Alabaster, aləbastə of aləbastə, subst. albast; adj. albasten.

Alack, əlak; Alack-a-day = helaas! wee!

Alacrious, əlakriəs, vroolijk; Alacriousness, Alacrity, əlakriti,

opgewektheid, vlugheid, bereidwilligheid.

Alamode, aləmoud, adj. nieuwmodisch; subst. zwarte taf; Alamode-beef =

soort bouillon.

Alar, eilə, gevleugeld, vleugel...

Alaric, alərik, Alarik.

Alarm, əlâm, subst. (alarm)signaal, schrik, ongerustheid; wekker (aan

eene klok); appèl (bij het schermen): Alarm verb. ontstellen,

verontrusten, alarmeeren: To give the alarm = alarm maken; To take the

alarm = lont ruiken; To sound an alarm = alarm blazen; The German

emperor has a trick of alarming garrisons at impossible hours = te

alarmeeren; They all assembled at the alarm-post = loopplaats (mil.);

Alarm-watch = uurwerk met wekker; Alarmist = alarmist; Alarum, wekker.

Alas, əlas, helaas!

Alb, alb, alba, wit priesterkleed.

Albany, ôlbəni: Albany-beef (Am.) = steur; Albany-hemp = brandnetel.

Albatross, albətros, albatros.

Albeit, ôlbîit, ofschoon.

Albemarle, albəmâl.

Albert, albət. Ook: korte horlogeketting = Albert-chain; Albert medal =

een medaille uitgereikt door de Society of arts; een medaille voor ’t

redden van personen.

Albigenses, albidžensîz, Albigenzen.

Albiness, albinəs, albainəs, albina; Albinism, albinisme; Albino,

albainou of albînou, albino.

Albion, albiən, Albion.

Album, alb’m, album; vreemdelingenboek (Amer.).

Albumen, albjûm’n, eiwitstof; Albuminize = in eiwit omzetten; met een

laagje eiwithoudende vloeistof bedekken; Albuminous (matter) =

eiwithoudend (eiwitstof).

Albuminuria, albjuminjûriə, nierziekte (v. Bright).

Alburnum, albɐn’m, spint.

Alcazar, alkâthâ of alkazâ, burcht, paleis; café in Moorschen stijl;

campagne.

Alcedo, alsîdou, ijsvogel, koningsvisscher.

Alchemist, alkimist, alchemist; Alchemy, alchemie.

Alcibiades, alsibaiədîz; Alciphron, alsifrən.

Alcohol, alkəhol, alcohol, wijngeest: Wood alcohol = houtgeest;

Alcoholic liquors = sterke dranken; Alcoholism = alcoholisme;

Alcoholization = rectificatie; Alcoholize = in alcohol omzetten,

rectificeeren.

Alcoran, Alkoran, alkərən, alkərân, al-koran, de koran; Alcoranist,

uitlegger of aanhanger van den koran.

Alcove, alkouv of alkouv, alkoof, nis; prieel, grot.

Alcyon, alsiən. Zie Halcyon.

Alder, ôldə of oldə, elzeboom.

Alderman, ôldəm’n, wethouder, schepen: Alderman in chains = met

saucijsjes behangen kalkoen; Aldermancy (Aldermanship) = de waardigheid

van een Alderman; Aldermanlike = als een alderman, statig.

Alderney, ôldəni, Alderney; koe v. A.

Aldershot, ôldešot, stad, waarbij een groot militair kamp.

Ale, eil, (Engelsch) bier: Bottled ale = ale op flesschen; Ale-bench =

bierbank; Alegar, algâ = bierazijn; Ale-hoof = hondsdraf; Ale-wife =

bierhuishoudster; haringvormige visch.

Alee, əlî, aan (naar) lij: To put the helm alee.

Alembic, əlembik, destilleerkolf.

Alert, əlɐ̂t, waakzaam; subst. een waarschuwingssein: To be on the alert

= op zijne hoede zijn; vurig uitzien naar (for); subst. Alertness,

wakkerheid.

Aleutian Islands, aliûš’nail’ndz, Aleutische eilanden.

Alexander, aləgzandə, Alexandra, aləgzandrə; Alexandria, aləgzandriə;

Alexandrian, aləgzandriən, alexandrijnsch; Alexandrine, aləgzandrin,

alexandrijn.

Alf(red), alf(red).

Alga, algə, alge; Algae, aldži, algen; Algal, algenachtig.

Algebra, aldžəbrə, algebra; Algebraic(al), algebraïsch; Algebraist,

aldžəbrei-ist, algebraïst.

Algeria, aldžîrjə, Algerije; Algerian = Algerijn(sch).

Algernon, aldženən.

Algid, aldžid, koud; Algidity = koude.

Algiers, aldžîəz Algiers.

Algous, algəs, algenachtig, vol algen.

Alguazil, algwazîl, (Spaansch) konstabel.

Algy, aldži; Ali, âlî.

Alias, eilias, adj. anders genoemd; subst. alias; Inter alia,

intəreiljə onder anderen.

Alibi, alibai, subst. alibi: I proved my alibi = bewees mijn alibi.

Alice, alis.

Alien, eilj’n, vreemd, buitenlandsch, in strijd met (to); subst.

vreemdeling, iemand niet in het bezit der burgerschapsrechten;

Alien-Act = vreemdelingenwet; Alienability = vervreemdbaarheid;

Alienable = vervreemdbaar, overdraagbaar; Alienate, eiljənit, adj.

vervreemd; Alienate verb. (eiljəneit) vervreemden, overdragen; subst.

Alienation: Mental Alienation = waanzin; Alienee = nieuwe eigenaar.

Alienism = vreemdelingschap; Alienist = dokter voor krankzinnigen.

Alight, əlait, adj. aangestoken, brandend, verlicht: Her eyes are

alight = schitteren; He intends to set the Thames alight = hij heeft

groote plannen; The crocuses were alight = in bloei.

Alight, əlait, uitstappen, afstijgen, neervallen, neerstrijken,

aantreffen: To alight at an hotel = afstappen; To alight from a horse =

afstijgen; The bird alighted on the branch = neerstrijken.

Align, əlain, (zich) richten; Alignment, richting; tracé.

Alike, əlaik, gelijk, op dezelfde wijze: They are very much alike =

gelijken veel op elkaar; They are all treated alike = op dezelfde

wijze; Alike brilliant and ... = zoowel ... als.

Aliment, aliment, subst. voedsel; levensonderhoud; Aliment verb.

(iemand) onderhouden; Alimental, voedzaam; Alimentary, voedend,

voedings...: Alimentary canal = voedingskanaal; Alimentation, voeding,

voedzaamheid, onderhoud: Derangements of Alimentation =

voedingsstoornissen.

Alimony, aliməni, onderhoud, alimentatie.

Aline, əlain = Align.

Alive, əlaiv, in leven, levend, levendig, gevoelig voor; lettend op,

bewust: The best man alive = van de wereld; No man alive = geen

sterveling; All alive = met oogen en ooren open; He is terribly alive

to an affront = zeer gevoelig voor; To be alive with = wemelen van;

Look alive = vlug wat, maak voort; They skinned him alive = vilden hem

levend, sloegen hem rauw.

Alkali, alkəli, loogzout; Alkaline, alkəl(a)in, alkalisch;

Alkalization, alkalisatie; Alkalize, alkaliseeren; Alkaloid, alkəlôid,

alkalisch; alkaloïde.

All, ôl, subst. het geheel, het alles, allen; adj. en adv. geheel,

gansch, volkomen: When all is said (told) = bij slot van rekening =

After all; That’s all = en daarmee is het uit; They have lost their

(little) all = al wat zij bezaten; My boy is my all; All and sundry =

allen zonder onderscheid; I have known him all along = al dien tijd; It

is all along of you = alles uw schuld; All but = bijna; This sentence

is all capitals = bestaat geheel uit; All day (the town) = de geheele;

I am all ears and eyes = ik luister en zie zoo scherp toe als me

mogelijk is; On all fours = op handen en voeten; It is all one (the

same) to me = hetzelfde; He is a fool all over = een groote dwaas;

That’s D. all over = net iets voor, lijkt precies op; He is all right =

gezond, klaar, binnen, etc.; Did it cost all that? = zóóveel? Not all

there = niet recht snik; All through = van begin tot einde; All of a

sudden = plotseling; All the better = des te beter; All the better for

= veel beter vanwege; If you do it at all = nog, soms mocht doen; I

asked her if she was at all acquainted with him = soms ook; If you are

telling a lie at all = toch eenmaal liegt; What she did at all, she did

thoroughly = wat ze nu eenmaal deed; The be all and end all of life =

in zijn geheel; Take that man for all in all = geheel zooals hij is;

For all I know = voor zooverre ik weet; This is a time of all others =

vooral een tijd; How can you say such things, and about me of all

people = en nog wel van mij; To-night of all nights = nog wel van

avond; Fifteen all = 15 gelijk (bilj.); How could you understand at

your age and all = trouwens ook op jou leeftijd; Not at all = in ’t

geheel niet; All-comers = allen, die zich aanmelden; All-father =

alvader, godheid; All-fools’ Day = de eerste April; All-fours = een

zeker kaartspel; An all-gone sensation = gevoel, dat men voor de poes

is; All-hail = gegroet! All-hallow(s) = Allerheiligen, 1e November; An

all-in match = wedstrijd, waaraan allen meedoen, bijv. potspel (bilj.):

All-over, ziek, misselijk; All-overish = onlekker; All-round = rondom,

in den regel, veelzijdig, van zessen klaar: An all-round actor = voor

alle rollen geschikt; All-round price (rate) = uniform vracht, prijs

van een artikel in zijn verschillende soorten; All-Souls’ Day =

Allerzielen, 2e November; All-spice, myrt, nagelbol, pimentbes; The

All-wise (All-powerful, and All-good) = de Alwijze, etc.

Allah, ala, Allah; Allahabad, alahabâd.

Allay, əlei, doen bedaren, stillen, verzachten, verlichten; Allayer,

verzachter, verzachtend middel.

Allegation, aligeiš’n, bewering, getuigenis; citaat.

Alledge, Allege, əledž, verklaren, aanvoeren, beweren; adj.

Alledgeable.

Alleghany, aləgeini: Alleghany Mountains.

Allegiance, əlîdž’ns, trouw: Oath of allegiance = eed van trouw; To

swear allegiance; Allegiant, trouw.

Allegoric(al), aləgorik(’l), allegorisch; Allegoricalness;

Allegorization = allegor. behandeling; Allegorize = allegor.

voorstellen; Allegory = allegorie.

Alleluia, alilûjə, Hallelujah!

Al(l)emanni, aləmanai, Allemannen; Allemannic, Allemanisch.

Alleviate, əlîvjeit, verlichten, verzachten; Alleviation =

verzachting(smiddel); Alleviator = verzachtend middel.

All(e)y, ali, steeg, laan, gang, baan (kegel baan): Blind All(e)y =

blinde steeg.

Alliance, əlai’ns, verbond, verbintenis, verwantschap, band: To enter

into (form, make) an alliance = een verbond aangaan.

Alligation, aligeiš’n: Rule of alligation = alligatie rekening.

Alligator, aligeitə, (Amerikaansche) krokodil, kaaiman.

Alliterate, əlitəreit, allitereeren; Alliteration, əlitəreiš’n,

stafrijm, alliteratie; Alliterative, allitereerend.

Allocate, aləkeit, toewijzen; Allocation, toewijzing.

Allocution, aləkjûš’n, allocutie, Latijnsche toespraak v. d. Paus tot

de verg. kardinalen.

Allodial, əloudj’l, allodiaal; Allodium, əloudj’m, allodium.

Allonge, Fransche uitspr., verlengstuk; uitval; leireep.

Allopath, aləpath, allopaat; adj. Allopathic; Allopathist = allopaat;

Allopathy, əlopəthi, allopathie.

Allot, əlot, volgens het lot toebedeelen, toewijzen; Allotment =

toewijzing; halve soldij of huur aan het gezin van soldaat of matroos:

Allotments-act (1887) = wet, waarbij de Sanitary Authority v. een

district wordt gemachtigd stukken grond te koopen of te onteigenen ten

behoeve van arbeiders, die zich voor het huren daarvan aanmelden;

Allotee = wien iets toebedeeld wordt; Allotter = toebedeeler.

Allow, əlau, toestaan, veroorloven, erkennen, aftrekken, beweren

(Amer.): Allow for = in aanmerking nemen; aftrekken; He was allowed a

hundred a year = hij kreeg; He is allowed to be a fool = iedereen geeft

toe dat hij is; The estimate does not allow for any increase of value =

bij de schatting is geen rekening gehouden met; He allows of your

excuse = neemt aan; The season allows of it now = veroorlooft;

Allowable, veroorloofd, af te trekken, rechtmatig; Allowance =

vergunning, rabat, rantsoen, toelage; Allowance verb. eene toelage

geven; op dieet stellen: Dress allowance = kleedgeld; Regulation

allowance = rantsoen; His weekly allowance = weekgeld; I will give due

allowance for that fact = voldoende rekening houden met; You must make

allowance(s) for his hard words = door de vingers zien; To place on an

allowance = op rantsoen stellen.

Alloy, əlôi, subst. allooi, bijmenging, vermindering; Alloy verb.

legeeren: Without alloy = onvermengd; Alloyage, legeering.

Allude, əl(j)ûd, zinspelen, toespelen: Did you allude to that

circumstance?

Allure, əl(j)ûə, aanlokken, verlokken; Allurement, verlokking, aas,

aantrekkelijkheid.

Allusion, əl(j)ûž’n, toespeling; Allusive = toespelend; subst.

Allusiveness.

Alluvial, əl(j)ûvj’l, alluviaal; Alluvion, alluvie; Alluvium =

alluvium.

Ally, əlai, subst. bondgenoot; verb. verbinden: To be allied =

verbonden (verwant) zijn.

Alma(h), alma, Oostersche zangeres en danseres.

Almadia, almədîə; Almadie, almədi, eene boot of kano van boombast

(Indië, Afrika).

Almagra, əlmagrə, almagra.

Almanac, ôlmənak, almanak: Pictorial almanac = geïllustreerde; Almanac

of the million = volks-almanak.

Almandine, alm’nd(a)in, roode granaat.

Almightiness, ôlmaitinəs, almacht; Almighty, ôlmaiti, almachtig: subst.

de Almacht(ige): God Almighty; The Almighty dollar = de almacht v. h.

geld.

Almond, âm’nd of almənd, amandel: Jordan almonds = Malaga amandelen;

Soft-shelled almond = kraakamandel; Almond-nails = fijne, schoon

geronde nagels.

Almoner, almənə, aalmoezenier; Grand Almoner, Lord High Almoner =

Groot-aalmoezenier; Almonry, alm’nri, woning v. d. aalmoezenier; plaats

in een klooster waar aalmoezen worden uitgedeeld.

Almost, ôlmoust, bijna, nagenoeg: He is an almost Protestant; My almost

sister = mij bijna zoo dierbaar als een zuster; Almost never = bijna

nooit.

Alms, âmz, aalmoes, aalmoezen: Alms-bag = kerkezakje; He lives on the

alms-basket = van liefdadigheid; Alms-box = offerbus = Alms-chest;

Alms-deed = daad van liefdadigheid; Alms-house = hofje, armenhuis;

Alms-man, âmzman, provenier, bedeelde (vr. Alms-woman); Alms-people =

bedeelden.

Alnwick, anik, Alnwick.

Aloe, alou, aloe; Aloes, alouz, aloesap; Aloetic = aloeachtig;

aloepreparaat.

Aloft, əloft, omhoog, boven aan (in) den mast: To go aloft = naar boven

(in het want) gaan; To pipe aloft = een fluitsignaal daartoe geven.

Alone, əloun, alleen, eenzaam: Let alone = om nog niet te spreken van;

Let (leave) him alone = laat hem met rust, begaan; Let it alone = blijf

er af; Let well alone = als iets goed is, wees daar dan ook tevreden

mee; stuur den boel niet in de war door je bemoeizucht; Let him alone

to be in time = laat hem maar loopen, hij komt wel op tijd; Let your

brother alone for a clever administrator = die broeder van u is toch;

She can walk alone = alléén loopen.

Along, əloŋ, voort, vooruit, langs: Come along = kom mee; She made her

way along = zette voort; Twenty miles along = verder op; All along =

over de geheele lengte; al dien tijd; I guessed it all along = al dien

tijd, altijd wel; It is all along of you = ’t komt alles door u; Go

along with you = och loop! We went there along with him = in zijn

gezelschap; Take this along with you = neem het mee; Along shore =

langs de kust: Along-shore-man = scheepssjouwerman; Along-side = langs

zij.

Aloof, əlûf, op een afstand, ver; te loevert: To keep aloof = zich op

een afstand houden, neutraal blijven; This sorrow shook her aloof from

life = vervreemdde haar van; The Scotch and the Frisians stand in the

repute of characteristic Aloofness = hebben den naam, dat hun aard niet

toeschietelijk is; An aloofness from people = gereserveerdheid.

Alost, âlost, Aalst (stad).

Aloud, əlaud, luide.

Alow, əlou, beneden, naar beneden.

Alp, alp, alp, bergweide; Alpine, alp(a)in, adj. alpijnsch, alpen...,

zeer hoog: Alpen-horn; Alpenstock = alpenstok; The Alps.

Alpaca, alpakə, alpaca.

Alpha, alfə: Alpha and Omega.

Alphabet, alfəbet, subst. Het Abc; Alphabet verb. alphabetisch

rangschikken: They have to learn the alphabet of their business = het

A.B.C., de grondbeginselen; Alphabetarian, beginneling; Alphabetic(al),

alphabetisch.

Already, ôlredi, reeds.

Alroy, ôlrôi; Alsace, alsâs, Alsatia, alzeišə, de Elzas; ook: een

vroeger berucht gedeelte van Londen; Alsatian, Elzasser, subst. en adj.

Also, ôlsou, eveneens, ook.

Alt, ôlt, alt(stem).

Altar, ôltə, altaar, de avondmaalstafel, heiligdom: He led her to the

altar = naar het altaar; Altar-cloth = altaardwaal; Altar-piece =

altaarstuk; Altar-table, altaartafel; Altar-tomb = altaartombe.

Alter, ôltə, veranderen: To alter one’s condition = van betrekking

veranderen; huwen; Alterability = veranderlijkheid; Alterable,

veranderlijk; subst. Alterableness; Alteration, verandering; Alterative

= veranderend, subst. bloedzuiverend geneesmiddel.

Altercate, altəkeit, twisten, kijven; Altercation = ruzie.

Alternate, altɐ̂nit, ôltɐ̂nit, adj. alternatief, beurtelings,

afwisselend; subst. plaatsvervangend predikant; Alternate verb.

altəneit, ôltəneit, beurtelings doen, afwisselen; subst. Alternateness;

Alternation, afwisseling; permutatie; beurtzang; Alternative =

alternatief; ook subst.: They went there alternat(iv)ely = om beurten.

Althea, al-thîə, althea, stokroos.

Altho(ugh), ôldhou, (al)hoewel, ofschoon.

Altimeter, altimətə, altimeter; Altimetry, altimetrie.

Altitude, altitjûd, hoogte, hoogtepunt: To take the sun’s altitude = de

zon schieten (zeet.); He is in his altitude = buitengewoon vroolijk;

adj. Altitudinal.

Alto, altou, alt: Alto-clef (= klef) = alt-sleutel = Alto-key.

Altogether, ôltəgedhə, in het geheel, volkomen: That’s altogether wrong

= heelemaal mis; Altogether they formed a picture = alles te zamen,

alles bijeen genomen.

Altruism, altruizm, altruïsme; Altruist, altruïst; Altruistic =

altruïstisch.

Alum, al’m, subst. aluin; Alum verb. met aluin vermengen; Alum-water =

aluinwater.

Aluminium, aljuminj’m = aluminium.

Alutaceous, aljuteišəs, lederachtig, lederkleurig.

Alveary, alvjəri, bijenkorf, (buitenste) oorholte.

Alveolar, alvîələ, alviələ, tand...; Alveolus, əlvîəlɐs, honigcel,

tandholte.

Alvine, alv(a)in, onderbuiks...

Alway(s), ôlwi(z), altijd, steeds, geregeld.

Alwin, alwin, Alewijn.

Amadou, amədû, tonder, zwam.

Amain, əmein, met alle kracht, in eens, gauw: Let go amain = strijk!

vallen!

Amalgam(a), əmalgəm(ə), amalgaam, mengelmoes; Amalgamate, əmalgəmit,

vermengd; Amalgam verb. əmalgəmeit, amalgeeren, (zich) vermengen;

Amalgamation, amalgatie.

Amanuensis, əmanjuensis, amanuensis.

Amarant(h), amərant(h), Amaranthus, aməranthəs, amarant; purperkleur;

Amaranthine, amarant; onvergankelijk.

Amaryllis, amərilis, amarillis.

Amass, əmas, ophoopen; Amassment, ophooping.

Amateur, amətɐ̂, amətjuə, amətjuə, amateur; His work is Amateurish = als

van een dilettant; Amateurism, dilettantisme.

Amatory, amətəri, verliefd, liefde...; minnedrank.

Amaurosis, amôrousis, zwarte staar; adj. Amaurotic.

Amaze, əmeiz, verbazen, ontstellen; subst. verbazing = Amazement.

Amazon, aməz’n, amazone, manwijf, heldin; Amazonian = strijdbaar.

Ambages, ambeidžiz of ambədžiz, omhaal van woorden, uitvluchten; adj.

Ambagious.

Ambassador, ambasədə, (af)gezant; Ambassadorial, gezantschaps...,

diplomatiek; Ambassadorship; Ambassadress, afgezante, vrouw van den

afgezant.

Amber, ambə, subst. amber, barnsteen; adj. amber: Ambergrease =

Ambergris = ambergrijs.

Ambidexter, ambidekstə, iemand, die beide handen even vaardig kan

gebruiken; een onoprecht, dubbelhartig mensch; Ambidexterity,

vaardigheid met, etc.; Ambidextrous, vaardig met beide handen;

dubbelhartig.

Ambient, ambj’nt, omringend: Ambient air = dampkring.

Ambiguity, ambigjûiti, Ambiguous(ness), ambigjuəs(nəs),

dubbelzinnigheid.

Ambition, ambiš’n, eerzucht; wrok, nijd (Amer.); Ambitious =

eerzuchtig, begeerig, hoogdravend, aanstellerig, schitterend; subst.

Ambitiousness.

Amble, amb’l, subst. telgang, kalme gang; verb. (laten) loopen als een

telganger; voorzichtig of gemaakt loopen; Ambler = telganger.

Ambrose, ambrouz, Ambrosia, ambrouž(i)a, ambrosia, godenspijs;

Ambrosial, ambrozijnsch, hemelsch; zwierig: They appeared in Ambrosial

locks and rolling collars; Ambrosian = Ambrosial.

Ambry, ambri, etenskast, vliegenkast.

Ambs-ace, amzeis, eimzeis, dubbel een of aas; ongeluk.

Ambulance, ambjul’ns, ambulance, ambulance-wagen = Ambulance-cart

(-wagon); Ambulance-man = drager.

Ambulate, ambjuleit, rondtrekken; Ambulator = afstandsmeter; Ambulatory

court = rondgaand gerechtshof.

Ambuscade, ambəskeid, Ambush, ambuš, subst. hinderlaag; Ambush verb. in

hinderlaag liggen, plotseling aanvallen: To lay an ambush for (To lie

in ambush).

Ameer, əmîə, (Afghaansch) emir.

Amelia, əmîljə, Amalia.

Ameliorable, əmîljərəb’l, te verbeteren; Ameliorate, əmîljəreit,

verbeteren, beter worden; Amelioration, verbetering, stijging;

Ameliorative, verbeterend.

Amen, eimen, âmen, het zij zoo, amen: To say Yes and Amen to

everything.

Amenable, əmînəb’l, verantwoordelijk; afhankelijk (to); onderworpen;

vatbaar, ontvankelijk voor; Amenableness = verantwoordelijkheid, etc.

Amend, əmend, verbeteren, amendeeren; beter worden: He amended his ways

= beterde zich; Amendable, voor verbetering vatbaar; Amendatory =

verbeterend (Amer.); Amendment, verbetering, amendement: To move an

amendment; Amends = excuus, vergoeding: To make amends for.

Amenity, əmeniti, aangenaamheid, vriendelijkheid; Amenities =

beleefdheden, lievigheden.

Amerce, əmɐ̂s, beboeten met geld (in money); Amercement, boete.

America, əmerikə, American, əmerik’n, subst. en adj. Amerikaan(sch):

American fair = een soort liefdadigheidsbazaar; American leather = een

soort van donkerbruin wasdoek; The America Cup = een beker, die voor ’t

eerst in 1851 door de Royal Yacht Squadron als prijs werd aangeboden;

Americanism = voorliefde v. het Amerik.; Amerik. eigenaardigheid v.

taal, etc.; Americanist = kenner v. Amerik. toestanden; Americanize =

veramerikaanschen; Americomania = manie voor alles wat Amerik. is.

Amesbury, eimzbri.

Amethyst, aməthist, amethist; purperkleur; Amethystine, violetkleurig.

Amiability, eimjəbiliti, beminnelijkheid; Amiable, eimjəb’l,

beminnelijk, lief; Amiableness.

Amiant(h)us, amian-təs, asbest, steenvlas.

Amicability, amikəbiliti, vriendschappelijkheid; Amicable, amikəb’l,

vriendschappelijk, welwillend; subst. Amicableness.

Amice, amis, amictus, de strook linnen, die de priester bij de mis over

den schouder draagt; soort toga.

Amid(st), əmid(st), te midden van: Amidships = mid(den)scheeps.

Amir, əmîə = Ameer.

Amiss, əmis, verkeerd, te onpas: Don’t take it amiss = kwalijk; That is

not amiss = niet kwaad.

Amity, amiti, vriendschappelijke verhouding: All is amity and sweetness

= pais en vree, botertje tot den boom.

Amma, amə, breukband.

Ammonia, əmounjə, ammonia: Liquid ammonia = salmiakgeest: Ammoniac =

Ammoniacal, ammoniak....; Ammonium, ammonium.

Ammunition, amjuniš’n, krijgsvoorraad; ’model’-(mil.): Ammunition-boots

= “model” schoenen; Ammunition-bread = kommiesbrood; Ammunition-cart =

munitiewagen.

Amnesia, amnîsiə, verlies van ’t geheugen.

Amnesty, amnəsti, subst. amnestie; verb. amnestie verleenen.

Amock, əmok. Zie Amuck.

Among(st), əmɐŋ(st), vermengd met, te midden van: Among ourselves =

onder ons gezegd; We bought the house and garden Among us = met ons

allen (méér dan twee).

Amorist, amərist, minnaar; Amorous, verliefd, liefdes..; subst.

Amorousness.

Amorphous, əmöfəs, vormloos, amorphe.

Amortization, əmötizeiš’n, overdracht, amortisatie; Amortize, əmötaiz,

goederen schenken of overdragen (in de doode hand); amortiseeren;

subst. Amortizement.

Amount, əmaunt, subst. som, bedrag; hoofdinhoud: Amount of balance =

saldo: verb. bedragen: The debit Amounts to 50 guilders a head =

bedraagt.

Amour, əmûə, minnarij.

Amove, əmûv, wegzenden, ontzetten.

Amphibia, amfibjə, amphibieën; Amphibian, amfibjən, tweeslachtig

(dier); Amphibiology = de leer der amphibieën; Amphibious =

tweeslachtig.

Amphibrach, amfibrak, amphibrachys (⏑ – ⏑).

Amphiscians, amfisiənz; Amphiscii, amfisiai, dubbelschaduwigen.

Amphitheatric(al), amfithiatrik(’l), amphitheatersgewijze;

Amphitheatre, amfithîətə, amphitheater.

Amphitrite, amfitraiti, vrouw van Poseidon; kokervorm.

Amphora, amfəra, amphora.

Ample, amp’l, groot, ruim, breedvoerig, prachtig; Ampleness, grootte,

etc.; Amplification = vergrooting, uitweiding; Amplify = vergrooten,

uitbreiden, uitweiden.

Amplitude, amplitjûd, grootte, uitgestrektheid, rijkdom; amplitudo:

Amplitude of oscillation = slingerwijdte.

Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen) · 第 3 / 152 段