Apothecary, əpothəkəri, apotheker (Schotl. en Amer.); soort van

plattelands-heelmeester; Apothecaries’ Society = College, dat sedert

1874 examens afneemt en Licenses uitreikt (Zie Chemist): Apothecary’s

Bill = apothekersrekening (fig.); Apothecary’s Latin = potjeslatijn.

Apotheosis, apəthiousis of apəthîəsis, verheerlijking; Apotheosize,

apəthîəsaiz, verheerlijken.

Appal, əpôl, verschrikken, ontstellen.

Appanage = Apanage.

Apparatus, apəreitəs, apparaat, hulpmiddelen, uitrusting, organen: The

digestive apparatus = de verteringsorganen.

Apparel, əpar’l, subst. de kleederen, gewaad; opschik; Apparel verb.

kleeden, uitrusten, opschikken.

Apparent, əpêr’nt, blijkbaar, duidelijk; schijnbaar; rechtmatig: Heir

apparent = rechtmatige troonopvolger; Apparent horizon = schijnbare

horizon; Apparent time = ware tijd; Apparent from = blijkend uit.

Apparition, apəriš’n, verschijning, spooksel; Apparitional =

schijnbaar, zichtbaar; spookachtig.

Apparitor, əparitə, deurwaarder, pedel.

Appeal, əpîl, subst. beroep, het recht van beroep, appel, dagvaarding;

smeekbede: Appeal verb. appelleeren, zich beroepen op, smeeken: Lord

Justice of Appeal = lid van Her Majesty’s Court of Appeal (Hof van

Beroep); Without appeal = in laatste instantie; He gave notice of

appeal = gaf kennis dat hij wou appelleeren; He appealed from this

Court of Justice to the king’s mercy = hij appelleerde... van deze

rechtbank op; The ministry will appeal to the country = zal de Kamer(s)

ontbinden; appealable = vatbaar voor beroep.

Appear, əpîə, verschijnen, zichtbaar worden, duidelijk zijn, blijken

(by, from): It would appear that = lijkt wel of; Appearance,

verschijnen, voorkomen, aanblik, verschijnsel, vertoon: To keep up

(save) appearances = den schijn redden; To keep up a proper appearance

= fatsoenlijk voor den dag komen; He put in an appearance = kwam,

verscheen.

Appeasable, əpîzəb’l, te bevredigen; Appease, əpîz, stillen,

bevredigen; Appeasing remedies = pijnstillende.

Appellant, əpel’nt, appelleerend, het appèl betreffend: Party appellant

= de appellant; subst. appellant; requestrant; Appellate = het appèl

betreffend: Appellate Court = Hof. v. Beroep; Appellation, apəleiš’n,

benaming, naam; Appellative: Appellative name = soortnaam; Appellee,

beschuldigde, aangeklaagde; Appellor, əpelə, aanklager; King’s

(Queen’s) Evidence; wraker v. partijdige Jury-leden.

Append, əpend, aanhechten, bijvoegen; Appendage = aanhangsel;

Appendages = bijbehoorende terreinen; Appendant, bijgevoegd,

begeleidend; subst. aanhangsel; afhankelijke; Appendicitis =

blindedarmontsteking; Appendix = aanhangsel.

Apperception, apəsepš’n, apperceptie, waarneming, voorstelling met

bewustheid.

Appertain, apətein, behooren tot, toebehooren; Appertainment =

toebehooren.

Appetence, apətens, begeerte; attractie; Appetent = begeerig.

Appetite, apətait, eetlust, begeerte: To get an appetite = honger

krijgen; To give an appetite = opwekken; To have an appetite; To

sharpen one’s appetite = eetlust geven; To take away the appetite =

benemen; The appetite is concealed under the teeth = al etende krijgt

men eetlust; Appetitive (əpetitiv of apətaitiv): Appetitive power

(faculty) = begeervermogen; An appetizing book = boeiend, smakelijk.

Applaud, əplôd, toejuichen; He was received with general applause

(əplôz); Applausive = bijvals...

Apple, ap’l, appel: Apple of the eye; Apple of discord = twistappel;

Apple-cart = appelkar; lichaam, wezen: To upset one’s apple-cart = een

streep door de rekening halen; Apple-jack = appelcider (Amer.);

Apple-john = appel, die lang goed blijven kan, doch dan ook rimpelig

wordt; Apple-pie bed = bed, opzettelijk zoodanig opgemaakt, dat men

zijn beenen niet kan uitstrekken; Everything is in apple-pie order = in

volmaakte orde; Apple-tree; Apple-woman; Apple-yard = boomgaard.

Appliance, əplaiəns, toepassing, middel, toestel, toebehooren.

Applicability, aplikəbiliti, toepasselijkheid, bruikbaarheid,

Applicable, toepasselijk (to); Applicant, sollicitant; requestrant;

Application (= aplikeiš’n) toepassing (to) gebruik; ijver, vlijt;

aanvraag, sollicitatie; For outward application = voor uitwendig

gebruik; On application = bij inschrijving, op aanvraag; A personal

(written) application; application for membership in a club;

applications are invited for the post = sollicitanten worden

opgeroepen; applications are to be made in writing = zich schriftelijk

aan te melden.

Apply, əplai, leggen op, brengen aan; toepassen, aanwenden, gebruiken;

zich wenden tot (to), solliciteeren (for), betrekking hebben op (to),

van toepassing zijn; Apply oneself (to) = zich toeleggen op.

Appoint, əpôint, subst. saldo; Appoint verb. bepalen, bescheiden,

bestemmen, aanwijzen, vaststellen, inrichten, benoemen, aanstellen: He

was appointed governor of the town = aangesteld; I must hear the two

voices in my breast; it has been appointed me = God heeft het bepaald,

het is Zijn wil; Well-appointed = keurig; Appointee = vruchtgebruiker;

Appointment = aanstelling, afspraak, honorarium, inrichting of

uitrusting: He got his formal appointment = benoeming; Mr. B. by

appointment! = die belet heeft laten vragen; Appointment-book = agenda;

By appointment (tailor) to his Majesty = hofleverancier.

Apportion, əpöš’n, evenredig verdeelen, aanwijzen: The wages

apportioned to this post = verbonden; Apportionment = verdeeling,

toedeeling.

Appose, əpouz, leggen (drukken) op; tegenover elkaar stellen.

Apposite, apəzit, geschikt, voegzaam, te pas: This argument is apposite

to the case in question = toepasselijk op; subst. Appositeness.

Apposition, apəziš’n, bijvoeging; bijstelling; adj. Appositional.

Appraisable, əpreizəb’l, taxeerbaar; Appraisal = schatting; Appraise,

əpreiz, waardeeren, schatten; Appraisement = schatting, taxatie;

Appraiser = taxateur, schatter.

Appreciable, əprîšiəb’l, schatbaar, merkbaar; Appreciate, əprîšieit,

waardeeren, hoogschatten, op prijs stellen; verhoogen (toenemen) in

prijs (Amer.); Appreciation, waardeering; prijsverhooging;

Appreciative, waardeerend; Appreciatory = waardeerend, erkennend.

Apprehend, aprihend, vatten, grijpen, begrijpen, verstaan;

onderstellen; duchten; Apprehensibility = begrijpelijkheid; adj.

Apprehensible; Apprehension = bevatting; vrees: To be dull of

apprehension = traag v. bevatting; He was in no small apprehension for

his life = vreesde zeer voor; Apprehensive, bevreesd (of); bevattelijk.

Apprentice, əprentis, subst. leerjongen, leerling; Apprentice verb. in

de leer doen: To bind (put) a person apprentice to = in de leer doen

bij; I was apprenticed to a very kind master at a very moderate

apprentice-fee = leergeld; Apprenticeship = leertijd (meest 7 jaar in

Eng.).

Apprise, əpraiz, bekend maken met.

Approach, əproutš, subst. nadering; toegang, oprit; Approach verb.

naderen, nabij komen, gelijken op; Approaches = loopgraven; To approach

a subject = aanroeren; Some relative pronouns approach to

demonstratives; Approachable, toegankelijk (ook fig.).

Approbate, aprəbeit, goedkeuren, machtigen; adj. (aprəbit) goedgekeurd;

Approbation, goedkeuring: Sent on Approbation = op zicht;

Approbation-bill = onteigeningsontwerp.

Appropriable, əproupriəb’l, toepasselijk; Appropriate, əprouprieit,

verb. (zich) toeëigenen; voor een bepaald doel bestemmen, besteden:

That sum was appropriated for buying furniture; The balance of the

amount will be appropriated towards the sum due = het saldo van het

bedrag zal in vermindering strekken van; He appropriated the thing to

himself = eigende zich toe; Appropriate adj. (əproupriit) geschikt,

voor een bepaald doel aangewezen; subst. Appropriateness;

Appropriation, toeëigening, bestemming, aanwijzing, toestaan;

Appropriative, strevend naar toeëigening; Appropriator, bezitter v. een

prebende.

Approvable, əprûvəb’l, loffelijk; subst. Approvableness; Approval =

goedkeuring: To be sent on approval = op zicht gezonden; Approve,

əprûv, goedkeuren; toonen; aanbevelen; bevestigen: I cannot Approve

(of) these means = goedkeuren; Time approves it true = heeft bewezen;

Approved = beproefd: An approved method; An approved author = erkend

schrijver; To approve oneself = blijken te zijn; To approve oneself to

= zich aangenaam maken bij; Approvement = verbetering; Approver =

King’s (Queen’s) Evidence.

Approximate, əproksimit, adj. naderend, bijna juist, bijna gelijk;

Approximate verb. (əproksimeit) nabij komen, naderen; By approximation,

bij benadering; Approximative = bij benadering.

Appurtenance, əpɐ̂tən’ns, aanhangsel, bijvoegsel, servituut;

Appurtenant, bijbehoorend; toebehooren.

Apricot, eiprikot of aprikot, abrikoos.

April, eipril, April; jeugd; onbestendigheid: April-fool = Aprilgek: He

made an April-fool of me; April-fool day = All Fools’ Day = 1 April.

Apron, eipr’n, schort, schootsvel; dekkleed, deksel op het zundgat van

een kanon; de vette buikhuidbedekking v. eend of gans (Provinc.): He is

tied to his wife’s apron-strings = hij zit onder de plak.

Apsis, apsis (Mv. Apsides, apsidîz), apsis (in astron. en archit.).

Apt, apt, bekwaam, gepast; onderhevig, geneigd; vlug, klaar; Aptitude,

aptitjûd, geschiktheid, bekwaamheid, neiging = Aptness.

Apter, aptə, vleugelloos insect (Mv. Aptera); Apteran = Apterous,

ongevleugeld.

Apulia, əpjûliə, Apulië; adj. Apulian.

Apyrous, əpairəs of apərɐs, vuurvast, onsmeltbaar.

Aquarelle, akwərel, aquarel; Aquarellist, aquarellist.

Aquarium, əkwêrj’m, aquarium; Aquarius, əkwêrjəs, de Waterman

(Sterrenb.).

Aquatic, əkwatik, in of op het water levend, water...; waterplant;

Aquatics = watersport; Aqueduct, akwidɐkt = (steenen) waterleiding.

Aquatint, akwətint, eikwətint, aquatinta; Aquatint verb. in aquatinta

behandelen.

Aqueous, eikwiəs, waterig, waterachtig, water...: Aqueous rocks =

sedimentair gesteente.

Aquiferous, əkwifərəs, waterhoudend; Aquiform, eikwiföm, in den

toestand van water.

Aquiline, akwil(a)in, tot den arend behoorend, arends - -.

Arab, arəb, subst. Arabier; Arabisch paard; adj. Arabisch: Street

aquilines = daklooze kinderen; Arabesk, Arabesque, arəbesk, subst.

arabesk; adj. Moorsch, fantastisch; Arabesque verb. met arabesken

versieren; Arabia, əreibjə, Arabian, əreibjn, Arabisch, Arabier: The

Arabian Nights’ Entertainments = de Duizend en Een Nacht vertellingen;

Arabic, arəbik, Arabisch; subst. Arabische taal: Arabic numerals;

Arabist, arəbist, geleerde in Arabische taal en letteren.

Arable, arəb’l, beploegbaar, bebouwbaar.

Araby, arəbi, Arabië.

Araeometer, âriomətə, areometer.

Arbalist, âbəlist, voetboog; Arbalister, voetboogschutter.

Arbiter, âbitə, scheidsrechter, autoriteit; Arbitrage, âbitridz,

arbitrage; adj. Arbitral = arbitraal: Arbitrariness = willekeur;

Arbitrary, âbitrəri, willekeurig, despotisch, grillig: Arbitrary

address = telegr. adres; Arbitrate = arbitreeren; Arbitration =

arbitrage: Arbitration of exchange(s) = wisselarbitrage; Arbitrator =

arbiter, despoot; Arbitratix = Arbitress = vr. scheidsrechter.

Arbor, âbə, boom; hoofdas; Arboreal, âbôriəl, Arboraceous, âbəreišəs,

boomachtig, op boomen groeiend, boom....; Arboreous = Arboreal = met

bosch begroeid; Arboretum, âbərît’m, wetenschapp. boomkweekerij;

Arboriculture = boomkweeking; Arboriculturist = boomkweeker; Arborist,

âbərist, boomkenner; Arborous: Arbor roof = loofdak. Arbour, âbə,

priëel; berceau.

Arbuscle, âbɐs’l, dwergboompje, struik; Arbuscular, âbɐskjulə,

heesterachtig; in bosjes; Arbustum = boschje, boomgaard; Arbute =

Arbutus = aardbezieboom.

Arc, âk, cirkelboog: Electric arc-lamp = booglamp; Arc-light.

Arcade, âkeid, bogengang; winkelgalerij.

Arcadia, âkeidjə, Arcadië; Arcadian = Arcadiër; adj. = Arcadic,

âkeidik, Arcadisch.

Arcanum, âkein’m, geheim; geheim geneesmiddel: Shall I reveal the

arcana of that virgin breast = geheimen.

Arch, âtš, subst. boog, gewelf: Arch verb. zich welven, krommen,

overwelven; Arch (of heaven) = hemelgewelf; Triumphal arch = eereboog;

Archway = overwelfde gang; Arches Court = Court of Arches, hoogste

geestelijk gerechtshof.

Arch, âtš = voornaamste, eerste, aarts ...; schalksch, snaaksch:

Archangel, âkeinž’l, aartsengel; doove netel; Archangel (âkeinž’l);

Archarchitect, âtšâkitekt, de Opperbouwheer des Heelals; Archbishop,

âtšbiš’p, aartsbisschop; Archdeacon, âtšdîk’n, geestelijk hoofd van de

2 of meer deaconries waarin elk Bisdom is verdeeld; Archdiocese,

âtšdaiesis, aartsbisdom; Archduke (Archduchy); Arch-enemy; Archetype,

âkitaip, oorspronkelijk model of type; Arch-fiend, âtsfînd, de Satan;

Arch-foe; Arch-heresy, âtšherəsi, aartsketterij; Arch-heretic; Arch

hypocrite.

Archaeologer, âkiolədžə = Archaeologian; adj. Archaeologic(al);

Archaeologist = archaeoloog; Archaeology, archaeologie, oudheidkunde.

Archaic(al), âkeiik(’l), oud, verouderd; Archaism, âkeiizm, verouderd

woord (of uitdrukking).

Archer(ess), âtšə(rəs), mannelijke (vrouwelijke) boogschutter; Archery,

boogschieten; boogschutters.

Archimagus, âkimeigəs, Perz. hoogepriester.

Archimedean, Archimedian, âkimîdiən, âkimidîən: Archimedean screw =

schroef van A.; Archimedes, âkimîdiz, Archimedes.

Archipelago, âkipeləgou, archipel.

Architect, âkitekt, architekt; schepper: Every one is the architect of

his own fortune = iedereen heeft zijn eigen geluk in zijn hand;

Architectonic = Architectural, architectonisch; Architecture,

âkitektjə, bouwkunde; Architrave = architraaf.

Archival, âkaiv’l, adj. archivarisch, archief ...; Archives, âkaivz,

het archief: Municipal Archives; Archivist = Archivaris = Keeper of the

Archives.

Archon, âk’n, Archont; Archonship = ambt van A; adj. Archontic.

Arctic, âktik, noordelijk; koud: Arctic circle = Noordpool(cirkel);

Arctic expedition.

Ardency, âd’nsi, vuur, drift, ijver.

Ardennes, âden, (de) Ardennen.

Ardent, âd’nt, vurig, volijverig; Ardent spirits = alcoholische

dranken; My most ardent wish = vurigste.

Ardour, âdə, vuur, gloed, ijver.

Arduous, âdjuɐs = steil; moeielijk; Arduousness, steilheid, etc.

Are, ɐ̂, Teg. tijd, meerv. van to be = zijn; subst. are = 119,6 vierk.

yards.

Area, êriə, oppervlakte, gebied, terrein; de ruimte vóór een

sousterrain in Engelsche huizen, die van de straat door een hek langs

eene trap toegang geeft tot de keuken, etc.; Area-bell = keukenbel;

Area-sneak = (insluip)dief.

Arena, ərînə, arena.

Arenaceous, arineišəs, zandig, brokkelig, dor; Arenarious, zandig;

Arenose, arinous, arinous.

Areometer, ariomətə, areometer.

Areopagus, ariopəgɐs, Areopagus.

Argent, âdž’nt, zilverkleurig; subst. zilver, zilverwitte kleur;

Argental, zilveren, zilverhoudend; Argentan = nieuw zilver;

Argentiferous = zilverhoudend; Argentine, âdž’nt(a)in, zilveren,

luidklinkend; Argentijnsch; subst. verzilverd nieuwzilver; zilvervisch;

Argentijn; Argentina, Argentinië.

Argle-bargle, âg’lbâg’l = redetwisten.

Argonaut, âgənôt, Argonaut; nautilus.

Argosy, âgəsi, karaak.

Arguable, âgjuəb’l, bewijsbaar; betwistbaar; Argue, âgju, redeneeren,

redetwisten, debatteeren, getuigen van, overreden: It was no use to

argue the point = bespreken; He argued me into = bracht mij door

overreding tot; Argument, âgjument, argument, bewijs, bewijsgrond;

onderwerp eener discussie; hoofdinhoud: Don’t start an argument = begin

geen discussie; Argumentation = bewijsvoering; Argumentative =

bewijzend, logisch; polemisch; subst. Argumentativeness.

Argus, âgəs, Argus: Argus-eyes; Argus-eyed.

Argyle, âgail, stad.

Aria, âriə, aria.

Arian, êriən, Ariaansch; subst. een aanhanger van Arius; Arianism,

Arianisme.

Arid, arid, dor, onvruchtbaar; Aridity, dorheid, etc. = Aridness.

Ariel, êriəl; Aries, êriîz, Ram (sterrenb.); rammei.

Aright, ərait, recht: To set aright = recht zetten, in orde brengen.

Arise, əraiz, opstaan, zich verheffen, verschijnen, ontstaan; zich

verzetten (against).

Arista, əristə, baard (der korenaren); stekel.

Aristarch, aristâk, Aristarch.

Aristocracy, aristokrəsi, aristocratie; Aristocrat, aristəkrat,

aristəkrat; Aristocratic(al), aristocratisch.

Aristotelean, Aristotelian, aristətîliən = van Aristoteles (Aristoteles

of Aristotle) = Aristotelic.

Arithmetic, ərith-mətik, rekenkunde, rekenboek, rekenen, getalleer:

Commercial (Mercantile) Arithmetic = handelsrekenen; Mental arithmetic

= uit ’t hoofd rekenen; Arithmetic(al), arithmetik(’l), rekenkundig;

Arithmetician, rekenaar; Arithmometer = rekenmachine.

Ark, âk, ark; het biezen mandje, waarin Mozes lag; soort platboomd

rivier vaartuig (Amer.): The Ark of the Covenant = de Arke des

Verbonds; Noah’s Ark (ook v. speelgoed).

Arkansas, âkansəs, Arkansas.

Arm, âm, subst. arm, wapen, macht; Arm verb. wapenen, versterken,

voorzien van: With one’s arms across = With folded arms; An infant in

arms = nog op arm gedragen kind; At arm’s length; Arm in arm; Right arm

= rechterhand (fig.); Secular arm = wereldl. macht, overheid; Soldiers

of the same arm = wapen; The cavalry arm = het wapen der cav.; Arms,

wapenen; wapen: Coat-of-arms = familiewapen; Master at Arms =

provoostgeweldiger; Stand of arms = geweer met bajonet, patroontasch,

etc.; volledige uitrusting; To call to arms = te wapen roepen; All the

nations were in arms against France = traden gewapend op tegen; The

people was under arms = onder de wapenen; Shoulder, carry arms = over,

schouder ’t geweer; The whole force stood to arms = was in ’t geweer;

Armed at all points = van ’t hoofd tot de voeten; Arm-chair = armstoel;

adj. theoret., doctrinair, dilettant: Arm-chair critics; Arm-chair

authorities, etc.; Arm-hole = armsgat; Arm-pit = oksel; Arm-rack =

wapenrek; Armful = armvol; Armless = zonder wapenen of armen.

Armada, âmeidə, armada.

Armadillo, âmədilou, gordeldier; oproller (insect).

Armament, âməment, krijgstoerusting; krijgsmacht.

Armature, âmətjuə, uitrusting, bewapening, armatuur; pantser,

versterking.

Armenia, âmînjə, Armenië; Armenian, Armenisch; Armeniër.

Armiger, âmidžə, wapendrager, schildknaap.

Arminian, âminj’n, Arminiaan.

Armistice, âmistis, wapenstilstand.

Armlet, âmlət, armpje, inham; armring, armstuk.

Armorial, âmôriəl: Armorial bearings = wapenschild; subst. wapenboek.

Armour, âmə, wapenrusting, harnas, pantser, beslag; Armour verb.

pantseren, uitrusten: Armour-bearer = Armiger; Armour-clad =

gepantserd; Armour-plate = pantserplaat; Armoured train = gepantserd;

Armourer = wapensmid, geweermaker; Armoury = arsenaal; wapenfabriek

(Amer.).

Armstrong, âmstroŋ, uitvinder van het Armstrong gun.

Army, âmi, leger, menigte, zwerm: Army-chaplain = veldprediker; Army

corps; Army examination = toelat. exam. voor een mil. school; Army list

= ranglijst; Army men = officieren.

Arnaut, Arnaout, ânaut, ânaut; Arnold, ânəld, Arnold, Arnout.

Arnut, ânət, aardnoot, aardakker.

Aroma, əroumə, aroma; Aromatic, aromatisch: Aromatics = specery;

Aromatize = kruiden, geuren.

Arose, ərouz, imperf. van to arise.

Around, əraund, in ’t rond, rondom, omheen: I’ll get around you = ’k

zal je wel vinden.

Arouse, ərauz, opwekken, aansporen, (doen) ontwaken, in beroering

(opschudding) brengen.

Arow, ərou, op eene rij, achtereenvolgens.

Aroynt thee, ərôint dhî, scheer je weg.

Arquebus, âk(w)əbɐs, haakbus, oud vuurroer; Arquebusier âkwəbəsîə,

busschieter: Officers of Arquebusiers of St. George (St. Andrew) = van

den Jorisdoelen (Adriaansdoelen).

Arrack, arək, ərak, arak.

Arraign, ərein, voor een rechtbank roepen, beschuldigen, aanklagen:

Clerk of Arraigns = ambtenaar belast met het opmaken van de aanklacht;

Arraignment, aanklacht, etc.

Arrange, əreinž, schikken, regelen, in orde brengen, arrangeeren

(muz.), afspreken: I have arranged for it = ik heb maatregelen genomen;

Arrangement = schikking, inrichting.

Arrant, ar’nt, erg, doortrapt, aarts...: He is an arrant fool = groote

gek (= in één woord: een gek).

Arras, arəs, tapijt (als behang in vroeger tijd); Atrecht; Arrased =

met arras behangen.

Array, ərei, subst. slagorde, gelid; troepen; kleeding, dos,

kleederpracht; installeeren der jury, de geïnstalleerde jury; Array

verb. (in slagorde) opstellen; de juryleden oproepen en installeeren;

uitdossen: To challenge the array = de lijst der juryleden wraken.

Arrear, ərîə, achterstallige schuld (doorgaans mv.): I am in arrears =

achterop met het betalen mijner schulden; That sum is in arrears = nog

niet betaald.

Arrest, ərest, verb. tegenhouden, stuiten; arresteeren; boeien; subst.

inhechtenisneming, beslag; To arrest a fire = stuiten; To arrest the

attention (the eyes) = boeien; Arrested development = belemmerde

ontwikkeling; Open arrest = kamerarrest; Under (an) arrest = in arrest;

To put (place) under arrest; To lay arrest on = beslag leggen op.

Arret, ərei of əret, de beslissing van eene rechtbank, arrest; decreet,

edict.

Arris, aris, scherpe kant: Arris-beam = graatbalk; Arris-gutter =

V-vormige goot; Arris-wise, diagonaal.

Arrival, əraiv’l, aankomst, aangekomene, aangekomen schip, aanvoer: The

man was looking through the arrivals = keek eens na, wat (wie)

(in)gekomen was; Arrival book = vreemdelingenboek; Arrive, əraiv,

aankomen, bereiken, verkrijgen: Edison has arrived and is world-famous

= E. heeft zijn pogingen bekroond gezien; To arrive at a conclusion =

komen tot.

Arrogance, arəgəns, aanmatiging; Arrogant = aanmatigend; Arrogate,

arəgeit, zich aanmatigen, wederrechtelijk toeëigenen.

Arrow, arou, pijl: Broad arrow = pijlvormig teeken op wapenen,

mijlsteenen en tuchthuiskleeren: Arrow-head = pijlspits; Arrow-root =

pijlwortel; arrowroot.

Arry, ari, plat Londenaar uit de volksklasse; Arriet, ari-it, diens

meisje.

Arse, âs, aars.

Arsenal, âsən’l, arsenaal.

Arsenic, âs’nik, âsənik, subst. arsenicum, rattenkruid; adj. (âsenik):

Arsenic acid = arseenzuur; Arsenious acid, âsîniəsasid, arsenigzuur.

Arsis, âsis, rijzende stembuiging, arsis.

Arson, âs’n, brandstichting (Jur.).

Art, ât, kunst, bekwaamheid, handigheid; list: Applied art =

kunstnijverheid; High art = ‘in stijl’; To be art and part in =

deelachtig zijn aan; Fine (Polite) arts = de schoone kunsten; Liberal

arts = de vrije kunsten; Master of Arts = een acad. graad, die zonder

examen aan Bachelors wordt verleend als ze nog drie jaar ‘aan’ zijn

gebleven; Art-school = teekenacademie; Art-union, vereeniging voor

kunst; Artful, artistiek; geslepen; subst. Artfulness; Artless,

smakeloos; ongekunsteld, argeloos; subst. Artlessness.

Artemisia, âtimižə, Artemisia; alsem.

Arterial, âtîriəl, slagaderlijk: Arterial blood = slagaderlijk bloed;

Through the lungs venous blood is arterialized = door de longen wordt

aderlijk in slagaderlijk bloed veranderd; Artery, âtəri, slagader,

hoofdkanaal, hoofdader.

Artesian, âtîžən, Artesisch: Artesian well = ... put.

Arthur, âthə, Arthur; adj. Arthurian.

Artichoke, âtitšouk, artisjok.

Article, âtik’l, subst. artikel, post, voorwerp, substantie, lidwoord

(gramm.): Articles = contract, monsterrol; Article verb. door artikelen

vaststellen, door bepaalde voorwaarden verbinden, vaststellen: You are

a nice article = fijn heer; The genuine article = je ware! What is the

next article? = verlangt u nog iets (in winkels)? Articles of

association = statuten; Articles of war = krijgsartikelen; I was

articled there = op bepaalde voorwaarden aangenomen; Articled to a

firm; An articled clerk = een klerk die een bepaalde som (premium)

betaalt aan den solicitor bij wien hij in de leer is.

Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen) · 第 5 / 152 段