Bungle, bɐŋg’l, subst. knoeiwerk; Bungle verb. knoeien, broddelen,

prutsen: He made a bungle of it = verknoeide het.

Bunion, bɐnj’n, gezwel aan den bal van den grooten teen.

Bunk, bɐŋk, subst. slaapbank, kooi: Bunk verb. in eene kooi slapen;

uitsnijden: To do a bunk = uitsnijden; Bunker = kolenbak (ruim); kist

als bank; kuil (Golfspel); Bunker verb. kolen innemen: To be Bunkered =

in de knel zitten.

Bunko, bɐŋkou, kwartjesvinden, afzetterij; Bunko verb. afzetten.

Bunkum; Zie Buncombe.

Bunny, bɐni, konijn.

Bunt, bɐnt, subst. buik van een zeil; steenbrand, stuifbrand; Bunt

verb. opzwellen, stooten, springen; Bunter = voddenraper; prostituée.

Bunting, bɐntiŋ, vlaggedoek, vlaggen; ortolaan.

Buoy, b(w)ôi, subst. boei, ton; Buoy verb. betonnen; drijvende houden,

ondersteunen, kracht geven; Buoyage = boeien, betonning; Buoyancy =

opgewektheid en veerkracht van geest, drijfbaarheid; Buoyant =

drijvend, veerkrachtig, opgewekt, stijgend.

Buphaga, bjûfəgə, Afr. spreeuw, die zich voedt met insectenlarven onder

de huid van vee.

Bur, bɐ̂, stekelig napje (van kastanjes), klis, knoest: He stuck to me

like a bur = hing aan mij als een klis.

Burbot, bɐ̂bət, kwabaal.

Burden, bɐ̂d’n, subst. last, druk, vracht, lading, tonnemaat; refrein,

koor; Burden verb. beladen, belasten, drukken: Beast of burden =

lastdier; Burdensome = drukkend, zwaar.

Burdett-Coutts, bədetkûts.

Burdock, bɐ̂dok, klis of klit.

Bureau, bjûrou, bjurou, schrijftafel, latafel, bureau; toilettafel

(Am.); Bureaucracy, bjuroukrəsi, bureaucratie; Bureaucratic(al) =

bureaucratisch.

Burette, bjuret, buret, maatglas.

Burg, bɐ̂g = Borough; Burgage, bɐ̂gidž, stedelijk leengoed.

Burgee, bɐ̂džî, bɐ̂dži, naamvlag; kleine kolen.

Burgeon, bɐ̂dž’n, knop. Zie Bourgeon.

Burgess, bɐ̂džəs, freeman (kiesgerechtigd burger) van een Borough;

afgevaardigde van een Borough; magistraat: Burgess list, Burgess roll =

kiezerslijst; Burgess-ship = burgerschap.

Burggrave, bɐ̂greiv = Burgrave.

Burgh, bɐ̂g, bɐrə = Borough; Burghal, gemeente ... (Schotl.); Burgher =

‘freeman’ van een Burgh.

Burghley, bɐ̂li = Burleigh.

Burglar, bɐ̂glə, inbreker; Burglarious = inbrekend; Burglary = inbraak;

Burgle = inbreken.

Burgomaster, bɐ̂gəmâstə, burgemeester (in Holland of Duitschland);

burgemeester (zeemeeuw).

Burgoo, bɐ̂gû, bəgû, haverpap; sterk gekruide soep.

Burgrave, bɐ̂greiv, burggraaf.

Burgundian, bəgɐndj’n, Bourgondiër; Bourgondisch; Burgundy, bɐ̂g’ndi,

Bourgondië; bourgognewijn; Burgundy-pitch = soort dennenhars.

Burial, berj’l, begrafenis; Burial-case = metalen doodkist; Burial-club

= begrafenisfonds; Burial-ground(-place) = begraafplaats;

Burial-service = lijkdienst.

Burin, bjûrin, graveerstift, etsnaald.

Burk(e), bɐ̂k, vermoorden (eigenlijk door verstikking met een

pikmasker), smoren: To burk a discussion = eene discussie smoren.

Burl, bɐ̂l, subst. nop, knoop (in laken of draad); Burl verb. de noppen

uithalen; Burler = lakennopper.

Burlap, bɐ̂ləp, grof weefsel van hennep of jute.

Burlesque, bəlesk, koddig, kluchtig; subst. klucht, pots, satire,

travestie; Burlesque verb. belachelijk maken (voorstellen).

Burletta, bəletə, opéra comique, vaudeville, muzikale scherts.

Burly, bɐ̂li, groot, zwaar, dik, stoer.

Burma(h), bɐ̂ma, Birmah; Burman = Birmaan; Burmese, bɐ̂mîz, bɐ̂mîs,

Birmaan(sch).

Burn, bɐ̂n, subst. brandwond, litteeken; beek; Burn verb. branden,

verbranden, uitbranden (van eene wond), bakken, heet maken (zijn),

gloeien, vonkelen: To burn alive; Money burns (a hole) in his pocket =

het geld brandt hem in zijn zak; He has money to burn = zit tot over de

ooren in het geld; To burn a bawbee (= halfpenny) candle seekin’ a

farthin’ = de gierigheid bedriegt de wijsheid; goed geld naar kwaad

geld smijten; To burn one’s boats = zijn schepen achter zich

verbranden; To burn the candle at both ends = zijn krachten of middelen

verspillen; To burn one’s fingers (ook fig.); To burn away =

op(af)branden; To burn down = afbranden; To burn out = uitbranden; To

burn oneself out = zijn “boel” in brand steken; To burn out of house

and home = (door brand) van huis en hof verdrijven; Burnt-out people =

de menschen, die bij brand alles verloren hebben; To burn to ashes (to

death); Burnable = brandbaar; Burner = brander; Burning-glass;

Burning-mirror; Burning question = brandend vraagstuk; Burning scent =

versch spoor (jacht); Burning shame; Burning, subst. = hitte, gloed.

Burnet(t), bɐ̂nət: Garden burnet = pimpernel.

Burnet(t)ize, bɐ̂nətaiz, behandelen met Burnett’s liquid (zinkchloride).

Burnish, bɐ̂niš, polijsten, bruineeren, gladmaken; Burnisher, polijster,

polijststaal.

Burnoose, Burnous, bɐ̂nûs, bɐ̂nûs, bɐ̂nûz, burn(o)us, boernoes.

Burnt, bɐ̂nt, brandde, gebrand; opgewonden; beetgenomen (Amer.): A burnt

child dreads the fire = een ezel stoot zich geen tweemaal aan

denzelfden steen; Burnt-ear = roest (plantenziekte); Burnt-offering,

Burnt-sacrifice = offerande, brandoffer.

Burr, bɐ̂, subst. Zie Bur; ruwe kant (van metaal); ruimijzer;

molensteen, wetsteen; (Northumbrian burr) keel-r; Burr verb. met keel-r

spreken; Burr-pump = scheepspomp.

Burrow, bɐrou, subst. hol; Burrow verb. een hol graven, indringen, zich

ingraven.

Bursar, bɐ̂sə, penningmeester (v. een college); beneficiant (van een

leen); Bursary = kas (van corporatie of klooster), leen, studiebeurs

(Schotl.).

Burse, bɐ̂s, studiebeurs (Schotl.).

Burst, bɐ̂st, subst. breuk, scheur, uitbarsting, snelle rit, fuif; Burst

verb. barsten, openvliegen(gaan, springen), uitbarsten, uitvallen,

inbreken: This place is a burst of roses = ’t is al rozen wat men hier

ziet; With a burst = plotseling; They burst the door = liepen in; With

these words he burst away, forth, from = snelde hij heen, rukte hij

zich los van; He burst into tears = in tranen uit; To burst on = zich

storten op; To burst with laughing (laughter), anger = van lachen,

toorn, barsten.

Burthen, bɐ̂dh’n. Zie Burden.

Burton, bɐ̂t’n, takel, talie.

Bury, beri, begraven, bedekken, bergen, vergeten en vergeven: To bury

the hatchet = eig. de strijdbijl begraven, vrede sluiten;

Burying-beetle = doodgraver (kever); Burying ground (Burying place).

Bus(s), bɐs, omnibus (Meerv. Busses); ook verb: We have bussed it.

Busby, bɐzbi, kolbak.

Bush, buš, subst. struik, kreupelbosch, tak klimop (vóór eene herberg

als uithangbord), oerwoud (Amer. en Austral.), vossestaart, ijzeren

ring, naafbus; Bush verb. met rijsjes of takjes steunen, van een

naafbus voorzien, ruig groeien: Good wine needs no bush = geen krans;

To beat about the bush = er omheendraaien, niet royaal op ’t doel

afgaan; To beat the bush = het struikgewas kloppend doorzoeken; Bush

fighting = guerilla; Bushman = boschjesman (Z. Afr.), kolonist, bijv.

in Australië; Bush-ranger = woudlooper; een ontsnapte, van roof in

bosschen levende galeiboef (Australië); Bush-whacker = Backwoodsman;

pummel; soort zeis; Bushiness = ruigheid; Bushy = ruig, behaard.

Bushel, buš’l, schepel (8 gallons); een hoop: He measures other

people’s corn by his own bushel = zooals de waard is vertrouwt hij zijn

gasten; To hide one’s light under a bushel = zijn licht onder een

korenmaat zetten; Bushelage = belasting op artikelen bij het schepel

verkocht.

Business, bizinəs, subst. bezigheid, bedrijf, beroep, zaken, plicht:

That is not your business, no business of yours = dat gaat u niet aan;

What business have you to be here? = wat hebt gij hier te maken? That

is not my line of business = branche; A man of business = handelsman;

Business before pleasure = zaken gaan voor vermaken; That has done the

business for him = dat heeft hem den knoei gegeven; He has got an eye

to business = is een practische vent; Business is business = zaken zijn

zaken; No business done after 4 o’clock = na 4 uur gesloten; I will

make it my business to please you = ik zal er voor zorgen ...; I mean

business = meen het in ernst; Mind your own business = bemoei je met je

eigen zaken; A business concern = handelszaak; Business relations =

handelsbetrekkingen; Chief business street = voornaamste winkelstraat;

Businesslike = practisch.

Busk, bɐsk, subst. balein.

Buskin, bɐskin, halve laars, cothurn, tragedie; Buskined = tragisch,

hoogdravend.

Buss, bɐs, subst. zoen; haringbuis (ook: Herring-buss); Buss verb.

smokken.

Bust, bɐst, borstbeeld, borst.

Bustard, bɐstəd, trapgans.

Buster, bɐstə, iets kolossaals; een groote opsnijderij (leugen); fuif;

hevige wind (Amer.)

Bustle, bɐs’l, subst. drukte, beweging, rumoer; tournure; Bustle verb.

veel drukte of beweging maken, bedrijvig zijn; Bustler = druk, ijverig

man.

Busy, bizi, adj. drukbezig, naarstig, rusteloos, bemoeiziek; Busy verb.

bezig houden, aan het werk zetten (zijn): Busy at work, Busy doing it;

He is a Busybody, a busy-brain = bemoeial, plannenmaker.

But, bɐt, behalve, slechts, tenzij: All came back but he (him) =

behalve; Away went Gilpin, who but he? = wie anders dan hij? It cannot

be but you must have seen him = het kan niet anders, of; Have you got

anything? Yes, but I have = nu, of ik; “You know nothing about it.” But

I do = dat doe ik wèl; But for you I should be dead = zonder u; Not but

what (of that) he is a good fellow = niet, dat hij niet is; But then =

maar daar staat tegenover, dat; But now = zooeven; I saw him but

yesterday = gister nog (pas); All but one = alle op één na.

But, bɐt: But-and-ben = voor- en achterkamer in een huisje met twee

vertrekken.

Butcher, butšə, subst. slager; moordenaar, wreedaard; Butcher verb.

slachten, wreedaardig vermoorden; Butcher-bird = wurger (vogel);

Butcherr’s-broom = muisdoorn; Butchery = slagersvak, slagerij, wreede

moord of slachting.

Butler, bɐtlə, bottelier (hoofd der mannelijke bedienden); Butlery =

wijnkelder, provisiekamer.

Butment, bɐtm’nt. Zie Abutment.

Butt, bɐt, subst. stoot, dik uiteinde, kolf, eindpunt, grens, mikpunt,

schijf, schuttersdoelen, soort bot, achterste, kruis, zoolleer; groot

vat (± 476 L. wijn ± 443 L. bier); kussen; Butt verb. met den kop

stooten, wegduwen, aankomen tegen: He ran butt into it = pardoes,

plompverloren; This path butts down upon the main road = loopt uit op;

Butt-end = kolf, hoofdzaak.

Butter, bɐtə, subst. boter; Butter verb. met boter besmeren, honig om

den mond smeren (fig.); boteren: Melted butter = botersaus; Oiled

butter = gesmolten boter; He looks as if butter would not melt in his

mouth = alsof hij geen tien kan tellen, erg zoetsappig; Butter on bacon

= zuivel op zuivel, overdaad; Butter-boat = sauskom; Butter-cup,

(Butter-flower) = boterbloempje; Butter-cooler; Butter-dish =

botervlootje; Butter-fingered = onhandig (van iemand die alles laat

vallen); Butterfly = kapel of vlinder (ook fig.); gaffel waarover de

teugels loopen bij een hansom: A butterfly kiss = vluchtige zoen;

Buttermilk = karnemelk; Butter-mould = Butter-print = botervormstempel;

Butter-scotch = soort v. kokinje; Butter-trier = boterboor; Butterine,

bɐtərîn, bɐtərin, margarine; Buttery, subst. provisiekamer of -kast;

ververschingslokaal (voor E. studenten in de colleges); adj.

boterachtig, week.

Butteris, bɐtəris, mes (v. een hoefsmid).

Buttock, bɐtək, achterste (gew. meerv.), bilstuk, gat (van het schip).

Button, bàt’n, subst. knop, oog, balletje, knoop, wervel; Button verb.

van knoopen voorzien, vastknoopen: It is not worth a button = het is

geen cent waard; Buttons = piccolo: He has a soul above buttons = hij

is boven kleinigheden verheven; To button-hole = aanklampen:

Button-hole, subst. knoopsgat, bouquetje of roosje in het knoopsgat (=

Button-holer); Button-hole verb. knoopsgaten maken, aanklampen, zich

laten knoopen; Button-hook = knoopenhaakje; Button-nail = spijker met

ronden kop; Button-tree = Conocarpus; Button-ware = garen en band.

Buttress, bɐtrəs, subst. beer (metselwerk); Buttress verb. steunen

(gew. met up).

Butty, bɐti, subst. kameraad, maat; Butty-collier = hoofd van de

Butty-gang = een groep mijnwerkers arbeidend volgens het Butty-system =

stelsel, volgens hetwelk het loon voor een aangenomen werk onder de

arbeiders wordt verdeeld.

Buxom, bɐks’m, ferm, stevig, mollig; levendig, dartel: Buxomness.

Buy, bai, koopen, omkoopen: To buy dear = duur betalen (fig.); To buy

at = bij; To buy back = terugkoopen; Buy from, of = van; Buy for, with

= voor; To buy in = in(op)koopen, terugkoopen; To buy off = afkoopen,

vrijkoopen, omkoopen; To buy out = uitkoopen; To buy over = omkoopen;

To buy up = opkoopen; I have bought the refusal of that house = ik kan

(tot zekeren tijd) dat huis voor een bepaalde som krijgen; Buyable =

koopbaar; Buyer = kooper.

Buzz, bɐz, subst. gegons, gefluister, gerucht, gril; kortharige pruik,

aanstellerig mensch; Buzz verb. gonzen, fluisteren, in ’t geheim rond

vertellen; interj. stil! Buzz-saw = cirkelzaag; Buzzer = gonzend

insect.

Buzzard, bɐzed, subst. buizerd; domkop.

By, bai, bij, nabij, door, volgens, naar evenredigheid van, gedurende,

tegen, etc.: By all (any) means = toch vooral (By no means = vooral

niet); By chance = bij toeval; By degrees = trapsgewijze; By far =

verreweg; To get (to know) by heart = van buiten leeren (kennen); By

our lady(kin) = bij de H. maagd; By little and little = langzamerhand;

By the name of = genaamd; Passengers by the ‘Nederland’ = met; By nine

o’clock = tegen; By reason (virtue) of = krachtens; By the run = alles

te zamen; By the side of = vergeleken bij; Older by ten years = tien

jaar ouder; By this time = tegen; It is seven by my watch = volgens,

op; He said it by way of excuse = bij wijze van; I went to Italy by way

of France = over Fr.; By the way = in ’t voorbijgaan, à propos; By word

of mouth = mondeling; Day by day = dag aan dag; One by one = één voor

één; By the by(e) = à propos; To be by oneself = alleen; I do not know

how he came by all that money = kwam aan; When thieves fall out, honest

men come by their own = als dieven ruzie krijgen, komen de eerlijke

menschen aan wat hun toekomt; Do by others as you wish to be done by =

behandel anderen, zooals; He has two children by her; I live by my

trade = van mijn beroep, ambacht; To set great store by = op hoogen

prijs stellen; To take example by = nemen aan: To travel by rail, sea,

land, water, etc. (Maar in a carriage, vessel, steamer); By-bidder =

opjager (bij verkoopingen); By-blow = buitenbeentje, onecht kind;

By-book = kladboek; By-business = bijzaakje; By-corner = sluip- of

schuilhoek; By-election = tusschentijdsche verkiezing; By-end

(By-purpose, By-view) = nevenbedoeling; Bygone = voorbijgegaan: In the

bygone = in verloopen jaren; Let bygones be bygones = laten we het

gebeurde vergeten; By-interest = eigenbelang, persoonlijk belang;

By-lane = zijlaan; By-law (plaatselijke) verordening; By-name = scheld-

of spotnaam; By-part = bijrol; By-passage = zijgang; By-path = zijpad;

By-place = achterhoek, schuilhoek; By-play = stil spel; gebaren;

By-product = nevenproduct; By-road (By-way) = zijweg, geheime weg;

Bystander = toeschouwer; By-street = zijstraat, achterafstraat; By-word

= spreekwoord, bijnaam, mikpunt.

Byard, baiəd, borstriem (van een mijnwerker), om karren voort te

trekken.

Bye, bai, sportterm met allerlei beteekenissen; vaarwel (= good-bye =

Bye-bye); To go bye-bye = slapen gaan.

Byre, baiə, koestal.

Bysshe, biš.

Byssus, bisəs, linnen, katoenen of zijden stof van buitengewoon fijn

weefsel (bij de Ouden); de vezelen, waarmede schelpdieren zich aan

rotsen klampen; bosje of kuif.

Byzantian, bizanš’n, Byzantijn(sch); Byzantine, bizantain, bizəntain;

Byzantium.

C.

C, sî, A.C. = Ante Christum = vóór Christus; C natural = C; C. flat =

C-mol; C. sharp = C-dur; C = 100; C. B. = Companion of the Bath =

ridder van de Bath-orde; CC = 200; Cf. = confer = vergelijk;

Camb(ridge); Cantab = student van Cambridge University; Cant(erbury);

C(are) O(f) = per adres (op brieven); Cath(olic); Celt(ic);

C(ommissionary) G(eneral); Chap(ter); Chas. = Charles; Chem(istry);

C(ost), I(nsurance), F(reight) = kosten, assurantie en vracht

inbegrepen (uitspr.: Sif); C(ity) I(mperial) V(olunteer); C(ash) O(n)

D(elivery) = tegen rembours; Colloq(uial); Comp(arative);

Conn(ecticut); Corr(esponding) Mem(ber); Cor(responding) Sec(retary);

C(ertificated) T(eacher); C(yclist) T(ouring) C(lub); C(ome) Q(uick)

D(anger) = een Marconisein voor schepen; Cwt = a hundredweight;

Cyc(lopaedia).

Caaba, kâ-a-ba, kaäba, de zwarte heilige steen in Mahomed’s moskee te

Mekka. Ook het tempeltje zelf.

Cab, kab, soort rijtuig, bril = overdekte plaats voor den machinist op

de locomotief; Cab verb. in een cab rijden: We have cabbed it; Cabman,

kabm’n, koetsier; Cab-stand = standplaats voor Cabs; Cabby = Cabman.

Cabal, kəbal, subst. cabaal, samenspanning, politieke intrigue; Cabal

verb. samenspannen; Caballer = intrigant.

Cab(b)ala, kabəla, geheime wetenschap, aan Mozes geopenbaard en den

Rabbis overgeleverd, ter verklaring van de Schrift; mystiek; Cabalist,

kabəlist, Rabbi, bedreven in de Cabala; mysticus; Cabalistic(al) =

mystiek.

Caballine, kabəl(a)in, paarde(n) - - -: Caballine spring = hengstebron

= Hippocrene.

Cabaret, kabəret of Fr. uitspr. kroeg.

Cabas, kaba, kabas, reismandje.

Cabbage, kabidž, subst. kool, koolkop; de stof, die bij kleermakers

door de naald gaat; Cabbage verb. een kop vormen bij ’t groeien; zich

stukjes goed toeëigenen; Cabbage-butterfly = koolwitje (de Cabbage-worm

is er de larve van); Cabbage-headed = dom; Cabbage-lettuce = kropsla;

Cabbage-tree = koolpalm.

Cabin, kabin, subst. kamertje, hut, kajuit: Cabin verb. opsluiten of

wonen in eene cabin; Cabined, cribb’d, confined = achter slot en

grendel; Cabin-boy.

Cabinet, kabinet, kabinet (in allerlei beteekenissen); photo in

kabinetformaat: Cabinet council = Meeting of the C., ministerraad;

Cabinet-maker = kabinetwerker; Cabinet-picture = kabinetstuk.

Cable, keib’l, subst. kabeltouw, ankerketting, telegraafkabel,

kabelbericht; Cable verb. met een kabel vastmaken; kabelen: A cable’s

length = 185,5 M.; To pay out a cable = een tros vieren; A cable

(message) = een kabelbericht = Cablegram; Cable-laid = als een kabel

gedraaid; Cable-(rail)road, Cable-railway = kabelspoor; Cable-room =

Cable-tier, keib’ltîə, kabelgat; Cablet = kleine kabel.

Caboodle, kəbûd’l, rommelzoo (Amer.).

Caboose, kəbûs, kombuis; veldkeuken; een aan een goederentrein

aangebrachte wagen voor beambten en arbeiders; een woning (Amer.).

Cabriolet, kabriəlei, cabriolet.

Cacao, kəkeiou, kakâou, cacaoboom; Cacao-butter = cacaoboter.

Cachalot, katšelot, potvisch.

Cache, kaš, geheime bewaarplaats; Cache verb. verbergen.

Cachet, kašei, zegel.

Cachinnation, kakineiš’n, luid, aanhoudend gelach; Cachinnatory = luid

lachend.

Cacholong, katšoloŋ, cacholong.

Cachou, kəšû, cachou, cachoupil voor rookers.

Cackle, kak’l, subst. gekwaak, gekakel, gewauwel; Cackle verb. kwaken,

wauwelen, giechelen; Cackler = snaterende gans, kakelende kip;

wauwelaar.

Cacography, kəkogrəfi, cacographie.

Cacology, kəkolədži, slechte uitspraak.

Cacophony, kəkofəni, cacophonie.

Cactaceous, kakteišəs, cactusachtig; Cactal, kakt’l, cactus - -;

Cactus, kaktəs, cactus.

Cad, kad, poen, ploert; Caddish, ploertig.

Cadastral, kədastr’l, kadastraal; Cadastre, kədastə, kadaster.

Cadaver, kədeivə, kədavə, lijk; Cadaverous, lijkachtig, lijkbleek, lijk

- - -; subst. Cadaverousness = lijkachtigheid, etc.

Caddice, Caddis, kadis, soort pluksel; ook = Caddice-bait

(Caddice-worm) = larve van de Caddice-fly = watermot.

Caddie, kadi, drager der kolven (golfspel).

Caddy, kadi, theebus.

Cade, keid, subst. vat haring (500 stuks), vat sprot (1000 stuks);

ooilam, verwend kindje; adj. tam; Cade verb. met de hand groot brengen.

Cadence, keid’ns, Cadency, keid’nsi, cadans, rythme = Cadenza, kədenzə.

Cadet, kədet, jongere of jongste zoon; kadet.

Cadge, kadž, venten, bedelen; Cadger = venter; smulpaap.

Cadgy, kadži, lustig, dartel, lichtzinnig.

Cadi, kâdi, keidi, Kadi.

Cadiz, keidiz, Cadix.

Cadmean, kadmîən, van Cadmus, Thebaansch; Cadmus, kadməs.

Cadogan, kədoug’n.

Cadre, kadə, kader.

Caduceus, kədjûsiəs, staf van Mercurius.

Caducous, kədjûkəs, vroeg (ontijdig) vallend, broos.

Caecum, sîk’m, blinde darm.

Caedmon, kadm’n.

Caesar, sîzə, Caesar, keizer, autocraat; Caesarian, sizêrj’n: Caesarian

operation = keizersnede; Caesarism, sîzərizm, absolute regeering.

Caesura, sizjûrə, caesuur; Caesural = caesuur - -.

Caffeic, kəfîik, kafəik: Caffeic acid = koffielooizuur; Caffein,

kəfîin, kafiin, kafiain, caffeïne.

Caffer, Caffre, kafə, kaffer; kafir; Caffraria, kəfrêriə, het

Kafferland.

Cage, keidž, subst. kooi; gevangenis, ijzergaas net (= Wire cage, om

een gasbrander), liftkooi; Cage verb. in eene kooi sluiten; Cage of a

stair-case = trappenhuis; Cageling = opgesloten vogel.

Cagmag, kagmag, subst. bedorven vleesch, taaie gans; adj. walgelijk,

oneetbaar.

Cahoot, kəhût, subst. compagnieschap (Am.); Cahoot verb. handelen in

vereeniging: To be in cahoots = onder één deken slapen (fig.).

Caic, kaîk, kaïk.

Caiman, keim’n, kaaiman.

Cain, kein: To raise Cain = den boel op stelten zetten.

Caique = Caic.

Cairn, kêən, kegelvormige steenhoop (als monument of

herinneringsteeken).

Cairo, kairou.

Caisson, keis’n, keisûn, caisson.

Caitiff, keitif, subst. schurk; adj. laag, gemeen.

Caius, keiəs.

Cajuput, kadžəput, kajapoetolie (-boom).

Cajole, kədžoul, bevleien, aftroggelen (out of); Cajoler, vleier;

Cajolery, vleierij.

Cake, keik, koek, gebak; suffer; Cake verb. tot een koek vormen, zich

zetten tot een koek: My cake is dough = ’t is mis; There’d be no more

cakes and ale = geen pret, vroolijkheid; They are cakes and ale to him

= zijn een feest voor hem; They go off like hot cakes = zij gaan als

koek, grif van de hand; You cannot eat your cake and have it = je kunt

je geld maar eens uitgeven; Cake-walk = oorspronkelijk een

danswedstrijd tusschen fraai uitgedoste negerparen met een cake als

prijs; Caky = koekachtig.

Calabar, kaləbə, soort pelswerk.

Calabar-bean, kaləbâbîn, Afrikaansche boon (ook toetsboon genoemd,

omdat zij als toets diende van de schuld of onschuld van de van

hekserij aangeklaagden).

Calabash, kaləbaš, pompoen, kalebas.

Calaboos, kaləbûs, kaləbûz, gevangenis (Amer.), Calaboos verb.

opsluiten.

Calabria, kəleibriə, kalâbriə, Calabrië.

Calais, kalis.

Calamanco, kaləmaŋkou, kalmink.

Calamint, kaləmint, kalament, kattenkruid.

Calamitous, kəlamitɐs, rampspoedig; Calamity, kəlamiti, ramp, ellende,

tegenspoed.

Calamus, kaləmɐs, kalmus; herdersfluit.

Calandra, kəlandrə, kalander-leeuwerik; korenworm.

Calash, kəlaš, calèche; kap.

Calcar, kalkâ, fritoven; calcineeroven; Calcareous, kalkêriəs,

kalkachtig, kalkhoudend: Calcareous spar = kalkspaath.

Calcedon, kalsidon, calcidoon, vuile ader in edelgesteenten.

Calcic, kalsik: Calcic-chloride = chloorcalcium; Calciferous,

kalkhoudend; Calcify, kalsifai, verkalken; Calcimine = stukadoorskalk;

Calcimine verb. witten.

Calcination, kalsineiš’n, calcineeren, oxydatie; Calcine, kalsain,

kalsin, calcineeren; tot asch verbranden.

Calcium, kalsiəm, Calcium.

Calcography, kalkogrəfi, (koper)plaatsnijkunst.

Calculable, kalkjuləb’l = berekenbaar; betrouwbaar; Calculate,

kalkjuleit, berekenen, rekenen, ramen, begrooten, geschikt zijn, zich

leenen tot; zich voornemen, vermoeden (Amer.): A calculating boy = een

rekengenie; Calculating-machine; Calculation = berekening; Calculative

= berekenend; A lightning calculator = snelrekenaar.

Calculous, kalkjulɐs, steen...

Calculus, kalkjulɐs, (mv. Calculi), steen, graveel; berekening: The

calculus of probabilities = kansrekening; Algebraical calculus =

algebra; Differential calculus = differentiaal-rekening; Integral

calculus = integraal-rekening; Literal calculus = algebra.

Ca(u)ldron, kôldr’n, groote ketel.

Caleb, keiləb.

Calecannon, keilkan’n, Iersch gerecht (gestampte aardappelen en

moesgroente).

Caleche, kəleš = Calash.

Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen) · 第 16 / 152 段