wedrennen); een soort spel; bas; adj. gering, laag, gemeen, onecht;
Base verb. grondvesten; Base-ball = een Amerik. balspel; Base-born =
van lage geboorte; buitenechtelijk; gemeen; Base-burner = vulkachel;
Base-line = grondlijn; operatiebasis; Base-minded = laaghartig;
Baseless = ongegrond; Baselessness = ongegrondheid; Basement =
basement; benedenverdieping; Baseness = laagheid, etc.
Bash, baš, slaan, ranselen: To bash in = inslaan.
Bashaw, bašô, bassa, pacha, gewichtig persoon, tiran: Three-tailed
bashaw = pacha met 3 paardestaarten.
Bashful, bašf’l, bloode, bedeesd, schuchter; Bashfulness, blooheid,
etc.
Bashi-Bazouk, bašibəzûk, (ongeregeld) Turksch soldaat.
Bashy-bash, bašibaš, heerlijk, snoezig.
Basic, beisik, fundamenteel; basisch.
Basil, beisil, bazil, gelooide schapenhuid; thijm. Zie Bezel.
Basilic, bəsilik, bəzilik: Basilic vein = ellepijpshuidader.
Basilica, bəsilikə, basilica, basiliek.
Basilisk, basilisk, basiliscus, draak; Amerik. kamhagedis; veldslang
(kanon).
Basin, beis’n, bekken, schaal, bassin, stroomgebied: To pour water into
a broken basin = nutteloos werk verrichten; Hand-basin = fonteintje.
Basis, beisis (Meerv. Bases, beîsîz), grondslag, basis, basement.
Bask, bâsk, koesteren, zich koesteren.
Basket, bâskət, subst. mand, mandvol; (sabel)korf, schanskorf;
achterste 2 banken op een coach; Basket! = in de mand! (Straf voor hen,
die bij hanengevechten, etc. hunne verliezen niet konden betalen en
opgehangen werden in een mand tot de wedstrijd over was); Basket verb.
in eene mand doen, in de prullemand gooien; That’s the pick of the
basket = het neusje van den zalm; Basketball = korfbal; Basket-buttons
= metalen knoopen met een gevlochten versiering; Basket-carriage =
mandewagen; Basket-chair = rieten stoel; Basket darning = stoppen;
Basket easy = rieten armstoel; Basket-fish = een soort zeester;
Basket-hilt = korfgevest; Basket-stitch = maassteek; Basket-work =
mandewerk; Basketful = korfvol; Basketry = mandewerk.
Basle, bâl, Bazel.
Basque, bâsk, Baskisch; Bask, het Baskisch; soort damesjacket.
Bas-relief, bârilîf, basrilîf = Bass-relief = bas-relief.
Bass, beis, subst. bas; adj. laag, bas; Bass-clef = bassleutel;
Bass-horn = soort clarinet; Bass-viol = violoncel.
Bass, bas, baars; Amerikaansche linde, of de bast van dezen boom; mat
van deze bast.
Basset, basət, soort v. dashond.
Basset, basət, of bəset, bassetspel.
Basset-horn, baset-hön, bassethoorn.
Bassinet(te), basinet, ijzeren hoofdbedekking onder den helm;
mandewieg.
Bassoon, bəsûn, fagot; Bassoonist, fagottist.
Bast, bast, bâst, lindebast; touw of mat daarvan gemaakt.
Basta, bastə, basta! houd op! uit!
Bastard, bastəd, subst. bastaard; basterdsuiker; adj. onecht;
Bastardize = tot bastaard maken; ontaarden; Bastardy, bastaardij.
Baste, beist, met vet overgieten; rijgen; afranselen: Basting threads =
rijgdraden.
Bastil(l)e, bastil, bastil, de Bastille.
Bastinado, bastineidou, subst. bastonnade, pak slaag; verb. een
bastonnade geven, afranselen.
Bastion, bastj’n, bastion, bolwerk.
Basto, bastou, basta (in ’t omber- en quadrillespel).
Bat, bat, subst. kolf, kolver (= batsman, batter); knuppelstok, slag;
halve baksteen; katoenopvulsel; Bat verb. terugslaan met een bat: He
did it off his own bat = door eigen inspanning; op eigen houtje.
Bat, bat, vleermuis: As blind as a bat = stekeblind; Bats-wing burner =
vleermuisbrander.
Bat, bâ, bât, bat; Bathorse = bagagepaard, pakpaard.
Batata, bateitə, batâtə, zoete aardappel.
Batavian, bəteivj’n, Bataaf, Bataafsch; inwoner van Batavia;
Bataviaasch.
Batch, batš, baksel: troep, partij, hoop: The members took the oath in
batches = werden groepsgewijze beëedigd; Batches of boys and girls, of
letters, etc.
Bate, beit. Zie Abate: With bated breath = ingehouden; He would not
bate any of his privileges = afstaan; You can bate them a bit =
afdingen.
Bath, bâth, bad, badkuip, badhuis, badplaats, vochtmaat (= 20,2 L.);
Bath verb. baden: The Order of the Bath = Bath-orde; Foot-bath; Partial
(= Sitting-, Sitz-) bath = zitbad; Shower-bath = stortbad; Vapour-bath;
Go to Bath = loop naar den duivel; Bath-brick = schuursteen; Bath-bun =
soort van krentenbroodje; Bath-chair = ziekenstoel op raderen; Floating
baths = drijvend rivierbadhuis; He had gone off for his course of baths
= badkuur.
Bathe, beidh, subst. bad (in rivier of zee); Bathe verb. baden,
bespoelen, bevochtigen: Bathed in a cold perspiration, in tears; Bather
= bader; Bathing: Bathe-box, (-closet) = badkamertje; Bathe-costume
(-dress) = badkostuum; Bathe-drawers (-tights) = zwembroek;
Bathe-establishment = badinrichting; Bathe-machine = badkoets.
Bathos, beithos, overgang van het verhevene tot het platte of
belachelijke.
Bathurst, bathəst of bâthəst.
Bating, beitiŋ, behalve. Zie Bate.
Batist(e), bətîst, batist.
Batman, batman, keukengereedschapbewaarder der compagnie; oppasser;
leider van het bat-horse.
Baton, bat’n, bəton; Batoon, bətûn, baton, staf; dirigeerstok; stok
(van een politiedienaar).
Batrachite, batrəkait, vorsen- of paddensteen.
Batsman, batsman, hij, die bij het cricketspel de bat heeft.
Battalion, bətalj’n, subst. bataljon; Battalion verb. bataljons
formeeren.
Battel, bat’l: Battels = extraatjes door de Eton Dames aan de jongens
verschaft; consumptie besteld uit de bottelarij van een Oxford College;
de kosten daarvan, kosten van voedsel, woning, onderwijs, enz. van een
Oxford College; Battel verb. zulke aangeschafte levensmiddelen schuldig
zijn; aan de gezamenlijke maaltijden deelnemen.
Batten, bat’n, subst. lat; Batten verb. met latten bevestigen (down).
Batten, bat’n, vet worden, gedijen; vruchtbaar worden; zich vetmesten
(on, upon), in weelde leven.
Batter, batə, beslag: Batter pudding = een soort trommelkoek.
Batter, batə, verb. beuken tegen, vernielen, bombardeeren, beschieten;
subst. beschieting; Battered = verpletterd, verfomfaaid, afgesleten,
uitgemergeld, oud en invalide; Battering: Batter-gun =
belegeringskanon; Batter-ram = stormram; Batter-train =
belegeringsgeschut.
Battery, batəri, batterij (electr. en mil.); aanranding, mishandeling,
verwaarloozing (een actie wegens battery heet technisch: For Assault
and Battery; een bedreiging met de vuist is een assault, een vuistslag
is battery).
Battle, bat’l, subst. slag, veldslag; Battle verb. vechten, strijden
(against, for, with): The first blow is half the battle = een goed
begin is het halve werk; God of Battles: Zie Rom. IX, 29; Trial by
(Wager of) battle = Godsgericht; Drawn battle = onbesliste; Pitched
battle = geregelde, felle strijd; Battle-array = slagorde; Battle-axe =
strijdbijl, hellebaard, enterbijl; Battle-cry = strijdleus; Battledoor,
Battledore, klopper, raket; Battle-field; Battle-horse = strijdros: He
had got on his battle-horse, and careered onward = hij zat op zijn
paardje, en holde maar door (fig.); Battle-piece = schilderij die een
veldslag voorstelt; Battle-royal = hanengevecht (van meer dan twee
hanen); algemeene strijd; Battle-song = strijdlied.
Battlement, bat’lm’nt, borstwering: Battlements = kanteelen.
Battue, batjû, drijfjacht; het opgejaagde wild; slachting op groote
schaal.
Baubee, bôbî, 2½ cent (Schotsch).
Bauble, bôb’l, snuisterij, speeldingetje, narrenscepter.
Baulk, bôk, Zie Balk.
Bavaria, bəvêriə, Beieren; Bavarian, Beier; Beiersch.
Bavin, bavin, takkenbos.
Bawbee = Baubee.
Bawble = Bauble.
Bawd, bôd, koppelaar(ster); Bawdiness = ontucht; Bawdry = koppelarij;
ontuchtige taal; Bawdy = vuil, onkuisch: Bawdy-house = bordeel.
Bawdrick; Zie Baldrick.
Bawl, bôl, subst. luide schreeuw; Bawl verb. schreeuwen, bulken: To
bawl out = luid schreeuwen; Bawler, schreeuwer.
Bay, bei, subst. baai, bocht; opening in een muur, vak, nis;
laurierboom (Bays = lauweren; The Queen’s Bays = het 2de regiment
dragonders); geblaf, tot staan (in ’t nauw) brengen; dam, dijk; bruin
paard; adj. kastanjebruin, roodbruin; Bay verb. blaffen, aanblaffen,
blaffend vervolgen, in ’t nauw brengen: To be (stand) at bay, To turn
to bay = in ’t nauw zijn, zich te weer stellen; To bring (hold, keep)
at bay = in ’t nauw brengen, in bedwang houden; Bay-berry, beiberi,
laurierbes; Bay-cherry = laurierkers; Bay-leaf = lauwer; Bay-salt =
zeezout; Bay-window = erker, venster; Bay-wood = campêchehout.
Bayadeer, Bayadere, bâjadîə, bâjadêə, bajadère.
Bayonet, beiənet, subst. bajonet; Bayonet verb. doorsteken of aanvallen
met de bajonet: The bayonet at the charge = met gevelde bajonet;
Bayonet-fencing = bajonetvechten.
Bayou, baiû, uitwatering van een meer; moerassige zijarm van een rivier
(Zuid. Stat. van Amer.).
Baz(a)ar, bazâ, bazaar, liefdadigheidsbazaar.
Be, bî, bestaan, zijn: The powers that be (were) = de gestelde
(vroegere) overheid; Paradise Lost was not as yet = was toen nog niet
geschreven; Let be = laat liggen, blijf er af; I am in for it = ik ben
er bij; I am off = ik ga heen; I am off for the country = ik ga naar
buiten; Time is up = de tijd is om, ’t is tijd; He is well up in
history = weet veel van geschiedenis; My mother-in-law to be =
toekomstige.
Beach, bîtš, subst. strand; Beach verb. op het strand halen (zetten):
To be on the beach = aan lager wal zijn (fig.); Beach-comber, eene
lange strandgolf; strandjutter; parelvisscher in den Indischen Oceaan;
Beachy = zandig.
Beacon, bîk’n, subst. baken, bakenvuur: Beacon verb. bebakenen;
verlichten, tot baken dienen; Beaconage = bîkənidž, bakengeld,
bebakening.
Bead, bîd, kraal, drop, traan, blaasje, bobbeltje, vizierkorrel
(Amer.); Beads = rozenkrans, halssnoer, eierrand, astragal: To count
(tell) one’s beads = den rozenkrans bidden; To thread beads = kralen
aanrijgen; To draw a bead upon = mikken op; Bead-eyes = glazen
poppe(oogen); Bead-frame = telraam; Bead fringe = kralen rand om
lampekap; Bead-roll = lijst van hen voor wier zielen moet worden
gebeden; lijst, rozenkrans, eierrand; Beads-man, Beads-woman = iemand,
die bidt voor een ander, in ’t bijzonder bewoners van een beadhouse,
die het voor den stichter deden; gepatenteerd bedelaar (Schotl.).
Beadle, bîd’l, pedel, bode; Beadledom = Beadle-hood = Beadleship,
waardigheid van een beadle.
Beagle, bîg’l, brak; spion, speurhond; verb. jagen met een brak.
Beak, bîk, subst. snavel, neb, bek, tuit; rechter (Slang); Beak verb.
met den bek vastpakken; Beak-iron = aambeeld met twee punten; Beaked =
gesnaveld, snavel ...
Beaker, bîkə, beker.
Beam, bîm, subst. balk; ploegboom, weversboom, disselboom; drijfstang,
waagbalk; hoofdtak van een gewei; boom, speer; dekbalk, grootste
breedte van een schip; ankerstok; lichtbundel, lichtstraal; Beam verb.
stralen schieten, stralen: On the weather (lee) beam = te loevert (in
lij); To be (thrown) on her (one’s) beam-ends = op zij liggen; in
verlegenheid zitten, failliet zijn; To kick (strike) the beam = (te)
licht wegen, van weinig belang zijn; She was beaming with joy = haar
gezicht straalde van vreugde; To beam approval = met stralend gezicht
zijn goedkeuring te kennen geven; Beamed stag = hert met het volle
gewei; Beam-compass, stangpasser; Beamy, massief; breed; stralend.
Bean, bîn, boon: Full of beans = fleurig, jolig; Every bean has its
black = elke gek heeft zijn gebrek; Quite a bean = een pan; To get
beans = een standje krijgen; They can’t stand beans = standjes
verdragen; He knows how many beans make five = weet zijn weetje; Sick
for the bean-pots of Boston (verg. The flesh-pots of Egypt); Bean-feast
= jaarlijksch feest van een werkgever aan zijne arbeiders; Bean-pod =
boonschil: Bean-pods are noisiest when dry = holle vaten klinken het
meest; Bean-pole = boonenstaak (ook fig.); Beany = fleurig.
Bear, bêə, subst. beer, lomperd, beursspeculant à la baisse: Grizzly
bear (N. Amer.), Polar bear; To look as sulky as a bear with a sore
head; The Great (Little) Bear = de groote (de kleine) Beer; To turn
bear = à la baisse gaan speculeeren; Bulls and bears = speculanten à la
hausse en à la baisse; Bulling and bearing; Bear-berry = berendruif;
Bear’s-breech, bêəzbrîtš, acanthus; Bear’s-ear = berenoor; Bear’s-foot
= daslook; Bear-garden = berenkuil, plaats waar bear-baiting gehouden
werd; woelige vergadering; Bear’s-grease, bêəzgrîs, berenvet (eene
pomade); Bear(’s-)skin = berenhuid; muts van berenvel; dikke,
langharige wollen stof; Bearish = norsch, lomp.
Bear, bêə, torsen; dragen, verdragen, bezitten, overbrengen, afleggen,
wegdragen, liggen, baren, etc.: Atlas bears the world; The ice bears;
To bear the bell = belhamel zijn; To bear children = baren; To bear
company = houden; To bear date = gedateerd zijn; To bear fruit; To bear
a grudge (ill-will) = een wrok hebben tegen; To bear a hand = een
handje helpen; To bear inspection = gezien mogen worden; To bear
likeness (resemblance to) = gelijkenis vertoonen; To bear a loss; To
bear this meaning (sense) = deze beteekenis hebben; To bear a part =
een rol spelen in, deel hebben aan; To bear a proportion to = in
verhouding staan tot; To bear reference to = betrekking hebben op; To
bear the repute = den naam hebben; To bear a share in = aandeel hebben
in; To bear sway (rule) = heerschen; To bear testimony (witness) =
getuigen; To bear one’s years well = er flink uitzien voor zijn
leeftijd; The land bears North by East = ligt; Bear Verb. met
voorzetsels en bijwoorden: To bear against = leunen tegen, zich richten
tegen; To bear away = weggaan, (snellen, zeilen), wegdragen (Bear away
a prize); To bear down (up)on = losstormen op, aanhouden op, met volle
zeilen aankomen op; To bear in mind = zich herinneren (It was borne in
upon me = het werd me bewust); To bear off = wegdragen; To bear on =
betrekking hebben op, gericht zijn op; To bear out = steunen,
bevestigen; I will bear you out = je getuigenis bevestigen; To bear up
= dragen, steunen, uithouden, zich goed houden; To bear up against
misfortunes = moedig dragen; To bear with = verdragen; To bring to bear
= doen gevoelen, laten gelden, laten inwerken op: We shall bring this
gun to bear on the battery = deze batterij onder vuur nemen; I brought
the lesson to bear = in toepassing; She brought the scheme to bear =
voerde uit; Bear back there! = achteruit! Bearable = te dragen; Bearer
= drager, brenger, toonder, bode, lijkdrager; een boom, die vrucht
draagt: Pay to bearer = te betalen aan toonder; Please send answer by
bearer (= Bearer waits) = antwoord verzocht met brenger dezes; Bearing
= het dragen, dracht; houding, optreden; vizierlijn, richting,
betrekking, verhouding, invloed: Past bearing = niet meer
vruchtdragend; onvruchtbaar; Beyond bearing = onverdragelijk; Bearings
= ligging, peiling; wapenschild; The trees are all in full bearing =
bloei; The bearing of the cape was N. E. = de kaap lag N. O. van ons;
This argument has no bearing on the case = betreft het geval niet; To
discuss a question in all its bearings = van alle zijden; To bring a
person to his bearings = zijn positie doen begrijpen; To find one’s
bearings = zich orienteeren; To lose one’s bearings = de kluts kwijt
zijn; To take bearings = peilingen doen; poolshoogte nemen (fig.);
Armorial bearings = wapenschild; Bearing-rein = opzetteugel.
Beard, biəd, subst. baard; weerhaak; Bearded, gebaard, met een staart
(astron.); Beard verb. bij den baard trekken, trotseeren,
brutaliseeren; Beardless, baardeloos, jeugdig; Beardlessness,
baardeloosheid, etc.
Beast, bîst, (viervoetig) dier; redeloos dier; ruw mensch, beest: The
Beast = de Antichrist (Openbaring XIII, 1); Mark of the Beast; Beast
verb. beest maken; Beastlike (= Beastly) = dierlijk, beestachtig,
buitengewoon; subst. Beastliness.
Beastings, bîstiŋz, biest.
Beat, bît, subst. klap, slag, tred, ronde, wijk, dikwijls bezochte
plaats; het maatslaan, slag (bij het laveeren); Beat verb.
(herhaaldelijk) slaan, kneuzen, beuken, kloppen, stampen, verslaan,
opdrijven, doorzoeken, doorkruisen, inspannen, vermoeien, uitputten,
laveeren, vallen; klotsen, betreden: beat of drum = trommelslag; beat
of the heart (the pulse); The heart makes from 70 to 80 beats a minute;
A policeman’s beat, postman’s beat, sentry’s beat = wijk, post; I am
not on your beat = heb uw wijk niet; Out of one’s beat = niet geschikt
voor, onbereikbaar; Out of beat = uit de maat; To beat one’s brains
(head) about = zich het hoofd breken over, zich inspannen; One beats
the bush, and another gets the hare = de paarden, die de haver
verdienen, krijgen ze niet; To beat the charge = het sein tot den
aanval geven; To beat the general (alarm) = te wapen trommelen; To beat
hemp = braken; To beat (pad) the hoof; Zie Hoof; To beat a parley = het
sein geven tot mondelinge onderhandeling tusschen vijandelijke
aanvoerders; To beat a retreat = den aftocht blazen; To beat time = de
maat slaan; Dead-beat = doodop; beaten, geslagen, gesmeed, verslagen,
veel betreden, alledaagsch: beaten gold = bladgoud; beaten hemp; beaten
path = gewone weg (ook fig.); Hand-beaten silver = gedreven; beating =
slaan, pak slaag, nederlaag: To get a sound beating; To give a sound
beating = afranselen, slaan (sport); Beat verb. met voorzetsels en
bijwoorden: To beat about the bush = er om heen praten; To beat at
billiards, etc. = verslaan; To beat back = terugslaan; To beat down =
neerslaan, afdingen (They beat down the price), drukken van prijzen; To
beat hollow (= badly) = geheel verslaan; To beat in = inslaan; To beat
a thing into one’s head (= in upon one) = inprenten; To beat off =
afslaan, terugslaan; To beat out = uitdrijven, uitslaan; To beat out of
= afbrengen van: The teacher tried to beat him out of lying = door
slaan af te leeren; To beat out of countenance = van zijn stuk brengen;
To beat up = alarmeeren, aanvallen, werven, kloppen, aanmaken,
opkruisen; To beat up and down = op en neer loopen.
Beatific, bîətifik, zaligmakend, gelukzalig; subst. Beatification;
Beatify, biatifai, zalig maken, zalig verklaren; Beatitude, biatitjûd,
hemelsche zaligheid, zaligspreking.
Beatrice, bîətris; Beattie, bîti of beiti.
Beau, bou (Meerv. Beaus of Beaux, bouz), fat, galant; Beau verb. ’t hof
maken; Beaupot (Bough Beau, Bow Beau) = bloempot voor het raam
(veroud.).
Beauchamp, bîtš’m; Beaufort, bjûfət; Beaumont, boum’nt.
Beauteous, bjûtiəs, schoon; subst. Beauteousness; Beautifier, bjûtifaiə
= verfraaier, schoonheidsmiddel; Beautiful, bjûtiful, schoon,
voortreffelijk; subst. Beautifulness; Beautify, bjûtifai, verfraaien,
fraai (schoon) worden; Beauty, bjûti, schoonheid, schoone: She is an
heiress and a beauty = een rijk en schoon meisje; beauty is but skin
deep = schoonheid is vergankelijk; Beauty-sleep = de slaap vóór
middernacht; Beauty-spots = moesjes; Beauty-wash (Beauty-water) =
cosmetisch huidwatertje.
Beaver, bîvə, bever, vilt, vilten hoed; vizier, helm; Beaverteen =
soort van duffel.
Becalm, bikâm, stillen, bedaren: The fleet was becalmed off Lisbon =
werd door windstilte overvallen op de hoogte van L.
Became, bikeim, imperf. van to become.
Because, bikôz, bikoz, omdat, dewijl: Because of = van wege, wegens.
Beccafico, bekəfikou, vijgeneter (vogel).
Bechance, bitšâns, gebeuren, overkomen.
Bechuanaland, bekuânəland.
Beck, bek, subst. knik, wenk met vinger of hand (als bevel of groet);
beekje, riviertje: To be at one’s beck = To be at the beck and call of
a person = tot iemands dienst zijn; iemand op zijn wenken bedienen;
Beckon, bek’n, een wenk geven (met hand of hoofd), wenken.
Becloud, biklaud, bewolken, verduisteren.
Become, bikɐm, worden; passen, goed staan, betamen: I do not know what
has become of him = waar hij gebleven is; It does not become you (= It
ill becomes you) to speak like that = het past u niet; Her dress
becomes her = staat haar goed; She becomes her dress = zij doet haar
japon geen oneer aan; That’s very becoming = gepast.
Bed, bed, subst. bed, leger, huwelijk(sbed), bloembed, onderbouw,
bedding, laag; Bed verb. in bed leggen, in een bed planten (out); in
orde, in eene laag leggen, ondermetselen, te bed (ruste) gaan,
overnachten: Early to bed and early to rise, makes a man healthy and
wealthy and wise = de morgenstond heeft goud in den mond; To be in bed;
To be brought to (= To have one’s) bed; = bevallen: To get out of bed
with the wrong foot foremost = met het verkeerde been; To go to bed; He
keeps his bed = houdt het bed; I have made your bed = opgemaakt; As you
make your bed so you must lie in it = wat ge zaait zult ge oogsten; I
have made up a bed for you = in orde gebracht; To put to bed = naar bed
brengen; He took to his bed and died = ging liggen; Bed of roses
(fig.); Separation from bed and board = scheiding van tafel en bed;
Bed-chair = ziekenstoel; Bed-chamber = slaapkamer: Lords, Ladies
(Women) of the (King’s) Queen’s bed-chamber = kamerheeren, hofdames
(kamervrouwen); Bed-clothes = bedlinnen, beddegoed; Bed-curtains;
Bedding = beddegoed, stroo, lagen (geol.); Bedfast = bedlegerig
(Schotl.); Bedfellow (mate) = slaapkameraad; Bedgown = nachtjapon; kort
jak (Schotl.); Bed-hangings = bedgordijnen; Bed-linen; Bed-maker =
kamermeisje (aan Eng. universiteiten); Bed-pan = beddepan; Bed-post =
stijl van een ledikant: In the twinkling of a bed-post = in een
oogwenk; Bed-quilt = gewatteerde overdeken; Bed-rest = toestel om
patienten bij het opzitten te steunen; Bedridden = bedlegerig; Bed-rock
= vast gesteente; grond(slag): The family is almost down to bedrock =
ze hebben nagenoeg niets meer; Bed-room = slaapkamer; Bed-sore, bedsö,
doorgelegen plek (wegens lange bedlegerigheid); Bed-spread = bedsprei;
Bed-stead = ledikant (Chair-bed = opvouwbaar ledikant); Bed-table =
nachttafeltje; Bedtick = beddetijk; Bedtime = bedtijd.
Bedash, bidaš, bespatten.
Bedaub, bidôb, besmeren, bekladden.
Bedazzle, bidaz’l, door glans verblinden.
Bedeck, bidek, tooien, versieren, opschikken.
Bedehouse, bîdhaus, godshuis, gasthuis; Bede(s)man, Zie Beadsman.
Bedel, bîd’l, Bedell, bîdel, pedel (Oxford en Cambridge).
Bedevil, bidev’l, folteren, beheksen, in verwarring brengen, in ’t
verderf storten; Bedevilment = bezetenheid, verwarring, helsch lawaai.
Bedew, bidjû, bedauwen, bevochtigen.
Bedight, bidait, versierd.
Bedizen, bidaiz’n, bidiz’n, optooien; Bedizenment, optooi.
Bedim, bidim, verduisteren.
Bedlam, bedl’m, subst. gekkenhuis; dolle boel; adj. gek; dolhuis ...;
Bedlamite = krankzinnige.
Bedouin; beduîn, bedouïn, zwerver.
Bedraggle, bidrag’l, nat en vuil maken.
Bedrench, bidrenš, doorweeken, drenken.
Bedwarf, bidwöf, den groei belemmeren, verkleinen, laten verworden.
Bee, bî, bij, wesp, hommel; vereeniging of bijeenkomst van buurlieden
tot het gezamenlijk verrichten van arbeid of uitoefenen van
liefdadigheid: Husking-bee = voor maïs pellen; Sewing-bee =
naaikransje; Spelling-bee = wedstrijd in het spellen, etc.; He has a
bee in his bonnet, hears a bee humming in his head = hij is niet recht
snik (rusteloos, opvliegend); Bee-bread = bijenbrood; Bee-dress = pak
van den ijmker; Bee-eater = bijeneter; Bee-farmer = ijmker; Bee-garden
= plaats waar de korven staan; Bee-glue (Beeswax) = raat of was;
Beehive = korf; Bee-keeper = bijenhouder; Bee-line = kortste weg
tusschen twee plaatsen; Bees-wing = dun vliesje op oude portwijn.
Beech, bîtš, beuk, beukeboom; Beech-gall = galnoot; Beech-mast,
Beech-nut = beukenoot; Beech-wheat (Zie Buckwheat): Beechen = beuken.
Beef, bîf, rundvleesch, spierkracht; (geslachte) os; meest Mv. beeves
of beefs = rundvee (Amer.); Hung beef, Smoked beef = rookvleesch;
Beef-eater = spotnaam voor de Yeomen of the Guard; Beef-tea = bouillon;
Beef-steak = runderlapje; Beef-witted = stom als een os; Beefy =
vleezig; gespierd.
Been, bîn, part. perf. van to be.
Beer, bîə, bier: Strong, small beer = zwaar, dun (licht) bier: You talk
small beer = je wauwelt; He thinks no small beer of himself = heelt een
hoogen dunk; There would be more beer and skittles about my little
jaunt = ik zou er meer lol van willen hebben; That man’s lot is not all
beer and skittles = niet alles rozengeur en maneschijn; Native beers =
binnenl. biersoorten; Beer-barrel = biervat; Beer-engine (= Beer-pump)
= bierpomp; Beer-house (= Beer-shop) = bierhuis; Beer-money = geld aan
meid of knecht in plaats van bier; Beery = vol bier, beneveld.
Beest, bîst, = Beestings = Beastings.