Caricaturist = karikaturist.
Caricous, karikɐs: Caricous tumour = vijggezwel.
Caries, kêriîz, beeneter.
Carillon, karil’n, klokkenspel.
Carinthia, kərinthiə, Carinthië; Carinthian = Carinthisch; Carinthiër.
Cariole, karioul, tweewielig rijtuigje.
Cariosity, kêriositi, beeneter; Carious: Carious tooth = holle tand.
Cark, kâk, subst. last, gewicht, zorg, kommer; Cark verb. kwellen;
bezorgd zijn: Cark and care = kommer en zorg; Carking cares = kwellende
zorgen.
Carl(e), kâl, kerel, ruwe vent, boer; Carlin(e), kâlin, oud wijf, heks.
Carlisle, kâlail.
Carlovingian, kâləvinžən, Karolingisch.
Carlyle, kâlail; Carlylean = Carlyliaansch; Carlylese, Carlylesque, in
den stijl (trant) van C; Carlylism = volgens C’s spraakgebruik.
Carmagnole, kâm’njoul, Carmagnole.
Carmarthen, kâmâth’n.
Carmelite, kâməlait. Karmeliet; Karmalitisch; soort laken, soort v.
peer.
Carmichael, kâmaik’l, kâmaik’l.
Carmine, kâm(a)in, karmozijn.
Carnage, kânidž, subst. bloedbad, slachting; Carnage verb. moorden.
Carnal, kân’l, vleeschelijk, zinnelijk: Carnal intercourse =
vleeschelijke gemeenschap; Carnal-minded = zinnelijk; Carnality,
zinnelijkheid.
Carnarvon, kânâv’n.
Carnassial kânaš’l: Carnassial tooth = scheurtand.
Carnation, kâneiš’n, anjelier; vleeschkleur.
Carnegie, kâneigi.
Carnival, kâniv’l, carneval, pret.
Carnivore, kânivö, vleeschetend dier; Carnivorous, vleeschetend.
Carol, kar’l, subst. (lof)zang, lied, gekweel; Carol verb. (lof)zingen,
kweelen.
Carolina, karəlainə; Caroline, karəl(a)in: The Caroline Age = tijd van
Karel I.
Carolus, karəlɐs, gouden munt (van Karel I) van 20, later 23 shillings.
Carom, karəm, carambole; gelukje; Carom verb. caramboleeren (Amer.).
Carousal, kərauz’l, feest, drinkgelag; Carouse, subst. drinkgelag;
Carouse verb. drinken, pret maken; Carouser = pretmaker.
Carp, kâp, karper.
Carp, kâp, vitten, bedillen (at).
Carpathian, kâpeithiən, Karpatisch.
Carpenter, kâp’ntə, subst. timmerman; Carpenter verb. timmeren;
Carpentry = timmermansambacht, -werk.
Carpet, kâpət, subst. tapijt; tafelkleed, looper; adj. verwijfd, salon
- -; Carpet verb. met een tapijt beleggen; berispen: Carpeting =
tapijtstoffen; It is on the carpet now = het is nu op het tapijt; To
bring on the carpet = op het tapijt brengen (fig.); Carpet-bag = subst.
reiszak, valies: Carpet-bag politicians of Carpet-baggers = eigenlijk
de politieke avonturiers, die na den oorlog v. 1861–65, naar de
zuidelijke staten in N. Amer. trokken om, met behulp van de negro-vote,
polit. invloed te krijgen en wier eenige property-qualification vaak
slechts uit den inhoud van hun carpet-bags bestond; Carpet-beater =
tapijtklopper; bediende aan tafel (iron.); Carpet-dance (Carpet-hop) =
geïmproviseerd huiselijk bal; Carpet-knight = saletjonker; Carpet-rod =
traproede; Carpet-slippers = gewerkte pantoffels; Carpet-walk = zacht,
mossig pad.
Carpus, kâpəs, handwortelbeenderen.
Carrack, karək, karaak.
Carrag(h)een, karəgîn, Iersch mos.
Carriage, karidž, subst. rijtuig, wagon; affuit; vervoer; vrachtprijs;
last, gedrag, houding, leiding, geraamte (van wagens):
Carriage-builder; Carriage-clock = reisklokje; Carriage-door = portier;
Carriage-double = dubbele slag met den klopper; deurtjebel;
Carriage-drive = rijlaan; Carriage-free = franco (Carriage-paid);
Carriage-step = trede; Carriage-tapper = spoorbeambte die a/h laatste
station de rijtuigen nazoekt.
Carrick-bend, karikbend, kruissteek (scheepst.).
Carrier, kariə, vrachtrijder, vervoerder, voerman: General carrier =
expediteur, bode, postduif (= Carrier-pigeon).
Carrion, kariən, subst. kreng: Carrion-beetle = aaskever; Carrion-crow
= aasraaf; Carrion-vulture = aasgier.
Carrom, karəm, Zie Carom.
Carronade, karəneid, scheepskanonnetje.
Carrot, karət, gele wortel, karot: Carrots = rood haar; rooie; Carroty
= geelrood.
Carry, kari, dragen, vervoeren, brengen, overbrengen, overdragen (van
eigendommen enz.), binnenbrengen; wegnemen; uitwerken, volbrengen, de
overhand behouden, verdragen, meebrengen, bij zich hebben, verkrijgen;
uitdrukken; vertoon maken, bevatten; met geweld nemen, kleven (van
sneeuw b.v. aan de voeten), het hoofd hoog dragen; draagwijdte: To
carry the day = de overwinning behalen; To carry coals = zich als
voetveeg laten gebruiken; To carry coals to Newcastle = turf in ’t veen
brengen; The motion was carried = aangenomen; Seven and eight are
fifteen, five carry one = vijf ’k houd er één; To carry an outwork =
(in)nemen (Mil.); To carry property = overdragen; Don’t carry tales =
klap niet uit de school; To carry the wind = het hoofd hoog dragen (van
paarden); To carry one’s years lightly = met eere. Met adject.: To
carry fair = zich vriendelijk toonen; That is carrying it very fine =
gij neemt het zeer nauw; To carry it high = zijn neus in den wind
steken; Fetch and carry = apporteeren. Carry Met voorz. en bijw.: To
carry about = (met zich) ronddragen; Quantity carried it against
quality = won het van; To carry along = voortdragen; To carry away =
wegdragen; As far as my memory will carry me back = gaat; I was (got)
carried away by my anger = liet mij meesleepen; He carried everything
before him = won alles, van allen; It will be carried forward (to your
credit) = geboekt, overgebracht; The work was carried into execution =
ten uitvoer gebracht; To carry off = wegvoeren; She carried off the
honours in her class = behaalde de prijzen; To carry a thing off = iets
tot een goed einde brengen, redden door talentvolle behandeling, zich
er doorslaan; Drink and idleness carried them off = sleepten ... ten
grave; Don’t carry on like that = stel u niet zoo aan; To carry on a
business, a lawsuit = drijven, proces voeren; To carry out = naar
buiten dragen, uitvoeren, voleinden; To carry over = overdragen,
transporteeren, vertalen; The character of the hero is carried through
to the end = volgehouden; They carried it through at all costs = zetten
het door “coûte que coûte”; Carry-all = Am. rijtuig; slede;
Carrying-agent = expediteur; Carrying-business = expeditiezaak;
Carrying-trade = expeditiezaak, reederij; vrachtvaart; Carrying-traffic
= goederenvervoer; Carrying-van = vrachtwagen.
Carse(land), kâs(land), aangeslibd land (Schotl.).
Cart, kât, subst. vracht(kar); Cart verb. per vrachtkar vervoeren: To
put the cart before the horse = de paarden achter den wagen spannen; To
be put in the cart = beetgenomen worden; Cartage, kâtidž,
vrachtvervoer, vrachtloon; Canvas cart-cover = huif; Cart-horse =
karrepaard; Cart-load = vracht; Cart-wheel = wagenrad, 5 shillingstuk;
To do (tumble, turn) cart-wheels = kopje-over duikelen; Cartwright =
wagenmaker; Carter = karrijder, vrachtrijder.
Carte, kât, paradeslag, menu, photographie: Carte-de-visite,
kâtdəvizît.
Cartel, kât’l, kâtel, overeenkomst tot uitwisseling van gevangenen;
cartel; uitdaging.
Cartesian, kâtîž’n, Cartesiaansch aanhanger van Descartes:
Cartesian-devil (Cartesian-diver, Cartesian-figure) = C. duikertje.
Carthamus, kâthəmɐs, saffloer.
Carthage, kâthidž, Carthago; Carthagian, kâtheidžj’n, Carthaagsch;
Carthager.
Carthusian, kâthjûžən, Karthuizer (monnik).
Cartilage, kâtilidž, kraakbeen; Cartilaginous, kâtiladžinɐs,
kraakbeenachtig, kraakbeen ...
Carton, kât’n, karton, wit van eene schietschijf of een schot daarin.
Cartoon, kâtûn, kartonteekening; spotprent, die een geheele pagina
vult; patroon; Cartoonist = caricatuurteekenaar.
Cartouche, kâtûš, kardoes, patroon; huls; sierlijst: Cartouche-box,
kardoeskist.
Cartridge, kâtridž, patroon, kardoes: Cartridge-bag; Cartridge-box;
Cartridge-paper (ook een soort teekenpapier); Cartridge-pouch =
patroontasch; Ball cartridge, Blank cartridge = scherpe, losse patroon.
Cartulary, kâtjuləri, klooster of kerkregister, archief, archivaris.
Carve, kâv, snijden, voorsnijden, beeldsnijden, graveeren: To carve
one’s way = zich een weg banen; Every one must carve out his own
fortune = ieder is de bewerker van zijn eigen fortuin; Carved = Carven
= gesneden, gebeeldhouwd; Carver = beeldhouwer, houtsnijder; Carving =
snijwerk: Carving-knife = voorsnijmes.
Caryatid, kariatid (Meerv. Caryatides, kariatidîz), caryatide.
Cascade, kaskeid, kleine waterval; ook Cascade verb.
Case, keis, subst. etui, schede, kist, kast, koker, trommel, stolp,
dek, overtrek, band, letterkast; gebeurtenis, voorbeeld, rechtszaak,
rechtsgrond, naamval, geval, toestand; Case verb. insluiten,
overtrekken, in een koker of kist doen: Botanical case (Dressing case,
Surgical case); In your case = geval; In case of need = geval van nood;
In no case; In nine cases out of ten; To be in the case = in ’t spel
zijn; The case is still on = de zaak is nog voor; The prosecution
failed to make out its case = slaagde er niet in de aanklacht te
motiveeren; To make out one’s own case = voor eigen belangen opkomen;
Case-harden = harden; verharden (fig.); Case-bottle = veldflesch;
Case-knife = dolk, hartsvanger; Case-shot = (granaat)kartets;
Case-window = schuifraam; Case-work = het maken van den band, het
bevestigen van het ingenaaide boek; zetten.
Casein(e), keisi-in, kaasstof.
Casemate, keismeit, kazemat; hol lijstwerk.
Casement, keism’nt, keizm’nt, openslaand venster, hol lijstwerk.
Caseous, keisiəs, kaasachtig.
Cash, kaš, subst. kas, geld, gereed geld; Cash verb. wisselen,
incasseeren, te gelde maken, realiseeren, honoreeren; de kas opmaken
(up): Down with the cash = eerst geld! For cash = à contant; To be in
cash = bij kas zijn; To be out of (not in, short of) cash = slecht bij
kas zijn; To keep the cash = de kas houden; To pay (in) cash = contant
betalen; To sell for cash = à contant; Hard (Ready) cash = baar geld;
These are 6 sh. cash = kosten 6 sh. contant; Cash-book; Cash-box =
geldcassette; Cash-keeper = kashouder; Cash-price = prijs tegen contant
geld; Cash-system = contante betaling.
Cashier, kəšîə, subst. kassier; Cashier verb. ontslaan, afdanken.
Cashmere, kašmîə, kašmîə, subst. cachemir: Cashmere shawl.
Cashoo, kəšû, cachou, of catechu.
Casing, keisiŋ, omhulsel, foudraal, overtrek, bekleeding, mantel.
Casino, kasînou, Casino.
Cask, kâsk, vat, ton; Cask verb. in een vat doen.
Casket, kâskət, cassette, kistje; kostbare doodkist (Amer.); Casket
verb. in eene cassette of een kistje besluiten.
Caspian (The), kaspj’n, de Kaspische Zee.
Casque, kâsk, helm, stormhoed: Gold casque = gouden oorijzer.
Cassation, kəseiš’n, cassatie: Court of Cassation = hof van cassatie
(Frankrijk).
Casse-paper, kaspeipə, kaspapier.
Cassia, kašə, cassia; kassie; laurier(bast).
Cassimere, kasimîə, kazimier (wollen stof).
Cassinet(te), kasinet, soort stof.
Cassino, kəsînou, soort kaartspel.
Cassock, kasək, engsluitende toog van priesters of koorknapen, soutane.
Cassonade, kasəneid, ongeraffineerde suiker.
Cassowary, kasəwəri, Casuaris.
Cast, kâst, subst. worp, gooi; oogopslap, blik; vorm, afgietsel,
indruk, tint, karakter, aard, berekening, rolverdeeling; Cast verb.
werpen, afwerpen, te vroeg werpen, neerwerpen, overwinnen, stem
uitbrengen, doen verliezen, uitschiften, afdanken, berekenen; de rollen
verdeelen; optellen, uitrekenen, krom trekken, gieten, stereotypeeren,
vallen, zoeken: His genius was of a gloomy cast = somberen aard; A
promising cast = goede hengelplaats; The cast of a man’s features =
vorm; The cast of the play was excellent = rolverdeeling; He has a cast
in his eye = hij kijkt loensch; I am at the last cast = tot het
uiterste gebracht; He made an unsuccessful cast at the line of the fox
= slaagde niet het spoor te vinden; The die is cast = de teerling is
geworpen; The horse cast itself = sloeg over den kop; To cast (up)
accounts (charges, expenses) = opmaken; To cast anchor = laten vallen;
To cast doubts on = twijfel oppperen omtrent; To cast dust into a
person’s eyes = iemand zand in de oogen strooien; To cast light on =
licht laten vallen op; To cast a look (glance, eye) on = blik werpen;
To cast lots = loten; To cast a person’s nativity = iemands toekomst
uit de sterren voorspellen; To cast parts = de rollen verdeelen; To
cast reflections = critiseeren; The horse cast a shoe = verloor een
hoefijzer; To cast a thing in a person’s teeth = iemand iets voor de
voeten werpen; To cast votes = stemmen; The cow has cast her young =
ontijdig geworpen; He cast himself adrift upon the world = ging de
wijde wereld in; To cast loose = losgooien; Met voorz. en bijw.: To
cast about for the philosopher’s stone = zoeken naar den steen der
wijzen; He was cast for Horatio = aangewezen voor de rol; I cast in my
lot with that party = sloot mij aan bij; He began to cast in his mind =
bij zich zelven te overleggen; To cast off copy = een gedeelte van een
handschrift zetten, om te zien hoeveel pagina’s druks het wordt; To
cast off = losgooien (van een schip); The ship cast off = gooide de
trossen los; She cast me off = gaf mij den bons; He cast himself on his
enemies = gaf zich over, deed een beroep op; I cast myself on your pity
= doe een beroep op; To cast up = uitwerpen, opslaan, uitbraken;
optellen, berekenen; Castaway, kâstəwei, subst. balling, verworpeling;
schipbreukeling; ontredderd schip; adj. nutteloos, verworpen;
Cast-house = gieterij; Cast-iron = gietijzer; adj. onverzettelijk,
onhandelbaar; Cast-off = waardeloos, afgedankt; Cast-steel = gegoten
staal; Casting = gieten, gietstuk; adj. beslissend: Casting-bottle =
spuitfleschje; Casting-net = werpnet; Casting vote = beslissende stem.
Castanea, kasteinjə, kastanje.
Castanets, kastənets, castagnetten.
Caste, kâst, kaste: To lose caste = zijn rang in de maatschappij
verliezen; Caste feeling = kastengeest.
Castellan, kastəl’n, slotvoogd; Castellated = van torens en kanteelen
voorzien.
Caster, kâstə, gooier, gieter, regisseur, rekenaar, wieltje, strooier,
afgedankt dienstpaard: Set of casters = olie en azijnstel.
Castigate, kastigeit, kastijden, gispen, verbeteren; Castigation =
kastijding, tekstverbetering.
Castile, kastîl, Castilië; Castilian, kastilj’n, Kastiliaan(sch).
Casting, Zie Cast.
Castle, kâs’l, subst. kasteel, slot; Castle verb. rokkeeren: It brought
down the whole card-castle = deed het heele kaartenhuis instorten;
Castle in the air, Castle in Spain = luchtkasteel; Castle-builder =
droomer, fantast; Castle-gate = slotpoort; Castle-keeper = slotvoogd;
Castled elephant = torendragende oorlogsolifant.
Castor, kâstə, bever(geil); kastoren hoed; wieltje; strooier:
Castor-oil = wonderolie.
Castor and Pollux, kâstər’ndpoləks, de Tweelingen (Dierenriem); St.
Elmusvuur.
Castoreum, kastôriəm, bevergeil.
Castrate, kastreit, castreeren, een boek zuiveren van aanstootelijke
plaatsen; subst. eunuch; adj. gecastreerd; Castration = ontmanning,
etc.; Castrato = gecastreerd zanger.
Casual, kažuəl, adj. toevallig, bij gelegenheid voorkomend; subst.
daklooze (in een asyl of armhuis tijdelijk opgenomen): Casuals = de bij
een ramp omgekomenen; de als vermist opgegevenen; Casual labourers =
losse werklieden; Casual ward = asyl; Casualism = de leer dat alles
toeval is; Casualist, aanhanger van die leer; Casualty = toevalligheid,
toeval, ongeluk; Casualties = verliezen aan menschenlevens, ongelukken,
ongevallen.
Casuistic(al,) kažuistik(’l), casuistisch; Casuist = sophist;
Casuistics = Casuistry, casuistiek.
Cat, kat, subst. kat (ook fig.); soort van schip, sterke takel, dubbele
treeft; Cat verb. katten (scheepst.): Every cat to her kind = het muist
wat van katten komt; A cat has nine lives = een kat komt altijd op zijn
pootjes neer; The cat is out of the bag = het geheim is verklapt; Care
killed the cat = Vooruit! er is geen lieve moederen aan; To let the cat
out of the bag = uit de school klappen; They live like cat and dog =
als kat en hond; It rained cats and dogs = het regende baksteenen; To
see how the cat jumps = de kat uit den boom kijken; He leads her a
cat-and-dog life = zij heeft een hondenleven bij hem; You have been
made a cat’s paw of by her = ze heeft je de kastanjes uit het vuur
laten halen; The translator plays the cat and banjo with Heine’s most
tuneful metres = bederft totaal; Cat-bird = Amer. spotlijster; Cat-call
(Cat-pipe) = schel fluitje; Cat-call verb. uitfluiten; Cat-eyed = in
staat in ’t donker te zien; Cat-gut = darmsnaar; soort stramien;
Cat-gut scraper = fidelaar; Cat-head = kraanbalk; Cat-nap =
hazenslaapje, dutje; Cat’s eye = kat(ten)oog; Cat’s paw = licht
briesje; dupe, werktuig; Cat’s meat = vleeschafval (voor katten);
Cat’s-tail = kattestaart, breedbladige lischdodde; The cat-scene = het
tooneel (in de Engelsche pantomimes), wanneer alles duister is, juist
voor de transformation scene; Cattish = kattig; subst. Cattishness.
Cataclysm, katəklizm, geweldige beroering, groote ramp, zondvloed:
Cataclysmal, als een c.
Catacombs, katəkoumz, Catacomben.
Catafalque, katəfalk, katafalk.
Catalepsy, katəlepsi, zinvang; Cataleptic = lijder aan z.; lijdend aan
z.
Catalogue, katəlog, subst. catalogus; Catalogue verb. catalogiseeren:
He did not know how to catalogue her = waar te plaatsen.
Catalonia, katəlounjə, Catalonië; Catalonian, Catalonisch, Cataloniër.
Catamaran, katəməran, kətaməran, vlot, platboomd vaartuig; feeks.
Catamount(ain), katəmaunt(in), puma.
Catapult, katəpɐlt, catapult.
Cataract, katərakt, waterval; cataract, grauwe staar: To couch a
cataract = van de staar lichten.
Catarrh, kətâ, catarrhe; Catarrhal syringe = neusspuit.
Catastrophe, kətastrəfi, catastrophe; adj. Catastrophic.
Catch, katš, subst. vangst, buit, trek, goede partij, voordeeltje,
houvast, greep, strikvraag, stokken (v. stem), onderbreking,
afwateringssloot, cànon (muziek), steunijzer, klink; Catch verb.
vangen, grijpen, achterhalen (up), betrappen; boeien, winnen,
begrijpen, treffen, toebrengen, in de rede vallen (up), blijven hangen,
afnemen, vatten (van koude, eene ziekte, enz.); verward raken, in
elkaar grijpen, aanstekelijk zijn, zich verbreiden (on): A bit of a
catch = een fortuintje; A poor catch = schrale vangst; It is no great
catch = niet veel zaaks; Great catches = begeerlijke partijen; She
married the catch of the season = beste partij van het Season (in
Londen van Mei tot Aug.); There is a catch in it = er steekt wat
achter; To live upon the catch = van roof leven; To catch it = een pak
slaag oploopen, er van langs krijgen; Catch me (at it)! = dat kan je
denken! dan kan je lang wachten! Catch and have = wien heeft, dien
wordt gegeven; To catch the Speaker’s eye = door opstaan den voorzitter
om ’t woord vragen, het woord krijgen; To catch a glimpse of = in ’t
oog krijgen, even zien; To catch hold of = aanpakken, vastgrijpen; I
don’t catch your meaning (what you say) = begrijp, snap niet; To catch
sight of = in ’t oog krijgen; To catch step = in den pas komen; To
catch the train = halen; He caught at all opportunities = pakte aan; He
caught at me = greep naar; I’ll make him catch on = doen toehappen; You
have caught on here = succes gehad; To catch out = op een fout
betrappen; The lake was caught over = met een vliesje ijs bedekt; He
caught towards him a scrap of paper = haalde naar zich toe; To catch up
= haastig opnemen; terechtwijzen; Catch-drain = wetering, afvoerkanaal;
Catch-’em-alive = soort vliegenpapier; Catch-lands = markegronden;
Catch-line = korte titelregel tusschen 2 langere met grooter letter;
vervolgwoord onder aan de bladzijde: The report of the Labour
Commission is the latest catch-line = het rapport van de
Enquête-commissie v. d. Arbeid is het jongste opvallend onderwerp van
den dag; Catch-meadow = gedraineerde weide; A catch-penny title = een
verlokkende, bedriegelijke titel; Catchphrase = een op effect berekende
uitdrukking; Catch-pole, Catch-poll = dievenvanger; Catch-question =
strikvraag; Catchword = vervolgwoord onder aan eene bladzijde,
slagwoord (bij acteurs); leus; Catching = besmettelijk, aanstekelijk;
pakkend, bekoorlijk.
Catchup, katšəp, pikante saus (uit champignons, tomaten, etc. ook
Catsup, en Katchup).
Cate(s), keit(s), spijs, lekkernijen.
Catechetic(al), katəketik(’l), catechetisch; Catechism = catechismus;
Catechistic(al) = catechetisch; Catechization = catechisatie, Catechize
= catechiseeren, onder handen nemen.
Catechu, katə(t)šû, cachou.
Catechumen, katəkjûm’n, katechumeen, beginner.
Categorical, katəgorik’l, categorisch; Category = categorie.
Cater, keitə, voedsel, genot, enz. verschaffen: In those days art
catered to (for) the national vanity = vleide de kunst de nationale
ijdelheid; Cater-cousin, keitəkɐz’n, verre bloedverwant, goede vriend;
Caterer = leverancier, proviandmeester.
Cateran, katər’n, Iersche of Schotsche vrijbuiter.
Caterpillar, katəpilə, rups.
Caterwaul, katəwôl, subst. kattengegrol; Caterwaul verb. grollen als
krolsche katten.
Catharina, kathərainə, Catharina; Catharine, kathərin: Catharine-wheel
= radvenster; vuurrad: To do (turn) Catharine-wheels = buitelen.
Cathedra, kathidrə, kəthîdrə, bisschopsstoel; katheder: Ex cathedra =
met gezag; uit de hoogte.
Cathedral, kəthîdr’l subst. kathedraal; adj.: Cathedral church =
domkerk.
Catherine, kathərin.
Cathode, kathoud, negatieve pool (electr.).
Catholic, kathəlik, katholiek, algemeen, onpartijdig; subst. R.
Katholiek: Roman Catholic Church = de R.K. kerk; Catholicism,
katholicisme; Catholicity = algemeenheid, onpartijdigheid; Catholicize
= katholiseeren.
Catilina, katilainə (Catiline, katilain), Catilina; Catilinarian,
Catilinarisch; samenzweerder.
Catkin, katkin, katje (van wilgen, enz.).