= een soort quadrille.
Calefacient, kalifeišn’t, adj. en subst. verwarmend (middel);
Calefaction, kalifakš’n, verwarming; Calefactor = klein kookfornuis;
Calefactory = verwarmend.
Calembourg, kal’mbûə of Fr. uitspr. woordspeling.
Calendar, kal’ndə, subst. kalender, register, rol; Calendar verb.
registreeren: Perpetual calendar, Tear-off calendar; Turn-over
calendar; Calendar-month = zonnemaand.
Calender, kal’ndə, subst. kalander; Calender verb. kalanderen;
Calenderer.
Calends, kal’ndz, eerste dag van iedere maand bij de Romeinen: At (on)
the Greek calends = nooit.
Calendula, kəlendjulə, goudsbloem.
Calenture, kal’ntjulə, ijlende koorts (door de hitte in tropische
gewesten).
Calf, kâf, (Meerv. Calves, kâvs), kalf (ook fig.), kalfsleer; kuit: To
kill the fatted calf; Calf-love = kalverliefde; Calf-skin = kalfsvel
(leer).
Calhoun, kalhûn.
Caliban, kaliban, verdierlijkt wezen, wildeman.
Caliber, Calibre, kalibə, kəlîbə, kaliber; gesteldheid, waarde;
bevattingsvermogen: Caliber-compasses. Zie Callipers; Calibrate =
kalibreeren; van graadstrepen voorzien; subst. Calibration.
Caliciform, kalisiföm, kelkvormig.
Calico, kalikou, calicot (in Amerika bedrukt katoen); Calico-ball =
bal, waarop de dames katoenen japonnen dragen.
California, kaliföniə; Californian = Californiër, Californisch.
Caligo, kəlaigou, vlek op het hoornvlies.
Calipash, kalipaš, kalipaš, groenachtig vleesch van een schildpad aan
de rugzijde; Calipee, kalipî, kalipî, geelachtig vleesch van een
schildpad aan het buikschild.
Caliph, kalif, keilif, kalif; Caliphate, kalifeit, keilifeit, kalifaat.
Calisthenics, kalistheniks, vrije- en orde(n)-oefeningen (vooral voor
meisjes).
Calix, kaliks, keiliks = Calyx.
Calk, kôk, subst. ijsspoor, scherpe kalkoen, ijsnagel; Calk verb. van
ijssporen voorzien, op scherp zetten, calqueeren (kalkeeren), breeuwen;
Calkin = ijsspoor, etc.; Calking-iron = breeuwmes, kalefaatijzer.
Call, kôl, subst. roep, oproeping, aanmaning, roepstem, beroep,
smeeking, roeping, aanleiding, vraag, uitnoodiging, ‘invite’ bij
kaartspel, kort bezoek, appèl, stoot op een jagershoorn,
bootsmansfluitje, lokstem(-fluit); Call verb. noemen, rekenen,
oproepen, uitroepen, bijeenroepen, aanstellen, inroepen, toeroepen,
luide roepen, bezoeken, manen, opvorderen: At call = ter beschikking;
He is at my beck and call = hij staat klaar voor mij; To be within call
= te beroepen; To accept (to get, receive) a call = een (predikants)
beroep; To get the call = opgeroepen worden (brandweer); To give a call
= bezoeken (Verg.: To return a call); You had no call to say such a
thing = gij waart niet geroepen, het was niet aan u; It seems such a
far call = zoo’n groote sprong (fig.); A call of the House = het
oplezen van de presentielijst (Parlement); Call of obligation (Duty
call) = verplichte visite; The headmaster called absence = hield appèl;
To call to account = ter verantwoording; To call to the Bar = toelaten
als Barrister; To call over the coals = een uitbrander geven; To call
to memory (mind, remembrance) = herinneren; To call names =
uitschelden; To call to naught = voor alles uitmaken; To call the roll
= appèl houden. Met voorzetsels en bijwoorden: To call after = achterna
roepen, noemen naar; To call again = weer roepen, terugkomen; To call
at = een bezoek brengen; aandoen; To call for = roepen om, vragen naar,
afhalen; To be left till called for = zal afgehaald worden; poste
restante; This called forth all his strength of mind = deed hem toonen;
To call in = binnenroepen, opvragen; To call in question = in twijfel
trekken; To call off = terugroepen, intrekken, nietig verklaren: He was
called off by Death = weggenomen, opgeroepen; To call on (a person; at
a house) = bezoeken; He called on (upon) the honour of his country =
deed een beroep op; To call out = roepen, schreeuwen; uitdagen,
oproepen (doen uitrukken) van troepen; To call over = appèl houden,
aflezen; To call round = eens aanloopen; To call up = oproepen, wekken;
Call-bird = lokvogel; Call-boy = jongen, die de acteurs op hun tijd op
het tooneel roept; jongen op een stoomboot, die den machinisten bevelen
overbrengt; Call-dinner = diner op Call-night, den promotie avond der
Barristers; Call-office = spreekcel; A called assembly = buitengewone
vergadering; Caller = bezoeker; Caller-up, kôlərɐp, morgenwekker,
porder; Calling = beroep, roeping; Calling-place = plaats door
stoombooten aangedaan.
Calligrapher, kəligrəfə, calligraaf; Calligraphic = calligraphisch;
Calligraphy = schoonschrijfkunst, schoonschrift.
Calliope, kəlaioupî, Calliope.
Callipers, kalipəz: Callipers compasses, kɐmpəsiz, krom-(mast) passer.
Callisthenics, kalis-theniks = Calisthenics.
Callosity, kəlositi, verharding, eelt; ongevoeligheid; Callous, kaləs,
verhard, vereelt; ongevoelig Callousness = verhardheid, etc.
Callow, kalou, kaal; jong, onervaren.
Calm, kâm; subst. kalmte, windstilte; adj. kalm, rustig, gelaten; Calm
verb. stillen, doen bedaren, stil worden: The wind fell a dead calm =
het werd bladstil; Calms = streek der windstilten; We shall try to calm
him down a little = wat te kalmeeren; Calmative, kâmətiv, kalmətiv,
kalmeerend (middel); Calmness = kalmte.
Calmucks, kalmuks, (de) Kalmukken.
Calne, kân.
Calomel, kaləməl, calomel.
Calorescence, kaləres’ns, overgang van niet-lichtgevende tot
lichtgevende warmtestralen.
Caloric, kalorik, adj. warmte - - -: Caloric engine =
heete-luchtmachine; subst. warmte; Caloriduct = warmtebuis; Calorifere,
kəlorifîə, calorifère; Calorific, kalərifik: Calorific rays =
warmtestralen; Calorimeter, kalərimətə = calorimeter; Calorimetric =
calometrisch; Calory = calorie.
Calotte, kəlot, kalotje, kuif.
Caltrop, kaltrəp, voetangel (Caltrops = glasof potscherven);
sterredistel.
Calumet, kaljumet, vredespijp.
Calumniate, kəlɐmnieit, belasteren; Calumniation = belastering;
Calumniator = lasteraar; Calumniatory = lasterlijk = Calumnious;
Calumny = laster.
Calvary, kalvəri, calvarieberg, kruisweg (of statie).
Calve, kâv, kalven, jongen voortbrengen.
Calville, kalvil, kalvil, kalvijnappel.
Calvinism, kalvinizm, calvinisme; Calvinist = calvinist;
Calvinistic(al) = calvinistisch.
Calx, kalks, oxyde, glasafval.
Calyx, keiliks, kaliks, bloemkelk.
Cam, kam, subst. duim, lichter, kam: Cam-wheel = excentriek.
Camaieu, kamaijû, camee = Cameo.
Camarilla, kamərilə, camarilla.
Camber, kambə, subst. kromming, ronding; Camber verb. krommen.
Cambist, kambist, wisselaar, wisselhandelaar.
Cambium, kambj’m, cambium.
Cambray, kambrei, Kamerijk; Cambria, kambriə, Cambrië, Wales: Cambrian
= Cambrisch; Cambriër.
Cambric, keimbrik, batist; (batisten) zakdoek: Cambric-paper =
satijnpapier.
Cambridge, keimbridž.
Camden, kamd’n: Camden Town = wijk in het N.W. van Londen.
Came, keim, imperf. van to come.
Camel, kam’l, kameel, scheepskameel: Camel-backed = bochelig; Cameleer
= kameeldrijver; Camelry = infanterie op kameelen.
Cameleon, Z. Chameleon.
Camellia, kəmeliə, camelia.
Camelopard, kəmeləpâd, kamələpâd = giraffe.
Cameo, kamiou, camee.
Camera, kamərə, camera, kamer.
Camerated, kaməreitid, gewelfd, in kamers afgedeeld.
Cameronian, kamərounj’n, volgeling van R. Cameron. Schot. Presbyt:
Cameronian regiment = 1ste bataljon Schotsche jagers.
Cameroons, kamərunz: The Cameroons = Kamerun.
Camisole, kamisoul, kamizool.
Camlet, kamlət, kamelot.
Camomile. Zie Chamomile.
Camp, kamp, subst. kamp; kuil vol rapen (aardappels); wintervoorraad
van aardappelen, etc.; Camp verb. kampeeren; onder den blooten hemel
verblijven (out); To strike camp = een kamp opbreken; Camp-bed(stead) =
veldbed; Camp-chair = vouwstoel met leuning; Camp-fire = kampvuur;
officierenfuif (Amer.); Camp-follower = marketentster; Camp-meeting =
zendingsfeest (Amer.) Camp-stool = vouwstoel.
Campaign, k’mpein, subst. veldtocht; vlakte; Campaign verb. een
veldtocht medemaken; Campaigner = veteraan.
Campana, kampeinə, keukenkruid.
Campaniform, k’mpaniföm; Campanulate(d), Campanulous = klokvormig.
Campanile, kampən(a)il, klokketoren.
Campanula, k’mpanjulə, klokje.
Campbell, kamb’l.
Campeachy(wood), k’mpîtši, Campèche.
Camperdown, kampədaun.
Camphene, Camphine, kamfîn, kamfin, zuivere terpentijnolie.
Camphor, kamfə, kamfer; Camphoraceous = kamferachtig; Camphorated, met
kamfer doortrokken, kamfer - -; Camphoric = kamfer - -.
Campvere, kampvîə, Veere.
Can, kan, subst. kan, kroes, kap, blik (Amer.); Can verb. vleesch
(vruchten) in blikjes conserveeren: They are cup and can = koek en ei;
Canned meat = vleesch in blikjes; Canner = inmaker; Cannery = fabriek
v. inmaking.
Can, kan, kunnen: It is cheap as can = zoo goedkoop mogelijk; Can do is
easily carried = lichter gezegd dan gedaan.
Canaan, keinən, keinəan, Kanaän; Canaanite, keinənait, Kanaäniet;
Canaanitic, keinənaitik, Canaanitish, keinənaitiš, Kanaänitisch.
Canada, kanəda; Canadian, kəneidj’n, Canadisch; Canadees.
Canaille, keneil, kanalje, gepeupel.
Canal, kənal, kanaal: Canal boat = trekschuit; Canalization =
kanalisatie; Canalize, kanəlaiz, kənalaiz, kanaliseeren.
Canard, kənâ(d), canard.
Canary, kənêri, kanarie; kanarie sek; oude dans; The Canaries = de
Kanarische Eilanden.
Canaster, kənastə, rieten mat.
Cancan, kankan, wulpsche Fransche dans.
Cancel, kans’l, subst. strepen halen door; vernietigen, intrekken,
buiten omloop stellen; Cancellate(d) = getralied, netvormig;
Cancellation = intrekking, annuleering; netvormigheid.
Cancer, kansə, kreeft, kanker: The Tropic of Cancer = Kreeftskeerkring;
To die of a cancer; She had the cancer cut out of her breast = werd
geopereerd van; Cancerate = verkankeren; Canceration = verkankering;
Cancerous = kankerachtig = Cancroid.
Cancriform, kankriföm, kankerachtig; kreeft (krab)vormig = Cancrine.
Candelabrum, kandəleibr’m, kroonluchter.
Candia, kandjə, Candia; Candian = Candioot.
Candid, kandid, eerlijk, vrijmoedig, oprecht; Candidness = eerlijkheid,
etc.
Candidate, kandideit, candidaat, sollicitant; Candidacy, Candidateship,
Candidature = candidatuur.
Candied, kandid, geconfijt, geglaceerd; vleierig.
Candle, kand’l, kaars, licht, normaalkaars: When candles are out all
cats are grey = bij nacht zijn alle katten grauw; He went off like the
snuff of a candle = hij ging uit als een nachtkaars; He cannot (is not
fit to) hold a candle to you = hij kan niet in uw schaduw staan; To
hold a candle to the devil = een kaars voor den duivel opsteken
(steunen wat verkeerd is); The game is not worth the candle = de sop is
de kool niet waard; For this we owe the author a candle = mogen wij den
schrijver wel dankbaar zijn; Candleberry = croton, laurierbes;
Candle-box = kaarsenbak; Candle-end economies = kleine bezuinigingen;
Candle-light = kaarslicht (ook fig.): She is a candle-light beauty =
schoon bij de kaars; Candle-lighter = soort fidibus; Candlemas = Maria
Lichtmis (2 Februari); Candle-snuffer = snuiter; Candle-stick =
kandelaar; Candle-waster = dief (aan de kaars); Candle-wick =
kaarsepit.
Candour, kandə, oprechtheid, eerlijkheid.
Candy, kandi, subst. kandij, suikergoed; Candy verb. met suiker
inleggen; kristalliseeren, konfijten (Candyshop = snoepwinkeltje),
(Amer.): He has too much candy = een te lekker leventje.
Cane, kein, subst. riet, suikerriet, bamboes, rottang, rotting; Cane
verb. met een riet afranselen (= To give one the cane); met riet
matten: Bengal cane = Spaansch riet; A cane-(bottom) chair = stoel met
rieten zitting; Cane-mill = suikerrietmolen; Cane-trash = afval van
suikerriet.
Canella, kənelə, kaneel(plant).
Canicula, kənikjulə, hondsster; Canicular Days = hondsdagen; Caniculars
= kreupelrijm.
Canine, kənain, kanain, honds...; hond: Canine appetite = hondshonger;
Canine laugh = hondskramp; Canine madness = hondsdolheid; Canine teeth
= oogtanden.
Canister, kanistə, bus, kartets (= Canister-shot); Canister verb. in
een bus doen; een hond een blikken ketel aan zijn staart hangen.
Canker, kankə, subst. kanker, brand, roest, gifzwam, knagende worm
(fig.), woekerende ziekte; Canker verb. kankeren, aansteken, knagen
aan, wegvreten; Canker-rash = roodvonk (met zwerende keel); Canker-rose
= klaproos; Canker-weed = kruiskruid; Canker-worm = blad- of
vruchtenrups (Am.); Cankered = door kanker aangetast; giftig, bedorven,
knorrig; Cankerous = verkankerend, brandig.
Cannabine, kanəb(a)in, Cannabis, kanəbis, hennep; harsachtige stof uit
hennep getrokken.
Cannel-coal, kan’lkoul, harde harshoudende kool.
Cannequin, kanəkin, wit katoenen stof (Indië).
Cannibal, kanib’l, subst. kannibaal; adj. menschenetend = Cannibalic;
Cannibalism.
Cannon, kanən, kanon, geschut; carambole; Cannon-ball; Cannon-foundry =
geschutgieterij; Cannon-proof = bomvrij; Cannon-shot =
kanonschot(afstand); Cannonade, subst. kanonnade; Cannonade verb.
(be)schieten; caramboleeren; Cannoneer = kanonnier; Cannonry = geschut,
kanonnade.
Cannula, kanjulə, afvoerbuisje (Med.); Cannular = buisvormig.
Canny, kani, omzichtig, voorzichtig, slim; spaarzaam; rustig,
behagelijk; gevaarloos.
Canoe, kənû, boot, kano; Canoe verb. in een kano varen.
Cañon, kanj’n, diepe, steile bergkloof.
Canon, kanən, canon, in zijn verschillende beteekenissen; domheer:
Canon law = canonieke wet; Canonic(al), canoniek; Canonicals =
priestergewaad; Canonicity = echtheid; Canonize = canoniseeren;
Canonry, Canonship = domheerschap.
Canopy, kanəpi, subst. baldakijn, hemel, dak; Canopy verb. met een
hemel bedekken: Canopy of heaven = hemelgewelf.
Cant, kant, schuine (gebogen) stelling, stoot, ruk, slag, afwijking;
geteem, argot; kwezelarij; auctie (Schotl.); adj. argot- -. volks- -,
huichelachtig, opgewekt, flink; Cant verb. op zijde leggen, kanten,
werpen, overhellen; teemen, kwezelen, huichelen, koeterwalen; afslaan,
verkoopen: Cant-chisel = kantbeitel; Cant-hook = kantelhaak.
Cantab, kantəb, student te Cambridge (verkorting van Cantabrigian).
Cantankerous, k’ntankərɐs, twistziek, norsch, vitterig.
Cantate, kantâtə, cantate.
Canteen, k’ntîn, cantine, veldflesch; menagekorf.
Canter, kantə, subst. korte galop; kwezelaar; afslager; Canter verb. in
korten draf of galop zijn of brengen: All was over in a canter = in een
oogenblik; He struck a canter = zette zijn paard in korten galop; To
win at (in) a canter = gemakkelijk.
Canterbury, kantəberi, kantəbəri, Canterbury; muziekstander: Canterbury
bell = klokje; Canterbury gallop (pace) = korte galop, sukkeldrafje;
Canterbury Tales = gedicht van G. Chaucer (14e eeuw); vervelend
verhaal.
Cantharis, kanthəris (meerv. Cantharides, k’n-tharidîz), Spaansche
vlieg.
Canticle, kantik’l, lied, lofzang: The Canticles = het Hooglied.
Cantinière, kantinjêə, zoetelaarster.
Cantle, kant’l, subst. hoek, stuk; achterboog van een zadel; Cantle
verb. verdeelen.
Canto, kantou, zang; sopraanstem; Cantor, kantə, voorzanger.
Canton, kant’n, k’nton, subst. kanton, schildhoek; Canton verb. in
kantons verdeelen; kantonneeren (= kənton, kəntûn); Cantonal =
kantonnaal; Cantonment = kampement (Brit. Ind.); (winter)kwartier.
Cantoon, kantûn, sterke stof (geribd aan de eene zijde, met
satijnachtigen achterkant).
Canute, kənjût, Knoet.
Canty, kanti, vroolijk, opgewekt (Schot.).
Canvas, kanvəs, subst. zeildoek, zeilen, grof linnen, kanefas, doek,
olieverfschilderij; adj. linnen: Under canvas = onder zeil in tenten;
Canvas-back = soort duikereend; Canvas-booth (Canvas-stall) = kraampje;
Canvas-map = kaart op linnen.
Canvass, kanvəs, subst. onderzoek, discussie, stemmenwerving; Canvass
verb. onderzoeken, bespreken, bezoeken afleggen (om stemmen te werven),
bewerken, werven om: Canvasser = stemmenwerver, colporteur.
Cany, keini, vol riet, rieten.
Canzona, kanzouna, kantšouna, canzone; Canzonet = liedje.
Caoutchouc, kûtšuk, kautšuk, caoutchouc.
Cap, kap, subst. pet, muts, baret, hoed, napje, top, deksel,
percussiehoedje; bepaald papierformaat; Cap verb. bedekken, eene muts
of pet opzetten; van een slaghoedje voorzien; de kroon opzetten (fig.),
overtreffen (troeven), de promotiekap opzetten, het hoofd ontblooten,
groeten: Cap and bells = zotskap; Cap of a mast = ezelshoofd
(scheepst.); Black cap = baret, die de rechter opzet, als hij het
doodvonnis uitspreekt; Fur cap = bontmuts, berenmuts; That will be a
feather in your cap = een veer op je muts; She set her cap at him =
hengelde naar hem; Let him (whom) the cap fits, wear it = wie de schoen
past, trekke hem aan; To cap verses = wedijverend verzen opzeggen
(waarbij elk(e) vers(regel) met de eerste of laatste letter van het
(de) vorige moet beginnen, of er op moet rijmen, of iets dergelijks);
Cap-paper = zakkenpapier; soort schrijfpapier; Capful = een beetje: A
capful of wind = bui.
Capability, keipəbiliti, bekwaamheid, vermogen; Capable, keipəb’l,
bekwaam, bevoegd, in staat, vatbaar; veel omvattend: Capable of pity =
vatbaar voor; They are not capable of being harmonized = hooren niet
bij elkaar; capableness, bekwaamheid, etc.
Capacious, kəpeišəs, ruim, veelomvattend; Capaciousness =
veelomvattendheid; Capacitate, kəpasiteit, bekwaam of bevoegd maken;
Capacity, kəpasiti, bekwaamheid, bevoegdheid, capaciteit, inhoud,
ruimte, karakter, hoedanigheid.
Cap-à-pie, kapəpî, van top tot teen.
Caparison, kəparis’n, subst. schabrak; Caparison verb. met een schabrak
bedekken, prachtig optuigen.
Cape, keip, kaap, kaapsche wijn; pelerine: Cape smoke = een soort
sterke drank; Cape Town = Kaapstad.
Caper, keipə, subst. kapperstruik (Capers = kappertjes); kapriool;
Caper verb. rondspringen: To cut capers = bokkesprongen maken; That’s
the proper caper = dat is je ware (Am.).
Capercailzie, kapəkeilzi, auerhaan (Schotl.).
Capias, keipias, kapias: Writ of Capias = bevel tot inhechtenisneming.
Capillaceous, kapileišəs, harig, haarvormig; Capillarity =
capillariteit; Capillary, kapiləri of kəpiləri, capillair; subst.
haarbuisje; Capilliform = haarvormig.
Capital, kapit’l, subst. kapiteel, hoofdstad (Court Capital =
residentie), hoofdletter, kapitaal; adj. hoogst belangrijk, voornaamst,
strafbaar met den dood, uitstekend, flink: To make capital (out) of =
munt slaan uit; Capital crime = halsmisdaad; Capital letter =
hoofdletter; Capital punishment = doodstraf; Capital stock =
bedrijfskapitaal; Capitalist = kapitalist; Capitalization =
kapitalisatie; Capitalize = kapitaliseeren.
Capitate, kapitat, kopvormig; Capitation = hoofdelijke belasting (=
Capitation-tax): Capitation-fee = tantième voor elken leerling.
Capite, kapitî: Tenure in capite = kroonleen.
Capitol, kapit’l, kapitool; congresgebouw (in Washington); Capitolean,
Capitoline = kapitolijnsch.
Capitular, kəpitjulə, kapittel - -; kapittelheer; Capitularies =
capitularia.
Capitulate, kəpitjuleit, capituleeren; Capitulation = capitulatie.
Capoc, kapək, kapok.
Capon, keip’n, kapoen; Caponize = castreeren.
Caponiere, kapənîə, onderaardsche gang in de loopgraven eener vesting.
Capot, kəpot, subst. het halen van 40 trekken bij het piketspel; Capot
verb. alle trekken halen.
Capote, kəpout, kapot(jas).
Cappadocia, kapədoušə, Cappadocië.
Capriccio, kapritšou, caprice (muz.).
Caprice, kəprîs, gril; Capricious, kəprišəs, grillig; subst.
Capriciousness.
Capricorn, kaprikön, de Steenbok: Tropic of Capricorn =
Steenbokskeerkring.
Capriole, kaprioul, bokkesprong; Capriole verb. bokkesprongen maken.
Capsicum, kapsikɐm, Spaansche peper.
Capsize, kəpsaiz, omslaan, omvallen, omverwerpen.
Capstan, kapst’n, kaapstander.
Capsular, kapsiulə, kapselvormig, kapsel ...; Capsule, kapsiul,
capsule, kapsel, smeltkroes, schaaltje.
Captain, kapt’n, aanvoerder, kapitein, opzichter, leider, primus:
Captain of horse = ritmeester; Captaincy, Captainship = rang van
kapitein; ervaring, beleid.
Caption, kapš’n, legalisatie; arrestatie (Schot.); titel (Am.).
Captious, kapšəs, vitterig, bedillerig; netelig; subst. Captiousness.
Captivate, kaptiveit, bekoren, boeien, betooveren; Captivation,
betoovering, etc.
Captive, kaptiv, gevangen, geboeid (fig.); subst. gevangene: Captive
balloon; Captivity = gevangenschap; Captor = prijsmaker, vanger, kaper;
Capture, kaptšə, subst. vangst, prijs, het vangen; Capture verb.
buitmaken, opbrengen, kapen: Without a whole capture of columns we
cannot do justice to the work = zonder eenige kolommen in beslag te
nemen.
Capuchin, kaputšin, kapəšîn, Kapucijner; dameskapmantel; soort v. duif;
Capuchin monkey.
Car, kâ, kar, wagen, triomfkar, schuitje van een ballon; tram- of
spoorwagen: The Northern Car = de Wagen (Sterrenbeeld); The
International Sleeping-Car Company; Restaurant-car; The cars =
spoortrein (Am.); Carman = karrijder.
Carabineer, Carabinier, karəbinîə, karabinier.
Car(r)ack, karək, Spaansch schip, karaak.
Caracol(e), karəko(u)l, subst. sprong, halve zwenking (van een paard);
wenteltrap; Caracol verb. een halve zwenking maken.
Carafe, kərâf, karaf.
Caramel, karəmel, camarel.
Carapace, karəpeis, rugschild, schaal.
Carat, karət, karaat; ± 15 Gr. voor goud en 0,2 Gr. of 205 mGr. voor
juweelen: It is not worth a carat = geen duit waard.
Caravan, karəvan, karəvan, karavaan, kermiswagen, woonwagen; Caravaneer
= iemand, met de zorg voor de kameelen van een karavaan belast;
Caravanserai, Caravansery = karavansera; groot gebouw, door vele
gezinnen bewoond, beneden met winkels, in groote steden.
Caravel, karəvel, karveel, soort v. vaartuig.
Caraway, karəwei, karwei (plant.).
Carbine, kâbain, karabijn; Carbineer, kabinîə = karabinier.
Carbolic, kâbolik: Carbolic-acid = carbolzuur; Carbolize =
carboliseeren.
Carbon, kâb’n, koolstof; koolspits: Carbon light = booglicht; Carbon
point = koolspits; Carbonaceous, kâbəneišəs, koolhoudend, koolstof - -.
Carbonari, kâbənâri, Carbonari.
Carbonate, kâbənit, carbonaat; verb. carboniseeren.
Carbonic acid, kâbonikasid, koolzuur; Carboniferous = koolhoudend;
Carbonize, kâbənaiz, verkolen, carboniseeren; Carbonization =
carbonisatie.
Carboy, kâbôi, mandflesch.
Carbuncle, kâbɐŋk’l, karbonkel, bloedzweer; Carbuncular, Carbunculate,
Carbunculous = karbonkelachtig; ontstoken.
Carburet, kâbjuret, koolstofverbinding; Carburet verb. Carburize,
kâbjuraiz, met kool(water)stof verbinden.
Carcase, Carcass, kâkəs, lijk, geraamte, karkas, wrak.
Carcinoma, kâsinoumə, kankergezwel; Carcinomatous = kankerachtig.
Card, kâd, subst. (speel)kaart, naamkaartje, program, kompasroos,
(wol)kaarde; type, origineel; Card verb. kaarden: To cut, to deal cards
= coupeeren, geven; To fling (throw) up one’s cards = het spel opgeven
(ook fig.); To pack cards = op bedriegelijke wijze mengen; He plays his
cards well = is een gladde baas; To show one’s cards = zich in de kaart
laten zien; To shuffle cards = wasschen; He speaks by the card = drukt
zich nauwkeurig uit; It is on the cards = licht mogelijk; That piece is
a sure card, it will run fifty nights = het is een successtuk, en zal
wel 50 maal gespeeld worden; Card-case, kâdkeis, visite(kaarten)boekje;
Card-board = karton: Glazed Card-board = geglaceerd karton;
Card-sharper = kwartjesvinder, valsche speler; Card-table =
speeltafeltje; Carder = kaarder; Carding-machine = kaardmachine.
Cardamine, kâdaminî, kâdəmain, pinksterbloem, koekoeksbloem.
Cardia, kâdjə, hart, maagmond; Cardiac = hart - -, maagmond - -;
hartsterkend (middel.)
Cardiff, kâdif.