Articular, âtîkjulə, tot de gewrichten behoorend, gewrichts - -: Gout

is an articular disease = gewrichtskwaal; Articulate, âtikjulit, adj.

geleed; gearticuleerd; duidelijk; Articulate verb. âtikjuleit,

articuleeren, geleed verbinden; Articulateness = duidelijkheid;

Articulation, geleding, articulatie.

Artifice, âtifis, kunst; streek; Artificer, bedreven werkman (vooral in

tech. vakken); schepper; Artificial = kunst(vaard)ig, kunstmatig;

geveinsd, gemaakt: Artificial arms, Artificial eyes = kunst - -;

Artificial florist = kunstbloemenmaker; Artificial numbers =

logarithmen; subst. Artificiality = Artificialness = gekunsteldheid.

Artillerist, âtilərist, artillerist; Artillery, âtîləri, artillerie,

zwaar geschut: Captain A. of the artillery; Artillery-butt =

kogelvanger; Artillery-driver = stukrijder; Artilleryman = artillerist;

Artillery practice = oefening met de kanonnen.

Artisan, âtiz’n, âtizan, werkman; Artisan house; Artisans’ dwellings.

Artist, âtist, kunstenaar; Artistic(al), âtistik(’l), artistiek;

Artiste, âtîst, artiest.

Artocarpus, âtəkâpəs, broodvruchtboom.

Arundel, ar’ndəl of ərɐnd’l (Amer.).

Aryan, êriən, âriən, Arisch; subst. Arische taal, Ariër.

Arytenoid, aritînôid, bekervormig (kraakbeen van het strottenhoofd).

As, az, gelijk, zooals, toen, terwijl, aangezien, als, bij voorbeeld:

As far as I know = voor zoover; As if = alsof; He told me As much =

zulks; As to (As for) = wat betreft; As though = alsof; As yet = nog,

totnutoe; As I live = zoowaar; As it were, als ’t ware; I might as well

go = ik kon wel eens gaan; She has enough to bear as it is = toch al

genoeg; He had had to retrench as it was = toch al.

Asafoetida, asəfetidə, duivelsdrek.

Asbest(os), azbest(os), asbest(os), asbest, steenvlas; Asbestic,

asbest...; Asbestine = asbest....; onverbrandbaar; Asbestous =

Asbestic.

Ascend, əsend, opklimmen, opstijgen, teruggaan tot, opstaan, opgaan,

beklimmen; opvaren: They ascended the hill = zij beklommen; Ascendable

= beklimbaar, enz.; Ascendancy, overwicht, invloed: Nature has an

ascendency over logic = de natuur gaat boven de leer; Ascendant =

opklimmend, stijgend, superieur; subst. overwicht, invloed, hoogte,

horoscoop: His star is in the ascendant = zijn geluksster gaat op; He

has the ascendant over me = hij heeft overwicht over mij; Ascendency =

Ascendancy; Ascension = (be)stijging, hemelvaart (van Jezus): Ascension

Day = Hemelvaartsdag.

Ascent, əsent, beklimming, opgaan, opkomst, stijging, hoogte.

Ascertain, asətein, zich vergewissen, vaststellen, vernemen;

Ascertainable, vast te stellen; Ascertainment, vaststelling, etc.

Ascetic, əsetik, ascetisch, streng, vroom; subst. asceet, kluizenaar;

Asceticism, ascetisme; Ascetical = Ascetic.

Ascham, ask’m: Roger Ascham, een schrijver (1515–68).

Asci, asai, Ascians, asiənz, schaduwloozen.

Ascribable, əskraibəb’l, toe te schrijven; Ascribe, əskraib,

toeschrijven aan; Ascription = toeschrijving.

Asexual, əsekšuəl, geslachtloos.

Ash, aš, esch; adj. van esschenhout = Ashen.

Ash, aš, subst. asch: Cigar (pipe, tobacco) ash; Volcanic ash(es);

Ashes = asch (ook fig.): Peace to his ashes; To lay in ashes; Sitting

in dust and ashes; Pale as ashes = Ashen pale; To grow ashen =

doodsbleek worden; Ash-bin = aschvat; Ash-box, Ash-bucket = aschbak,

aschemmer; Ash-pan = aschbak; Ash-path = asphalt wielerbaan; Ash-pit =

aschkuil, aschbak; Ashputtel = Asschepoester; Ash-tray = aschbakje;

Ash-Wednesday ašwenzdi, Aschdag; Ash-weed, ašwîd, geitebaard (plant);

Ashy = aschkleurig.

Ashamed, əšeimd, beschaamd: To be ashamed of = zich schamen over.

Ashlar, Ashler, ašlə, hardsteen; hardsteenen façade; Ashlaring =

hardsteenen muur; dakbetimmering; arduin.

Ashore, əšö, aan (naar) wal; gestrand: To go ashore = landen; ook = To

run ashore = stranden.

Asia, eišiə, Azië; Asiatic, Aziatisch; Aziaat.

Aside, əsaid, adv. ter zijde, aan eene zijde: To earn large sums aside

= er bij verdienen op minder eerlijke manier; To lay (put) aside =

overleggen, sparen; This is aside from the question = staat buiten de

kwestie; subst. terzijde.

Asinine, asin(a)in, ezelachtig, ezels - -; Asininity, ezelachtigheid.

Ask, âsk, vragen, verzoeken, verlangen, uitnoodigen: To ask about =

naar; To ask after = naar; To ask again (back) = terug; To ask for =

naar, om; I asked a penny of him, I asked him for a penny = om; To ask

(for) nothing better = niets liever willen; To ask to dinner; A thing

to be asked and had = voor het vragen (= To be got for the asking); An

asking child = dat veel vragen doet; I could have it for the asking =

ik heb het maar voor ’t vragen; To ask in church = ’t voorgenomen

huwelijk afkondigen.

Askance, əskâns, Askant, əskânt, schuins, van terzijde: He looked

askance at me = scheel, jaloersch.

Askew, əskjû, schuins, scheef, verachtelijk.

Aslant, əslânt, schuins, dwarsover: To hang aslant.

Asleep, əslîp, in slaap; ontslapen: He was fast (sound) asleep = in

diepe rust; To fall (To rock) asleep.

Aslope, əsloup, hellend.

A-smear, əsmîə, bevuild.

Asp, asp, (Aspic, aspik), aspis, adder; esp(eboom), ratelpopulier; adj.

Aspen: To tremble like an aspen leaf; Asp tree = esp.

Asparaginous, aspəradžinəs, asperge - - -; Asparagus, əsparəgɐs,

asperge.

Aspect, aspəkt, gezicht(spunt), oogpunt, zijde, kant, licht; stand;

uitzicht; voorkomen; ligging: The house has a southern aspect = ligt op

het Zuiden.

Asper, aspə, subst. spiritus asper.

Asperity, əsperiti, ruwheid, scherpheid, norschheid.

Asperge, aspɐ̂dž = besprenkelen; ook subst. = Aspergill(um),

aspədžil(’m), wijwaterkwast.

Asperse, əspɐ̂s, belasteren, bezwalken; besprenkelen: Who dared asperse

my friend’s character? Aspersive = lasterlijk; He has cast shameful

aspersions on this man = schandelijk belasterd; Aspersorium =

wijwaterbekken.

Asphalt, asfalt, əsfalt, asphalt: Asphalt pavement; Asphaltic (=

Asphaltite): Asphaltic cement; The Asphaltites Lake, dhiasf’ltaitîzleik

= Doode Zee.

Asphodel, asfədel, affodil; Asphodelian = hemelsch.

Asphyxia, əsfikš(i)ə; Asphyxial, verstikkings - -; Asphyxiate = doen

stikken; Asphyxiation = verstikking; Asphyxiator, (koolzuur)

bluschapparaat; Asphyxy = Asphyxia.

Aspic, aspik, spijk (gr. lavendel); soort vleesch- of vischspijs. Zie

Asp.

Aspirant, əspair’nt, eerzuchtig; subst. aspirant, kandidaat: Stiff

aspirants = zware concurrenten.

Aspirate, aspirit, subst. eene geaspireerde letter; spiritus asper;

adj. geaspireerd; Aspirate verb. (aspireit) aspireeren; Aspiration =

aspiratie, streven, verlangen; Aspirator = aspirator; Aspiratory:

Aspiratory organs = ademhalingswerktuigen.

Aspire, əspaiə, streven, trachten naar (after).

Asportation, aspöteiš’n, wederrechtelijk ontvoeren van goederen.

Asquint, əskwint loensch; heimelijk.

Ass, as, ezel, domkop: Asses’ bridge = het eerste moeielijk vraagstuk

(Prop. 5.) in Euclides; iets waarmee een domoor niet terecht kan; To

make an ass of = voor den mal houden; To make an ass of oneself = zich

ezelachtig gedragen.

Assagai, asegai, assagaai.

Assail, əseil, aanvallen, bestormen; Assailable, aantastbaar; Assailant

= Assailer, aanvaller.

Assassin, əsasin, sluipmoordenaar; Assassinate, vermoorden;

Assassination = (sluip)moord.

Assault, əsôlt, subst. aanval, bestorming; persoonlijk geweld,

ordeverstoring, belemmering van ambtenaren; Assault verb. aanvallen,

bestormen, aanranden: Indecent assault = aanranding; Assault at (of)

arms = militair assaut; Assaulter, aanvaller.

Assay, əsei, subst. onderzoek, toets; de te onderzoeken stof; Assay

verb. onderzoeken, toetsen, keuren, beproeven: Assay balance =

justeerbalans; Assay-master = essayeur = Assayer = essayeur.

Assemblage, əsemblidž, verzameling; verbinding; Assemble, əsemb’l,

samenbrengen, vereenigen, vergaderen; Assembly, əsembli, verzameling,

bijeenkomst; wetgevende vergad. (Amerik.); partij, bal (in een

’kursaal’); signaal om te ‘verzamelen’: The assemblage was blown

(sounded); General Assemblage = Presbyteriaansche synode;

Assemblage-man = lid eener wetgevende vergadering; Assemblage-room =

bal-, concert-, ‘kursaal’.

Assent, əsent, subst. toestemming, goedkeuring, berusting; Assent verb.

toegeven, toestemmen: The Royal Assent = koninklijke goedkeuring; She

assented to it = vond het goed; Assentient, əsenšent, toestemmend; ook

subst. Assentor.

Assert, əsɐ̂t, beweren, verklaren, laten gelden, handhaven: The man has

asserted his influence = doen gelden; Assertable = Assertible,

verdedigbaar; Assertion, bewering, etc; Assertive, positief,

bevestigend: Self-Assertive = zelfbewust, aanmatigend.

Assess, əses, belasten, schatten, bepalen, vaststellen: To be Assessed

on a sum = aangeslagen voor; Assessable: The income Assessable to

income-tax = belastbaar; Assessment = schatting, belasting, etc.:

Assessment on capital = vermogensbelasting; Assessor, assessor,

schatter: Assessorship.

Assets, asəts, de activa: Personal assets = nalatenschap in roerend

goed; Real assets = nalatenschap in onroerend goed; Assets and

liabilities = actief en passief; We consider this as an asset which the

liberals have secured by their labour and devotion = goed, voordeel.

Assever(ate), əsevə(reit), verzekeren, betuigen; Asseveration,

plechtige verzekering.

Assident, asid’nt, bijkomend; subst. bijkomend symptoom: Assident signs

(symptoms) = bijkomende symptomen.

Assiduity, asidjûiti, onverdroten ijver, vlijt; Assiduities (steeds

meerv.) = dienstvaardigheid, attenties; Assiduous = volhardend,

ijverig; subst. Assiduousness.

Assign, əsain, subst. iemand, wien eigendommen worden overgedragen of

toegewezen; Assign verb. toewijzen, overdragen, bepalen, aanwijzen:

Assigned to his use = hem ten gebruike aangewezen; To assign a person a

share in a business = iem. in eene zaak opnemen; Assignable = toe te

schrijven, aan te wijzen; Assignation, asigneiš’n, toewijzing,

afspraak, overdracht; oproeping; Assignee, asinî, curator,

gevolmachtigde, boedelberedderaar; executeur: Assignee in bankruptcy =

curator; Assignee in law = door de Rechtbank aangesteld curator;

Assignment, toewijzing, overdracht; assignatie.

Assimilable, əsimiləb’l, geschikt tot assimileeren; Assimilate,

əsimileit, (zich) assimileeren, gelijk maken (worden, zijn);

Assimilation, assimilatie.

Assist, əsist, helpen, bijstaan, steunen: Assist at = bijwonen: To

assist at a ceremony; Assistance = hulp: To give (lend, render)

assistance; They came to my assistance = mij ter hulp; Assistant =

assistent: Chief assistant = eerste onderwijzer; Head assistant, eerste

bediende; Assistant master = onderwijzer, secondant, leeraar.

Assize, əsaiz, subst. rondgaande rechtbank; vastgesteld gewicht,

vastgestelde maat of prijs van levensmiddelen; Assize verb. den prijs

of het gewicht bepalen, vaststellen (van eene belasting); Assize of

bread; Assizes, əsaiziz, zitting der rondgaande rechters (minstens

tweemaal per jaar in de 10 circuits, waarin Engeland en Schotland

hiertoe zijn verdeeld); Assizement = inspectie van maten en gewichten;

vaststellen der prijzen.

Associability, əsoušiəbiliti, vereenigbaarheid; adj. Associable =

sympathisch; Associate, əsouši-it, verbonden, begeleidend; subst.

metgezel, kameraad, bondgenoot, deelgenoot, lid (een rang lager dan

Fellow of Member); Associate verb. əsoušieit, vereenigen, verbinden,

vergezellen: To associate oneself = eene vennootsch. aangaan, omgaan

met; Association = verbinding, vereeniging, associatie: Association

foot-ball, volgens de regels van de Football Association van 1863

volgens welke de bal niet met de handen mag worden aangeraakt.

Assonance, asənəns, assonantie; Assonant = assoneerend; Assonate =

assoneeren.

Assort, əsöt, (as)sorteeren, overeenstemmen (with); verkeeren (with):

An assorted cargo; Assortment, assortiment.

Assuage, əsweidž, verzachten, lenigen, doen bedaren; Assuagement,

verzachting, verzachtend middel.

Assuan, aswân.

Assume, əsiûm, aannemen, zich aanmatigen, zich toeëigenen; op zich

nemen, eischen, aantrekken, voor waar aannemen: He assumeed the reins,

command = nam op (zich); To assume the debts of a person = overnemen;

To assume the responsibility; To assume a discourse = het woord nemen

(Amer.); Assumedly = vermoedelijk.

Assumption, əsɐmš’n, aanneming, opneming, overname, onderstelling,

toeëigening, aanmatiging; Assumtie (15 Aug.); opvatting; Assumptive,

aangenomen, vooropgesteld; aanmatigend.

Assurance, əšur’ns, verzekering, zekerheid; driestheid, zelfvertrouwen,

onbeschroomdheid, onbeschaamdheid; Assure, əšuə, verzekeren, assureeren

(van het leven; van andere dingen insure en insurance); Assured,

verzekerd, zeker, zelfbewust, driest; Assurer, verzekeraar; verzekerde;

Assuring = geruststellend.

Assyria, əsiriə, Assyrië; Assyrian, Assyriër, Assyrisch; Assyriologist;

Assyriology.

Aster, astə, aster.

Asterisk, astərisk, sterretje (*). Asterism, astərizm, gesternte;

driestar ⁂.

Astern, əstɐ̂n, achter (naar of van achteren): To drop (fall) astern =

achteruit zakken; Half-speed astern, Slow astern, Stop!

Asteroid, astərôid, asteroïde.

Asthma, as(t)mə, asthma; Asthmatic, asthmatisch (mensch); adj. =

Asthmatical.

Asthore, astö, lieveling (Iersch).

Astir, əstɐ̂, in beweging: At five o’clock we were all astir = bij de

hand.

Astonish, əstoniš, verbazen, versteld (raar) doen staan (opkijken);

Astonishment, verbazing.

Astound, əstaund, ontzetten, ten hoogste verbazen.

Astrac(h)an (Astrakhan), astrakân, astrakan.

Astraddle, əstrad’l, schrijlings.

Astragal, astrəgal, astragaal; kootbeen = Astragalus.

Astral, astr’l, sterre - -: Astral body = astraallichaam (Theosophie);

Astral lamp = astraallamp.

Astray, əstrei, verdwaald: To be astray in one’s reckoning = in de war

zijn; To go astray = verdwalen; To lead astray = op een dwaalspoor

(verkeerde wegen) leiden.

Astrict, əstrikt, samentrekken, verstoppen, beperken; Astriction,

samentrekking, etc.; Astrictive, samentrekkend.

Astride, əstraid, schrijlings: Astride of a chair.

Astringency, əstrinž’nsi, samentrekkende eigenschap; gestrengheid;

Astringent, əstrinž’nt, samentrekkend, streng; stoppend (middel).

Astrolabe, astrəleib, astrolabium.

Astrologer, əstrolədžə, sterrenwichelaar; adj. Astrologic(al);

Astrology, sterrenwichelarij.

Astronomer, əstronəmə, sterrenkundige; Astronomic(al) = sterrenkundig;

Astronomy = sterrenkunde.

Asturian, əstjûriən, Asturisch; Asturiër; Asturias, əstjûrias, Asturië.

Astute, əstjût, slim, sluw, schrander; Astuteness = slimheid, etc.

Asunder, əsɐndə, vaneen, gescheiden: To break (cut, fall, go, rend)

asunder.

Asylum, əsail’m, asyl, toevluchtsoord: Lunatic asylum =

krankzinnigengesticht; Orphan asylum = weeshuis; Asylum for the deaf

and dumb (for homeless poor) = doofstommeninstituut (asyl voor

dakloozen).

Asymmetric(al), asimetrik(’l), asymmetrisch; subst. Asymmetry.

Asyndeton, əsindət’n, asyndeton.

At, at, tot, te, aan, op, in, bij, van, etc.: At all = soms, nog: If I

come at all; Not at all = geenszins; At break of day = bij het

aanbreken; At first = in den beginne; At full gallop; At your hands =

van u; At haphazard = op goed geluk af; At home = tehuis; ontvangdag;

adv. thuis, op zijn gemak; At last, At length = eindelijk, ten slotte;

To be at law = procedeeren; To be at a loss = verlegen; At most = op

zijn hoogst; At once = ineens, zoowel als: At once his aunt and

housekeeper; At one: To be at one = het eens zijn; At peace = in vrede;

At sea = op zee; in ’t onzekere, de plank mis, in de war; At that = en

als zoodanig: A third-rate entertainment and dull at that = en als

zoodanig, en dan nog saai; At war = in oorlog; I did not know what he

would be at = heen wilde; The majority was returned at 152 = bedroeg;

The house rose at her = de aanwezigen stonden op bij hare binnenkomst.

Atabal, atəb’l, Moorsche keteltrom.

Ataghan, atəgan, jatagan, kromme Turksche dolk.

Ataunt(o), ətônt(ou) = met alle zeilen bij: To put ataunt = in orde

brengen.

Atavism, atəvizm, atavisme, erfelijkheid; Atavistic, atavistisch.

Ate, eiti.

Ate, et of eit, Past Imp. van to eat.

Atelier, atəlîə of əteljə, atelier.

Athanasian, athəneiž’n, van Athanasius: The Athanasian Creed; subst.

aanhanger van die leer.

Atheism, eithiizm, Atheisme; Atheist, atheist; Atheistic(al),

atheistisch.

Athelstan, ath’lstən.

Athen(a)eum, athənîəm, athenaeum.

Athenian, əthînj’n, Athener; Atheensch; Athens, ath’nz, Athene.

Athirst, əthɐ̂st, dorstig; gretig: Athirst (for).

Athlete, athlît, athleet; Athletic, athletisch: Athletic club (games,

sports); Athletics = athletiek; Track athletics = oefeningen in

hardloopen; Athleticism, Athletism = krachtsport, spierkracht.

Athwart, əthwöt, overdwars, dwars, scheef: Athwart the stream =

dwarsstrooms.

Atilt, ətilt, voorover (gebogen), wankelend, met gevelde lans: To run

atilt = aanvallen (at).

Atkins, atkinz: Tommy Atkins = algemeene naam voor den Engelschen

soldaat.

Atlantean, atəntîən, atlantisch; Atlas - -; Atlantes, atlantîz,

Atlanten.

Atlantic, atlantik, Atlantisch; subst. Atlantische Oceaan = Atlantic

Ocean.

Atlantides, atlantidîz, de Pleiaden.

Atlas, atləs, Atlas; atlas (ook de stof); atlas formaat (=

Atlas-folio); eerste halswervel.

Atmology, ətmolədži, verdampingsleer; Atm(id)ometer, atm(id)omətə,

verdampingsmeter.

Atmosphere, atməsfiə, dampkring; omgeving; Atmospheric: Atmospheric

engine = luchtdrukmachine; Atmospheric stone = meteoor.

Atoll, ətol of atəl, atol.

Atom, at’m, atoom; zonnestofje; Atomic = atoom ...; Atomism =

atoomtheorie; Atomize = in atomen ontleden; Atomology; atoomtheorie;

Atomy = skelet, dwerg.

Atone, ətoun, boeten, vergoeden, verzoenen; Atonement = verzoening,

boete: Atonement Day = Groote Verzoendag.

Atop, ətop, bovenop (of).

Atrip, ətrip, uit (vrij van) den grond (van een anker); in top

geheschen: The bells in the tower were all atrip = zoo hoog mogelijk

opgetrokken, dus: werden hard geluid.

Atrium, eitriəm, atrium.

Atrocious, ətroušəs, afgrijselijk, gruwelijk, wreed, verfoeilijk;

Atrocity, afgrijselijkheid.

Atrophy, atrəfi, subst. atrophie; verb. uitteren, wegkwijnen.

Attach, ətatš, (vast)hechten, verbinden, vastknoopen, gevangen (in

beslag) nemen; attacheeren: Eternal shame would have attached to

England for allowing such barbarity = het zou E. tot eeuwige schande

gestrekt hebben; This penalty attaches to offenders = wordt gegeven

aan; Attachable = verbindbaar, enz.; Attachment, verbinding,

aanhankelijkheid, liefde; arrest, beslag.

Attack, ətak, subst. aanval; Attack verb. aanvallen; Attacker,

aanvaller.

Attain, ətein, bereiken, verkrijgen: He Attained his end = bereikte

zijn doel; Attainability, bereikbaarheid; Attainable, bereikbaar,

verkrijgbaar; subst. Attainableness; Attainment, bereiking, het

verkregene; Attainments = kundigheden, talenten.

Attainder, əteində, eerverlies: A Bill of Attainder was brought into

Parliament = wetsontwerp tot gevangenneming en verlies van

burgerschapsrechten wegens hoogverraad.

Attaint, əteint, subst. smet; Attaint verb. bevlekken, besmetten,

bezoedelen, van verraad beschuldigen; vervallen verklaren van zijne

rechten; Attaintment = Attainture = eerverlies.

Attar, atə, essence.

Attemper, ətempə, matigen, temperen, verzachten, vermengen, geschikt

maken voor.

Attempt, ətem(p)t, subst. poging; aanslag; Attempt verb. trachten,

pogen, aanvallen, een aanslag doen: Attempted murder = poging tot

moord; They attempted (made an attempt upon) the life of the king =

deden een aanslag op.

Attend, ətend, vergezellen, oppassen, behandelen, bijwonen, zijne

opwachting maken; luisteren, verhooren (to), uitvoeren, nauwkeurig

letten op: To attend a meeting, concert = bijwonen; I cannot attend any

more pupils = hebben; To attend church, school = bezoeken; The queen

was attended by the court = vergezeld; You do not attend to what he

says = let niet op; To attend to the door = open doen; It is attended

with fever = gaat gepaard met; Attendance, dienst, bediening,

behandeling, tegenwoordigheid, bediendenstoet: List of attendance(s) =

presentielijst; The smallness of the attendance = het geringe bezoek;

The people in attendance = bedienende personen; A carriage was in

attendance = stond klaar; To dance attendance (on) = lang moeten

wachten; naloopen; Attendance-officer = ambtenaar, met de zorg voor het

(verplicht) schoolbezoek belast; Attendant, subst. geleider, bediende,

oppasser, bezoeker: (Attendants = gevolg); adj. vergezellend, verbonden

met, aanwezend (on): A dinner, Attendant on the opening of the building

= gegeven ter gelegenheid van.

Attention, ətenš’n, oplettendheid, beleefdheid: To call attention to =

vestigen op; To give (pay) attention to = schenken aan; He paid her

many attentions = was zeer galant, maakte haar het hof; The soldiers

stood at attention = in de positie “geeft acht”; Attentive = oplettend.

Attenuate, ətenjueit, verb. verdunnen, verminderen, verzachten,

vermageren; adj. (ətenju-it) verdund, vermagerd, verminderd, spits;

Attenuation = verdunning, etc.

Attest, ətest, subst. attest; Attest verb. getuigenis afleggen van,

betuigen, bevestigen; Attestation, attest; beëediging; Attester,

getuige.

Attic, atik, adj. Attisch; subst. attica, dakkamertje, bovenverdieping;

Attic bird = nachtegaal; Attic faith = onkreukbare trouw; Attic salt =

Attic wit = fijn vernuft; Atticism = Attisch gezegde (dialekt).

Attire, ətaiə, kleeden, uitdossen, optooien; subst. kleeding, kleedij,

opschik; gewei: Head attire = hoofdtooi; Attire-woman = kamenier;

Attiring = opschik.

Attitude, atitjûd, houding: Attitude of mind = gemoedstoestand; To

strike an attitude = een theatrale houding aannemen = To attitudinize;

Attitudinizer = poseur.

Attle, at’l, gesteente zonder erts.

Attorn, atɐ̂n, overdragen; huldigen; subst. Attornment.

Attorney, ətɐ̂ni, procureur; gevolmachtigde; Attorney-general =

Procureur-generaal; Letter, Power, Warrant of attorney = volmacht,

procuratie; Attorneyship, procureurschap.

Attract, ətrakt, aantrekken, tot zich trekken, lokken, boeien: In these

sketches the reader will find much to attract = veel aantrekkelijks;

Attractable = aan aantrekking onderworpen; Attraction =

aantrekking(skracht): Attraction of cohesion = cohesie; Attractive,

aantrekkelijk: Attractive power = aantrekkingskracht; subst.

Attractiveness.

Attributable, ətributəb’l, toe te schrijven; Attribute, atribjût,

eigenschap, attribuut; Attribute, ətribjut, toeschrijven; Attribution =

toeschrijving; toekenning. Attributive = attributief; attribuut.

Attrite, ətrait, berouwvol (uit angst voor straf); Attrited =

geschaafd, afgesleten; Attrition = afschaving, het gesleten zijn;

berouw (uit vrees voor straf, etc.).

Attune, ətjûn, stemmen, doen harmonieeren: An ear Attuned to music.

Atwain, ətwein, in tweeën, gescheiden.

Aubade, əbâd, aubade.

Auburn, ôbən, kastanjebruin.

Auch, ôtš: Auch, you hurt = au! dat doet pijn.

Auction, ôkš’n, openbare verkooping bij opbod; ook verb.: Auction mart

= venduhuis; Auction sale; To put up to auction (for sale by public

auction) = To sell by auction = veilen; Dutch auction = verkooping bij

afslag; The auctioneer (ôkšənîə) repeated his “going, going, gone” = de

afslager herhaalde zijn “Eerstemaal, andere maal, derdemaal”.

Audacious, ôdeišəs, onverschrokken; brutaal, onbeschaamd; Audacity,

onverschrokkenheid, etc.

Audibility, ôdibiliti, hoorbaarheid; Audible = hoorbaar; subst.

Audibleness.

Audience, ôdj’ns, gehoor; audientie, auditorium, toehoorders, lezers:

To give audience to = aanhooren; audientie verleenen; To draw large

audiences = veel publiek trekken; Audience of leave =

afscheidsaudientie; Audience-chamber.

Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen) · 第 6 / 152 段