Brief, brîf, adj. kort, beknopt; subst. uittreksel, beknopte

instructie, die door den solicitor aan den te pleiten barrister wordt

overhandigd; exploit; pauselijke brief of breve: In brief = kortom; To

hold a brief = een rechtszaak in handen hebben; To take a brief = de

verdediging op zich nemen; A briefless lawyer = die geen praktijk

heeft; Briefness = beknoptheid, bondigheid.

Brier, braiə, doornstruik; wilde roos: He is in the briers = hij zit er

leelijk in; Sweet brier = eglantier; roos; Briery = vol doornen.

Brig, brig, brik.

Brigade, brigeid, subst. brigade; Brigade verb. tot eene brigade

vereenigen; Brigadier, brigədîə, brigade-generaal.

Brigand, brig’nd, roover; Brigandage = rooverij.

Brigantine, brig’ntîn, brig’ntin, brigantijn of schoenerbrik.

Brigham-Young, brig’m-jɐŋ.

Bright, brait, schitterend, lichtend, prachtig, beroemd, klaar, helder

(ook fig.), gunstig, vernuftig, geestig, levendig, opgewekt, “glad”

(Am.); Brighten = verhelderen, verlichten, opklaren, opvroolijken,

opscherpen, glans bijzetten, polijsten; Brightness = glans, etc.

Bright’s Disease, braitsdizîz, een nierziekte.

Brighton, brait’n; Brigit, bridžit.

Brill, bril, witte tarbotsoort.

Brilliance, brilj’ns, Brilliancy, brilj’nsi, glans, schittering;

Brilliant, brilj’nt, adj. schitterend, glansrijk, geestig; subst.

briljant (druk); Brilliantness = Brilliancy.

Brim, brim, subst. rand, boord, kant: Full to the brim = boordevol;

Brim verb. tot den rand vol zijn of vullen: To brim over = overvol

zijn; Brimming over with happiness = uitgelaten van; Brimful =

boordevol; subst. Brimfulness; Brimmer = tot aan den rand gevulde

roemer.

Brimstone, brimst’n, subst. zwavel; helleveeg; adj. van zwavel,

zwavelkleurig: Vegetable brimstone = blitzpulver.

Brinded, brindid, Brindled, brind’ld, gestreept, getijgerd.

Brine, brain, subst. brem of pekel; de zee; tranen; Brine verb.

pekelen: Brine-pan = zoutpan (zouttuin); Brine-pit = zoutkuil;

Brine-spring = zoutbron.

Bring, briŋ, brengen, halen, geleiden, doen komen, indienen,

veroorzaken, overhalen: Things never bring what they cost = brengen

nooit op; Your letter brought us £ 200 = bevatte; To bring an action

against a person = actie instellen; To bring word = bericht brengen; To

bring low = doen verarmen, op ’t ziekbed werpen, verootmoedigen; To

bring to pass = teweegbrengen, tot stand brengen; To bring about =

bewerkstelligen; overreden; To bring before the public = uitgeven,

publiceeren; That speech brought the House down = deed het huis (de

zaal) daveren van toejuichingen; He brought down his hand on the table

= sloeg met de vuist; I will bring his pride down = ik zal zijn trots

wel breken; To bring forth = baren, werpen; To bring forward =

vooruitbrengen, transporteeren, aanvoeren, bijbrengen; To bring home =

thuis brengen; bewijzen, duidelijk maken; To bring in = binnenbrengen,

invoeren, opbrengen, bijbrengen: The jury brought him in guilty =

verklaarde hem schuldig; To bring off = wegbrengen, redden, er bovenop

halen (van zieken); To bring on = veroorzaken, ter sprake brengen,

beginnen; To bring out = voor den dag halen, doen uitkomen, voor ’t

eerst opvoeren (uitgeven); To bring over = overbrengen, andersdenkenden

tot onze meening of partij overhalen, transporteeren; To bring round =

zijn doel bereiken, tot bewustzijn brengen, tot andere (onze) opvatting

brengen; To bring to = brengen naar, er toe brengen, bijbrengen,

bijdraaien, tot staan brengen; To bring together = samenbrengen,

verzoenen; To bring up = boven brengen, groot brengen, te berde

brengen, aanklagen, bijbrengen, transporteeren, tot staan brengen, tot

staan komen, onderbreken, braken, aanvoeren: To bring up the rear = de

achterhoede vormen (aanvoeren), den aftocht dekken; He brought up with

a bump against the door = kwam met een harde bons tegen de deur aan; I

brought up the cartridge of a repeating rifle = bracht een patroon

voor; Bringer = brenger; Bringer-up = opvoeder; Bringing-up =

opvoeding.

Brink, briŋk, rand: We are on the brink (verge) of ruin = rand des

ondergangs.

Briny, braini, zout: The briny = het zilte nat.

Briquet(te), brikət briket, briket.

Brisgow, brisgou, Breisgau.

Brisk, brisk, adj. levendig, vlug, flink, frisch, helder brandend,

snelwerkend; Brisk verb. verlevendigen, aanwakkeren (met up), snel

komen aanloopen, vlug rondloopen (about); mooi kleeden; Briskness =

levendigheid, etc.

Brisket, briskət, borst (van een dier), borststuk: Brisket-bone =

borstbeen.

Bristle, bris’l, subst. borstel; Bristle verb. de haren overeind

zetten, overeind gaan staan, opvliegen, boos worden, vol zijn van, vol

liggen met: To set up a person’s bristles = nijdig maken; My desk

bristles with letters; He bristled up to me = kwam verontwaardigd naar

mij toe; Bristly = borstelig.

Bristol, brist’l, stad; Bristol-board = glad carton; Bristol-brick =

schuursteen; Bristol-milk = sherry bowl.

Brit, brit, verkort van Britain en British; broed of jong van haring of

sprot.

Britain, britn, Brittanje = Britannia: Britain metal =

Brittannia-metaal; Britannic = Britsch.

British, britiš, Britsch: British gum = dextrine; Britisher =

Engelschman (Amer.).

Briton, brit’n, Brit.

Brittany, britəni, Bretagne.

Brittle, brit’l, broos, vergankelijk, onzeker; subst. Brittleness.

Britz(s)ka, britskə, soort Russisch rijtuig.

Broach, broutš, subst. els, priem, boorstift, spit, spits, jonge hoorn

van een hert, (boor)gat; Broach verb. aansteken (van een vat), beginnen

(over), ter sprake brengen; snel oploeven: He broached the subject to

me = begon er over; Broacher = verspreider.

Broad, brôd, breed, wijd, uitgestrekt, ruim, omvangrijk, algemeen,

groot, liberaal, tolerant, helder, duidelijk, volledig, open, plomp,

brutaal, luid, plat; subst. plas; oude gouden munt (20 s.); Broads =

kaarten; Broad Church = gematigd vrijzinnige richting in de Engelsche

kerk; Broad compliment = grof; Broad daylight = helder dag; Broad gauge

= wijdspoor; Broad nonsense = klinkklare onzin; Broad trade =

nouveauté’s; (As) broad as (it is) long = zoo breed als het lang is,

net hetzelfde; Broad arrow = regeeringsstempel op regeeringseigendom

(b.v. op de kleederen der gevangenen, paarden der cavalerie, etc.);

Broad-axe = timmermansbijl, houweel; strijdbijl; Broad-bill = lepelaar,

lepelreiger; Broad-blown = in vollen bloei; Broad-brim = breedgerande

hoed; Kwaker; Broadcast = subst. en verb. (het) wijd uitzaaien met de

hand; adj. en adv. ruim en wijd gezaaid of verspreid; Broad-cloth =

fijn zwart laken van dubbele breedte; Broad-piece = goudstuk van 20 sh.

(17e eeuw); Broadseal = subst. Engelsch rijkszegel; Broad-set = van

krachtigen lichaamsbouw; Broadsheet = aan eene zijde bedrukt groot

blad; plakkaat, vlugschrift; Broadside = zijde (van een schip), volle

laag; pamflet of groot vel; Broadsword, brôdsöd, slagzwaard; Broadwise

= in de breedte; Broaden = breeder worden of maken; Broadness =

ruwheid, platheid.

Brobdingnag, brobdiŋnag; Brobdingnagian, brobdiŋnagiən, reusachtig;

reus.

Brocade, brəkeid, brocaat.

Broc(c)oli, brokəli, Ital. aspergekool.

Brochure, brošuə, brochure.

Brock, brok, das; vuilpoes.

Brocket, brokət, tweejarig hert.

Broidery, brôidəri, borduurwerk: He described it with much broidery =

borduurde erg.

Brogue, broug, grove schoen van ongelooid leer; provinciaal (vooral

Iersch) accent; Brogues = broek.

Broil, brôil, subst. tumult, twist; Broil verb. braden (op een rooster,

in de zon); erg verhit zijn; Broiler = rooster, braadkippetje, heete

dag; ruziemaker.

Broke, brouk, imperf. van to break.

Broken, brouk’n, part. perf. van to break: Broken bread (victuals) =

restanten, klieken; Broken horse = gedresseerd; Old broken soldier =

invalide; Broken wind = dampigheid; Broken-backed = doorgezakt;

Broken-bellied = met een breuk; ontaard; Broken-down = geruineerd,

ongelukkig; Broken-hearted, Broken-spirited = ontmoedigd; Brokenness =

gebrokenheid.

Broker, broukdə, makelaar, agent; uitdrager; soort deurwaarder, die

meubilair, etc., waarop beslag is gelegd, verkoopt; koppelaar: Broker’s

man = bediende van den Broker, die toe moet zien, dat niets vervreemd

wordt; The brokers were put in = er werd beslag gelegd op de goederen;

Brokerage = makelaarschap; commissieloon.

Brome, broum, dravik.

Bromine, broum(a)in, broom.

Brompton, bromt’n; Bromwich, bromidž.

Bronchia, broŋkiə, luchtpijpvertakkingen; Bronchial, broŋkiəl

(Bronchic, broŋkik) de luchtpijp betreffend: Bronchial tubes =

Bronchia; Bronchitis, broŋkaitis, luchtpijpontsteking.

Bronze, bronz, subst. brons, bronskleur, kunstwerk van brons;

onbeschaamdheid; adj. van brons, bronskleurig; Bronze verb. bronzen,

hard maken; Bronze age (Bronze period) = bronsperiode; Bronze-liquor,

Bronze-powder = preparaten om te bronzen.

Brooch, broutš, subst. borst- of doekspeld, schilderij met ééne kleur.

Brood, brûd, subst. gebroed, broedsel, kroost; Brood verb. broeden,

koesteren; bepeinzen, peinzen; broeien, dreigen: He brooded over the

fire = hij zat over het vuur gebukt te peinzen; Brood-cage; Brood-hen;

Brood-mare = fokmerrie; Brooder = broedmachine; Broody = broedsch;

geneigd tot peinzen.

Brook, bruk, subst. beek, stroompje; Brooklet = beekje; Brook-mint =

waterkruizemunt; Brook-weed = waterpunge.

Brook, bruk, verdragen, dulden.

Broom, brûm, subst. brem, bezem; Broom verb. bezemen, vegen: New brooms

sweep clean; To hang out the broom = onbestorven weduwnaar zijn; ook

gebruikt van trouwlustige weduwen; Broom-maker = bezembinder;

Broom-staff, Broom-stick = bezemsteel: To be married over the

broom-stick = over den puthaak getrouwd zijn; Broomy = vol brem.

Broth, broth, brôth, bouillon, soep: A broth of a boy = een flinke

jongen; Too many cooks spoil the broth = te veel koks bederven de brij.

Brothel, broth’l, bordeel.

Brother, brɐdhə, broeder, ambtsbroeder; Brother-in-law = schoonbroeder,

stiefbroeder; Brother Jonathan = de Amerikanen; Brotherhood =

broederschap, korpsgeest; Brotherlike = broederlijk; subst.

Brotherliness.

Brough, brɐf.

Brougham, brûəm, brûm, eigennaam; meest brouəm voor een soort dicht

rijtuig.

Brought, brôt, imperf. en p.p. van bring.

Broughton, brôt’n, braut’n.

Brow, brau, subst. wenkbrauw, voorhoofd, gelaat, voorkomen; rand (van

afgrond of heuvel); loopplank: To bend (contract, knit, wrinkle) one’s

brows = het voorhoofd fronsen; Brow-ague = migraine; Browbeat =

dreigend aankijken, overdonderen; Brow-bound = gekroond.

Brown, braun, bruin, donker, ernstig; subst. een bruine kleur; ½ penny;

Brown verb. bruinen, doorrooken, bruin worden; in ’t wild schieten

(it): Not for brown = om den dood niet; In a brown study = in gepeins

verzonken; To do brown = afzetten, bedriegen; Brown Bess = oude

snaphaan; Brown bill = oude strijdbijl; Brown bread; Brown cloth =

ongebleekt linnen; Brown coal; Brown George = kommiesbrood, bruine

kruik, soort pruik; Brown paper = pakpapier; Brown rust = roest (in

koren); Brownish = bruinachtig; Brownness = bruine kleur.

Brown, Jones and Robinson = Jan, Piet en Klaas; Jan en alleman.

Brownie, brauni, goede huisgeest (Schotland).

Browning, brauniŋ; Browningite, brauniŋgait, bewonderaar van R.

Browning.

Brownist, braunist, aanhanger van Robert Brown, uit den tijd van

Elizabeth; Brownism = diens stelsel.

Browse, brauz, subst. scheuten, spruiten; Browse verb. grazen,

afknabbelen; Browsing = weideplaats.

Bruges, brûdžiz, Brugge.

Bruin, brûin, Bruin (de beer).

Bruise, brûz, kneuzen, stampen; bont en blauw slaan; subst. kneuzing,

buil; Bruiser = bokser, vechtersbaas; Bruise-wort, brûzwɐ̂t,

smeerwortel.

Bruit, brût, subst. gerucht, geraas; Bruit verb. verspreiden, ruchtbaar

maken.

Brumal, brûm’l, winter ....

Brummagem, brɐmədžem, in Birmingham vervaardigd artikel; adj. valsch,

nagemaakt, opzichtig: Brummagem buttons = valsch geld.

Brunette, brunet, brunette; bruinachtig.

Brunonian, brunounj’n: Brunonian theory = Brownism; subst. student of

gegradueerde van de Br. universiteit (Rhode Island).

Brunt, brɐnt, hevige schok, woeste aanval, geweld, het heete (van een

gevecht), hoogtepunt: To bear the brunt of = het meest te verduren

hebben.

Brush, brɐš, subst. borstel, kwast of penseel, wisscher;

kreupelboschje; schermutseling, woeste rit; volle staart (b.v. van een

vos); draadbundel (Electr.); Brush verb. borstelen (down, up),

schilderen, strijken langs, opfrisschen, voorbijsnellen (by): He paints

with the big brush = legt het er dik op; To make a brush = zich uit de

voeten maken; Give me a brush (down) = borstel me eens af; Tarred with

the same brush = met hetzelfde sop overgoten; Their coats were soundly

brushed = zij kregen er flink van; Brush-maker = borstelmaker;

Brushwood = kreupelbosch, bezemrijs; Brushwheels = raderen, die

elkander door wrijving, niet door tanden in beweging brengen; Brushing

gallop = gestrekte gallop; Brushy = borstelig.

Brusque, brɐsk, kortaf; ruw; Brusque verb. bruskeeren.

Brussels, brɐs’lz, Brussel(sch): Brussels carpet; Brussels lace;

Brussels sprouts = spruitjes.

Brutal, brût’l, dierlijk, onmenschelijk: Brutality = dierlijkheid,

grove zinnelijkheid, ruwheid; Brutalize = verdierlijken, verwilderen.

Brute, brût, subst. redeloos beest, bruut; adj. redeloos, ruw, dom,

dierlijk; Brutish = dierlijk, zinnelijk, dom; subst. Bruteness.

Brutus, brûtəs.

Bryan, braiən.

Bryony, braiəni, heggerank.

Bubble, bɐb’l, subst. bobbel, luchtbel, zeepbel (ook fig.), zwendel,

windhandel; Bubble verb. bobbelen, opborrelen, pruttelen, murmelen,

beetnemen: Bubble companies = zwendelmaatschappijen; Bubbler =

bedrieger.

Bubby, bɐbi, tiet; ventje, kereltje (Am.).

Bubo, bjûbou, kliergezwel; ooruil; The bubonic plague = builenpest.

Buccal, bɐk’l, wang - -.

Buc(c)an, bɐk’n, subst. rek om vleesch op te rooken; Buccan verb.

rooken.

Buccaneer, bɐkənîə, subst. zeeroover, vrijbuiter; Buccaneer verb.

zeerooverij plegen.

Buccleugh, Buccleuch, bəklû.

Bucentaur, bjûšəntö, bjusentö, Bucentaur; staatsiebark der

Venetiaansche doges.

Bucephalus, bjusefəlɐs, Bucephalus, rijpaard.

Buchanan, bəkanən; Bucharia, bjukêriə, Bokhara.

Buck, bɐk, subst. bok, mannetje (van verschillende dieren); fat,

pierewaaier, mannelijke neger (Indiaan), zaagbok (Amer.), sixpence;

Buck verb. paren (van sommige dieren); bokken (van paarden): My buck =

ouwe jongen; To buck up = zich taai houden; optooien; Buck-bean =

Bog-buck; Buck-eye = Amerik. paardekastanje; spotnaam voor een bewoner

van Ohio; kleine schoener; Buck-eyed = met slechte oogen (paard);

Buck-horn = hertshoorn; Buck-hound = soort jachthond: Master of the

buck-hounds = opperjagermeester aan het Eng. hof; Buck-jumper = bokkend

paard; Buck-party = heerenpartij; Buckskin, subst. bokkevel; zacht,

geel leer; broek (gewoonlijk meerv.); adj. van bukskin; Buckstall = net

om herten, etc. te vangen; Buck-stick = vervelende vent (Anglo-Ind.);

Buckthorn = wegedoorn; Buck-tooth = vooruitstekende tand; Buckwheat,

bɐkwît, boekweit; Bucker = Buck-jumper; Buckish = fatterig; subst.

Buckishness.

Buckeen, bɐkîn, Iersch jonker; fat.

Bucket, bɐkət, emmer, puts; ½ bushel; Bucket verb. putten, te snel

vooroverbuigen (roeisport); er snel van door gaan, afjakkeren,

bedriegen: To give the bucket = de laan uitsturen; To kick the bucket =

het hoekje om gaan, sterven: Bucket-shop = kantoor voor het afsluiten

van kleine weddenschappen; Bucketful: It rained in buckets full = het

kwam met emmers uit de lucht vallen.

Buckle, bɐk’l, subst. gesp, krul, bocht; Buckle verb. gespen, zich

krullen, buigen, insluiten, krachtig aanpakken, zich toerusten: The

horse buckled down to the journey = aanvaardde, maakte zich klaar;

You’ll have to buckle to = gij zult u moeten inspannen; To buckle with

= handgemeen worden met; Buckler = beukelaar; Buckler-thorn =

Christusdoorn, steekdoorn.

Buckram, bɐkr’m, subst. grove, gepapte linnen stof; stijfheid; adj.

stijf, vormelijk; Buckram verb. stijven: Men in buckram = in buckram

gekleede mannen, alleen in de verbeelding bestaande mannen (toespeling

op Falstaff).

Bucks, bɐks, verkorting voor Buckinghamshire, bɐkiŋəmšə, bɐkiŋhamšə.

Bucolic, bjukolik, subst. herdersgedicht; landman; adj. herderlijk =

Bucolical.

Bud, bɐd, subst. knop, kiem; snoes; Bud verb. uitbotten, knoppen, zich

ontwikkelen; enten; Budlet = knopje.

Buda, bjûdə, Ofen.

Buddha, budha, bûda, Boeddha; Buddhism; Buddhist.

Budgerow, bɐdžrou, vaartuig (Br. Ind.).

Buddle, bɐd’l, subst. soort trog; Buddle verb. erts wasschen.

Budge, bɐdž, subst. lamsvel, leeren zak; adj. met lamsvel omzoomd;

stijf, pedant: Budge Bachelors = arme, oude, in lamsvel gekleede

mannen, die vroeger den Lord Mayor bij zijn intocht vergezelden.

Budge, bɐdž, zich bewegen, verroeren.

Budget, bɐdžət, zak, holster, voorraad, budget: Budget Speech =

millioenenrede; The minister opened the Budget = hield de

millioenenrede.

Buff, bɐf, subst. sterk (buffel)leer (met olie bereid), leeren kolder,

geelbruin, naakte huid; adj. leeren, geelbruin: The Buffs = het East

Kent Regiment; All in buff = spiernaakt.

Buff, bɐf, slag, stoot, onzin; Buff verb. dreunen; dempen, verzwakken

(Schot.); To stand buff = weerstaan, standhouden; Blindman’s buff =

blindemannetjes(spel); To say neither buff nor baff(stye) = boe noch ba

zeggen; Buffer = stootkussen, pistool, vent, hond: An old buff =

gezellige “ouwe” baas.

Buffalo, bɐfəlou, subst. buffel, bison van N. Amer.; Buffalo-chips =

gedroogde buffelmest (brandstof); Buffalo-grass = prairiegras;

Buffalo-robe = reisdeken van buffelvel.

Buffet, bɐfət, buffet.

Buffet, bɐfət, subst. klap, vuistslag; geweld (van wind of golven):

Buffet verb. slaan, beuken, worstelen met, boksen.

Bufflehead, bɐf’lhed, dikkop, domkop.

Buffo, bɐfou, bufou, subst. komisch (opera) zanger; adj. grappig;

Buffoon, bəfûn, potsenmaker, Jan Klaassen; Buffoonery, bəfûnəri =

grappen en streken.

Bug, bɐg, wand- of weegluis, kever, kabouter, bloedzuiger (fig.): He is

as snug as a bug in a rug = hij heeft een leventje als een vloo in eene

wollen deken (zéér plat).

Bugbear, bɐgbêə, boeman.

Buggy, bɐgi, vol luizen of wormen; vermolmd.

Buggy, bɐgi, licht rijtuig op twee (in Am. vier) wielen met ééne

zitbank; kolenwagentje.

Bugle, bjûg’l subst. lange zwarte kraal, zenegroen; (jacht)hoorn; neus;

Bugle verb. hoornblazen: To sound the bugle = signaal blazen;

Bugle-call = hoornsignaal; Bugler = trompetter.

Bugloss, bjûglos, ossetong (plant).

Buhl, bûl, goud, ivoor, schildpad of paarlemoer gebruikt voor

inlegwerk; ingelegd werk; onnatuurlijkheid.

Build, bild, subst. vorm, maaksel, bouw; Build verb. bouwen, stichten;

versterken; aanleggen: Rome was not built in a day; Builder =

bouwmeester, schepper: General builder = aannemer; Builder’s estimate =

bestek; Building = gebouw; Building-site = bouwterrein; Built, bilt,

imperf. en p.p. van to build.

Bulb, bɐlb, subst. bol, bolletje, appel (oog); Bulb verb.

vooruitsteken, uitzetten: Bulb culture, Bulb growers = kweeken,

kweekers; Bulbaceous, bɐlbeišəs, bolvormig; Bulbiferous = bollen

voortbrengend; Bulbiform = bolvormig; Bulbous = knolachtig, rond;

Bulbule, bɐlbjûl, bolletje.

Bulbul, bulbul, nachtegaal (Perzië).

Bulgaria, bɐlgêriə, Bulgarije; Bulgarian = Bulgaar(sch).

Bulge, bɐldž, subst. buik; buikdelling (scheepst.); Bulge verb.

vooruitsteken.

Bulimia, bjulimiə, Bulimy, bjûlimi, geeuwhonger.

Bulk, bɐlk, omvang, grootte, volume, massa; meerendeel; scheepslading;

hoofd: By the bulk = alles met elkaar; In bulk = in losse massa,

hoopen; To break bulk = beginnen te lossen; Laden in bulk = met

stortgoederen (graan, zout) geladen; Bulkhead = schot; Watertight

bulkhead = waterdicht schot; Bulkiness = omvang; Bulky = groot, zwaar.

Bull, bul, subst. stier, speculant à la hausse (zie Bear); bul van den

Paus; onzin, domheid; adj. van grooten omvang; mannetjes ...; Bull

verb. à la hausse speculeeren: He took the bull by the horns = pakte de

koe bij de horens; John Bull = de Eng. natie; Bull-baiting = het

vechten van stieren met honden; Bull-beef = ossenvleesch; Bull-calf =

bulkalf; uilskuiken; Bulldog = bulhond; dienaar van den Proctor;

revolver; Bulldoze = lange zweep (Am.); Bulldoze verb. ranselen,

overdonderen; Bull’s-eye = rond venster of opening, dievenlantaarn, dik

glas in een scheepsdek, roos (van schietschijf), schot in de roos,

kleine, storm voorspellende wolk, kokinje: That is wide of the

Bull’s-eye = de plank ver mis; Bull-faced = met grof en groot gezicht;

Bullfinch = bloedvink; Bull-feast, Bull-fight = stierengevecht;

Bullfrog = brulkikvorsch; Bullhead = rivierdonderpad; waterinsect;

domkop; Bullheaded = doldriftig en koppig; Bull-pup = jonge bulhond;

Bullroarer (zie Turndun); Bull-terrier = gekruist ras tusschen bulhond

en dashond; Bull-trout = zalmforel; Bullwort = komijn (zwarte).

Bullace, bulis, kroosjes.

Bullate, bulit, met blaren of uitwassen.

Bullen-nail, bul’n-neil, vertinde en gelakte spijker met ronden kop.

Bullet, bulət, geweerkogel: Every bullet has its billet = iedere kogel

heeft zijne bestemming; He got the bullet = werd de laan uitgestuurd;

Bulletproof = kogelvrij; Bullet-mould = kogelvorm.

Bulletin, bulətin, subst. officieel rapport, bulletin; Bulletin verb.

per b. bekend maken.

Bullion, bulj’n, ongemunt goud of zilver; vreemd (valsch geld);

passement (= Bullion-fringe); Bullionist = voorstander van metalen

munt.

Bullock, bulək, (jonge) os.

Bully, buli, subst. bullebak, vechtersbaas; souteneur; geconserveerd

pekelvleesch; adj. brutaal, rumoerig; prachtig, flink (Amer.); Bully

verb. overbluffen, donderen, treiteren; razen en tieren: Bully for you!

= Bravo! He bullied me into doing it = dwong mij door vrees tot; He

bullied it out of me = dwong het me af; She bullied over both = speelde

de baas over; Bullybeef = ingemaakt vleesch: Bullyrag = uitschelden,

negeren.

Bulrush, bulrɐš, groote waterbies; Bulrushy.

Bulwark, bulwək, subst. bolwerk (ook fig.), verschansing, wal; Bulwark

verb. van versterkingen (of een bolwerk) voorzien.

Bulwer, bulwə.

Bum, bɐm, subst. achterste; gerechtsdienaar; Bum verb. ka(ai)draaien;

gonzen; smullen, boemelen (Amer.); Bumboat = ka(ai)draaier; Bumbailiff,

b’mbeilif, vroegere “rakker”.

Bumble-bee, bɐmb’lbî, hommel.

Bumbledom, bɐmb’ld’m, de gewichtige drukte van de

kleine-ambtenaarswereld; alle kleinere ambtenaren.

Bumkin, bɐmkin, botteloef (zeeterm).

Bump, bɐmp, subst. gezwel, buil, bons, geschreeuw (van een roerdomp),

knobbel; Bump verb. hard slaan of bonzen tegen; schreeuwen (van een

roerdomp), botsen: A bump race = wedstrijd waarbij de achterste boot

bonst tegen de voorste (dit geldt als bewijs van inhalen); Bump supper

= het feest ter viering daarvan; His bump of friendship seems to be

highly developed = zijn vriendschapsknobbel schijnt zeer ontwikkeld te

zijn.

Bumper, bɐmpə, volle bokaal, vol lokaal (theater); Bumpers, Gentlemen!

= Heeren Rouge bord!

Bumpkin, bɐm(p)kin, boerenkinkel.

Bumptious, bɐm(p)šəs, opgeblazen; Bumptiousness, opgeblazenheid.

Bun, bɐn, krentenbolletje.

Bunch, bɐnš, subst. tros, bos, bosje, bundel, troep, hoop, bochel;

Bunch verb. tot een bult opzwellen, staart of kuif opsteken (met up);

uitsteken, trossen vormen; Bunchy = knoestig, bossen of trossen

vormend.

Bunco, bɐŋkou = Bunko.

Buncombe, bɐŋk’m, redevoering met ’t oog op de kiezers, in eigen belang

(Am.); gewauwel: He speaks for Buncombe = voor de vaak, uit eigen

belang.

Bundle, bɐnd’l, subst. pak, bundel, rol; Bundle verb. samenbinden,

inpakken, oprollen, haastig heengaan (away, off, out), injagen (in);

wegjagen, uitwerpen: The bill was bundled out = zonder komplimenten (of

discussie) verworpen.

Bung, bɐŋ, subst. bom of spon; waard, brouwer; Bung verb. een vat

dichten, sluiten: I bunged his eyes = takelde hem zoo toe, dat hij niet

uit zijn oogen kon zien; Bung-hole = spongat.

Bungalow, bɐŋgəlou, Indisch landhuis (van ééne verdieping): Dak

bungalow = (Brit. Ind.) posthuis.

Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen) · 第 15 / 152 段