een zak doen; schieten, vangen; stelen, opzwellen, uitzetten, zakkig
zitten: Bags = wijde kleedingstukken, broek; ingewanden, maag
(Schotl.): Alms (Collection) bag = armenzakje; Blue (Green) bag = zak
voor akten, processtukken, etc.; City (Gladstone) bag = soort valies;
What’s the bag to-day? = hoeveel wild is geschoten? He went away bag
and baggage = met pak en zak; He is a bag of bones = de levende dood;
To bear the bag = baas over’t geld zijn; To get the bag = den bons
krijgen; To give the bag = verlaten; bedriegen; To give one the bag to
hold = iemand bedotten; He let the cat out of the bag = verklapte
alles: How many hares have you bagged to-day? = geschoten? You’ve had
your wind bagged at footer = bent achter adem gekomen bij het voetbal
spel; Bag-fox, bagfoks, een door jagers medegenomen vos, die los wordt
gelaten om op te jagen; Bagman, bagm’n, handelsreiziger (veroud.);
Bagpipe = doedelzak; Bagpiper; Bag-wig = pruik met haarzak; Bagging =
zaklinnen; Baggy = zakachtig, flabberig; gezwollen: Baggy cheeks.
Bagatelle, bagətel, kleinigheid, bagatel; een zeker spel:
Bagatelle-board.
Bagdad, bagdâd, bagdad; Bagehot, badžət.
Baggage, bagidž, bagage (Amer.; in Engeland ook luggage); de
benoodigdheden van een leger; brutaaltje; meisje: A pretty,
soft-hearted baggage; Baggage-car (Amer.) = goederenwagen.
Bagnio, banjou, badhuis, bordeel; gevangenis voor galeislaven.
Bah, bâ, ba, foei.
Bahadur, bahôdə, heer (Brit. Ind.).
Bail, beil, subst. borgtocht, borg; beugel, hengsel, halve hoepel;
stang, staket, afsluiting, grens; hoosvat: Bail verb. borg blijven;
toelaten, een borg te stellen, in onderpand geven; van een beugel
voorzien; ontwapenen; hoozen: To accept (allow, admit to, take) bail =
tegen borgtocht in vrijheid stellen; To be (go, stand) bail for = borg
blijven voor; To give (furnish) bail = borg stellen; To bail out = met
een borgtocht bevrijden; hoozen; Bailbond, Bail-piece = schriftelijk
bewijs van borgstelling; Bailsman = borg; Bailable, tegen borgtocht
vrij te laten; waarvoor bail gegeven kan worden; Bailee, beilî,
borgtochthouder; Bailer (Bailor), beilə, borgtochtgever; Bailer,
hoosvat, soort baggermachine; Bailment = overdracht onder borgstelling;
vrijlating tegen borgstelling.
Bailey, beili, buitenmuur; binnenplein: The Old Bailey = zetel van het
Central Criminal Court in de City.
Bailiff, beilif, schout, baljuw, opzichter, gerechtsdienaar, soort
verificateur; opzichter der visscherijen; Bailiwick, beiliwik, het
rechtsgebied van een bailiff.
Bairn, bêən, kind.
Bairam, bairâm, bairam, Turksche feesten (Lesser Bairam volgt op
Ramadan; Greater Bairam volgt 70 dagen later).
Bait, beit, subst. aas, lokaas; verfrissching, water en voer; Bait
verb. van aas voorzien, verlokken; stilhouden om zich te verfrisschen,
drenken en voeren; aanhitsen: To take the bait = bijten; in de val
loopen; Bear-bait(ing) = berebijt, vechten van honden tegen beren.
Baize, beiz, baai, saai; gordijn, tafelkleed.
Bake, beik, bakken; Baked meat = vleeschpastei; Baker = bakker: A
Baker’s dozen = dertien; Baker-kneed (Bake-legged) = met x-beenen (=
Bake-feet); Bakery = Bake-house = bakkerij.
Balance, bal’ns, subst. balans, schaal, evenwicht, Weegschaal
(Dierenriem); onrust, saldo; Balance verb. wegen, balanceeren, in
evenwicht brengen (houden, zijn), gelijk maken, opmaken: To be off
one’s balance = wat van streek zijn; Our destinies hang (tremble) in
the balance = hangt aan een zijden draad; I have a balance (in my
favour) at my banker’s = (batig) saldo; I’ll pay the balance in sherry
= wat er te kort is; To strike the balance = de balans opmaken; Balance
of power = staatkundig evenwicht; Balance of trade = handelsbalans;
Balance-bridge = wipbrug; Balance-fish = hamerhaai; Balance-knife =
tafelmes, waarvan door het zware heft het lemmet niet het tafellaken
raakt; Balance-master, Balance-mistress = équilibrist; Balance-pole =
balanceerstok; Balance-sheet = balans; Balance-step = zweefpas;
Balancer = koorddanser; équilibrist.
Balas(s)-ruby, baləsrûbi, roode spinel.
Balcony, balkəni, balkon.
Bald, bôld, kaal, naakt, armzalig; met witten kop: Bald-face = slechte
whiskey (Amer.); Bald-head(ed), Bald-pate(d), subst. (en adj.) =
kaal(kop).
Baldachin, baldəkîn, baldakijn.
Balderdash, bôldədaš, subst. wartaal, onzin; bocht.
Baldric, bôldrik, gordel of schouderriem.
Baldwin, bôldwin, Boudewijn.
Bale, beil, subst. baal; onheil; verb. in balen verpakken; uithoozen.
(Zie Bail). Bale-fire = brandstapel; bakenvuur; Baling-paper = sterk
pakpapier (Am.); Baleful, noodlottig, onheilspellend.
Balearic Islands, baliarikail’ndz, Balearische eilanden.
Baleen, bəlîn, balein.
Balfour, balfə; Baliol, beiliəl.
Balise, (Balize), bəlîz, baken.
Balk, bôk, subst. balk; ongeploegd gelaten strook land; teleurstelling,
veredeling; Balk verb. dwarsboomen, verijdelen, teleurstellen; blijven
steken; weigeren te springen, onaangeroerd laten; aanwijzen van de
richting van haringscholen: Balk-line = streep (bij den onderband van
een E. biljart); Balker = een visscher, die vanaf een hoogte signalen
geeft over de haringscholen; Balky = koppig.
Balkan, bôlk’n of balkân: The Balkans = Balkanstaten.
Ball, bôl, bal, balspel, kogel, kluwen, (rijks)appel; Ball verb. (zich)
tot een bal vormen: Ball and socket joint = kogelgewricht; The Ball of
the foot = bal, zool, holte van den voet; A ball of wool = kluwen;
Brandy balls = soort balletjes; Uncle three balls = “Oome Jan”; To have
the ball at one’s feet = ’t spel in handen hebben (fig.); To hole a
ball = stoppen (bilj.); To keep the ball rolling = iets aan den gang
houden = (To keep the ball up); To load with ball = met kogels; To open
the ball = het bal openen; discussies, strijd beginnen; To set (To
start) the ball rolling = iets aan den gang brengen; The snow balled
under the hoofs of the horses; Ball-cartridge = scherpe patroon;
Ball-cock = balkraan, waardoor de watervoorraad in een vat vanzelf
geregeld wordt door een drijvenden bal, die haar opent of sluit;
Ball-proof = kogelvrij; Ball-room = balzaal.
Ballad, baləd, ballade; straatdeun; Ballad-maker, Ballad-monger =
liedjesverkooper (Ballad-maker).
Ballast, baləst, subst. ballast; puin; Ballast verb. ballasten, in
evenwicht houden; met puin bestrooien; Ballastage = rechten op ’t
innemen van ballast.
Ballet, balei, ballet: A hole in the ballet = ironische uitroep wanneer
iemand blijft steken in zang of voordracht; Ballet-dancer;
Ballet-master.
Bal(l)ista, bəlistə, balist; Ballistic = ballistisch; Ballistics =
balistiek.
Balloon, bəlûn, ballon, bol, kolf; Balloon verb. (laten) opstijgen;
opzwellen; kunstmatig opdrijven (Amer.): To fly red balloons =
ballonnetjes oplaten; Captive (Dirigible) balloon = ballon captief
(bestuurbare); Ballooner, Balloonist = luchtschipper.
Ballot, balət, subst. (stem) balletje of briefje; (geheime) stemming;
loting; het aantal uitgebrachte stemmen; Ballot verb. stemmen,
balloteeren, uitloten: To cast a ballot = stemmen uitbrengen; To make a
special ballot for = laten stemmen over; The ballot was taken on the
resolution = er werd over gestemd; Ballot-box = stembus; Ballot-paper =
stembriefje.
Balm, bâm, subst. balsem; troost; balsamieke reuk; balsemboom,
bijenkruid; Balm verb. zalven; verlichten, lenigen; Balm-cricket =
zwarte veldkrekel; Balminess = balsemachtigheid; Balmy = balsamiek,
verzachtend: He is Balmy on the crumpet = het scheelt hem in zijn bol.
Balmoral, balmor’l, Balmoral; Balmoral boot = soort rijglaars; Balmoral
cap = soort Schotsche muts.
Balneary, balnjəri, bad ...; Balnearies = bad, badplaats.
Balsam, bôls’m, balsem (Zie Balm); balsemine; Balsamic(al) = balsamiek,
verzachtend (middel).
Balsamine, bôlsəmain, balsemien. springkruid, kruidje-roer-me-niet.
Baltic, bôltik, Baltisch: The Baltic = Oostzee; Baltimore, bôltimö:
Baltimore-bird = Am. zangvogel.
Baluster, baləstə, baluster: Balustered = van balusters voorzien;
Balusters = trapleuning; Balustrade = balustrade.
Bam, bam, zwendel; Bam verb. bedriegen.
Bambino, bambînou, kind; eene voorstelling van het kindeke Jezus in de
kribbe.
Bamboo, bambû, subst. bamboes; Bamboo verb. met een bamboesstok
afranselen.
Bamboozle, bambûz’l, bedriegen, verlakken; Bamboozlement, bedriegerij;
Bamboozler, bedrieger.
Ban, ban, subst. afkondiging; verbod, banvloek; boete wegens bankbreuk;
Ind. mousseline; Ban verb. vervloeken; verbannen, in den ban doen: To
be placed under the ban of the law = (uit)bannen; A banned exile; Zie
Banns.
Banal, bein’l, ban’l, banaal, plat, alledaagsch; Banality = banaliteit,
gemeenplaats.
Banana, banânə, bənanə, banaan, pisang; Banana-bird = pisangvogel.
Banbury: Banbury cake, banb’rikeik, gebak met fijngehakt vleesch: To
ride (a cock-horse) to Banbury cross = een kind op de knieën laten
rijden.
Banco, baŋkou, bankgeld, tegenover minderwaardig current money: To sit
in banco = in plechtige zitting vereenigd zijn.
Band, band, subst. band, smal lint, koord, keten, hof, zwachtel, rand,
drijfriem; troep, korps, kapel, boei, verbond; Band verb. (zich)
vereenigen: A plain gold band = gladde (trouw)ring; He has a band upon
his hat = rouwband; Endless band = drijfriem; Band and gown = toga en
bef; Band of hope = geheelonthoudersvereeniging van kinderen; Band of
pearls = snoer; Brass band = fanfarekorps; Musical band = muziekkorps;
String band = strijkorkest; Wind band = blaasorkest; Band-box =
hoeden(linten) doos; fat: He looked as if he came out of a band-box =
je kon hem door een ringetje halen; Band-master = kapelmeester
(Military band, Town-band); Bandsman, muzikant; hoboist; Band-stand =
muziektent; Bandage, bandidž, subst. verband, zwachtel; Bandage verb.
verbinden.
Bandan(n)a, bandanə, rood, blauw of geel gekleurde zak- of halsdoek met
witte of gele stippen van katoen of zijde (Indië).
Banderol(l), bandərol, Banderole, bandəroul, vaantje, banderol.
Bandicoot, bandikût, Malabaar rat, Australische buideldas.
Bandit, bandit, (Meerv. Bandits of -ti, banditi), bandiet.
Bandog, bandog, bandrekel.
Bandoleer, bandəlîə, bandelier.
Bandoline, bandəlin, soort pomade; Bandoline verb. pomadeeren, toilet
maken.
Bandore, bandö, bandö, soort luit.
Bandy, bandi, heen en weer slaan, elkaar toewerpen, wisselen,
disputeeren; subst. hockeyspel, hockeykolf; ossekarretje (Brit. Ind.);
adj. krom: Her name was freely bandied about among them = te pas en
onpas genoemd; Don’t bandy words with me = disputeer niet; There is no
use in our bandying incivilities = elkander onbeleefdheden te zeggen;
Bandy-legged = met O-beenen.
Bane, bein, vergif; verderf, pest; rotziekte (bij schapen): He was
considered the bane of society = pest; Wolf’s bane = wolfswortel;
Banewort, beinwɐ̂t = wolfskers, egelboterbloem; Baneful = giftig;
doodelijk.
Bang, baŋ, subst. bons, harde slag, groot geraas, knal; interj. en adv.
boem; Bang verb. slaan, stompen, dichtslaan; overtreffen, schallen,
knallen, dreunen; het haar recht langs het voorhoofd afknippen; To
close with a bang = bons; Bangs = (valsch) ponyhaar (Amer.); Banger =
leugen: I never heard (told) such a banger = leugen; He banged his fist
on the table = sloeg met; To bang things = hard neergooien; He banged
my hat in; To bang each other with quarter staves = afranselen; That
took my breath bang away = plotseling; To do a thing in bang-up style =
royaal; Bang-shop = minder soort winkel (ook: Slap-and-bang-shop).
Banghy, baŋgi, draagstok; Banghy-post = postpakketdienst; Banghy-wallah
= drager.
Bangle, baŋg’l, armring, armband.
Bangle, baŋg’l, verbeuzelen (away); slap neerhangen; Bangle-eared = met
slap neerhangende ooren.
Bangy = Banghy.
Banian, banj’n, een Hindoekaste van vegetariërs; koopman, makelaar;
katoenen Hindoesch hemd; soort nachthemd of sjamberloek; Banian-days =
dagen, waarop vroeger bij de marine geen vleesch werd verstrekt Banian
(Banian-tree) = heilige Ind. vijgeboom.
Banish, baniš, verbannen; Banishment, verbanning.
Ban(n)ister, banistə = Baluster.
Banjo, bandžou, banjo.
Bank, baŋk, subst. zandbak, aardwal, talud; oever, bank, geldbank,
doft; Bank verb. indammen, (zich) ophoopen; in rekening staan met een
bank, deponeeren, realiseeren: Banker = bankier, bankhouder;
grondwerker; visschersvaartuig op de banken van New-Foundl.;
modelleerbank: Discount (Mortgage bank, Savings bank) = Disconto
(Hypotheek-, Spaar-) bank; Bank of Deposit (Bank of Issue) = Deposito
(Circulatie) bank; He broke the bank = deed de bank springen; A
banked-up fire = bedekt of ingerakeld vuur; Bank-agent = directeur van
eene filiaalbank; Bank-bill = wissel, bankbiljet; Bank-book = bankboek;
Bank-engine = hulplocomotief (bij hoogten); Bank-holiday =
Paaschmaandag, Pinkstermaandag, 1e Maandag in Aug., en 2e Kerstdag; in
Schotland Nieuwjaarsdag, Goede Vrijdag, 1ste Maandag in Mei en Augustus
en Kerstdag; Bank-note = bankbiljet; Bank-rate = bankdisconto;
Banksmack = visschersvaartuig (Newfoundland); Bank-stock =
kapitaalvoorraad; Banking and commission-business = bankiers- en
wisselzaak (commissionairsz.): Banking-house = bankiershuis.
Bankrupt, baŋkrɐpt, subst. bankroetier; adj. bankroet; Bankrupt verb.
bankroet gaan of maken: Act of bankruptcy = faillietverklaring;
Bankruptcy commissioner = curator; Bankruptcy Act = wet op het
faillissement.
Banner, banə, banier: He joined, followed (fought under) our banners =
streed onder onze banieren; bannered = van banieren voorzien; Banneret
= baanderheer; vaantje.
Bannock, banək, koek van erwten- of gerstenmeel (Schotl.); Bannockburn,
banəkbɐ̂n.
Banns, banz, geboden: To ask (publish, put up) the banns = kerkelijk
afkondigen; To forbid the banns = bezwaren inbrengen tegen de
afkondiging.
Banquet, baŋkwət, subst. banket; Banquet verb. banketeeren; Banqueter =
deelnemer aan een banket; Banqueting-hall = feestzaal.
Banquette, bəŋket, banket (Mil.); steil talud; voetpad op eene brug;
trottoir.
Banshee, banši, geest in de gestalte van eene oude vrouw (Ierl. en
Schotl.), die een aanstaand sterfgeval aankondigt.
Banstickle, banstik’l, stekelbaars.
Bantam, bant’m, bantam, subst. Bantamsch dwerghoen; adj. Bantamsch;
klein; strijdlustig; gewichtig; Bantam-work = nagemaakt Japansch
snijwerk.
Banter, bantə, subst. scherts, boert; Banter verb. schertsen,
gekscheren, schertsend plagen.
Bantling, bantliŋ, klein kindje: In our Bantling days = kinderjaren.
Banyan, banj’n = Banian (-tree).
Baobab, beiəbab, bâəbab, apenbroodboom.
Baptism, baptizm, doop: Baptism of fire = vuurdoop; Baptismal = doop -
-: Baptismal certificate (Baptismal font); Baptist = baptist: St. John
the Baptist = Joh. de Dooper; Baptistery = doopkapel; doopbekken;
Baptistic = doop - -; baptisten - -; Baptize = doopen.
Bar, bâ, stang, houten boom, sluitboom, hindernis, hefboom, barrière,
slagboom; eene zandbank bij den mond eener haven; balie, orde der
advocaten, rechtbank; buffet; balk (in een wapenschild), dwarsstreep,
eene lijn op den notenbalk (voor de maat); eene exceptie, die ’s
klagers aanklacht vernietigt; staaf; Bar verb. met een boom of boomen
sluiten; uitsluiten, beletten, belemmeren, versperren, doorkruisen met
lijnen en strepen: Horizontal and parallel bars = rekstok en brug; The
hunter cleared all the bars = nam al de hindernissen; The host was in
the bar = buffet; The bar of the harbour = ondiepte; Bar of soap =
reep; The bar are of a different opinion = de advocaten; There is no
case at bar at present = aanhangig; A trial at bar = een behandeling
voor al de rechters van een hof; At the bar of public opinion; He was
called to the bar = werd toegelaten als advocaat; Called within the Bar
= tot King’s (Queen’s) Counsel benoemd worden; To change the Bar for
the Bench = van advocaat overgaan bij de magistratuur; To cross the bar
= sterven; To study for the bar = in de rechten; A bird with a barred
tail = gestreept; A crossbar-red shirt; This statute bars my right of a
free choice = verhindert; Barring = barring; prep. uitgezonderd: I will
take them all Bar(ing) these = met uitzondering van; Barring-out = het
buitensluiten van den leeraar door leerlingen (met Kerstmis of Vasten);
Bar-iron = staafijzer; Bar-keeper = buffetknecht; kroeghouder
(Americ.); Bar-maid = buffetmeisje; Bar-man = buffetknecht; Bar-master
= mijnopzichter; Bar-room = gelagkamer; Bar-shoe = rondom gesloten
hoefijzer; Bar-soap = zeep aan reepen; Bar-shot = boutkogel;
Bar-sinister (Zie Bend-sinister); Bar-tender = buffethouder.
Barb, bâb, subst. Barbarijsch paard; soort duif; baard,
schachtveertjes; weerhaak; wapenrusting voor een paard; Barb verb. van
weerhaken voorzien; barbieren: Barbed wire fence =
prikkeldraadversperring.
Barbacan, bâbək’n, buitenwerk, wachttoren.
Barbados, bâbeidouz, Barbados. (W. Ind.).
Barbarian, bâbêriən, subst. barbaar, wilde, wreedaard; adj. barbaarsch,
wild, onmenschelijk; Barbaric, barbaarsch; Barbarism, bâbərizm,
barbarisme (gramm.), barbaarschheid, wreedheid; Barbarity =
barbaarschheid; Barbarous = barbaarsch; subst. Barbarousness.
Barbary, bâb’ri, Barbarije: Barbary-ape = Turksche aap.
Barbate(d), bâbit(id), behaard.
Barbecue, bâbəkjû, subst. groote rooster; een in zijn geheel gebraden
groot dier; volksfeest waar zulk een gebraad wordt opgegeten; terras
waarop koffieboonen worden gedroogd (Amer.); Barbecue verb. een dier in
zijn geheel braden.
Barbel, bâb’l, barbeel.
Barber, bâbə, subst. barbier, kapper; Barber verb. barbieren, kappen;
Barber’s basin, Barber’s plates (brass vessels) = scheerbekken;
Barber’s pole = rood en wit geschilderde stok aan de oude
barbiers(dokters)winkels.
Barberry, bâberi, berberis, zuurdoorn.
Barbet, bâbət, poedelhond; baardvogel, baardkoekoek.
Barbette, bâbet, barbette, geschuttoren op pantserschepen; geschutbank.
Barbican = Barbacan.
Bard, bâd, zanger, bard; harnas v. een paard; spekreep; Bard verb. van
een harnas voorzien; met spekreepen beleggen; Bardic, barden - - =
Bardish; Bardism, bardenwezen.
Bardell, bâdəl, bâdel.
Bare, bêə, adj. naakt, bloot, blank, kaal, arm, versleten, ontbloot
van; Bare verb. ontblooten, berooven: Under bare poles = voor top en
takel; Bare-backed = zonder zadel; Bare-boned, (Bare-ribbed) fellow =
mager, broodmager; He told it me barefaced = zonder blikken of blozen,
onbeschaamd; Barefacedness; Bare-footed, Bare-headed, Bare-legged,
etc.; Barely = nauwelijks; Bareness = naaktheid, behoeftigheid.
Barege, barêž, barège.
Baret, barət, hoofddeksel van Kath. geestelijken, bonnet, baret,
kalotje.
Bargain, bâgin, subst. koop, koopje, overeenkomst, afspraak, het
gekochte; Bargain verb. een koop sluiten, verkoopen, overeenkomen: To
conclude (drive, strike) a bargain = sluiten; He made the best of a bad
bargain = hij sloeg er zich zoo goed mogelijk door; A good bargain is a
pickpurse = goedkoop duurkoop; I had these goods a dead bargain =
spotgoedkoop; I will give you these into the bargain = op den koop toe;
Sale bargains = koopjes; A bargain is a bargain = een man een man, een
woord een woord; That’s a bargain! afgesproken; He bargained away his
farm = verkocht; We had not bargained for his presence = niet gerekend
op; He sent me less than I had bargained for = berekend, besteld;
Bargain-hunter = loopster op koopjes; Which is the bargainee and which
the bargainer = kooper ... verkooper.
Barge, bâdž, barge, praam, lichter; statie(officiers)sloep; een
passagiers- of vrachtschip met dubbel dek, getrokken door eene
stoomboot (Amer.); (hotel)omnibus = Hotel barge (Amer.); Bargeman =
Bargee (bâdžî) = schuitenvoerder = Bargemaster.
Barilla, bərilə, ruwe soda, ook de plant, waaruit deze bereid wordt.
Bark, bâk, subst. schuit, bark; geblaf; bast (van een boom), schors,
run; Bark verb. afschillen; blaffen; hoesten: I barked my skin against
a wheel = schaafde; Bark-bared = van de bast ontdaan; Bark-galled tree
= met beschadigde bast; Bark-pit = looikuil; Barker, blaffer,
schreeuwer, iemand die koopers lokt; pistool, kanon; Barky = met schors
bedekt.
Barley, bâli, gerst: Hulled (Peeled, Pot, Scotch) Barley = gepelde
gerst; French (Pearl) barley = parelgerst; Barley-broth = gerstepap;
Barley-corn = gerstekorrel; John Barley-corn = bier; Barley-sugar =
gerstesuiker.
Barm, bâm, gist; Barmy = schuimend.
Barn, bân, subst. schuur; Barn verb. in eene schuur opslaan (up); adj.
tam, huis - -: Barn-door fowls = pluimgedierte; Barn-owl = kerkuil;
Barn-stormer = rondreizend acteur; Barn-yard = erf.
Barnaby, bânəbi, Barnabas.
Barnacle, bânək’l, eendenmossel, klis (fig.); boomgans; Barnacles =
neusknijper (voor een paard); lorgnet; martelwerktuig.
Barometer, bəromətə, barometer; Barometric(al), barometrisch,
barometer...
Baron, bar’n, baron: Barons of the Exchequer = vijf rechters, die (voor
1873) belastingkwesties tusschen regeering en onderdaan uitmaakten;
Baron and feme = man en vrouw (jur. en herald.); Baron of beef = de
twee ongescheiden lendestukken van een rund; Barons of the Cinque Ports
= (tot 1832, veertien leden van het House of Commons, door de Cinque
Ports (nl. Dover, Sandwich, Hastings, Hythe en Romney, waarbij later
Winchelsea en Rye kwamen) gekozen); Baronage; Baroness = barones;
Baronet = baronet (een baronet heeft, evenals een knight, Sir vóór den
doopnaam; de titel van den eerste alleen is erfelijk); The Baronage and
the Baronetage of England = alle barons en baronets; Baronetcy = titel
of waardigheid van een baronet; Baronial = van een baron; Barony =
baronie; waardigheid van baron.
Baroque, bərouk, subst. en adj. barok.
Barouche, bərûš; kales, barouche.
Barrack, barək, barak, keet; Barracks = kazerne.
Barrage, baridž, dam.
Barrator, barətə, omkoopbaar rechter; twistzoeker; iemand die barratry
pleegt; Barratry, barətri, het aanzetten tot processen; bedrog door een
scheepskapitein gepleegd ten nadeele van de eigenaars, assuradeurs of
cargadoors.
Barrel, bar’l, subst. ton, vat, loop (van een geweer), cylinder (in een
muziekdoos of orgel), spil; trommel (van het oor, van een horloge),
romp van paard of koe; Barrel verb. inkuipen, in een vat doen;
Barrel-bulk = vijf kubieke voet; Barrel-bellied = met ronden buik;
Barrel-organ = draaiorgel; Barrelled = in vaten gedaan; Double
Barrelled = tweeloops.
Barren, bar’n, subst. onvruchtbaar land (dier); adj. onvruchtbaar,
droog, onnoozel, waardeloos: Barren-spirited = onbeduidend; subst.
Barrenness.
Barricade, barikeid, subst. versperring, hindernis; Barricade verb.
versperren, beletten.
Barrier, bariə, barrière, slagboom, grenspaal; Barrier verb. afsluiten;
Barriers = krijt; Barrier-reef = koraalrif; Barrier Treaty.
Barrister, baristə = Barrister at law, advocaat (pleit alleen, behalve
in crimin. zaken, na instructie door een solicitor).
Barrow, barou, grafheuvel, hunebed; berrie (= Handbarrow-), kruiwagen
(= Wheelbarrow-); karrevracht; gecastr. beer.
Barter, bâtə, ruilhandel drijven, inruilen, omruilen: To barter away =
verkwanselen; subst. ruil(handel); Barterer = handelaar.
Bartholomew, bâtholəmjû, Bartholomeus; Massacre of St. Bartholomew.
Barwood, bâwud, rood verfhout.
Barytone, baritoun, subst. en adj. bariton; (woord) met onbeklemde
laatste lettergreep.
Basal, beis’l, grond - -, fundamenteel.
Basalt, bəsôlt of basolt, bazalt; Basaltic, basalten; Basaltiform,
basaltzuilvormig.
Basanite, basənait, Lydische steen, toetssteen.
Bascule, baskjûl, wip: Bascule-bridge = ophaalbrug.