Audit, ôdit, subst. onderzoek en nazien van rekeningen en boeken en

opmaking van balans; balans, rekenschap; ook verb. = verifieeren: Final

Audit = Oordeelsdag; Commissioners of Audit = college van

comptabiliteitsambtenaren; Exchequer and Audit Department = rekenkamer

aan ’t hoofd waarvan de Comptroller and Auditor General staat;

Audit-office = Afd. Comptabiliteit; Auditor = toehoorder; accountant;

Auditorium = auditorium; Auditory = gehoor - -: Auditory nerve =

gehoorzenuw.

Augean, ôdzîən, van Augias: To cleanse the Augean-stables = Augiusstal.

Auger, ôgə, avegaar.

Auget, ôdžət, leigoot voor de zundpijp.

Aught, ôt, iets, wat ook, in eenig opzicht; subst. iets: For aught I

know = voorzoover ik weet; He may go there, for aught I care = voor

zoover mij betreft.

Augment, ôgm’nt: Syllabic augment (Grieksche gram.).

Augment, ôgment: vermeerderen, vergrooten, toenemen; Augmentation,

vermeerdering, etc.; Augmentative, vermeerderend, etc.

Augur, ôgə, subst. waarzegger (bij de Romeinen) uit vlucht en het

geschreeuw van vogels; Augur verb. gissen, voorspéllen: That augurs

well for our happiness = belooft veel voor; Augural = Augurial =

voorspellend; Augury, ôgjuri, voorspelling.

August, ôgəst, Augustus: It will be a cold day in August before she

sees me again = ’t zal lang duren; Augustan, ôgɐstən, den keizer A.

betreffend; Augsburgsch: Augustan confession = Augsburgsche

geloofsbelijdenis (1530).

August, ôgɐst, grootsch, verheven, doorluchtig; Augustness,

grootschheid, etc.

Augustin(e), ôgɐstin, of ôgəstin, Augustinus; Augustijner monnik;

Augustinian, ôgəstinj’n, aanhanger van de leer v. A. Augustijner

monnik; Augustijnsch; Augustus.

Auk, ôk, alk.

Aula, ôla, Aula; Aularian, ôlêrj’n, tot eene aula behoorende.

Aulic, ôlic, tot een koningshof behoorend.

Aunt, ânt, tante (= Auntie, Aunty = tantetje); Aunt Sally = eene pop

met eene pijp in den mond die er van zekeren afstand met stokken moet

worden uitgegooid.

Aural, ôr’l: Aural surgeon = oordokter.

Aurate, ôrit, goudkleurig, goudhoudend; Aureate, ôriit, goudgeel,

verguld.

Aurelia, orîljə, Aurelia; pop van een insect; Aurelian, pop - -;

kapellenverzamelaar.

Aureola, ôrîələ, Aureole, ôrioul, stralenkrans, lichtkrans.

Auric, ôrik, goud - -.

Auricle, ôrik’l, oorschelp: Auricle of the heart = hartoor.

Auricula, ôrikjulə, aurikel.

Auricular, ôrikjulə, oor - -: Auricular confession = oorbiecht;

Auricular tradition = mondelinge overlevering; Auriculate(d),

oorvormig, geoord.

Auriferous, ôrifərɐs, goudhoudend.

Auriform, ôriföm, oorvormig; Auriscalp, ôriskalp = oorlepeltje;

Auriscope = oorspiegel; Aurist = oorarts.

Aurochs, auroks, ôroks, auerochs.

Aurora, ôrôrə, Aurora; morgenrood, dageraad: Aurora australis =

Zuiderlicht; Aurora borealis = Noorderlicht; adj. Auroral.

Aurungzebe, ôrɐŋgseb, ôrɐŋgzeib.

Auscultate, ôskəlteit, ausculteeren; Auscultation, ôsk’lteiš’n, medisch

onderzoek van longen of hart met behulp van den stethoscoop;

Auscultator, ôsk’lteitə, stethoscoop; auscult. geneesheer.

Auspicate, ôspikeit, onder gunstige voorteekenen aanvangen; Auspice,

ôspis, waarzeggen uit vogelvlucht: Auspices = auspiciën, voorteekens,

leiding, bescherming: Under favourable auspices; Under the auspices of

= bescherming van; Auspicious = gunstig (gezind); subst.

Auspiciousness.

Austere, ôstîə, streng, norsch, stuursch; wrang; matig, eenvoudig;

Austerity, strengheid, etc.; kastijding.

Austin Friars, ôstin fraiəz, Augustijner monniken.

Austral, ôstr’l, Zuidelijk; Austraal: Austral pole (der magneetnaald);

Austral-signs = de zes zuidelijke teekens van den Dierenriem.

Australasia, ôstrəleišiə, Australia + Tasman., New Zeal., en de

Fiji-eil.; of, dit alles + New Guin., New Cal., New Hebr., etc.; adj.

Australasian; Australia = Australië; Australian = Australisch;

Australiër.

Austria, ôstriə, Oostenrijk; Austrian = Oostenrijksch; Oostenrijker.

Authentic(al), ôthentik(’l), authentiek, betrouwbaar, geloofwaardig,

echt; Authenticate = authentiseeren, verifieeren, legaliseeren,

bekrachtigen; subst. Authentication; Authenticity = geloofwaardigheid,

echtheid.

Author, ôthə, schepper, schrijver; bedrijver, aanlegger, bewerker:

Author of an outrage; The author of her misery; Authoress =

schrijfster; Authorship = auteurschap.

Authoritative, ôthoritətiv, gemachtigd, gebiedend, autoritair,

gezaghebbend; subst. Authoritativeness; Authority, ôthoriti,

autoriteit, aanzien, gewicht, invloed; gezag, man van gezag,

machtiging: Misuse of authority = misbruik van gezag; He is no

authority on the subject; On the authority of = in opdracht van, op

grond van; We have it on the best authority = have high authority for

saying = uit zéér vertrouwbare bron; Authorization = autorisatie;

Authorize = autoriseeren, machtigen: Authorized Version = Engelsche

bijbelvertaling (1611), ongeveer onze Statenvertaling.

Autobiographer, ôtəbaiogrəfə, autobiograaf; Autobiographic =

autobiographisch; Autobiography = autobiographie.

Auto-car, ôtəkâ, automobiel.

Autochthon, ôtok-th’n, ôtok-thoun, oorspronkelijke bewoner; wat aan een

land eigen is, of aldaar zijn oorsprong had; Autochthonal =

Autochthonous = oorspronkelijk.

Autocracy, ôtokrəsi, autocratie: Autocrat = autocraat; Autocratic(al) =

autocratisch.

Auto da fé, ôtədâfei, auto-da-fé.

Autogenous, ôtədžinɐs, zelfvoortbrengend; Autogeny = zelfontstaan.

Autograph, ôtəgraf, autograaf; Autographic, ôtəgrafik, autographisch;

Autography = autographie.

Automatic(al), ôtəmatik(’l), automatisch: Automatic machine = automaat;

Automaton, ôtoməton, automaat.

Automobile, ôtəmoubil of ôtəməbîl, automobiel; Automobilism =

automobielsport; Automobilist = automobilist.

Autonomic(al), ôtənomik(’l), autonoom = Autonomous, Autonomy =

autonomie.

Autopsia, ôtopsiə; Autopsy, ôtəpsi, persoonlijke waarneming, autopsie;

lijkschouwing; Autoptical = uit eigen aanschouwing.

Autotype, ôtətaip, autotypie; Autotype verb. door middel hiervan

vermenigvuldigen.

Autumn, ôt’m, herfst; verb. rijpen (laten); Autumnal = herfst ...:

Autumnal Equinox.

Auxiliar, ôgziljə = Auxiliary, ôgziljəri, adj. hulp verleenend, hulp

...: Auxiliary forces (troops); Auxiliary subst. helper, bondgenoot,

hulpwerkw. = Auxiliary verb; Auxiliaries = hulptroepen.

Avail, əveil, baten, helpen, uitwerken; subst. baat, hulp, nut: It was

to little avail = het baatte zoo goed als niets = It was of no avail,

without avail; Avails = bedrag, opbrengst (Amer.); What can it possibly

avail? = met mogelijkheid uitwerken, waartoe kan het in vredesnaam

dienen? I have availed myself of that opportunity = gebruik gemaakt,

geprofiteerd van; Availability = bruikbaarheid, enz.; Available,

bruikbaar, beschikbaar, ter dispositie, geldig: I have no available

money at this moment = beschikbaar; There were no available candidates

for that post = geschikte; Available for three days = geldig; Available

for wheeled carriages = bruikbaar; Available to the meanest

understanding = bevattelijk.

Avalanche, avəlânš, sneeuwval; Avalanchine praise = overdreven lof.

Avarice, avəris, gierigheid, hebzucht; Avaricious = gierig, hebzuchtig,

karig met (of); subst. Avariciousness.

Avast, əvâst, stop!

Avatar, avətâ of avətâ, de vleeschwording der Godheid (Hind. Myth.);

voorwerp v. vereering; openbaring.

Avaunt, əvônt, weg van hier!

Ave, eivi of âvə, interj. Heil! Welkom! Vaarwel! Ave Maria = Ave Maria,

âvə mərîə; Ave Maria-bell = het angelus.

Avenaceous, avəneišəs, haverachtig.

Avenge, əvenž, wreken, straffen: I’ll be avenged on you = gij zult mij

satisfactie geven; Avenger = wreker: Avenger of blood.

Avens, av’nz, nagelkruid.

Aventail(e), av’nteil, vizier (van een helm).

Aventine, av’ntain, subst. Aventinus; toevluchtsoord; adj. Aventijnsch.

Avenue, avənjû, toegang, oprijlaan, allee; breede met boomen beplante

straat (Amer.).

Aver, əvɐ̂, betuigen, verzekeren; beweren; Averment = betuiging,

bewijsvoering.

Average, avəridž, subst. doorsnee, de gemiddelde hoeveelheid, het

gemiddelde; averij; adj. in doorsnee, gemiddeld, gewoon; Average verb.

het gemiddelde nemen, gemiddeld bedragen: General Average = averij

gros; Average-adjuster (= Averager) = dispacheur; At (On, Upon) an

average = gemiddeld; Let us strike an average = het gemiddelde nemen;

Average amount = gemiddeld bedrag; The Average Englishman = de gewone;

Average price = gemiddeld; Average sample = doorsneemonster; Being of

the average stamp (order) = van het gewone slag; We averaged two hares

a day = schoten gemiddeld; They average about 50 lbs each = wegen

gemiddeld; They average £100 each = hebben een doorsneeprijs; The

blacksmith averaged the soldier with a glance = nam hem met één blik

op.

Avernal, əvɐ̂n’l, van den Avernus; helsch.

Averruncate, avərɐŋkeit, uitroeien; Averuncator = boomschaar, snoeimes.

Averse, əvɐ̂s, afkeerig: He was averse to (from) all work; Averseness,

tegenzin, afkeer (to, for) = Aversion: My pet aversion = mijn grootste

antipathie; Avert, əvɐ̂t, afwenden, afkeeren; Avertible = afwendbaar.

Aviary, eivjəri, volière.

Aviate, eivieit, avieit, vliegen; Aviation, eivieiš’n, avieiš’n,

luchtvaart; Aviator, eivieitə, avieitə, aviateur, vliegenier; Aviatory

trespass = een met een vliegtoestel begane overtreding.

Aviculture, eivikɐltjə, vogelteelt.

Avid, avid, gretig, begeerig (of, for); Avidity = begeerte, etc.

Avocation, avəkeiš’n, roeping, werk; bijbaantje, afleiding.

Avoid, əvôid, vermijden, mijden; opheffen, ongeldig maken; vrijkomen:

He could not avoid doing it = moest het wel doen; Avoidable: Not

avoidable = onvermijdelijk; Avoidance, vermijding; vacature;

herroeping: In (the) avoidance of = om te vermijden.

Avoirdupois, avədjupôiz, Engelsch gewichtsstelsel, behalve voor goud,

zilver, juweelen en geneesmiddelen (het E. pound daarvan heeft 16

ounces): To reduce one’s avoirdupois = gewicht.

Avon, eiv’n, av’n, rivier; Avondale, av’ndeil.

Avouch, əvautš, betuigen, verzekeren; subst. getuigenis; Avouchment,

betuiging, etc.

Avow, əvau, belijden, erkennen; Avowable = te erkennen; Avowal =

bekentenis, belijdenis; Avowee, əvauî. (Zie Advowee).

Avuncular, əvɐŋkjulə, een oom betreffend.

Await, əweit, verwachten, afwachten, verbeiden; te wachten staan.

Awake, əweik, verb. ontwaken, zich bewust worden (to); wekken; adj.

wakker: He awoke from his stupor = ontwaakte uit zijne verdooving; That

call will awake the dead; He is wide awake = klaar wakker; “gaar”; I am

awake = weet er alles van; I am awake to all that you say = ik begrijp,

doorzie.

Awaken, əweik’n, wekken, levendig maken: Awakenning-books =

tractaatjes.

Award, əwöd, subst. oordeel, uitspraak, beslissing, toegekende

belooning (straf); Award verb. toekennen, toewijzen, beslissen: He was

awarded the first prize = The first prize was awarded (to) him;

Awarder, scheidsrechter.

Aware, əwêə, bewust, onderricht: To be aware of = merken, bewust zijn,

weten.

A-wash, əwoš = op gelijke hoogte als het water; drijvend.

Away, əwei, weg, voort, op een afstand: Away for shame = foei, schaam

je! I could not away with those people = kon ze niet zetten; The

patient could not away with being nursed = wou niet opgepast worden;

Come away from that = ga daar vandaan; To clear away = afnemen; To

drink away = er op los drinken; Fire away = brand los; Get away = maak,

dat je weg komt; To give away = weggeven, verraden; He made away with

himself = maakte zich van kant; Pull away = haal op! To work away =

hard werken; Question away = vraag maar op!

Awe, ô, subst. ontzag, eerbied; Awe verb. ontzag inboezemen,

intimideeren: To keep in awe = ontzag inboezemen; To stand in awe of =

ontzag hebben voor; I was awed by his serious words; Awe-commanding =

ontzag inboezemend; Awe-struck = met ontzag vervuld; Aweless =

onbevreesd; subst. Awelessness; Awful = vreeselijk; ontzagwekkend:

subst. Awfulness = eerbiedwaardigheid; afschuwelijkheid.

Aweary, əwîri, vermoeid; levensmoede.

A-weather, əwedhə, loefwaarts.

A-weigh, əwei: To be a-weigh = “anker op” zijn.

Awhile, əwail, gedurende een tijdje.

Awkward, ôkwəd, onhandig, lomp, smakeloos, onaangenaam, verlegen: It is

awkward that I forget his name = lam, vervelend; Awkward age =

lummeljaren; Awkwardness, onhandigheid, etc.

Awl, ôl, els; Awl-bird = groene specht; Awl-wort, ôlwɐ̂t, priemkruid.

Awn, ôn, baard (van gras of aren).

Awning, ôniŋ, wagenkap, zonnescherm: The awning front of the shop =

ruimte vóór den winkel, door een zeil of scherm tegen de zon beschut.

Awoke, əwouk, Imperf. van to awake.

Awry, ərai, scheef, schuin: To be awry = scheef staan (zitten); To

laugh awry = lachen als een boer, die kiespijn heeft; He looked awry =

zuur; To wear awry = scheef dragen.

Axe, aks, bijl; Axe-head = de bijl in tegenstelling met den steel;

Axe-helve = steel; To hang up one’s axe = de lier aan de wilgen hangen,

zich terugtrekken uit iets; People with axes to grind = menschen, die

hun eigen zelfzuchtige plannen op het oog hebben.

Axial, aksiəl, in de richting van de as.

Axil, aksil, Axilla, əksilə, oksel; Axillar(y), oksel..., okselstandig.

Axiom, aksiəm, axioma; Axiomatic(al), onomstootelijk.

Axis, aksis, as; de tweede halswervel.

Axle, aks’l: Axle-tree, aks’ltrî, de spil.

Axminster, aksminstə.

Axolotl, aksəlot’l, waterhagedis (Mexico).

Ay, Aye, ai, ja, Ay marry = ja waarachtig; Ay me = o wee mij!

Ayah, eijə, Brit. Ind. baboe.

Aye, ei of ai = eeuwig: Farewell, perhaps for aye, for ever and aye.

Ayes, aiz, de voor- (eig. ja-)stemmers in het House of Commons: The

ayes and the noes (= tegenstemmers); The ayes have it = de meerderheid

is er voor.

Aye-aye, ai-ai, vingerdier (op Madagascar).

Aylesbury, eilzbri; Ayrshire, êəšə: The Aylesbury Bard = Robert Burns.

Azalea, əzeiljə, azalea.

Azimuth, azimɐth, azimuth; adj. = Azimuthal.

Azoic, əzouik, zonder spoor van organisch leven, zonder organische

overblijfselen.

Azores, əzôz, əzôriz, Azorische eilanden.

Azure, ažə, of eižə, adj. azuur, hemelsblauw; subst. het uitspansel;

blauw veld (Herald.); Azure verb. blauw verven; Azure stone = Azurite,

ažərait, lazuursteen.

Azyme, az(a)im, ongezuurd brood; ongezuurd, ongegist.

B.

B, bî, B. B-flat = b mol; B-sharp = b kruis; B.A. = Bachelor of Arts;

B. C. = Before Christ; B. C. L. = Bachelor of Civil Law; B. D. =

Bachelor of Divinity; B. M. = Bachelor of Medicine; Bart of Bt. =

Baronet. (Deze heeft, evenals een Knight, den titel Sir vóór den

doopnaam; die titel is echter bij de Baronets erfelijk, bij de Knights

niet); B(ritish) M(useum); A B and S = Brandy and Soda; Bro(thers);

Brig(adier) Gen(eral); He does not know a B from a bull’s foot (a

broom-stick, a battle-dore) = hij kent geene A voor eene B; B(lessed)

V(irgin) M(ary).

Baa, bâ, subst. het blaten; Baa verb. blaten: The baby was caressing a

woolly baa-lamb; You silly baahling = lam, sukkel.

Baal, beiəl, Baal; Baalist, Baalite, afgodsdienaar.

Bab, bab, peur; Bab verb. peuren.

Baba, bâba, vader, papa.

Babble, bab’l, snappen, wauwelen, babbelen; murmelen; subst. gesnap,

gebabbel, gewauwel; gemurmel; Babbler, wauwelaar.

Babe, beib (= Baby): Food (Meat) for babes = kinderkost (ook fig.).

Babel, beib’l, Babel; spraakverwarring; wanorde, rumoer; dwaas plan;

Babel-like buildings = hooge.

Baboo, bâbu of bəbû, heer; halfontwikkelde Hindoe: Baboo English =

gebroken Engelsch.

Baboon, bəbûn, baviaan; Baboonery, aapachtig optreden.

Baboosh, Babouche, bəbûš, muiltje.

Babu = Baboo.

Baby, beibi, subst. klein kind; pop; adj. klein, jong, kinder Baby:

Cry-baby (= Cry-a-baby) = grienerig kind; Baby-car = kinderwagentje

(sportkarretje); Baby-carriage = kinderwagen; Baby-farming =

zoogenaamde verzorging (meestal opzettelijke verwaarloozing) van

kinderen; Baby-feeder = slabbetje; Baby-house = poppenhuis; Baby-linen

= kindergoed, luiers; Baby-pin = veiligheidsspeld; Babyhood (Babyship),

eerste kindsheid; kleine kinderen; Babyish (= Babish), kinderlijk;

subst. Babishness.

Babylon, babilon; Babylonia, babilounjə, Babylonië: Babylonian,

Babylonisch, reusachtig; Babyloniër; Babylonic, Babylonish, adj.

Babylonisch, verward, rumoerig.

Bac(k), bak, platboomde (veer)boot; kuip.

Baccalaureate, bakəlôri-it, baccalaureaat.

Baccara(t), bakərâ, baccarat (spel).

Baccate, bakit, besachtig, besdragend, bezieachtig.

Bacchanal, bakən’l, subst. Bacchuspriester, Bacchant(e), zwierbol; adj.

bacchantisch; Bacchanals = Bacchanalia, bakəneiljə, Bacchanaliën;

Bacchanalian = Bacchantisch; zwierbol; Bacchant = Bacchant(e); adj.

Bacchantisch; Bacchante, bakənt of bəkant(î), Bacchante; Bacchic =

Bacchantisch; Bacchus = Bacchus.

Bacciferous, baksifərɐs, bessendragend; Bacciverous, baksivərɐs,

bessenetend.

Bachelor (soms verkort tot Bach) batš(ələ), subst. ongetrouwd man;

baccalaureus (laagste acad. graad na 3 jaren studie en examen): His

bachelor rooms were always tidy = zijne kamers, toen hij nog ongetrouwd

was, etc.; Bachelor’s of Bachelors’ buttons = dubbele ranonkel;

Bachelorhood = Bachelorship, baccalaureaat; staat van jonggezel.

Bacillus, bəsiləs (Meerv. Bacilli), bacil.

Back, bak, subst. rug, achterzijde, onderkant, keerzijde, verste kant,

etc.; adj. achter-, rug-, afgelegen, omgekeerd, etc.; adv. terug,

omgekeerd, etc.; Back verb. van een rug voorzien, den rug versterken,

verdedigen, bekrachtigen, steunen; achteruitgaan, achteruitbrengen,

achterwaarts bewegen, bak halen, strijken; van achteren grenzen aan, op

den rug dragen, endosseeren, wedden op, etc.: To sit back to back = met

den rug tegen elkaar aan; Small of the back = kruis; He does not need

my little palm in the small of his broad back = heeft mijn geringe

steun niet noodig; He has not a shirt on his back = aan het lijf;

Behind one’s back = achter iemands rug (ook fig.); To bow the people’s

back = onderdrukken; To get up (make, set) a back = voorover gaan

staan, een hoogen rug maken (van katten), boos worden; To provide a

back = gaan staan (bij haasje over); To put one’s back into = zich

inspannen voor; To put anybody’s back up = boos maken; To scratch the

back of the public = vleien; To see the back of = afkomen van, zich

afmaken van; To turn one’s back upon = den rug toedraaien; The back of

the hand (postcard, wood) = rugzijde (achterkant, verste zijde); To be

at the back of = ergens achter zitten (fig.); To look best from the

back; To see through the back of a person’s head = iemand geheel

doorzien; To go back on a friend = verraden; To go back on a promise =

breken; She kissed him back = weerom; To look back upon = terugzien op;

The angel rolled back the stone from the door = wentelde af; Back and

forth (Amer.) heen en weer; As far back as = reeds in, toen reeds; Some

time back = geleden; The horse backed with him = ging achteruit; To

back the oars = strijken; To back sail = bakzeil halen (bijdraaien); To

back water = strijken; achteruitkrabbelen (fig.); To back down before =

wijken voor; Our train was backed on to a siding = teruggezet op een

zijspoor; To back out of an engagement = terugkrabbelen, zich er

afmaken; To back out of a fix = met fatsoen uit een moeilijkheid komen;

To back up = steunen (rugsteunen); To back a horse = wedden op (in

tegenstelling van den book-maker die ‘lays against’); To back the field

= op alle paarden wedden behalve op de “favourite”; He would back

himself for any amount to do it better than any of them = wilde wedden,

maakte zich sterk; Backbite = belasteren, kwaad spreken van; Backbiter;

Back-board = rugplank; rugplank in den stuurstoel van een (roei)boot;

Backbone = ruggegraat; wilskracht: He is a liberal to the backbone =

door en door; He has no backbone = geen pit in zich; Back-country =

achterland, Hinterland (Amer.); Back-door = achterdeur; uitvlucht,

uitweg; Backdown: That statesman’s backdown was an earnest of later

success = zijn toegeven was eene belofte van later succes; High backed

chairs = met hooge ruggen; Backer = helper, steuner; Backfall = val op

den rug (bij het worstelen); Backgammon, bakgam’n, triktrakspel,

bakspel; Background = achtergrond: To keep in the background = blijven

in; Back-hand = subst. schuin linksch schrift; Back-handed = met den

rug van de hand, schuin links, dubbelzinnig, heimelijk: A back-handed

compliment = dubbelzinnig; A back-handed blow (= back-hander) = met den

rug van de hand: Fortune gave him a lift, with a back-hander to follow

= Fortuna was hem eerst gunstig, maar bedroog hem daarna; He took a

back-hander = extra glas (wijn etc.); Back-house = achtergebouw;

Back-number (-volume) = oud, vroeger; Back-payment (-rent) =

achterstallige; Back-piece, Back-plate = rugbedekking (van een harnas);

Back-seat = voorbank; ondergeschikte rol (plaats); Back-settlements =

nederzettingen in het achterland (Amer.); Back-side = achterzijde;

achterste; Back-slang = soort dieventaal, waarbij de woorden andersom

gespeld worden b.v. Cool the esclop (of slop) = Look at the police;

Backslide = afvallig of ontrouw worden; wegloopen; Backslider;

Back-staff, bakstâf, ouderwetsche quadrant; Back-stair(s), bakstêə(z),

subst. geheime trap, achtertrap; adv. listig, oneerlijk: The whispers

of the backstairs = lasterlijk gefluister; Backstays = pardoens;

Back-sword, baksöd, soort houwdegen; schermstok met getralied

handvatsel, het spel daarmee; Backward = adj. en adv. achterwaarts,

rugwaarts, langzaam, traag, onwillig, achterlijk, stomp van bevatting;

schuchter (Amer.); lang geleden: It is backward in us = achterlijk;

Backward and forward(s) = heen en weer; To repeat backwards = achterste

voren opzeggen; backwardation, bakwədeiš’n, korting voor het recht om

eerst na 14 dagen te mogen leveren; Backwards = van achteren naar

voren; Back-water = opvaart, haf; achterwaarts geworpen water door

waterraderen of schepraderen; ook verb. strijken; Backwoods, bakwudz,

Canadeesche oerwouden; Backwoodsman = een Peer, die nooit een zitting

bijwoont (fig.).

Backshee(sh), bakšî(š), Ba(c)kshish, bakšiš, drinkgeld, fooi; Backshish

verb. omkoopen.

Backy, baki, tobacco; Backy-box = tabaksdoos.

Bacon, beik’n, Baco; Baconian, van Baco.

Bacon, beik’n, gezouten spek: A flitch of bacon = zij spek: He may

fetch a flitch of bacon from Dunmow = hij heeft nooit ruzie gehad met

zijne vrouw (een toespeling op den hiervoor uitgeloofden prijs); To

save one’s bacon = er heelhuids afkomen.

Bacteria, baktîriə, (mv. v. Bacterium = bacterie); Bacteriological =

bacteriologisch; Bacteriologist, bacterioloog; Bacteriology,

bacteriologie.

Bad, bad, slecht, schadelijk, valsch, bedorven, ziek, erg: He is in a

bad way = hij is er slecht aan toe; That’s too bad = dat is te kras; To

feel bad = onwel; boos; To go bad = bederven (van eieren); To go from

bad to worse = van kwaad tot erger; You had it bad = je hadt ’m leelijk

“om”; To the bad = schuldig, te kort; To drift (go) to the bad = den

slechten weg opgaan; Baddish = vrij slecht; I want it badly = heb het

hoog noodig; He seems to be badly off = hij schijnt het slecht te

hebben; Badness = slechtheid.

Bade, bad, Imperf. en Past Part. van to bid.

Badge, badž, insigne, kenteeken; galerij (scheepst.); Badge verb.

kenmerken: Badge of authority; Badge of an order; Badged and crested

ware = aardewerk van het merk van hotel of club voorzien.

Badger, badžə, subst. das; penseel; soort kunstvlieg (bij ’t visschen);

Badger verb. sarren, pesten, plagen, tergen: As bald as a badger = zoo

kaal als een biljartbal; Badger-baiting (Badger-drawing) = dassejacht;

Badger-dog = dashond; Badger-legged; Badgerly = grijzend.

Badi, bâdi, veete.

Badinage, badinidž, badinage, scherts; verb. schertsen.

Badminton, badmint’n, eene soort raketspel; soort verfrisschende drank.

Baffeta(s), baf(ə)ta(s), wit of blauw Indisch katoen.

Baffle, baf’l, bedriegen, listig ontwijken, verhinderen, verijdelen: To

baffle description = alle beschrijving te boven gaan; Baffling winds =

veranderlijke winden.

Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen) · 第 7 / 152 段