Cato, keitou; Catonian = Catonisch, streng, deugdzaam.
Cattle, kat’l, rundvee; paarden: Blood cattle = stamboekvee: Cattle-box
(= Cattle-truck) = veewagen; Cattle-breeding = veeteelt; Cattle-dealer
= veehandelaar; Cattle-plague = veepest; Cattle-range (Cattle-ranch) =
weidegrond; Cattle-run = weideplaats (Amer.); Cattle-show =
veetentoonstelling.
Caucasian, kôkeiš’n, Caucasisch; Caucasiër; Caucasus, kôkəsɐs,
Caucasus.
Caucus, kôkəs, voorloopige partijbijeenkomst ter voorbereiding eener
verkiezing (Amer.); kiescomité; Caucus verb. door een caucus bewerken;
een caucus houden.
Caudal, kôd’l, staart - -; Caudate = gestaart.
Caudex, kôdeks, stam v. palm, of boomvaren.
Caudle, kôd’l, kandeel.
Cauf, kôf, vischkaar.
Caught, kôt, imperf. en part. perf. van To catch.
Caul, kôl, darmnet; haarnetje, helm: To be born with a caul.
Cauldron. Zie Caldron.
Cauliflower, koliflauə, bloemkool; Cauline = stengel ...
Caulk, kôk. Zie Calk.
Causal, kôz’l, oorzakelijk; Causality = oorzakelijkheid; Causation =
veroorzaking; Causative = causaal; causatief.
Cause, kôz, oorzaak, reden, beweegreden, zaak, aangelegenheid; Cause
verb. veroorzaken, voortbrengen: The First Cause = God; He was called
up to show cause with reference to a nuisance = hij werd voorgeroepen
om zich te verantwoorden wegens burengerucht (of overlast); He caused
his men to follow him = liet; Causeless = zonder oorzaak.
Cause(wa)y, kôz(we)i, subst. straatweg, verhoogd voetpad, dam, steiger,
aanlegplaats; Cause verb. plaveien: A little stone cause = geplaveid
straatje; A wooden cause = steiger.
Caustic, kôstik, subst. bijtmiddel; adj. bijtend, scherp: Lunar caustic
= helsche steen; Causticity = scherpheid, sarcasme.
Cauter, kôtə, brandijzer; Cauterization = uitbranding; Cauterize =
uitbranden; Cautery = branden; brandijzer, brandmiddel.
Caution, kôš’n subst. omzichtigheid, waarschuwing; pand; iets geweldigs
(zonderlings); Caution verb. waarschuwen: Well, you’re a caution! = jij
bent een best merk! That’s a caution = da’s kras! Caution-money =
waarborgsom; Cautionary = waarschuwend; Cautious = omzichtig: subst.
Cautiousness.
Cavalcade, kav’lkeid, cavalcade.
Cavalier, kavəlîə, subst. ridder, ruiter, cavalier, Royalist; adj.
ongedwongen, zorgeloos, trotsch, aanmatigend.
Cavalry, kav’lri, ruiterij.
Cavatina, kavatînə, cavatine (muz.).
Cave, keiv, subst. hol, grot, het bukken of toegeven; afscheiding van
een politieke partij; de afgescheidenen; Cave verb. instorten,
inzakken, inslaan, uithollen, toegeven: He rose to make a speech but
soon caved in = bleef steken; We shall never cave in to the French, so
far as Egypt is concerned = toegeven; A caved-in old hat; Cave-dwellers
= holbewoners = Cave-men.
Caveat, keivjət, subst. protest; patentaanvrage (Amer.); Caveat verb.
een caveat beteekenen; caveeren (bij het schermen): To enter (Put in) a
caveat = een protest indienen; Caveator = protesteerende;
protestaanvrager.
Cavendish, kav’ndiš, kandiš, (tot koeken geperste) tabak.
Cavern, kavən, spelonk, hol; Caverned, vol holen; Cavernous = hol, vol
holen.
Caves(s)on, kavəs’n, neuspranger.
Caviar(e), kaviâ, kaviaar: Caviar to the general = te fijn voor den
grooten hoop.
Cavil, kav’l, verb. vitten op (at); subst. chicane, haarklooverij:
Without cavil = buiten twijfel; Caviller = vitter, nijdas.
Cavin, kavin, holle weg.
Cavity, kaviti, holte.
Cavort, kəvöt, steigeren, rondspringen, druk doen.
Caw, kô, subst. gekras; Caw verb. krassen.
Cawnpore, kônpûə, kônpə.
Caxton, kakst’n, Caxton; boek door Caxton gedrukt.
Cay, kei, rif, zandbank, eilandje.
Cayenne, keien, kaien, Cayenne(peper).
Cayman, keim’n, alligator, kaaiman.
Cazique, kəzîk, Amer. opperhoofd.
Cease, sîs, ophouden, staken, laten varen; doen ophouden: Ceaseless =
onophoudelijk.
Cecil, sesil, sisil; Cecils, sîsilz, gebakken vleeschballetjes;
Cecilia; Cecily.
Cedar, sîdə, subst. ceder; adj. van cederhout = Cedarn = Cedrine,
sîdr(a)in.
Cede, sîd, afstaan, opgeven, wijken.
Cedrat(e), sîdrit, citroenboom.
Cedric, sedrik.
Cee-spring, sîspriŋ, wagenveer in den vorm eener liggende c = ⏑.
Ceiling, sîliŋ, plafond, zoldering; wegering (scheepst.).
Celadon, seləd’n, bleekgroen (porselein); sentimenteele minnaar.
Celandine, sel’ndain, schelkruid.
Celebes, seləbîz, seləbez.
Celebrant, seləbr’nt, de priester, die de mis opdraagt: The celebrants
of the Shelley Centenary = deelnemers aan de viering; Celebrate =
vieren, loven, celebreeren, herdenken; Celebrated = beroemd, vermaard;
Celebration = verheerlijking, viering; Celebrator = vierder; Celebrity,
səlebriti, vermaardheid, roem, beroemdheid (ook fig.), beroemd persoon.
Celerity, səleriti, vlugheid, snelheid.
Celery, seləri, selderij.
Celestial, silestj’l, hemelsch (ook fig.), hemel...; Chineesch:
Celestial empire = China; subst. hemelling; Chinees.
Celestine, silestin, seləst(a)in, Celestine, Celestijner (monnik); een
mineraal.
Celibacy, selibəsi, ongehuwde staat; Celibate, selibit, ongehuwd
(persoon).
Cell, sel, cel, kluis, hol.
Cellar, selə, kelder: Cellarflap = luik; Cellarflap dance =
potsierlijke matrozendans; Cellar hole; Cellarman = wijnkooper,
kelderwaard; keldermeester; Cellarage, seləridž, kelderruimte,
kelderhuur; Cellarer = keldermeester; Cellaret, Cellaret =
likeurkeldertje.
Cellular, seljulə, cel - -: Cellular tissue = celweefsel; Cellulars =
celplanten; Cellulate = met cellen; Cellule = celletje; Celluloid =
celluloïde; Cellulose = cellulose; celachtig.
Celt, selt, Kelt; bronzen (steenen) beitel; Celtic = Keltisch;
Celticism = Keltisch idioom (gewoonte).
Cement, siment, subst. cement, verband; Cement verb. cementeeren,
samenbinden of -voegen; Cementation, cementeering; Cementer =
bindmiddel.
Cemetery, semət’ri, begraafplaats.
Cenobite, sînəbait, kloosterling, ordebroeder.
Cenotaph, senətaf, cenotaphium.
Censer, sensə, wierookvat, bewierooker.
Censor, sensə, censor, zedemeester, kunstrechter; Censorship = ambt van
censor; censuur; Censorial, Censorious = berispend; Censoriousness =
vitzucht; Censurable = berispelijk, laakbaar; Censure, subst.
berisping, censuur, veroordeeling; Censure verb. berispen, bedillen,
aanmerkingen maken: Motion of censure = motie van afkeuring.
Census, sensəs, volkstelling: Census-paper; Census-taker = teller.
Cent, sent, honderd, cent, 1⁄100 dollar: Per cent = percent; They do
not count for a red cent = zijn geen rooden duit waard; Cent-shop =
goedkoope bazaar.
Cental, sentəl, 100 pond avoirdupois.
Centaur, sentö. Centaur, sterrenbeeld.
Centenarian, sentənêrj’n, honderdjarige.
Centenary, sentənəri, Centennial, subst. honderd jaar, eeuwfeest; adj.
honderdjarig.
Centesimal, s’ntesim’l, subst. en adj. honderdste (gedeelte).
Centigrade, sentigreid, van honderd graden: Twelve degrees centigrade =
12° Celsius.
Centimetre, sentimîtə, centimeter.
Centiped, sentiped, Centipede, sentipîd, duizendpoot.
Centner, sentnə, centenaar; 100-deelig gewicht.
Cento, sentou, compilatie.
Central, sentr’l, centraal; Centralization = centralisatie; Centralize
= centraliseeren.
Centre, sentə, subst. middelpunt, centrum; Centre verb. in een
middelpunt vereenigen (rusten), concentreeren: Centre-bit = centerboor;
Centre-board = schip met kielzwaard; Centre-party = het Centrum; Centre
of gravity = zwaartepunt; Centric = middelpuntig; Centricity = centrale
ligging.
Centrifugal, sentrifjug’l, middelpuntvliedend: Centrifugal force;
Centrifugal machine = centrifuge.
Centripetal, sentripət’l, middelpuntzoekend: Centripetal force.
Centuple, sentjup’l, subst. honderdvoud; Centuple verb.
verhonderdvoudigen.
Centurion, sentjûriən, centurio.
Century, sentjəri, eeuw: End-of-the-century product = fin de siècle,
hypermodern product.
Cephalic, səfalik, sefəlik, hoofd - -: Cephalic medicine, middel tegen
hoofdpijn.
Cephalitis, sefəlaitis, hersenontsteking.
Cephalonia, sefəlounjə, Cephalonië.
Cephalopod, sefələpod, sefaləpod, koppootig dier.
Cerago, sireigou, bijenbrood.
Ceramic, siramik: Ceramics = ceramiek.
Cerate, sîrit, waszalf.
Cere, sîə, was(huid), verb. wassen, verzegelen: Cerecloth = wasdoek; in
was gedrenkt lijkkleed = Cerement(s).
Cereal, sîrj’l, graan...: Cereals = graanvruchten; Non cereal crops =
aardappelen, knollen, etc.
Cerebellum, serəbel’m, kleine hersenen; Cerebral, serəbr’l, hersen...;
Cerebrum, serəbrɐm, groote hersenen.
Ceremonial, serəmounj’l, ceremonieel, ritueel, plechtig, vormelijk;
subst. ceremonieel; Ceremonious = plechtstatig, vormelijk: subst.
Ceremoniousness; Ceremony, ceremonie, vormelijkheid, hoffelijkheid: No
Ceremonies! = geen complimenten! Master of Ceremonies =
ceremoniemeester.
Ceroon, sərûn, theebaal, van huiden gemaakt; korf thee (rozijnen).
Cerris, Cerrus, serəs, Turksche eik.
Certain, sɐ̂tin, zeker, verzekerd, onfeilbaar, zekere, eenige: I will
not be certain = ik durf het niet zeker zeggen; Certainty = zekerheid:
For (of, to) a certainty, (To a live certainty) = zéér zeker.
Certes, sɐ̂tis, zekerlijk = Cert.
Certificate, sɐ̂tifikit, subst. getuigschrift, diploma, akte;
Certificate verb. sɐ̂tifikeit, een certificaat (attest) verleenen,
diplomeeren: Do you hold certificates? = ben je gediplomeerd? Nautical
certificate = stuurmansdiploma; Certification = attest; Certifier =
verklaarder; Certify, sɐ̂tifai, attesteeren, betuigen, berichten,
verklaren: This is to certify = hiermede verklaar ik; Certified copy =
gewaarmerkt afschrift; This act certified him the knave he was =
toonde; Certitude, sɐ̂titjûd, zekerheid, verzekering.
Cerulean, sərûlj’n, hemelsblauw.
Ceruse, sîrûs, sirûs, loodwit.
Cervical, sɐ̂vik’l, nek-, hals ...
Cesar = Caesar.
Cess, ses, subst. belasting; Cess verb. belasten.
Cessation, seseiš’n, ophouding, stilstand: Cessation of (from) arms =
wapenstilstand.
Cessio bonorum, sešoubənôr’m, afstand door een insolvent verklaarde van
al wat hij bezit aan zijne schuldeischers.
Cession, seš’n, afstand, cessie; Cessionary = afstand doende;
cessionaris.
Cesspool, sespûl, riool, zinkput.
Cestus, sestəs, cestus.
Cetacea, siteišə, walvisschen; Cetacean, walvisch; Cetaceous =
walvischachtig.
Cevennes, səven, (De) Cevennen.
Ceylon, silon, siloun, sîlən, Ceylon; Ceylonese, sîlənîz,
Ceylonees(ch).
Chab(o)uk, tšâbuk, tšəbuk, zweep.
Chafe, tšeif, warm wrijven, schuren, breken tegen; afslijten, sarren,
boos maken, in toorn ontsteken: The horse chafed upon the rein (bit) =
schuimde in het gebit; Chafer = komfoor = Chafing-dish = komfoor.
Chafer, tšeifə, kever, meikever.
Chaff, tšäf, subst. kaf, haksel, kleinigheid; plagerij, scherts; Chaff
verb. gekheid maken, in ’t ootje nemen: To divide the wheat from the
chaff; Take your chaff to the goslings. No gammon with me = Doe jij zoo
met kleine kinderen. Ik laat niet met me spelen; Chaffy = vol kaf;
onbeduidend.
Chaffer, tšafə, handelen, marchandeeren, dingen; Chafferer.
Chaffinch, tšafinš, boekvink.
Chagrin, šəgrîn, subst. kwelling, verdriet, slechte luim; Chagrin verb.
verdrieten, plagen.
Chain, tšein, subst. keten, ketting, reeks; Chains = gevangenschap;
Chain verb. ketenen; aan een ketting leggen: To do the ladies’ chain =
een dansfiguur; Chain-bolt = deurketting; Chain-bridge = kettingbrug;
Chain-gang = afdeeling kettinggangers; Chain-mail = maliënkolder;
Chain-shot, kettingkogel; Chain-stitch = kettingsteek; Chainlet =
kettinkje.
Chair, tšêə, subst. stoel, zetel, voorzittersstoel, leerstoel,
voorzitterschap, draagstoel; Chair verb. in een stoel in triomf
ronddragen: To be in the (Vice-) chair; This alderman has passed the
chair = is Lord Mayor van de City geweest; He took the (was called to
the) chair = presideerde, werd tot president verkozen; Chair-bottom =
zitting; Chair-bottomer = stoelenmatter; Chairman = voorzitter; drager
van een draagstoel; Chairmanship = presidium.
Chaise, šeiz, sjees, rijtuig.
Chalcedony, kalsedəni, kalsədoni, chalcedoon.
Chalcograph, kalkəgraf, kopergravure. Chalcographer = graveur;
Chalcography = graveerkunst.
Chaldaic(al), kaldeiik(’l), Chaldeeuwsch; Chaldea(n), kaldîə(n),
Chaldea (Chaldeeuwsch, Chaldeeër).
Chaldron, tšôldr’n, koren- en kolenmaat (1163,157 L. koren; 2888,9752
L. kolen).
Chalet, šale, Zwitsersch landhuisje.
Chalice, tšalis, kelk, avondmaalsbeker; Chaliced = kelkachtig.
Chalk, tšôk, subst. krijt, krijtstreep; Chalk verb. met krijt mengen
(schrijven, teekenen), aankalken, schetsen: French chalk =
kleermakerskrijt; He is better than you by a long chalk, by long chalks
= oneindig beter; Not by a long chalk = op verre na niet; These things
are as different as chalk from cheese, as chalk and cheese =
verschillen hemelsbreed; I found my way chalked out for me =
aangewezen; I will chalk it down = aankalken; To chalk down a scheme =
schetsen; Chalk-stone = jichtknobbels; Chalk-Sunday = de eerste Zondag
van den Vastentijd (Ierland), waarop de meisjes de vrijgezellen krijt
op hun jas smeerden; Chalkiness = krijtachtigheid; Chalky =
krijtachtig; jichtknobbelachtig.
Challenge, tšal’nž, subst. uitdaging, aanroeping (van een schildwacht),
wraken (van een lid der jury of een getuige), aanslaan der jachthonden;
Challenge verb. uitdagen, bestrijden, inroepen, eischen, wraken: I
challenge contradiction = ik tart iedereen mij tegen te spreken;
Challenger = uitdager, etc.
Chalybeate, kəlibi-it, adj. ijzerhoudend: Chalybeate spring.
Chamade, šəmeid, chamade.
Chamber, tšeimbə, subst. vertrek, kamer (in verschillende
beteekenissen); Chamber verb. sluiten in (voorzien van) een kamer:
Chambers = een reeks deftig gemeubileerde kamers, zittingzaal,
privaat-bureau van een barrister in een Inn: He had been toiling at
chambers all day = op zijn bureau; Chamber of Commerce = Kamer van
Koophandel; Chamber of a lock = schutkolk; Chamber-council =
Chamber-counsel = advocaat, die slechts Chamber-practice uitoefent;
diens advies; geheim advies (gedachte); Chamber-maid = kamermeisje;
Chamber-master = schoenmaker, die thuis voor magazijnen werkt;
Chamber-music; Chamber-pot; Chamber-stool = nachtstoel; Chambered: A
six-chambered revolver.
Chamberlain, tšeimbəlin, kamerheer: Lord Chamberlain = een der 14
dignitarissen van His Majesty’s Household.
Chambers, tšeimbəz.
Chameleon, kəmîl’n, chameleon.
Chamfer, tšamfə, subst. groef; Chamfer verb. canneleeren.
Chamois, šami, šamwô, gems, gemsleder; adj. geelbruin.
Chamomile, kaməmail, kamille.
Champ, tšamp, bijten (van een paard op zijn gebit), kauwen, stuk
bijten: To champ the bit = mokken (fig.).
Champagne, šampein, champagne.
Champaign, tšampein, (t)šsampein, subst. open, vlak land; adj. open,
vlak.
Champerty, tšampəti, afspraak van den solicitor met zijn client om de
eventueele voordeelen van het proces te deelen.
Champignon, (t)šəmpinjən, eetbare paddestoel.
Champion, tšampj’n, subst. kampioen; adj. kampioen..., uitstekend;
Champion verb. verdedigen; Championship, kampioenschap.
Champop = Champagne = ‘panje’, ‘sjampie’.
Chance, tšâns, subst. toeval, kans, uitzicht, mogelijkheid; Chance
verb. wagen, gebeuren: By chance = toevallig; Main chance = persoonlijk
voordeel; On the off chance = met ’t oog op de mogelijkheid; To stand a
chance = kans hebben; To take one’s chance = het er op wagen; I chanced
to meet him = ik ontmoette hem toevallig; To chance it = het er op aan
laten komen; Chance-comer = een toevallig binnenkomende; Chance-games;
Chance-medley = manslag uit noodweer.
Chancel, tšâns’l, koor (waar het altaar is, gewoonlijk met een hek
afgesloten).
Chancellor, tšâns’lə, kanselier: Lord (High) Chancellor = Lord keeper =
Minister van Justitie, Groot Zegelbewaarder, President van het House of
Lords en voorzitter van de Chancery Division van het Hooggerechtshof;
Chancellor of the Exchequer = hoofdambtenaar van de Treasury aan ’t
hoofd waarvan The First Lord staat; Chancellorship = kanselierschap.
Chancery, tšânsəri, kanselarij: Chancery Division = afdeeling van het
hoogste gerechtshof; To be in chancery = failliet zijn; in de klem
zitten.
Chandelier, šandəlîə, kroonluchter; blindeeringsfascine.
Chandler, tšândlə, kaarsenmaker (verkooper): Corn chandler = factor;
Ship chandler = winkelier in victualiën; Chandlery = kleinhandel,
winkel.
Change, tšeinž, subst. verandering, wijziging, overgang, afwisseling,
nieuwigheid, variatie, modulatie, klein geld, pasmunt, geld dat men
terugkrijgt, verschooning, de Beurs; Change verb. veranderen,
verwisselen, verruilen, (geld) wisselen, overstappen, zuur worden: To
get (give) one his change = geld terug geven; iemand dienen (fig.); He
won’t get much change out of me = hij zal van mij niet veel halen,
krijgt bij mij den wind van voren; To have no change; They won’t have
any change = behoeven niet over te stappen; To ring the changes = op
allerlei manieren herhalen; valsch geld uitgeven, een winkelier in de
war brengen zoodat hij te veel terug geeft; A complete change of linen
= verschooning; The wind changed; To change trams; Change here for Velp
= Velp overstappen; He changed his dress (linen) = trok andere kleeren
aan, verschoonde zich; To change to a steamer = overstappen op; He
changed to the diplomatic service = ging over in; Changeability =
veranderlijkheid; Changeable, veranderlijk; subst. Changeableness;
Changeful = veranderlijk; Changeless = onveranderlijk; Changeling =
wisselkind; weifelaar, wankelmoedige.
Channel, tšan’l, subst. kanaal, bedding, vaarwater, groef, voor;
Channel verb. groeven maken: The (British) Channel = Het Kanaal.
Chant, tšânt, subst. lied, melodie, kerkgezang; Chant verb. zingen,
bezingen, opdreunen: To chant a horse = bedriegelijk verkoopen (door
gebreken te verbergen); To chant the praises of = (iemands) lof zingen;
Chanter, zanger; melodiepijp; paardekooper; Chanticleer, tšantiklîə,
kraaiende haan; Chantry = kapel, waar dagelijks eene mis voor
afgestorvenen gezongen wordt.
Chaos, keios, chaos; adj. Chaotic.
Chap, tšap, tšop, subst. kloof, spleet, reet; Chap verb. splijten,
scheuren, doen barsten; Chapped = opengesprongen, gebarsten; Chappy =
gebarsten, open.
Chap, tšap, kerel, vent, klant; Chappie = kereltje.
Chap, tšop, kaak; Chaps, snuit, muil; Chap-fallen = ontmoedigd.
Chap-book, tšap-buk, volksboekje waarmee vroeger gevent werd door
Chap-men.
Chape, tšeip, knip, haak, schoen eener sabelscheede.
Chapel, tšap’l, kapel, godshuis (der van de Staatskerk afgescheidenen);
Chapel verb. een uil vangen (zeeterm): Chapel of ease = hulp- of
bijkerk.
Chapelet, tšapəlet, stijgbeugelriemen.
Chapelry, tšapəlri, kerkelijke gemeente tot ééne kapel behoorende.
Chaperon, šapəron, šapəroun, baret; oudere dame, die eene jongere
vergezelt in het publiek; Chaperon verb. vergezellen, beschermen.
Chaplain, tšaplin, geestelijke op een schip, (bij het leger, in een
gevangenis); huiskapelaan; Chaplaincy = Chaplainship, waardigheid van
een chaplain.
Chaplet, tšaplət, subst. krans, rozenkrans, eierstaaf (-lijst); kuif.
Chapter, tšaptə, subst. hoofdstuk, kapittel; Chapter verb. in
hoofdstukken verdeelen: Chapter and verse = tekst en uitleg (fig.); You
will be persecuted to the end of the chapter = altijd door, ten einde
toe; The chapter of accidents = het toeval; Chapter-house =
kerkeraadskamer; vertrek waar het kapittel samenkomt.
Char, tšâ subst. appelforel.
Char, tšâ, verkolen.
Character, karəktə, subst. merk- of kenteeken, letter, karakter,
gedrag, aard; getuigschrift, reputatie, origineel, persoon, naam, rol;
Character verb., kəraktə, inprenten, graveeren; kenschetsen: To act out
of character = uit zijn rol vallen; To be in (out of) character = in,
uit de rol; I gave him a good character = ik heb goede getuigen van hem
gegeven; To go by the character of = doorgaan onder den naam; He has a
character for hospitality = staat bekend als gastvrij; He took away my
character = goeden naam; Characteristic = kenschetsend, eigenaardig;
subst. kenmerk: To be characteristic of = karakteriseeren;
Characterization, karəktər(a)izeiš’n, kenschetsing; Characterize =
kenmerken, stempelen, karakteriseeren.
Charade, šərâd, šəreid, charade.
Charcoal, tšâkoul, houtskool; Charcoal verb. met houtskool zwart maken,
door kolendamp bedwelmen.
Chare, tšêə, tšâ, uit werken gaan, huiswerk verrichten; subst.
huiswerk.
Charge, tšâdž, subst. zorg, bewaking, opzicht, bevel, plicht, opdracht,
ambt, pupil, toevertrouwd persoon (zaak), toespraak, aanval(signaal),
last, beschuldiging, lading, prijs, kosten (Charges), vergoeding:
Charge verb. aanvallen, een charge doen, (be)laden, belasten, opdragen,
bevelen, debiteeren, vermanend toespreken, beschuldigen, toevertrouwen,
aanwijzen: A first charge = preferente schuld; No charge for delivery =
franco huis; To be at (To bear) the charge of = de kosten dragen; To
sound the charge = het signaal tot den aanval blazen; To give in charge
= toevertrouwen; laten arresteeren; The officer in charge =
dienstdoend; This minister is in charge of the bill = zal het
wetsontwerp verdedigen; To go into the charges = aanklacht erkennen; He
laid it to my charge = legde het mij ten laste; He grew up under my
charge = onder mijne hoede; Charge your glasses = vult; The judge
charged the jury at great length = sprak breedvoerig toe; What do you
charge for these cigars? = hoeveel kosten? To charge to one’s account
(debit) = iemand debiteeren; To be chargeed with a crime = beschuldigd;
Charge-room = verhoorkamer (in een politiebureau); Charge-sheet = rol
der arrestanten; Chargeability = toerekenbaarheid, belastbaarheid;
Chargeable = te belasten, verantwoordelijk: That was chargeable to me =
dat kwam mij ten laste; Charger = strijdros; groote schotel.
Chariot, tšariət, rijtuig, triomfwagen; Charioteer = wagenmenner,
voerman.
Charitable, tšaritəb’l, liefdadig, barmhartig; Charitableness =
liefdadigheid.
Charity, tšariti, menschenmin, naastenliefde, barmhartigheid,
zachtheid, milddadigheid, gave, aalmoes, liefdadigheidsstichting:
Sister of charity = liefdezuster; In charity = barmhartigheidshalve,
voor niets; Charity begins at home = het hemd is nader dan de rok; To
ask (beg) charity = bedelen; To dispense charity = gaven uitdeelen; It
would be a charity to help her = een goed werk; We parted in charity =
scheidden in vriendschap; Charity-boy (Charity-child) = kind uit een
gesticht; Charity-school = armenschool, kostelooze school.
Charivari, šarivari, ketelmuziek, charivari.
Charlatan, šâlətan, kwakzalver, charlatan; Charlatanism =
marktgeschreeuw.
Charlemagne, šâl(i)mein.
Charles, tšâlz, (Charley, tšâli,) Karel; King Charles(’s) dog =
Bologneesch hondje; Charles(’s) Wain = Wagen, Groote Beer.
Charlock, tšâlok, krodde, wilde mosterd.
Charlotte, šâlot
Charm, tšâm, subst. toovermiddel(-woord, -formule), amulet, bekoring;
Charm verb. betooveren, verrukken, bekoren: A pig-charm = gelukzwijntje
aan een horlogeketting; Three is the charm = alle goede dingen bestaan
in drieën; To bear a charmed life = onkwetsbaar zijn; Charmer =
charmeur, betooverend schepsel: To listen to the voice of the charmer =
naar het gefluit van den vogelaar; Charming = bekoorlijk; subst.
Charmingness; Charmless = zonder bekoring.
Charnel, tšân’l, lijken..., knekel...: Charnel-house = knekelhuis.
Charon, kêr’n, Charon, veerman.
Charpie, šâpi, pluksel.
Charpoy, tšâpôi, veldbed (Brit. Ind.).
Chart, tšât, zeekaart, kaart, tabel, kompaskaart; Chart verb. (op een
kaart aan)teekenen.