speelde wondermooi; Note of admiration = uitroepteeken; Admire, admaiə,
bewonderen; Admirer = bewonderaar.
Admissibility, admisibiliti, toelaatbaarheid, aannemelijkheid; adj.
Admissible; Admission, admiš’n, toegang, toegeving, installatie,
entrée: Free admission = vrije toegang; Admission-fee = toegangsprijs.
Admit, admit, toelaten, toestaan, toegeven, erkennen: I admit it =
erken; It admits of no excuse = het laat zich niet verontschuldigen: To
admit of no change = geen verandering ondergaan; This ticket will admit
two persons = geldt voor; subst. Admittance: No admittance = verboden
toegang; No admittance except on business = verboden toegang voor het
publiek; Admittedly = zooals algemeen wordt erkend.
Admixture, admikstšə, bijmenging, bijmengsel.
Admonish, admoniš, vermanen, waarschuwen; subst. Admonition, adməniš’n;
Admonitory = vermanend.
Adnascent, adnas’nt: Adnascent plant = parasiet.
Ado, ədû, drukte, moeite: Much ado about nothing = veel geschreeuw en
weinig wol; There’s a nice ado = dat is een mooie boel! Without any
more ado = zonder verdere omslag.
Adolescence, adəlesəns, jeugd(ige leeftijd); Adolescent = jeugdig;
subst. jongeling, jong meisje.
Adolphus, ədolfəs, Adolf.
Adonean, adənîən, Adonic, ədonik, Adonisch; Adonis, ədounis, Adonis;
Adonize = zich adoniseeren.
Adopt, ədopt, (als kind) aannemen; aanwenden, zich bedienen van: You
adopt a disagreeable tone to me = ge permitteert u; Adoptable =
aanneembaar; Adopted = aangenomen; genaturaliseerd (Amer.); Adoption =
aanneming; Adoptive = adoptief, vreemd.
Adorable, ədörəb’l, aanbiddelijk; subst. Adorableness; Adoration =
aanbidding; Adore, ədö, aanbidden, vereeren; Adorer, aanbidder.
Adorn, ədön, versieren, verheerlijken; Adornment, versiering.
Adrian, eidriən, Adriaan; Adriano, adriânou; Adriatic, eidriatik of
adriatik: Adriatic Sea = Adriatische Zee.
Adrift, ədrift, rondzwalkend: To send adrift = in een boot zetten en
laten drijven; To turn adrift = aan zijn lot overlaten, wegzenden.
Adroit, adrôit, behendig, handig (at); Adroitness, handigheid.
Adscript, adskript, subst. en adj. lijfeigen(e) = Adscriptitious, adj.;
Adscription, lijfeigenschap.
Adulate, adjuleit, kruipend vleien; Adulation, adjuleiš’n, kruiperij;
Adulator, kruiper; Adulatory, vleiend, kruiperig.
Adult, ədɐlt, subst. en adj. (de of het) volwassen(e); Adultness, het
volwassen zijn.
Adulterant, ədɐltərənt, middel ter vervalsching; Adulterate, ədɐltərit,
adj. vervalscht; verb. ədɐltəreit, vervalschen; Adulteration,
vervalsching; Adulterator, vervalscher.
Adulterer, ədɐltərə, echtbreker, afgodendienaar; Adulteress, ədɐltərəs,
echtbreekster; Adultery, ədɐltəri, overspel; Adulterine, ədɐltərin of
ədɐlterain, adj. onecht, vervalscht; Adulterous, overspelig, afvallig;
Adultery = overspel, afgodendienst.
Adumbrate, ədɐmbreit, schetsen, aanduiden: The difficulties here
adumbrated; Adumbration = schets.
Advance, advâns, subst. voortgang, vooruitgang, bevordering,
verhooging, voorsprong, aanbod, voorschot, hooger bod, winst; Advance
verb, bevorderen, verheffen, verhoogen, verbeteren, voorschieten;
voortgaan, vooruitgaan, klimmen, stijgen; ontwikkelen, aanvoeren; Is
there any advance? = biedt iemand meer? My desires are in advance of my
means = zijn grooter dan; I tell you so in advance = vooruit; The price
of the goods is on the advance = wordt hooger; Her resistance to his
advances = tegen zijne pogingen om haar te winnen; He advanced an
opinion from which I dissent = ontwikkelde eene meening; We should get
wiser as we advance in life = ... naarmate wij ouder worden; advanced =
geavanceerd (polit., enz.); An advanced child = voorlijk; At the
advanced age of 80 = gevorderden; Advance-guard = voorhoede;
Advance-proofs (Advance-sheets) = proefbladen; Advancement =
vooruitgang, bevordering, voorschot; Advancer = bevorderaar.
Advantage, advântidž, subst. voordeel, overwicht, voorrang; Advantage
verb. bevoordeelen: To great advantage = zéér voordeelig; He has an
advantage over me = is in gunstiger conditie dan ik; You have the
advantage of me = gij schijnt mij te kennen, terwijl ik u niet ken; You
have taken advantage of my calamities = misbruik gemaakt van; You must
try to turn this to advantage = hiervan te profiteeren; He is
advantaged by it = profiteert; Advantageous, voordeelig, gunstig.
Advent, adv’nt, advent; komst, nadering: The police kept a space clear
for the advent of royalty = voor de nadering van den koninklijken
stoet; Adventitious, adv’ntišəs, toevallig, bijkomend.
Adventure, adventjə, subst. avontuur; speculatie, risico; mijnaandeel;
verb. wagen, zich wagen, gevaar loopen: Do it at all adventures = wat
er ook van kome; Adventurer = waaghals, avonturier, speculant (vr.
Adventuress); Adventuresome = Adventurous, adventjərɐs, gewaagd,
vermetel: subst. Adventurousness.
Adverb, advɐ̂b, bijwoord; An adverbial phrase = bijwoordelijke
uitdrukking.
Adversaria, advəsêriə, adversaria.
Adversary, advəsəri, tegenstander; Adversative, subst. en adj. het
tegengesteld(e) (gramm.).
Adverse, advɐ̂s, tegen.., nadeelig, vijandig: Adverse fate = tegenspoed;
Adverse party = tegenpartij; Adverse winds = tegenwinden; Adversity,
tegenspoed: Adversity makes wise, though not rich = door schade en
schande wordt men wijs.
Advert, advɐ̂t, letten (wijzen) op: I will no more advert to that
circumstance = wil laten rusten.
Advertise, advətaiz, publiek maken, adverteeren: The book (author) was
advertised up = er werd reclame gemaakt voor; advertisement,
advɐ̂tizm’nt, advertentie, reclame: Advertisement station = bord of
muurvlakte voor reclamebiljetten; Advertiser, hij die adverteert;
advertentieblad; Advertising agency = annoncenbureau.
Advice, advais, raad, advies, rapport, bericht: As per advice = volgens
bericht; To ask advice of = raad vragen; I took his advice = volgde; To
take medical advice = een dokter consulteeren; Advice-boat =
adviesjacht; Mail advices, mailberichten.
Advisability, advaizəbiliti, raadzaamheid; Advisable = raadzaam; subst.
Advisableness; Advise, advaiz, aanraden, berichten; raadplegen, te rade
gaan: To advise with one’s pillow = zich beslapen op; I advise against
such a step = raad af; A well advised plan = goed doordacht; The
government was well advised in doing it = gaf blijk van overleg; You
would have been better advised in abstaining from it = je hadt wijzer
gedaan je er van te onthouden; Advisedly, met overleg, expresselijk;
Advisory, advaizəri, raadgevend: An advisory body = raadgevend lichaam;
Advisory Committee = Commissie van advies.
Advocacy, advəkəsi, advocatuur, voorspraak; Advocate, advəkeit, subst.
pleitbezorger, advokaat (in Schotl.); voorstander; Advocate verb.
bepleiten: Devil’s advocate = Duivelsadvocaat; Judge advocate =
auditeur militair; Advocateship, advocatuur; verdediging.
Advowee, advauî, kerkpatroon, beschermheer; Advowson, advaus’n,
patronaat, collatierecht; prebende (Schotl.).
Adytum, adit’m, het allerheilige van een (heiden)tempel; plaats van het
altaar.
Adz(e), adz, subst. houweel; verb. met een houweel slaan.
Aegean Sea, îdžîənsî = Aegeïsche Zee.
Aegis, îdžis, aegis; goddelijke bescherming.
Aeneas, înîəs; Aeneid, îni-id, înî-id, de Aeneide.
Aeolian, î-oulj’n, aeolisch; Aeolian harp = Aeolusharp; The Aeolian
Isles; Aeolic, i-olik, aeolisch.
Aeon, îən, eeuw(igheid); Aeonian, i-ounj’n, eeuwig(durend).
Aerate, eiəreit, lucht of koolzuur voeren door: Aerated =
koolzuurhoudend: Aerated bread = brood gebakken van deeg waardoor men
koolzuur heeft gevoerd; A.B.C. Shop = soort ‘lunchroom’. Zie A.B.C.
Aerial, eiîrj’l, eierj’l, tot de lucht behoorende, in de lucht levend,
etherisch, ingebeeld, lucht...: Aerial navigation = luchtscheepvaart.
Aerie, êri, îri, roofvogelnest (arendsnest), hooge woning; gebroed,
kinderschaar.
Aeriform, eiəriföm, luchtvormig; Aerify, eiərifai, met lucht vullen, in
lucht veranderen.
Aerodrome, eiərədroum, terrein waarvan vliegmachines opstijgen.
Aerolite, eiərəlait, meteoorsteen; Aerolitic, = meteorisch.
Aerometer, eiəromətə, aërometer; Aerometry, eiəromətri, leer der
luchtmeeting.
Aeronaut, eiərənôt, luchtschipper; Aeronautics = luchtscheepvaart.
Aeroplane, eiərəplein, soort vliegmachine.
Aerostat, eiərəstat, luchtballon; Aerostatics = aërostatica.
Aesculapian, eskjuleipj’n, van Aesculaap, geneeskundig.
Aesthete, es-thît, îs-thît, dweper met ’t aestheticisme (vaak in
ongunstigen zin).
Aesthetic(al), es-thetik(’l), îs-thetik(’l), es-thîtik(’l),
îs-thîtik(’l), aesthetisch; Aesthetic(s) = aesthetiek; Aestheticism =
studie van (zin voor) aesthetiek, kunst.
Aestival, estiv’l of əstaiv’l zomersch.
Aetiology, îtiolədži, etiolədži, aetiologie.
Afar, əfâ, ver, in de verte.
Afeard, əfîəd, bevreesd; verschrikt (Amer.).
Affability, afəbiliti, minzaamheid, adj. Affable, afəb’l, subst.
Affableness.
Affair, əfêə, zaak, aangelegenheid, gevecht: It was a bloody affair =
gevecht; Public Affairs = openbare aangelegenheden; At the head of
affairs = aan het hoofd der regeering; An affair of honour = een duel;
As affairs stand = zooals de zaken staan; That is not my affair = dat
gaat mij niet aan.
Affect, əfekt, aandoen, roeren, aantasten, invloed hebben op,
betreffen; liefhebben, houden van, de voorkeur geven aan, zich voordoen
als, huichelen, voorkomen: It has greatly affected me = me zeer
getroffen; He affects a knowledge of it = doet alsof hij weet; He
affected a stare = hij stelde zich verwonderd aan; A servant was
affected to his private use = bestemd voor, aangewezen tot; Affected
with (illness) = getroffen, aangedaan door; Affectation, əfəkteiš’n,
gemaaktheid, huichelarij, liefhebberij; They seemed to be his only
affect = amusement, liefhebberij; Affection, əfekš’n, toegenegenheid,
liefde; aandoening; ziekte; ontsteking; eigenschap; invloed: Return of
affection = wederliefde; Affectionate, əfekšənit, liefhebbend,
hartelijk: I am, Yours affectionately, B. = Uw liefh. B.; Affective,
əfektiv, gemoeds...
Affeer, əfîə, ’t bedrag van een boete bepalen; subst. Affeerment.
Affiance, əfai’ns, verb. verloven, verbinden: Her affianced husband =
verloofde.
Affiche, əfîš, affiche, aanplakbiljet (Amer.).
Affidavit, afideivit, schriftelijke beëedigde verklaring.
Affiliate, əfiljeit, adopteeren, opnemen: Affiliated Societies =
vereenigingsafdeelingen; Affiliation = adoptie, verwantschap, opneming,
verbinding.
Affinitive, əfinitiv, verwant; Affinity, əfiniti, aanverwantschap,
overeenkomst, affiniteit (chemie): Electional affinities = verwantschap
door keuze.
Affirm, əfɐm, verzekeren, beweren, bevestigen, bekrachtigen, plechtig
verklaren; Affirmable = houdbaar; Affirmant, bevestigend; ook subst.;
Affirmation, bevestiging, etc.; Affirmative, bevestigend, positief,
dogmatisch: He answered in the affirmative = bevestigend; Affirmatory =
bevestigend, enz.
Affix, afiks, subst. achtervoegsel; Affix, əfiks, verb. hechten of
voegen aan.
Afflation, əfleiš’n, aanblazing, inspiratie = Afflatus, əfleitəs.
Afflict, əflikt (with), bedroeven, kwellen, bezoeken met; Affliction,
droefenis; smart, ramp, ellende; Afflictive, bedroevend etc.
Affluence, afluens, rijkdom, overvloed; Affluent, rijkelijk,
overvloedig, overvloed hebbend; zijrivier.
Afford, əföd, verschaffen, opleveren; (met can) in staat zijn,
bestrijden, kunnen betalen: I can afford it = mijne middelen
veroorloven het mij; I will afford you the means = verschaffen; He
could afford the time = had den tijd.
Afforest, əforəst, in bosch veranderen; Afforestation, het veranderen
in bosch; het land in bosch veranderd.
Affranchise, əfrantš(a)iz, vrijmaken; Affranchisement, vrijmaking.
Affray, əfrei, kloppartij, ruzie, standje.
Affright, əfrait, schrik aanjagen, doen schrikken; ook subst.
Affront, əfrɐnt, subst. hoon, beleediging; verb. beleedigen, weerstaan:
Affronted at = beleedigd over.
Affusion, əfjûž’n, begieting, besprenkeling.
Afghan, afgan, adj. en subst.; Afghanistan, afgânistân, afganistan.
Afield, əfîld, naar of op het veld, van huis: That would lead me too
far afield = zou mij te ver voeren.
Afire, əfaiə, in brand, gloeiend: She was all afire = vuur en vlam
(fig.).
Aflame, əfleim, vlammend; in vuur (fig.).
Afloat, əflout, vlot, drijvend, overstroomd; uit de verlegenheid, aan
den gang, onzeker.
Afoot, əfut, te voet, in beweging, op de been, gaande.
Afore, əfö, te voren, vroeger; Aforenamed, Aforesaid = voornoemd;
Aforethought = voorbedacht; Aforetime = vroeger.
Afraid, əfreid, bevreesd: He is more afraid than hurt = schreeuwt
harder dan noodig is; Don’t be afraid of him = bang voor; I am afraid
for you = om uwentwil vrees ik.
Afresh, əfreš, opnieuw.
Africa, afrikə, Afrika; African, Afrikaan(sch); Africander, afrikandə,
afrikandə, Afrikaander.
Aft, âft, naar de achterzijde van het schip: Fore and aft = van vóór-
tot achtersteven.
After, âftə, na, later, daarna: After you with the match = na u; After
all = bij slot van rekening; After (in) my opinion = volgens mijne
meening; I don’t know what he is after = hij bedoelt, tracht te
verkrijgen; He was after it = wou het zien te krijgen; I will look
after it = er naar zien, er voor zorgen; A year after = een jaar later;
The year after = het volgende jaar; After-ages = volgende eeuwen;
After-birth = nageboorte; After-clap = nakomende (onverwachte) slag;
verrassing, naspel; After-cost = bijkomende kosten; After-crop =
nalezing; Afterday(s) = latere dagen, toekomst; After-glow = nagloed;
After-grass (After-math) = etgroen; Afternoon, âftənûn, namiddag;
After-pains = napijnen; After-thought = nader inzien, nadere
overweging; nakomertje; After-time = overuren; After-tossing =
nadeining; Afterings = de laatste uit de koe gemolken melk; Aftermost =
het meest naar achter; achterschip; Afterward(s), âftəwəd(z), later,
naderhand.
Aga, âgâ, əgâ, agə, eigə, aga.
Again, əgen of əgein, opnieuw, weer: Again and again = herhaaldelijk;
He received as much again = nog eens zooveel; The bell rang again =
weerklonk luide, krachtig; What are they called again? = hoe heeten zij
ook weer? Again = en verder, om een ander voorbeeld te nemen; She was
loved again = vond wederliefde; At times she was affable, again she was
reserved = soms... dan weer.
Against, əge(i)nst, tegen(over), strijdig met, met betrekking tot:
Against the 6th = tegen; The entries against him = posten op zijn naam
geboekt; As against = vergeleken met; To talk against time = al maar
door praten, om tijd te winnen, of verlegenheid te verbergen; To work
against time = om op bepaalden tijd klaar te zijn, of met inspanning
van alle krachten. (Vergelijk: To talk against death = al maar door
praten om den patient als ’t ware te doen vergeten, dat hij sterven
gaat).
Agape, əgeip, met open mond: To stand agape.
Agaric, əgarik, of agərik, zwam, paddenstoel.
Agate, agət, agaat.
Agave, əgeivə, Amerik. aloë.
Age, eidž, subst. ouderdom, levensduur, meerderjarigheid, eeuw,
periode, geslacht, lange tijd; Age verb. verouderen; oud maken: What’s
your age? Hoe oud zijt gij? He became a radical in his age = op zijn
ouden dag; What an age you are = wat duurt dat lang; Ages ago = eeuwig
lang geleden; Behind the age = achterlijk; Middle age = middelbare
leeftijd; Middle Ages = Middeleeuwen; Of age = meerderjarig; Under age
= minderjarig; To be (become) of age; At his coming of age = bij zijn
meerderjarig worden; You bear your age well = gij houdt u goed voor uw
leeftijd; To be getting well on in middle age = op leeftijd komen; To
have passed the specified age = boven den leeftijd zijn (b.v. om voor
half geld te reizen); You have aged ten years since the other day =
bent tien jaar ouder geworden sedert een dag of wat; The aged = de
bejaarden; The ag(e)ing change those years have wrought = de
veroudering.
Agency, eidž’nsi, werking, agentschap, tusschenkomst: Through your
agency = bemiddeling; Agency business = commissiehandel.
Agenda, ədženda, werkzaamheden, agenda.
Agent, eidž’nt, agent; agens; werktuig (fig.).
Agglomerate, əglomərit, subst. agglomeraat; adj. samengestapeld,
opeengehoopt.
Agglomerate, əgloməreit, opeenstapelen, samenhoopen; Agglomeration,
agglomeratie; adj. Agglomerative.
Agglutinant, əglûtin’nt, klevend; subst. kleefmiddel; Agglutinate,
əglûtinit, adj. aangekleefd; Agglutinate verb. (əglûtineit),
aanéénlijmen; Agglutination = agglutinatie; adj. Agglutinative.
Aggrandize, agrəndaiz, vergrooten, verheffen, verheerlijken; subst.
Aggrandizement.
Aggravate, agrəveit, verergeren, verzwaren; prikkelen, boosmaken:
Aggravating = verzwarend, onaangenaam, onuitstaanbaar: Aggravating
circumstances = verzwarende; Aggravation = verergering, etc.
Aggregate, agrigit, adj. opgehoopt, gezamenlijk: Aggregate amount;
subst. ophooping, massa, bedrag, aggregatie; Aggregate verb.
(agrigeit), tot een geheel vereenigen; opnemen; bedragen; Aggregation =
aggregatie; Aggregative = gezamenlijk.
Aggress, əgres, verb. aanvallen, den strijd beginnen; Aggression,
aanval; Aggressive, aggressief, strijdlustig; Aggressiveness,
strijdlustigheid; Aggressor, aanvaller.
Aggrieve, əgrîv, bedroeven, smarten; benadeelen, krenken.
Aghast, əgâst, ontzet, verbluft.
Agile, adž(a)il, vlug, bedrijvig; Agility, vlugheid, etc.
Agio, adž(i)ou of eidž(i)ou, agio; Agiotage, adžətidž, agiotage;
beursspel.
Agitate, adžiteit, heen en weer bewegen, schokken, verontrusten,
opwerpen, opruien; Agitation, beweging, gisting; Agitator, adžiteitə
agitator.
Aglet, aglət of eiglət, veter(band).
Aglow, əglou, gloeiend.
Agnail, agneil, nijdnagel.
Agnat(e), agneit, subst. agnaat; adj. verwant; Agnatic relationship =
verwantschap in de mannelijke linie = Agnation.
Agnes, agnəz, Agnes: St. Agnes Day = 21 Jan., waarop de meisjes
plachten te vasten om van hun toekomstigen echtgenoot te kunnen
droomen.
Agnostic, agnostik, agnosticus; agnostisch; Agnosticism = leer der
Agnostici.
Agnus Dei, agnəsdîai, Lam Gods.
Ago, əgou, geleden.
Agog, əgog, vurig verlangend, opgewonden (on): They were all agog to be
off = verlangend om te vertrekken; He came back all agog with the sight
= opgewonden door; The servants are all agog with music = gek, vol van;
All the world was agog on Trilby = was mal van, had het over.
Agoing, əgouiŋ, aan den gang, in beweging.
Agonist, agənist; Agonistes, agənistîz, kampvechter.
Agonize, agənaiz, den doodstrijd strijden; kwellen, martelen: An
agonizing pain, thought; Agony = groote smart, zielsangst (= Mental
Agony), doodstrijd (= Agony of death); Agony column = kolom in een
dagblad in ’t bijzonder bestemd voor advert. omtrent verdwenen
personen, etc.
Agrarian, əgrêrj’n, den akkerbouw of het landbezit betreffend,
agrarisch, in ’t wild groeiend: Agrarian laws; Agrarian crime, outrage
= misdrijf tegen landheeren, of rentmeesters; Agrarianism, beweging ter
bevordering der agrarische belangen.
Agree, əgrî, het eens zijn, eensgezind leven, toestemmen, overeenkomen,
het eens worden; passen bij, overeenstemmen (gramm.); doen sluiten: How
do you and your master agree? = hoe is de verhouding tusschen u en uw
meester? We cannot agree about it = eens worden omtrent; We agreed on
the plan = werden het eens over; He would not agree to our plan =
goedkeuren; The verb agrees with its subject = stemt overeen; Wine does
not agree with me = ik kan geen wijn verdragen; Agreed! = top!
afgesproken!
Agreeable, əgrîəb’l aangenaam, passend: Agreeable to our wishes =
overeenkomstig; He does the agreeable = hij wil lief zijn; Is that
agreeable, Are you agreeable? = vindt gij het goed?
Agreement, əgrîmənt, overeenstemming, overeenkomst.
Agricultural, agrikɐltšər’l, landbouw....; Agricultural college =
landbouwschool; Agricultural implements, Agricultural labourers;
Agriculture = landbouw: Board of Agriculture = Ministerie van landbouw;
Agriculturist, econoom.
Agrimony, agriməni, leverkruid.
Aground, əgraund, aan den grond; in de klem: To be aground = aan den
grond; in de klem; To run aground = op strand loopen, zetten; in de
klem geraken.
Ague, eigju, subst. (koude) koorts, wisselkoorts: Intermittent fevers
are of the type of ague; Ague-fit = aanval van koorts; Ague-tree =
sassefras; Aguey, eigjui = Aguish, eigju-iš = koortsig.
Ah, â, ach, och.
Aha, âhâ, of əhâ, hoera! Mooi zoo! Bah!
Ahead, əhed, vooruit, vooraan: Ahead of her turn = vóór haar beurt; He
is ahead of all = allen vóór; You are ahead of time = voor uw tijd, uw
tijd vooruit; To be ahead = te wachten staan; Go ahead = vooruit maar!
To see ahead = in de toekomst zien; To write ahead = vooruit, vooraf.
Aheap, əhîp, op een hoop.
Ahem, ɐhem, h’m!
Ahoy, əhôi, hola! ehoi! (bij zeelieden, om een schip aan te roepen):
Boat ahoy!
Ahull, əhɐl, voor top en takel, d.i. een schip ligt ahull, als bij een
storm al de zeilen zijn geborgen en het roer is vastgezet.
Ai, âi, luiaard of ai (aai).
Ai, ai, interj. Helaas! Ai for the fleecy flocks = Helaas, onze wollige
kudden.
Aid, eid, subst. hulp, bijstand; helper; Aid verb. helpen, bijstaan,
verlichten: Aids = hulptroepen, toelagen, tollen; First aid to the
injured = eerste hulp bij ongelukken; I have learned first aid; This
meeting will greatly aid in influencing the whole country = ertoe
bijdragen; Aider, helper; medeplichtige: First aider = wie First aid
verleent; Aidless = hulpeloos.
Aiglet, eiglət, jonge arend.
Aigret(te), eigret (eigret). Zie Egret.
Ail, eil, kwellen, pijnigen, deren: I ail nothing, of: Nothing ails me;
My friend is ailing = ziekelijk, sukkelend; What ails you to beat me =
hoe kom je er bij; Ailment, ongesteldheid.
Aim, eim, subst. doel, vizier(korrel), bedoeling, plan; Aim verb.
mikken, richten, bedoelen, streven naar, zinspelen op: To miss one’s
aim = misschieten, zijn doel missen; To take aim = aanleggen; The
author aims higher = streeft een hooger doel na; To aim right = het
goed bedoelen; juist mikken; What do you aim at? = Waarop hebt ge het
gemunt? He aimed at my ruin = had het gemunt op; Tell aimed at his
boy’s head = mikte op; Aimer, vingerwijzing; Aimless, doelloos.
Air, êə, subst. lucht, atmosfeer, windje; wijsje, air; voorkomen,
schijn, air: Air verb. luchten, warmen, drogen; publiceeren, te koop
loopen met: To give oneself airs = zich airs geven; To be wholly up in
the air = vaag zijn; He has an air of security about him = neemt graag
het air aan van zeker te zijn; To hang in mid-air = in de lucht hangen;
To live much in the air = buiten; To take air = ruchtbaar worden; To
take the air = een luchtje scheppen; The room was aired = gelucht; She
took an airing every day = ging rijden (of wandelen), om een luchtje te
scheppen; The hotel was opened for an airing = om te luchten; He is
always airing me in public, and dropping me in private = heeft den mond
vol over mij in ’t publiek; To air one’s grievances = te koop loopen
met; To air horses = afrijden; Air-balloon; Airbath, luchtbad;
Air-brake, êəbreik, luchtrem: The engineer turned on the air-brake =
bracht in werking; Air-built, Air-drawn = ingebeeld; Air-cushion,
windkussen; Air-gun = windroer; Air-hole, luchtgat; Air-man = aviateur;
Air-pipe = ventileerbuis; Air-pump, luchtpomp; Air-tight = luchtdicht;
Airiness, luchtigheid, lichtheid, luchthartigheid, etc.; Airy,
lucht..., luchtig, hoog; onstoffelijk; luchthartig; onbeduidend: Air
castles = luchtkasteelen = Castles in the air.
Aisle, ail, zijbeuk (van een kerk), doorgang tusschen zitplaatsen in
kerk, schouwburg of wagon.
Ait, eit, eilandje (in eene rivier).
Aix-la-Chapelle, eikslašapel, Aken.
Ajar, ədžâ, op een kier; oneenig: To come ajar = op een kier gaan
staan.
Akimbo, əkimbou, in de zijde: With arms akimbo = op de heupen.
Akin, əkin, verwant.