Beet, bît, biet, kroot: Beet-radish, Beet-rave = beetwortel; Beet-root

= biet: To blush like a beet-root; Beet sugar = beetwortelsuiker.

Beetle, bît’l, subst. tor, kever.

Beetle, bît’l, zware houten hamer, stamper; Beetle verb. stampen,

figuren indrukken; Beetle-head = heiblok, ram; domkop.

Beetle, bît’l, uitsteken, overhangen; Beetle-browed = met

vooruitstekende ruige wenkbrauwen, norsch.

Befall, bifôl, overkomen, gebeuren.

Befit, bifit, passen, betamen.

Befog, bifog, in mist hullen, verwarren.

Befool, bifûl, voor den gek houden, bedotten.

Before, bifö, voor, tevoren, voorheen, vooraf, boven (bij eene keus):

To sail before the wind; I love her before any other woman = boven;

Before-cited (Before-mentioned) = vroeger vermeld; Before-going =

voorafgaand; Beforehand, biföhand, vooraf, van tevoren, vooruit: He

will be beforehand with you = u vóór zijn; She was anxious to be

beforehand with his lightest wish = te voorkomen; I am beforehand with

the world = ik kan mij goed redden, heb goede vooruitzichten; Before

time = in vroeger tijd.

Befoul, bifaul, bevuilen, bemorsen.

Befriend, bifrend, als vriend handelen jegens, beschermen, bijstaan.

Beg, beg, smeeken, ernstig vragen, bedelen, verzoeken: Miss N., may I

beg a dance of you = u verzoeken om; I beg your pardon = vraag u

excuus; I beg your pardon? = wat blieft u? To beg the question = het

punt in kwestie voor uitgemaakt of bewezen aannemen; I beg to inform

(send) you = ik ben zoo vrij, heb de eer; He begged for bread; He tried

to beg me off, but my father would hear of no pardon = hij trachtte

gedaan te krijgen, dat de straf mij werd kwijtgescholden; Begging

friars = bedelmonniken; Mayoralties that go a-begging for lack of men =

waarvoor zich niemand aanmeldt.

Begad, bigad = Bij God.

Began, bigan, imperf. van to begin.

Begaum, bîgôm = Begum.

Beget, biget, voortbrengen, kweeken: Kindness begets kindness;

Begetter, vader, bewerker.

Beggar, begə, subst. bedelaar, arme kerel, vent; Beggar verb. tot den

bedelstaf brengen, berooven, overtreffen: Beggars cannot be choosers =

nood leert bidden; Set a beggar on horseback and he’ll ride to the

devil = als niet komt tot iet dan kent iet zichzelve niet; The scene

beggars description = gaat alle beschrijving te boven;

Beggar-my-neighbour = een kaartspel voor kinderen; Beggarliness =

armzaligheid; Beggarly = armzalig; Beggary = armoede: Beggary is no

vice = armoede is geen schande; Reduced to beggary = tot den bedelstaf

gebracht; Zie Beg.

Begin, bigin, beginnen, ontstaan, aanvangen: Let us begin at the

beginning = bij; To begin with I must tell you = om te beginnen;

Beginner, beginneling; In the beginning = in den beginne; Every

beginning is difficult = alle begin valt zwaar; Everything must have a

beginning = een keer moet de eerste zijn.

Begird, bigɐ̂d, omgorden, omringen, omsluiten.

Begone, bigon, scheer je weg, ruk uit!

Begonia, bigounjə, begonia.

Begotten, bigot’n, voortgebracht: God’s only begotten Son = de zoon

Gods; Zie Beget.

Begrime, bigraim, bezoedelen, bemorsen.

Begrudge, bigrɐdž, misgunnen.

Beguile, bigail, bedriegen, verschalken, korten, aangenaam doorbrengen:

The fairy voices beguiled me on = de feeënstemmen verlokten mij, om

steeds verder te gaan; He beguiled the difficult path with pleasant

stories = door zijne aangename verhalen merkten wij de moeilijkheden

van ons pad niet; That might have well beguiled, Even haughty Eblis of

a sigh = kon zelfs E. eene zucht ontlokt hebben; Beguilement = bedrog;

Beguiler = bedrieger.

Beguine, begin, Begijn.

Begum, bîg’m, eene Indische prinses, voorname dame.

Behalf, bihâf, behoeve, voordeel, belang: In (On) (the) behalf of = ten

behoeve van; in naam van, van wege.

Behave, biheiv, zich gedragen: To behave oneself = zich (netjes)

gedragen, zoet zijn: If you are pretty behaved = zoet bent; Behaviour,

biheivjə, gedrag, optreden: To put a person upon his good behaviour =

iemand verantwoordelijk stellen voor zijn goed gedrag; vermanen zich

goed te gedragen.

Behead, bihed, onthoofden; Beheading, onthoofding.

Beheld, biheld, imperf. van to behold.

Behemoth, bihîməth of bîhimoth, Behemoth (Job. XL. 15–24); kolossaal

dier.

Behest, bihest, bevel, opdracht.

Behind, bihaind, subst. achterkant, achterste; prep. achter, minder

dan, na: Behind before = achterste voren; To fall behind =

achterblijven; To leave behind = achterlaten; To look behind =

omkijken; To stay behind = thuisblijven, achterblijven; Behind your

back = achter uw rug (ook fig.); Behind the scenes = achter de schermen

(ook fig.); You are behind your time = over; The train is behind time =

over zijn tijd; To be behind the times = achterlijk; There was

something behind his words = stak wat achter; Behindhand = achterlijk,

achterstallig, ten achteren: To be behindhand in the world = in

moeielijke omstandigheden zijn, aan lager wal zijn geraakt;

Behindment(s) = achterstallige schulden (Amer.).

Behn, ben.

Behold, bihould, aanschouwen, waarnemen, zien: Behold! = kijk! Behold

me = daar ben ik.

Beholden, bihould’n, verplicht, dankbaar (to, for).

Behoney, bihɐni, met honig besmeren (ook fig.).

Behoof, bihûf: In (On, For the) behoof of = On behalf of.

Beho(o)ve, bihouv, bihûv, passen, noodzakelijk zijn: It beho(o)ves one

to be = men dient te zijn.

Behring, beriŋ, bîriŋ.

Beige, beiž, beige.

Being, bîiŋ, aanzijn, wezen, bestaan, verblijf: For the time being =

voor het oogenblik; toenmalig.

Beiram, Zie Bairam.

Beknown, binoun, bekend.

Belabour, bileibə, afrossen, ranselen.

Belate, bileit, ophouden, vertragen: Belated = vertraagd, te laat, door

den nacht overvallen: A belated traveller; Belated efforts; Belated

wild roses.

Belaud, bilôd, uitbundig prijzen.

Belay, bilei, vastzetten, vastjorren: Belaying-pin = houten of ijzeren

nagel (scheepsterm); Belay there = houd op! maak vast!

Belch, belš, oprispen, uitspuwen, uitbraken (out, forth); subst.

oprisping, etc.

Belcher, beltšə, donkerblauwe halsdoek met witte stippen en donkerblauw

hart (waarschijnlijk genoemd naar Jim Belcher, een beroemd bokser in

zijn tijd): A Belcher handkerchief = een zakdoek van die stof.

Beldam, beld’m, oude vrouw, heks.

Beleaguer, bilîgə, belegeren, insluiten, blokkeeren.

Belecture, bîlektšə, kapittelen.

Belfast, belfâst.

Belfry, belfri, klokketoren, klokkekamer.

Belgian, beldž’n, Belg(isch); Belgic = Belgisch; Belgium = België.

Belgrade, belgreid, Belgrado.

Belgravian, belgreivj’n, adj. tot Belgravia, een aristocratisch deel

van West-Londen, behoorende; aristocratisch, modisch; subst.

aristokraat, een van de Upper ten thousand.

Belial, bîliəl, Belial: Son (man) of Belial = slecht mensch.

Belibel, bilaib’l, in geschrifte belasteren.

Belie, bilai, belasteren, logenstraffen, teleurstellen: Your looks

belie your words; Our hopes belied our fears = we misleidden onszelf

met te blijven hopen.

Belief, bilîf, geloof, weten, overtuiging: To the best of my belief =

naar mijn beste weten; That is past all belief = bepaald ongeloofelijk;

My firm belief is = ik ben vast overtuigd.

Believable, bilîvəb’l, geloofelijk; Believe, bilîv, gelooven,

onderstellen: Nice weather, isn’t it? I believe you = dàt zal wel waar

wezen, dàt beloof ik je; To believe in = gelooven aan; That fellow

believes, that the moon is made of green cheese = die vent gelooft van

alles; Come, let us make believe! = een kinderspelletje doen, waarbij

men ’t een of ander voorstelt; He made believe to read = hij deed net

of hij las; Believer, geloover, geloovige.

Belike, bilaik, misschien, waarschijnlijk.

Belittle, bilit’l, verkleinen, kleineeren: To belittle noble deeds, a

man; Belittlement, kleineering.

Bell, bel, subst. bel, klok, schel (Bells = glazen-, scheepst.), kelk;

verk. v. Arabelle of Isabella; Bell verb. de bel aanhangen; schreeuwen

(van herten in den bronsttijd); in den vorm van een kelk groeien: There

is the front-door bell = er wordt gebeld; Funeral bell = doodsklok; To

answer the bell = komen als gebeld wordt, opendoen; To bear the bell =

de belhamel zijn; To bear (carry) away the bell = de overwinning

behalen; To curse one with bell, book and candle = excommuniceeren; met

verwenschingen overladen; To pull (ring, touch) the bell (the

streetdoor bell) = bellen, aanbellen; To toll the bell = plechtig

luiden, kleppen; Coral and bells = rinkelbel; Who is going to bell the

cat? = wie zal de kat de bel aanbinden? Bell-buoy = klokkeboei;

Bell-button = electr. belknop; Bell-flower = campanula of klokbloem;

Bell-founder = klokkegieter; Bell-glass = glazen stolp; Bell-harness =

tuig met bellen; Bellman = omroeper; Bell-metal = klokkespijs;

Bell-pull (Bell-rope) = schellekoord; Bell-punch = instrument met bel

om kaartjes te knippen; Electric bell-pushes = knoppen; Bell-ringer =

klokluider; Bell-shaped; Bell-wether = belhamel (ook fig.).

Belladonna, belədonə, belladonna.

Bellerophon, bəlerəfon.

Bellicose, belikous, belikous, oorlogzuchtig, strijdlustig.

Belligerence, bəlidžərens, Belligerency, oorlogvoeren, staat van

oorlog; Belligerent, oorlogvoerend(e natie).

Bellona, bəlounə, Bellona.

Bellow, belou, verb. bulken, luid schreeuwen; subst. gebulk, etc;

Bellower, afroeper, omroeper.

Bellows, belouz, beləz, blaasbalg: Bellows-blower = orgeltrapper.

Belly, beli, subst. buik, schoot; Belly verb. zwellen, dik worden,

uitzetten: Your eyes are too big for your belly = je oogen zijn grooter

dan je maag; To eat the calf in the cow’s belly = de kip slachten, die

de gouden eieren legt; A man given to (fond of) his belly = die slechts

zijn buik dient; Hoof to belly = ventre à terre; The bellied sails =

bolle zeilen; Belly-ache = buikpijn, koliek; Belly-band = buikriem;

Bellyful = buikvol; pak slaag; Belly-god (Belly-slave) = gulzigaard;

Belly-pinched = uitgehongerd; Belly-timber = voedsel; Belly-worm =

spoelworm.

Belong, biloŋ, toebehooren, behooren bij (tot), betreffen, voegen,

geschikt zijn voor, wonen (Amerik.): Where do you belong? = waar hoor

jij thuis? That word does not belong here = is niet op zijn plaats;

Belongings = eigendom, hebben en houden, toebehooren, aanhang.

Beloved, bilɐvid, dierbaar, geliefd: The Beloved = de Zoon Gods.

Below, bilou, adv. en prep. onder, naar onderen, beneden, op aarde, in

de hel (onderwereld): The realms below = het schimmenrijk; It is below

him = beneden hem.

Belt, belt, Belt: The Great and the Little (Lesser) Belt.

Belt, belt, subst. gordel (ook als ridderattribuut), koppel, drijfriem,

ring (van Jupiter); kampioensgordel; Belt verb. omgeven, omringen:

Belt-railway = ceintuurbaan; To have the belt = ‘de week’ hebben (van

officieren); To have too much wine under one’s belt = achter de

knoopen; To hit below the belt = een gemeenen slag toebrengen (bij het

boksen), ook fig.; To hold the belt = kampioen zijn; Belted cruiser =

kruiser met een pantsergordel langs de waterlijn.

Beltane, Beltein, beltin, een Heidensch zonnefeest, in Ierland gehouden

op 21 Juni, in de Hooglanden van Schotland in Mei, waarbij, te midden

van allerlei plechtigheden, vuren werden gebrand op de heuvels.

Belvedere, belvidîə, belvedère, uitzichttoren, uitzichtkoepel.

Belvoir, bîvə.

Bemire, bimaiə, beslijken, bezoedelen.

Bemoan, bimoun, weeklagen, bejammeren: To bemoan oneself = zijn lot

beklagen.

Ben, ben, berg(top) (Schotl.); binnenkamer, (Schotl.); adv. in, van

binnen; verkorting voor Benjamin en Benefit (night).

Bench, benš, subst. bank, schaaf- of draaibank; de rechters; Bench

verb. van banken voorzien; tot aanzien brengen: The bench and the bar =

de rechters en de balie; Court of Queen’s (King’s) Bench = oud

gerechtshof; thans de Queen’s Bench Division van het High Court of

Justice; The Treasury Bench = bank der ministers in The House of

Commons; He was raised to the bench = tot rechter benoemd; Bencher =

vroeger bestuurslid van een Inn of Court; thans lid van het uit de

besturen der 4 Inns gevormde college: Council of Legal Education, dat

de examens voor Barrister afneemt; Bench-warrant = bevel tot

inhechtenisneming uitgevaardigd door een Court of Judge.

Bend, bend, subst. bocht, kromming, knoop, steek; Bend verb. buigen,

krommen, lichten, zich toeleggen, overhellen tot, besloten zijn,

onderwerpen, overhangen, aanslaan: Bends = berghout; The Bend (Bar)

sinister, eene lijn in een wapenschild, van den linkerbovenhoek naar

den rechterbenedenhoek getrokken, en onechte geboorte aanduidend; We

have been on the bend = wij zijn eens “uit” geweest; To go on a bend =

bokkesprongen maken (fig.); He bent his brow = fronste zijn voorhoofd;

To bend a sail = aanslaan; They bend their way homewards = richten

hunne schreden; Bent on going, on pleasure, on mischief = besloten te

gaan, geneigd tot pret maken, kwaad doen; He was bent on his work =

ingespannen bezig met; As the twig is bent, the tree’s inclined = jong

gewend, oud gedaan; We must not bend the bow till it breaks = de boog

kan niet altijd gespannen zijn; Bend-leather, zoolleer; Bendable,

buigbaar; Bender = spanner; sixpence; been, fuif (Amer.).

Beneaped, binîpt, vastzittend (door ebbe).

Beneath, binîth, beneden, lager dan, onder, op aarde: It is beneath you

(your dignity); He thinks it beneath him; On the earth beneath.

Benedicite, benədisitî, of benədaisitî, God zegene u! subst. gebed vóór

den maaltijd; een danklied.

Benedick, benədik, Benedict, benədikt, Benedictus; een pas gehuwde;

bekeerde oude vrijer.

Benedictine, benədiktin, subst. Benedictijner monnik; Ben. likeur; adj.

Benedictijnsch.

Benediction, benidikš’n, benedictie, inwijding, inzegening, lofrede;

dankzegging; Benedictional = zegenformulier boek; Benedictory,

benədiktəri, Benedictory prayers = heilbeden.

Benefaction, benifakš’n, weldaad, weldoen, schenking; Benefactor

(Benefactress), weldoener (weldoenster).

Benefice, benəfis, leen, prebende, de door den Patron te vergeven

predikantsplaats: The benefice was only open to = voor de prebende

kwamen slechts in aanmerking.

Beneficence, bənefisens, weldadigheid; Beneficent, weldadig;

Beneficial, benəfiš’l, voordeelig, nuttig, heilzaam; Beneficialness:

Beneficiary, benəfišəri, subst. hij, die in ’t bezit is van een

benefice; een provenier, vasal; hij, die een beurs heeft (Amer.);

ontvanger van een geldelijk bedrag; beneficiant (van een leen of eene

beurs) adj. in betrekking tot een benefice; mild.

Benefit, benəfit, subst. weldaad, gunst, voordeel,

weldadigheidsvoorstelling of benefiet (= Benefit night); Benefit verb.

nuttig zijn voor, van dienst zijn, bevorderen, nut of voordeel trekken

uit (by): Benefit of Clergy = een vroeger voorrecht om niet voor een

wereldlijke rechtbank terecht te staan; Maternity benefit = uitkeering

(volgens de ziektewet) bij bevalling; Medical benefit = genees-, en

heelkundige hulp; Sanatorium benefit = verpleging in sanatoria; Let us

give him the benefit of the doubt = laten we den bestaanden twijfel in

zijn voordeel uitleggen; For the benefit of his health = in het belang;

The Egyptians never benefited by French influence; Benefit-society =

verzekeringsgezelschap tegen ziekte en ouderdom; Benefit

building-society = vereenig. voor het bouwen van arbeiderswoningen.

Benevolence, bənevəl’ens, welwillendheid, weldaad; bede; Benevolent,

welwillend, weldadig: Benevolent fund = ondersteuningsfonds.

Bengal, beŋgôl, Bengalen; een dunne uit zijde en haar vervaardigde

stof; adj. Bengaalsch: Bengal cane = Spaansch riet; Bengal light =

Bengaalsch vuur; Bengal tiger = koningstijger; Bengalee, Bengali,

beŋgôlî, Bengalese, beŋgôlîz, Bengalees, Bengaleezen, het Bengaalsch.

Benighted, binaitid, door den nacht overvallen, achterlijk,

ouderwetsch, dom.

Benign, binain, liefderijk, weldadig, mild, goedaardig; Benignant,

binign’nt, liefderijk, etc.; Benignity, binigniti, liefderijkheid,

goedheid, welwillendheid.

Benjamin, benžəmin, Benjamin; benzoë; soort van overjas (in de mode in

het begin dezer eeuw); lage stroohoed met breeden rand.

Benjy, benži, verkorting van Benjamin.

Bennet, benət, nagelkruid.

Bent, bent, gebogen, krom, geneigd, gesteld, belust, besloten; subst.

neiging, drang, trek, grootste (in)spanning, helling: He has fooled me

to the top of my bent = tot het uiterste; Bent (= Bent-grass) =

struisgras; To take (to) the bent = ontsnappen, vluchten.

Benumb, binɐm, verstijven: Benumbed with cold; subst. Benumbedness.

Benzine, benzin, benzîn, benzine; Benzol(e), benzol, benzoul, benzol =

Benzoline, benzəlîn.

Beowulf, beiəwulf, bîəwulf.

Bepraise, bipreiz, buitensporig prijzen.

Bepuff, bipɐf, vreeselijk in de hoogte steken.

Bequeath, bikwîth, bikwîdh, nalaten, vermaken; subst. Bequeathal =

Bequeathment; Bequest, bikwest, legaat.

Berate, bireit, doorhalen of hekelen.

Berber, bɐ̂bə, Barbarijsche taal (of bewoner); adj. Barbarijsch.

Bereave, birîv, berooven, wegnemen; Bereavement = zwaar verlies.

Bereft, bireft, imperf. en part. perf. van to bereave.

Berenice, berinais; Beresford, berəsfəd.

Bergamot, bɐ̂gəmot, bergamotcitroen, bergamotolie, bergamotpeer; soort

grof tapijtwerk.

Bergander, bɐ̂gandə, bergeend.

Berlin, bɐ̂lin, Berlijn, berline, garen handschoen (= Berlin glove);

adj. Berlijnsch: Berlin blue = Pruisisch blauw; Berlin shop =

tapisseriewinkel; Berlin wool = fijne breiwol.

Berm(e), bɐ̂m, berm, walrand.

Bernard, bɐ̂nəd, Bernardus; Bernardine, bɐ̂nədin, Bernardijn; adj.

Bernardijnsch.

Berne, bɐ̂n, Bern: The Bernese (bɐ̂nîz) Highlands = Berner Oberland.

Bernoose, bɐ̂nûs, bɐ̂nûs, burnous.

Berre(t)ta, bəretə, baret (zwart voor priesters, violet voor

bisschoppen (te Rome meest zwart), rood voor kardinalen.)

Berry, beri, subst. bes, boon, eitje van visch of kreeft; Berry verb.

bessen voortbrengen, of plukken.

Berserk (Berserkar, Berserker, Berserkir), bɐ̂sɐ̂k(ə), subst. Berserker,

woesteling; adj. woest: Berserker rage; His berserker forefathers =

woeste.

Berth, bɐ̂th, subst. ruimte tusschen zeilende schepen, ankerplaats,

ligplaats, kooi, hut, post, (goed) baantje; Berth verb. een slaapplaats

aanwijzen; eene ankerplaats aanwijzen: He has got a good berth =

baantje; To give a man (the coast) a wide berth = uit den weg (de kust)

blijven; Berthage, bɐ̂thidž, ankerplaats, liggeld.

Berwick, berik, bɐ̂wik (Amer.).

Beryl, beril, beril; adj. lichtgroen = Berylline.

Besant (W.), bəzânt.

Beseech, bisîtš, smeeken, dringend verzoeken.

Beseem, bisîm, passen, voegen; subst. Beseemingness.

Beset, biset, omringen, insluiten, belegeren, in ’t nauw brengen,

bestormen: Beset with enemies = omringd en bestookt door; Besetment:

That was his great besetment = daarvan was hij de slaaf; Besetting-sins

= zonden, waartoe men lichtelijk vervalt (Hebr. XII, 1.).

Beshrew, bišru, vervloeken, verwenschen: Beshrew me, my heart =

waarachtig! Beshrew the hour! = vervloekt zij.

Beside, bisaid, naast, nabij, buiten, afgescheiden van: He was beside

himself with rage = buiten zichzelven; He is beside the mark = de plank

mis; That’s beside the present point = dat doet hier niet ter zake;

Besides, bisaidz, bovendien, behalve.

Besiege, bisîdž, belegeren, bestormen; subst. Besiegement; Besieger,

belegeraar.

Beslaver, bislavə, bekwijlen; likken (fig.).

Beslime, bislaim, met slijm bevuilen.

Beslobber, bislobə, bekwijlen; likken (fig.).

Beslubber, bislɐbə, bekwijlen.

Besmear, bismîə, besmeren, bevuilen.

Besmirch, bismɐ̂tš, bevuilen, bezoedelen.

Besmut, bismɐt, (met roet) bevuilen.

Besom, bîz’m, bezem, bezemkruid.

Besot, bisot, dronken voeren, verdwazen; Besotted = dronken, aan den

drank, dwaas (verliefd).

Besought, bisôt, imp. en p.p. van to beseech.

Bespangle, bispaŋg’l, versieren (bezaaien) met loovertjes.

Bespatter, bispatə, bespatten, bekladden.

Bespeak, bispîk, subst. benefiet; Bespeak verb. vooraf bespreken,

bestellen, beteekenen, verzoeken om, aanspreken, aankondigen, boeien:

We were at a play last night: it was a bespeak; The bespeak party

occupied two boxes = de dames en heeren die het stuk lieten spelen; I

bespeak the attention of every man for our foreign affairs = vraag

ieders aandacht; His language Bespeaks him a scholar = bewijst dat hij

is; Bespeak bootmaker = op maat; Bespeak tailoring at ready-made prices

= op maat doch tegen confectie prijzen; Imperf. en P.P. = Bespoke,

Bespoken.

Besprinkle, bispriŋk’l, besprenkelen.

Bess, bes, verkorting van Elizabeth.

Bessemer, besəmə: Bessemer process = bessemeren, gietijzer onder hooge

temperatuur smelten en er in gesmolten toestand lucht doorheen voeren;

Bessemer steel.

Best, best, subst. best; adj. best; Best verb. overtreffen, beetnemen:

Sunday best = Zondagskleeren; The best part of the week = grootste

gedeelte; At (its) best = op zijn mooist, hoogstens; To see a person at

his best = van zijn besten kant; To the best of my ability (belief) =

zoo goed ik kan (naar mijn beste weten); To do one’s best = zijn best

doen; To get (have) the best of = er het best afkomen, de overhand

hebben; To keep the best (wine) to the end = het lekkerste (beste) voor

het laatst bewaren; To look one’s best = op zijn voordeeligst; To make

the best of a bad bargain = zich er zoo goed mogelijk doorheen slaan;

To make the best of a chance = zooveel mogelijk partij trekken van; To

make the best of a bad husband = zich schikken in, verzoenen met het

idee; To make the best of one’s way home = zich zoo snel mogelijk

begeven; We had performed the best of our way = het grootste gedeelte

afgelegd; To play one’s best; To speak for the best = om bestwil; To

wear for best = voor best; Put your best foot forward; Best-maid =

bruidsmeisje (Schotl.); Best-man = bruidsjonker; Best-pleased =

ingenomen.

Bestead, bisted, van dienst zijn, helpen; past part. en adj. omgeven,

geplaatst, gelegen: Hard bestead = in ’t nauw; Ill bestead = in

moeielijken toestand.

Bestial, bestj’l, beestachtig, zinnelijk; Bestiality = beestachtigheid,

etc.; Bestialize = verdierlijken.

Bestir, bisɐ̂, in vlugge en krachtige beweging brengen, roeren,

inspannen: You must bestir yourself = u inspannen, voortmaken.

Bestow, bistou, aanwenden, verleenen, werpen, schenken, besteden,

opbergen; Bestowal = Bestowment = gave.

Bestraddle, bistrad’l = Bestride.

Bestrew, bistrû, bestrooien.

Bestride, bistraid, schrijlings zitten op of staan over; stappen over,

bestijgen; P.P. Bestridden; P. Imp. Bestrode.

Bestud, bistɐd, met studs of kno(o)pjes versieren.

Bet, bet, subst. weddenschap, inzet; Bet verb. wedden, eene weddenschap

aangaan; It is an even bet = weddenschap met gelijken inzet; He made a

bet of a bowl of punch = wedde om; I’ll bet you ten pounds = ik wed met

u om; You bet! (Amer.) = Zeker! Dat wed ik met je! Better (Bettor) =

wedder; Betting-book = boekje voor het noteeren van weddenschappen;

Betting-man = iemand, die wedrennen geregeld bezoekt om te wedden,

gokker.

Betake, biteik: Betake oneself to = zich begeven naar, zijn toevlucht

nemen tot, zich bedienen van, aanvatten.

Betel, bît’l, betel; Betelnut = betelnoot.

Bethel, beth’l, heilige plek, kerk voor dissenters of zeelui.

Bethink, bithiŋk, (zich) herinneren, overwegen: I bethought myself of

it at the right moment; He bethought of him = herinnerde zich zijner.

Betide, bitaid, overkomen, geschieden: Woe betide you = wee u.

Betime(s), bitaim(z), in tijds, weldra.

Betoken, bitouk’n, aanduiden, voorspellen: That dark cloud betokens a

storm.

Beton, bet’n, beton.

Betony, betəni, betonie.

Betook, bituk, imperf. van to betake.

Betray, bitrei, verraden, misleiden, bedriegen: He betrayed his

ignorance = liet blijken; My head is all right, but my legs betray me =

geven het op (ik kan niet meer loopen of staan); Betrayal = verraad;

Betrayer, verrader.

Betroth, bitroudh of bitroth, verloven, beloven te huwen; tot bisschop

aanstellen; Betrothal (Betrothment) = verloving; Betrothed, verloofde.

Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen) · 第 10 / 152 段