het lichaam na het baden; glazen karafjes bij het Misoffer gebruikt;
zilveren (tinnen) busjes met H. olie gevuld; fleschjes met bloed gevuld
en gelegd bij de graven der martelaren; Ampullaceous, blaasvormig.
Amputate, ampjuteit, afzetten; Amputation = amputatie; Amputator = hij,
die amputeert.
Amsel, ams’l, lijster.
Amuck, əmɐk, amok: To run amuck against = in blinde woede aanvallen.
Amulet, amjulet, amulet.
Amuse, əmjûz, (aangenaam) bezighouden, vermaken: To be amused at (by,
in, with) = zich vermaken met, pret hebben over; Amusement, vermaak,
tijdverdrijf; Amuser = iemand die met beloften paait; handlanger.
Amy, eimi.
Amygdalate, əmigdəleit, subst. amandelmelk; adj. amandelachtig.
An, ən, art. het onbepaald lidwoord (vóór vokalen); conj. indien, of;
prep. = on.
Ana, einə of ânə, letterkundige anecdoten over, uitspraken van:
Shakespeariana.
Anabaptism, anəbaptizm, Anabaptisme; Anabaptist = Anabaptist;
Anabaptistic(al) = Anabaptistisch.
Anachronism, ənakrənizm, anachronisme, Anachronistic = anachronistisch.
Anaconda, anəkonda, python, reuzenslang.
Anacreon, ənakrion, Anacreon; Anacreontic, anacreontisch (vers).
Anaemia, ənîmiə, bloedarmoede; Anaemic, ənemik, bloedarm.
Anaesthetic, anəs-thetik, gevoelloos, verdoovend; subst. verdoovend
middel; Anaesthetize = verdooven.
Anagram, anəgram, anagram; Anagrammatic(al), een anagram betreff. of
vormend.
Anak, einak: Son of Anak.
Analecta, anəlekta, Analects, anəlekts, bloemlezing; Analectic, Anal.
betreffende.
Analepsis, anəlepsis, herstel van krachten; Analeptic, subst. en adj.,
versterkend (middel).
Analepsy, anəlepsi, herstelling.
Analogical, anəlodžik’l, analogisch; Analogism, ənalədžizm,
gevolgtrekking uit analogie; Analogize = analogisch verklaren;
Analogous = analogisch; Analogue = analogon; Analogy, ənalədži,
analogie: By false analogy with; In analogy with; On the analogy of.
Analysable, anəlaizəb’l, anəlaizəb’l = ontleedbaar; Analysation =
analyse; Analyse = analyseeren, oplossen; Analysis = analyse,
oplossing; Analyst = scheikundige: Public Analyst = ambtenaar met het
onderzoek van voedingsmiddelen belast; Analytic(al) = ontledend.
Anana(s), ənanə, əneinəs, ənânəs, ananas.
Anapaest, anəpest, anapaestus (⏑ ⏑ –).
Anarch, anək, onruststoker; tyran; Anarchic = anarchistisch; Anarchism
= anarchisme; Anarchist = anarchist; Anarchy = anarchie.
Anasarca, anəsâka, huidwaterzucht; Anasarcous, huidwaterzuchtig.
Anathema, ənathəma, anathema, banvloek; Anathematization =
excommunicatie, vervloeking; Anathemize = vervloeken.
Anatomical, anətomik’l, anatomisch; Anatomist = anatoom; Anatomize =
ontleden; Anatomy = ontleedkunde, ontleding; geraamte.
Ancestor, ansəstə, stamvader, voorvader; Ancestorial = Ancestral,
ansestrəl, ansestrəl, voorvaderlijk; Ancestress, ansəstrəs, stamvrouw;
Ancestry = geslacht, afstamming, (hooge) geboorte, voorvaders.
Anchor, aŋkə, subst. anker; Anchor verb. ankeren, rusten: I had an
anchor to windward = nog iets achter de hand, in reserve; To be at
anchor (= To ride at anchor) = voor anker liggen; To cast, drop (let go
the) anchor = laten vallen; To weigh (the) anchor = het anker lichten;
The fluke (of an anchor) = hand, klauw; Sheet anchor = plechtanker (ook
fig.); Anchorage = ankergrond, ankerplaats, liggeld: The ship was cast
loose from her anchor = is losgeslagen.
Anchoret, aŋkərət, Anchorite, aŋkərait, kluizenaar.
Anchovy, antšouvi, ansjovis.
Ancient, einš’nt, oud, uit vroegeren tijd, eerwaardig, verjaard; subst.
grijsaard, oudere collega; vlag, vaandrig; The Ancients = de Ouden,
klassieken; oudsten: The Ancient of Days = God de Vader; Ancientness,
oudheid; Ancientry = ouderdom, voorrang, hooge geboorte.
Ancillary, ansiləri, ondergeschikt, aanvullend.
Ancipital, ansipit’l, tweesnijdend = Ancipitous.
And, and of ən(d), en: Without buts, ifs and ands = zonder voorbehoud;
And all that (sort of thing) = en dergelijke (meer); Deeper and deeper
= al dieper; She wept and wept = schreide al maar door; Try and take it
= tracht het te nemen; What’s that and please you? = met uw verlof, wat
is dat?
Andalusia, andəl(j)ûžə, Andalusië; Andalusian, Andalusisch; Andalusiër;
Andaman, andəman: Andaman Islands.
Andante, andante, adj. andante; subst. andante; Andantino, andantînou,
andantino, adj. en subst.
Andes, andîz, de Andes.
Andiron, andaiən, vuurbok; het ijzer, waarin het spit draait;
haardstel.
Andrew, andrû, Andries: Merry Andrew = Hansworst; St. Andrews,
s’ntandrûz.
Androgynal, androdžin’l = Androgynous, androdžinɐs, tweeslachtig;
Androgyny, tweeslachtigheid.
Andromache, androməkî; Andromeda, andromədə; Andronicus, andrənaikəs.
Anear, ənîə, nabij.
Anecdotage, anəkdoutədž, verzameling anecdoten: He fell into Anecdotage
= werd sufferig; Anecdotal = anecdotisch; Anecdote = anecdote;
Anecdotic(al) = anecdotisch, anecdoten..., praatziek.
Anemograph, əneməgraf, anemograaf; Anemography = anemographie;
Anemometer, anəmomətə, anemometer.
Anemone, Anemony, əneməni, anemoon.
Aneroid, anerôid, aneroïde barometer.
Anew, ənjû, opnieuw, anders.
Angel, einž’l, engel, Godsgezant, oude Engelsche munt (± 10 s.): Talk
of an angel, and we hear the flutter of her wings = als men van den
duivel spreekt, komt hij zelf, of stuurt een oud wijf; The father gave
his little cherub a flying angel = de vader nam zijn kleinen lieveling
op den schouder; Guardian angel = beschermengel; Angel-shot,
kettingkogel; Angelic(al) = engelachtig; Angelology = engelenleer.
Angelica, andželikə, engelkruid.
Angelot, anžələt, eene soort luit; oud Eng. muntstuk van 5 shillings;
kaas (uit Normandië).
Angelus, anžəlɐs, de “Angelus” verkorte aanduiding van het gebedje
“Angelus Domini nuntiavit Mariae”, etc. Het wordt driemaal daags
gebeden bij ’t luiden van het Angelus klokje = Angelus-bell.
Anger, aŋgə, subst. toorn, gramschap, verontwaardiging; Anger verb.
vertoornen, tergen.
Angevin Kings, andžəvinkiŋz, koningen uit het huis van Anjou.
Angina, andžinə, andžainə, een soort keelontsteking; adj. Anginous.
Angle, aŋg’l, subst. hoek, haak; Acute (Adjacent, Alternate, External,
Internal, Obtuse, Right) angle; At right angles to = rechthoekig op;
(To branch off at right angles from, (To turn off) at right angles to)
= rechthoekig staan op (van straten); To go off at a right angle =
dadelijk heengaan; You had better set your wishing-cap at another angle
= deed beter iets anders te wenschen.
Angle, aŋg’l, hengel; Angle verb. hengelen: He was angling for a
compliment = vischte naar een compliment; Angler = hengelaar;
Angling-line = hengelsnoer; Angling-rod = roede.
Angle(s), aŋg’l(z), Angel(en); Anglia, aŋgliə, Anglia; Anglian,
aŋgliən, subst. Angel; adj. van de Angelen.
Anglican, aŋglik’n, Anglikaansch; subst. Anglikaan; lid van de Angl.
Church; Anglicanism, leer der Angl. kerk; Anglice, aŋglisi, in het
Engelsch; Anglicism, aŋglisizm, Engelsch idioom; Anglicize,
verengelschen.
Anglo, anglou (in samenstellingen), Engelsch; Anglo-American =
Engelsch-Amerikaansch; subst. Amerikaan van Engelsche afkomst;
Anglo-catholic, subst. en adj. Engelsch-Katholiek; Anglo-catholicism,
anglo-katholicisme; Anglo-Indian = Engelsch-Indisch; subst. Engelschman
wonende in Indië; Anglo-Israelites, izrəlaits = secte uit de laatste
helft dezer eeuw, bewerende, dat de Engelschen de verloren “Tien
Stammen” waren; Anglo-mania = manie voor Engelsche gewoonten en zeden;
Anglophobe, iemand die Engeland vreest (haat); Anglophobia = vrees voor
Engeland; Anglo-Saxon = Angelsaksisch; subst. Angelsakser.
Angora, aŋgôrə: Angora-cat (-goat, -wool).
Angriness, aŋgrinəs, boosheid; Angry, aŋgri, boos; stormig; ontstoken,
pijnlijk: Angry at (a person); Angry about, with (a thing); To get
(grow, become) angry = boos worden.
Anguilliform, aŋgwiliföm, aal- of slangvormig.
Anguish, aŋgwiš, subst. angst, pijn, smart: Anguish of (the) mind =
zielesmart.
Angular, aŋgjulə, hoekig, stijf, hoek...; Angularity = hoekigheid,
stijfheid; Angulate(d) = Angular.
Anhydrous, anhaidrəs, watervrij.
Anight(s), ənait(s), in den nacht.
Anil, anil, indigo-plant (West-Indië).
Anile, an(a)il, kindsch.
Aniline, anil(a)in, aniline.
Anility, əniliti, kindschheid.
Animadversion, animadvɐ̂š’n, waarneming, inzicht; berisping, verwijt,
critiek; adj. Animadversive; Animadvert, animadvɐ̂t, waarnemen;
berispen, etc. (on).
Animal, anim’l, subst. dier; adj. dierlijk: Animal charcoal =
beenderkool; Animal food = vleeschvoeding; Animal kingdom = dierenrijk;
Animal spirits = levenslust; Animals Protection Act = wet op de
dierenbescherming; Society for the Prevention of Cruelty to Animals =
genootschap ter bescherming van dieren; Animalcule, animalkjûl,
microscopisch diertje; meerv. Animalcula, animalkjulə; Animalism =
dierlijkheid; Animality = dierlijke natuur, dierlijk leven.
Animate, animeit, bezielen, opwekken: Animated nature = dierenrijk;
adj. animit, bezield, levendig; Animation = bezieling, levendigheid,
animo.
Animosity, animositi, verbittering, haat, vijandschap.
Animus, animɐs, gezindheid, doel; verbittering, wrok: Their words were
dictated by animus and self-interest = hun ingegeven door hunne
vijandige gezindheid.
Anise, anis, anijs: We pay too much attention to the anise and
cu(m)mins of literature = minder belangrijke zaken (Mattheus XXIII,
23); Aniseed = anijszaad: The devotees of the aniseed-bag = liefhebbers
van eene zoogenaamde drag-hunt, die “ride after the red-herring”, i.e.
een net of hazevel gevuld met de litter van een tammen vos, langs den
grond gesleept en om de vijf minuten besprenkeld met een paar druppels
“oil of aniseed”, een spoor, dat de honden na eenige oefening getrouw
volgen.
Anisette, aniset, anisette.
Anker, aŋkə, vochtmaat van 10 gallons (= 45,4358 L.).
Ankle, aŋk’l, enkel: Ankle-deep; Ankle-jacks = halve laarzen;
Ankle-joint = enkelgewricht; Anklet = enkelring, -sieraad, -verband.
Ankus(h), aŋkəs (aŋkəš), drijfstok van een mahout.
Anlace, anleis, hartsvanger.
Ann(e), an, Anna, anə, Anne, Anna.
Annal, an’l: Annals, annalen; Annalist, schrijver van annalen.
Anneal, ənîl, brandverven, émailleeren; temperen; uitgloeien;
Annealing-furnace = temperoven.
Anectant, ənekt’nt, verbindend, overgangs...; Annex, əneks, aanhechten,
toevoegen, vereenigen; subst. bijlage, bijgebouw(tje) = Annexe;
Annexation, bijvoeging, annexatie.
Annesley, anzli.
Annihilate, ənaihileit, vernietigen, te niet doen; Annihilation,
vernietiging; Annihilator: Fire annihilator = bluschapparaat.
Anniversary, anivɐ̂s’ri, jaarlijksch; subst. verjaardag, jaarfeest: The
four hundredth anniversary of the discovery of America.
Annotate, anəteit, annoteeren; Annotation = annotatie; adj. Annotative;
Annotator, schrijver van annotaties.
Announce, ənauns, aankondigen, aanmelden (to); Announcement,
aankondiging.
Annoy, ənôi, subst. (= Annoyance) = plaag, ergernis; schade,
beschadiging; Annoy verb. ergeren, kwellen, hinderen; The Annoying boy
read a tedious book = vervelende (lastige) ... vervelend.
Annual, anjuəl, jaarlijksch, één jaar durend; subst. éénjarige plant,
jaarlijks uitkomend boek, een soort Muzen Almanak; Annuary = jaarboek.
Annuitant, ənjûit’nt = hij, die een jaarlijksche rente geniet; Annuity,
ənjûiti, jaargeld, annuïteit.
Annul, ənɐl, vernietigen; afschaffen, herroepen; Annulment,
vernietiging, etc.
Annular, anjulə, ringvormig, ring..: Annular eclipse of the sun;
Annulate(d) = geringd; Annulation = ringvormige bouw; Annulet, anjulet,
ringetje; Annulose, anjulous, anjulous, uit ringen bestaande.
Annunciate, ənɐnš(i)eit (= Announce). Annunciation Day = Maria
Boodschap (R.K. kerk, 25 Maart); Will you be so kind as to touch the
annunciator (button) = knopje van electrische of luchtschel.
Anodyne, anədain, pijnstillend; subst. pijnstillend middel.
Anoint, ənôint, zalven: The Lord’s Anointed = de Gezalfde des Heeren;
subst. Anointment.
Anomalous, ənoməlɐs, anomaal, afwijkend, onregelmatig; subst. Anomaly.
Anon, ənon, dadelijk, aanstonds; weer: Ever and anon = telkens weer, nu
en dan.
Anonym, anənim, anonymus, pseudoniem; Anonimity = anonymiteit;
Anonymous, anonimɐs, anoniem; subst. Anonymousness.
Another, ənɐdhə, een ander, nog een: One another = elkander; Such
another creature = een dergelijk schepsel; Have another glass = neem
nog een glas (ter onderscheiding van; an other glass = een ander glas);
One misfortune rides upon another’s back = een ongeluk komt nooit
alleen; He is a fool, and I am another = en ik ook; One thing with
another = het eene met het andere.
Anselm, ans’lm, Anselmus.
Anser, ansə, gans; Anserine, ansər(a)in, als van een gans, dom.
Anstruther, anstrûthə, anstrûthə, anstə.
Answer, ânsə, subst. antwoord, verantwoording, oplossing; Answer verb.
antwoorden, beantwoorden, respondeeren, instaan voor, boeten, luisteren
naar, voldoen, rendeeren, bevredigen, passen, oplossen: An answer will
oblige = er wordt op antwoord gewacht; There was no answer = er werd
niet op antwoord gewacht; To call a person to answer = ter
verantwoording; To answer the bell (call, door) = opendoen; To answer a
letter; What you say there, does not answer our purpose = is niet
geschikt voor; It seldom answers to break treaties = men komt zelden
verder met...; To answer for = instaan voor, rechtvaardigen, boeten
voor; To answer to = antwoorden op; passen bij; overeenkomen met; The
ship answered to the helm = luisterde naar; answerable (to, for),
verantwoordelijk; subst. answerableness; answerer = weerlegger.
Ant, ant of ânt, (maar ant in samenstellingen, zooals ant-hill), mier;
Ant-bear, Ant-eater = miereneter; Ant-hole, Ant-hill = mierennest.
Antagonism, antagənizm, antagonisme; Antagonist = tegenstander,
tegenpartij; tegenspier; adj. tegenstrevend; Antagonistic,
antagonistisch; Antagonize, tegenwerken; wedijveren, neutraliseeren.
Antalgic, antaldžik, subst. en adj. pijnstillend (middel).
Antarctic, antâktik, Zuidelijk: The Antarctic Pole, de Zuidpool.
Antecede, antəsîd = voorafgaan; Antecedence, voorafgaan, voorrang;
Antecedent, antecedent: His antecedents = vroegere gedragingen.
Antechamber, antitšeimbə, voorkamer, wachtkamer.
Antedate, antideit, subst. vóórdatum; Antedate verb. vroeger dateeren,
vooruitloopen op, anticipeeren.
Antediluvian, antidil(j)ûvj’n, antidiluviaansch; antidiluviaan,
ouderwetsch mensch.
Antelope, antiloup, antilope.
Antemeridian, antimiridj’n, vóór den middag: At 7 a.m. = te 7 v.m.
Antemetic, antimetik, geneesmiddel tegen het vomeeren.
Antemundane, antimɐndein, vóórwereldlijk.
Antenatal, antineit’l, vóór de geboorte geschiedend.
Antenna, antenə, voelhoren, antenne, luchtdraad (Draadl. telegr.);
Antennal, voelhorensdragend of betreffend.
Antenuptial, antinɐpš’l, vóór de bruiloft of het huwelijk gebeurende.
Antepenult(imate), antipinɐlt(imeit), derde lettergreep van achteren.
Anteprandial, antiprandj’l, vóór den maaltijd.
Anterior, antîriə, voorafgaand, vroeger; Anteriority, voorafgaan,
voorrang; hoogere ouderdom.
Ante-room, antirûm; Zie Antechamber.
Anthem, an-th’m, beurtzang, hymne: The national anthem = het volkslied.
Anthemis, an-thəmis, kamille.
Anther, an-thə, helmknop.
Anthology, an-tholədži, bloemlezing.
(St.) Anthony’s fire, antənizfaiə, (St.) Antoniusvuur (soort roos).
Anthracite, an-thrəsait, anthraciet.
Anthropography, an-thrəpogrəfi, anthropographie; Anthropology,
an-thrəpolədži, anthropologie; Anthropomorphic = menschvormig,
menschachtig; Anthropomorphism, an-throupəmöfizm, het toeschrijven van
menschelijken vorm en menschelijke eigenschappen aan de Godheid;
vergelijken van dieren en planten met den mensch; Anthropophagi,
an-threpofədžai, menscheneters; Anthropotomy, an-thrəpotəmi,
ontleedkunde (van den mensch).
Anti, anti, tegen, strijdig met.
Antibacchius, antibakiəs, versvoet (– – ⏑).
Antibilious, antibiljəs = tegen de gal.
Antic, antik, kluchtig, grappig; subst. grappenmaker, hansworst;
klucht, grimas.
Antichrist, antikraist, Antichrist; Antichristian, tegen het
Christendom; vijand van het Chr.
Anticipate, antisipeit, anticipeeren (op), bij voorbaat doen,
vooruitloopen op, voorzien, vooraf gevoelen, vooruit betalen,
verhinderen; subst. Anticipation, antisipeiš’n: Beyond anticipation =
boven verwachting; By (In) anticipation = bij voorbaat: He rejoiced in
anticipation = al vooruit; Anticipative; Anticipatory = anticipeerend.
Anticlimax, antiklaiməks, of antiklaiməks, het belachelijk verhevene
(in stijl).
Antidotal, antidoutəl, als tegengif dienend; Antidote = antidotum,
tegengift.
Antidrinkist, antidriŋkist, afschaffer: My friend is both an
anti-smokist and an Antidrinkist.
Antifebrile, antifebril of antifîbril, subst. geneesmiddel tegen de
koorts; adj. koortsstillend.
Antifederal, antifed’rəl, tegen bondgenootschappelijke vereeniging;
Antifederalism, antifederalisme; Antifederalist, antifederalist.
Antigropelos, antigropilos of antigropilouz, waterdichte lederen
beenbeschermers, soort rijlaarzen.
Antilles (The), (dhi) antilîz, de Antillen.
Antilogy, antilədži, tegenstrijdigheid.
Antimacassar, antiməkasə, antimacassar.
Antimonial, antimounj’l, adj. antimoon...; subst. antimoniumhoudende
medicijn; Antimony, antimoon.
Antinome, antinoum = Antinomy, antinəmi, antinomie.
Antioch, antiok, Antiochië; Antiochia, antiəkaiə.
Antipathetic(al), antipəthetik(’l), antipathiek; Antipathy, antipəthi,
antipathie.
Antiphon, antifon = Antiphony, antifəni, antiphoon.
Antipodal, antipədəl, antipodisch; Antipode, antipoud, tegenvoeter;
Antipodes, antipədîz, tegenvoeters: We stand distinctly at antipodes in
our political views = wij staan lijnrecht tegenover elkaar; Antipodean
= Antipodal.
Antipyretic, antip(a)iretik, subst. en adj. koortswerend (middel);
Antipyrin(e), antipairin, antipyrine.
Antiquarian, antikwêrj’n, adj. oudheidkundig; Antiquary, antikwəri,
oudheidkenner, antiquaar; Antiquated, antikweitid, verouderd; Antique,
antîk, oud, ouderwetsch; subst. antiquiteit: A dealer in Antique
furniture; subst. Antiqueness; Antiquity = oudheid, antiquiteit.
Antiseptic, antiseptik, bederfwerend (middel).
Antispasmodic, antispazmodik, subst. en adj. krampstillend (middel).
Antistrophe, Antistrophy, antistrəfi, antistrophe; Antistrophic, de
antistrophe betreffend.
Antithesis, antithisis, tegenstelling; Antithetic(al), antithetik(’l),
tegenstellend.
Antitype, antitaip, tegenbeeld, symbool; adj. Antitypic(al).
Antler, antlə, tak (van het gewei); Antlered = met een gewei, knoestig;
Antlers, antləz, het gewei.
Antonomasia, antənəmeižə, antonomasia.
Antral, antr’l, hol...
Antwerp, antwɐ̂p, Antwerpen.
Anus, einəs, anus.
Anvil, anv’l, aambeeld: On the anvil = in voorbereiding; Between hammer
and anvil = tusschen twee vuren.
Anxiety, aŋzaiiti, angst, bezorgdheid; benauwdheid; vurig verlangen;
Anxious, aŋšəs, angstig, bezorgd; verlangend, begeerig: He is on the
anxious seat = hij zit leelijk in de klem; I am anxious to increase my
collection of stamps = verlangend; subst. Anxiousness = bezorgdheid;
verlangen.
Any, eni, eenig (in zéér algemeenen zin) etc.: Have you any money for
me? = ook? Is my father any better? = soms ook wat; (Verg. ’t Amer.:
That don’t comfort me any = geen sier; Will that help you any? = in
eenig opzicht; If I had slept any last night = ook maar een oogenblik);
You have not been here any time = nog maar zoo kort; You will be
welcome at any time, (anywhen) = te allen tijde, wanneer ge ook komt.
Anyhow, enihau, in elk geval, hoe dan ook; Anything = iets, wat dan
ook, etc.: For anything I know = voor zoover ik weet; Like anything =
zooveel mogelijk, dat het een aard heeft; That is too charming for
anything = onbeschrijfelijk (weergaloos) bekoorlijk; Anything but =
alles behalve; My clock is, if anything, fast = loopt in elk geval
voor; Anything like forty times = lang geen 40 keer; He ceased to think
of her as the most beautiful or the most anything woman = of superieur
in wat opzicht dan ook; Anyway = hoe dan ook, in allen gevalle;
Anywhere = ergens; Anywise = op eenigerlei wijze.
Aonian, eiounj’n, dichterlijk.
Aorist, eiərist, aoristus.
Aorta, eiöta, aorta; Aortic, tot de aorta behoorend.
Aoul, âûl, een Tartaarsch kamp.
Apace, əpeis, snel, vlug: Ill weeds grow apace = onkruid vergaat niet.
Apanage, apənidž, apenage, aandeel, afhankelijk gebied.
Apart, əpât, afgescheiden van, apart, anders dan anders: You cannot
consider the one apart from the other = de beide dingen zijn niet te
scheiden; subst. Apartness.
Apartment, əpâtm’nt, vertrek: Apartments, reeks vertrekken (als
woning); Apartments to let = kamers te huur (ook fig.); Apartment house
(Am.) = huizen in verdiepingen verhuurd met gemeenschappel. ingang.
Apathetic, apəthetik, apathisch; Apathy, apəthi, apathie, laksheid.
Ape, eip, subst. aap (zonder staart), naäper; verb. naäpen: The higher
the ape goes, the more he shows his tail; An ape’s an ape, a varlet’s a
varlet, tho’ they be clad in silk and scarlet = al draagt een aap een
gouden ring, het is en blijft een leelijk ding; Apery = apenstreek;
naäperij.
Apeak, əpîk, recht op en neer, bijna loodrecht = Apeek.
Apelles, əpelîz; Apennines, apənainz = Appenijnen.
Apepsia, əpepsiə, Apepsy, əpepsi, slechte spijsvertering.
Aperient, əpîriənt, subst. laxeermiddel; adj. laxeerend = Aperitive.
Aperture, apətjuə, opening, spleet.
Apetalous, əpetəlɐs, zonder bloemblad.
Apex, eipeks (Meerv. Apices, eipisiz, of Apexes, eipeksiz), toppunt.
Aphaeresis, əfîrisis of əferisis, aphaeresis.
Aphelion, əfîliən, aphelium.
Aphidian, əfidiən, adj. bladluis...; subst. = Aphis, eifis of afis,
bladluis. (Mv. Aphides, afidîz).
Aphorism, afərizm, aphorisme; Aphoristic, aphoristisch.
Aphrodite, afrədaiti, de Grieksche Venus.
Aphtha, af-thə, spruw.
Aphyllous, əfiləs of afilɐs, bladloos.
Apiarian, eipiêriən, de bijen betreffend; Apiarist, eipjərist, ijmker;
Apiary, eipjəri, bijenstal.
A-piece, əpîs, per stuk, elk.
Apish, eipiš, aapachtig, potsierlijk; subst. Apishness.
A-pit(-a)pat, əpit(ə)pat, met snel geklop.
Aplomb, əploŋ, aplomb.
Apocalypse, əpokəlips, Openbaring; Apocalyptic number = het getal 666.
Apocope, əpokəpî, apocope.
Apocrypha, əpokrifə, de apocryphe boeken (van het Oude Testament);
Apocryphal = aprocief.
Apodictic, apədiktik, apodictisch.
Apogean, apədžîən: Apogean tides = Neap apogean; Apogee, apədži,
apogaeum.
Apograph, apəgraf, afschrift.
Apollo, əpolou, Apollo: Apollo and the Nine.
Apollyon, əpoliən, Apollyon, (Openb. IX, 11).
Apologetic(al), əpolədžetik(’l), verontschuldigend; Apologist =
apologeet; Apologize = zich verontschuldigen; Apology = apologie,
verdediging, excuus: He made an apology = maakte excuus.
Apo(ph)thegm, apəthem, kernspreuk.
Apoplectic, apəplektik, beroerte...: Apoplectic fit (stroke) = aanval
van beroerte; Apoplexy, apəpleksi, beroerte: A fit of apoplexy = aanval
van beroerte.
Apostasy, əpostəsi, afvalligheid: Julian the Apostate = Juliaan de
Afvallige; Apostatical, afvallig; Apostatize, afvallen.
Apostil, əpostil, kantteekening, naschrift.
Apostle, əpos’l, apostel: Acts of the Apostles = Handelingen d.
Apostelen; Apostle-spoons = zilveren lepels, waarvan het handvatsel in
het beeld van een apostel uitloopt (een gewoon geschenk van peetvaders
bij het doopen); Apostleship, ambt v. apostel = Apostolate, əpostəlit;
Apostolic = apostolisch: Apostolic fathers = Christelijke schrijvers
ten tijde of onmiddellijk na de apostelen; Apostolic succession =
machtsoverdracht van af de apostelen.
Apostrophe, əpostrəfi, aanspraak, toespraak, afkappingsteeken;
Apostrophize, zich wenden tot; met een apostrophe voorzien.