K. TEN BRUGGENCATE’S
ENGELSCH WOORDENBOEK
EERSTE DEEL: ENGELSCH-NEDERLANDSCH.
ZESDE, VERBETERDE EN VERMEERDERDE UITGAVE,
BEZORGD DOOR
L. VAN DER WAL,
DIRECTEUR DER R. H. B. S. TE STEENWIJK.
TE GRONINGEN BIJ J. B. WOLTERS’ U. M.
AANWIJZINGEN VOOR HET GEBRUIK.
1. Het — in den tekst staat in de plaats van het hoofdwoord; zoo een
gedeelte hiervan tusschen haakjes staat, wordt dit laatste niet
begrepen in het —. Voorbeeld: Acoustic(al); —-duct; het — in —-duct
staat daarom alléén in plaats van Acoustic, dus van het niet tusschen
haakjes geplaatste.
2. Van afgeleide woorden is de uitspraak slechts opgegeven bij verschil
met het hoofdwoord; de klem wordt, zoowel in de herspelling als in de
niet herspelde woorden, door vette, de halve klem door gewone, en de
rest van het woord door cursieve letter aangeduid; Animative beteekent
dus, dat de eerste a den hoofdklem, de tweede a den bijtoon heeft; de
quantiteit van den klinker is als die van het hoofdwoord, tenzij anders
opgegeven.
3. De noodige eigennamen zijn niet in eene afzonderlijke rubriek
geplaatst, maar in het werk zelf opgenomen, en alleen desnoodig is de
vertaling ervan opgegeven.
4. De woorden op eene r laten deze letter in de uitspraak vrij wel
vervallen; alléén zoo door samenstelling of afleiding een vokaal op de
r volgt, wordt deze letter weer gesproken; b.v. Jabber, džabə, maar:
Jabbering, džabəriŋ.
5. Woorden als nature heb ik zonder sisklank, dus als neitjə en niet
als neitšə, voorgesteld in de transcriptie, omdat de vreemdeling zich
hier licht aan overdrijving schuldig maakt, en bovendien in onzen tijd
deze sisklank in de beschaafde Engelsche uitspraak steeds meer
verdwijnt; alléén Soldier wordt nog zeer krachtig souldžə gesproken,
terwijl de vulgaire uitspraak soudžə verkiest.
6. Bij de phonetische transcriptie van woorden als poor, your, etc. ben
ik opzettelijk wat conservatief gebleven; ik weet wel, dat pö en yö
zéér dikwijls gehoord worden, maar dan toch alléén in het vlugge
gesprek; ik aarzelde, om voor het enkele woord deze uitspraak als de
gewone op te geven.
7. De u van mute heb ik gewoonlijk door jû voorgesteld; echter door iû
na s of z, om te voorkomen dat woorden als suit te veel met š zouden
worden gesproken, waardoor men šut, d.i. de transcriptie van shoot, zou
verkrijgen; de transcripties siût en šut verschillen genoeg om alle
verwarring te voorkomen.
VERKLARING VAN DE PHONETISCHE TRANSCRIPTIE.
A. VOKALEN.
1. a als de a in that (ongeveer als de a van het Fransche woord patte).
2. â als de a in ask en de ar in farm (ongeveer als de zéér open
gesproken aa van zaal).
3. ɐ als de u in but (meer naar de a overhellend dan de ö van Götter).
4. ɐ̂ als de ear in learn (de eu van het Fransch leur + de toonlooze ə).
5. ai als de i in line (iets minder laag dan de ei in het D. Wein).
6. au als de ou in house.
7. e als de e in bet.
8. ê ongeveer als de ê in het F. prêtre, maar met grooter kaakopening.
9. ei als de a in fate.
10. i als de i in thin (ongeveer als de i in het Noordduitsche finden).
11. î als de ee in see (ongeveer als de D. ie, met. een vluchtige j
daarna).
12. o als de o in not (ongeveer als onze o in pot).
13. ô als de aw in law
14. ö (= ôə) als de or in lord ongeveer als de o in het Fr. encore
15. ôi als de oy in boy.
16. ou als de o in bone.
17. u als de u in full.
18. û als de ue in true (als de u in hot D. Stufe + eene vluchtige w).
19. jû of iû als de u in mute (na de s en z gewoonlijk iû).
20. ə als a in asleep of als de r in care = kêə.
B. KONSONANTEN.
1. g als de g in good.
2. j als de y in year.
3. ŋ als de ng in long.
4. š als de sh in ship, of ongeveer als de ch in het F. Charles.
5. ž als de si in occasion, of ongeveer als de g in het F. rouge.
6. th als de th in thin.
7. dh als de th in father.
8. w als de w in wine.
N.B. In zulk eene transcriptie als okeiž’n of eib’l stellen de ’n en ’l
eene lettergreep voor; ze zijn wat de Duitschers noemen silbemachendes
n of l.
Dictionaries are like watches: the worst is better than none,
and the best cannot be expected to go quite true.
Dr. Johnson.
VOORREDE.
Ist, dat oyt Rechter wil een schamper oordeel vellen,
Waardoor hij allermeest kan den Misdader quellen,
Die laet hem nimmermeer in ’t naare rasphuis gaen,
Noch ook van dach tot dach aan ’t zware Berch-werk staan;
Maar leg hem op, dat hij gae Woord-Registers maken,
Dus zal hij alle soort van straffe teffens smaken.
De geschiedenis van dit boek, volgens Lessing de ware inhoud eener
voorrede, is hoogst eenvoudig. Het kwam mij namelijk reeds jaren lang
voor, dat wij in ons land geen, niet te groot en toch betrekkelijk
volledig, woordenboek hadden, dat zoowel voor school als voor huis of
kantoor een betrouwbare gids mocht worden geacht. Hier liet m. i. de
inrichting, daar weder het uitspraakgedeelte der bestaande werken veel
te wenschen over, terwijl verder bij andere werken het eenvoudig
naschrijven der dikke boeken te zeer hoofdzaak was. En aangezien ik nu
gedurende een tal van jaren al hetgeen mij in romans, tijdschriften en
andere werken merkwaardigs en opvallends was voorgekomen, getrouw had
verzameld, meende ik eene poging te mogen wagen, om te voorzien in eene
naar mijne bescheiden meening bestaande leemte.
In zooverre een woordenboek op den naam van oorspronkelijkheid
aanspraak kan maken, hoop ik dat deze dictionnaire oorspronkelijk is.
Ik heb getracht het tot nu toe geproduceerde streng te schiften en
zelfstandig te bewerken, en ik heb aan het voorhandene die mijner
aanteekeningen, zonder vermelding der bron, toegevoegd, van welke ik
meende, dat zij eene plaats in zulk een werk verdienen. Dat dit laatste
eene zuiver subjectieve kwestie is, ik ben de eerste dit toe te geven.
Het zou mij dan ook niet verwonderen, zoo de meeningen der kenners op
dit gebied zeer uiteenloopend waren.
Bij de bewerking heb ik mij zoo trouw mogelijk gehouden aan de volgende
beginselen, die ik ten grondslag meende te moeten leggen aan dezen vrij
omvangrijken arbeid:
1. Alles wat men dikwijls in hedendaagsche romans en tijdschriften
vindt, moet men niet te vergeefs in dit boek naslaan. Het spreekt
vanzelf, dat een woordenboek nooit compleet te maken is. Telkens
ontmoette ikzelf tal van uitdrukkingen, die ik niet heb opgenomen en
waarschijnlijk later ook niet opnemen zal. Een woordenboek als dit doet
m. i. genoeg, wanneer het eenig artikel zoodanig behandelt, dat niet
opgenomen uitdrukkingen er toch duidelijk door worden, en de
verschillende beteekenissen behoorlijk geïllustreerd zijn. Er is, hoop
ik, naar gestreefd, om dit te bereiken.
2. Wanneer het niet noodig was, zijn niet telkens weer de vertalingen
der afgeleide woorden opgenomen. Als men weet wat agreeable is, behoeft
de omvang van een woordenboek niet noodeloos vergroot te worden door de
vertaling van agreeableness, agreeably, agreeability, enz.; daarom zijn
bijwoorden slechts zéér zelden, en woorden op ness lang niet altijd
opgenomen.
3. De uitspraak is voorgesteld door eene eenvoudige phonetische
transcriptie, waaromtrent de hierachter volgende sleutel en de woorden
aan den voet der pagina’s voldoende ophelderingen geven. De beklemde
vokaal is door vette, de half-beklemde vokaal door gewone, en de rest
der transcriptie door cursieve letter aangegeven. Waar de uitspraak der
afgeleide woorden niet van die van het grondwoord verschilt, is de
transcriptie niet telkens herhaald; overigens zijn de klem en de halve
klem bij verschil met het grondwoord in de afgeleide woorden eveneens
door vette en gewone letter aangeduid.
4. Zonder éénige uitzondering zijn geheele zinnen, en niet slechts
woordverbindingen opgenomen, om bepaalde uitdrukkingen te
verduidelijken; daardoor is dit woordenboek tegelijk een Word- and
Phrasebook geworden, zoodat men afzonderlijke werken deze laatste
revisie, die uit den aard der zaak veel plaats vroeg, niet eerder
worden begonnen, voordat de twee andere waren voltooid.
Im groszen und ganzen geldt thans de volgende regeling:
a. de beteekenissen van het woord, in zijn verschillende
functies, achter elkaar.
b. voorbeelden.
c. samenstellingen.
d. afleidingen, indien niet eene belangrijke spellingwijziging
eene afzonderlijke behandeling wenschelijk maakte.
Dat eene afzonderlijke behandeling van de samengestelde vormen de
gemakkelijkheid van het opzoeken zou bevorderen meen ik te mogen
betwijfelen; doch buitendien zou, als men hiertoe overging, de inhoud
aanzienlijk moeten worden bekort, of het woordenboek aanmerkelijk
moeten worden uitgebreid, twee dingen, die in ’t belang der gebruikers
in de eerste plaats dienden vermeden te worden. Zeer zeker levert
hierbij het hoogst arbitrair gebruik der hyphens eenige moeielijkheid
op, en draagt, als alle lexicographisch werk, ook dit noodwendig een
sterk persoonlijk karakter; doch wie tegen bezwaren of onvolmaaktheden
opziet, doet het best zelfs met de herziening van een woordenboek maar
liever niet te beginnen.
Dat al de afleidingen aan het eind van de artikelen werden geplaatst
vindt zijn verklaring in de overweging, dat het alleen op deze wijze
mogelijk werd te overzien in hoeverre wellicht bij volgende uitgaven,
door een natuurlijk weer systematische vereenvoudiging, ook nog voor
deze een afzonderlijke plaats zou kunnen worden ingeruimd.
Met de wenschen mijner vele correspondenten werd zooveel mogelijk
rekening gehouden. Aan één verzoek evenwel, om de aanwijzingen Slang en
Amer. te willen uitbreiden, heb ik zeer tot mijn spijt niet kunnen
voldoen. Liefst had ik ze alle weggelaten. In de moderne literatuur
wemelt het van woorden en vormen, die enkele jaren geleden streng
zouden zijn veroordeeld, en talrijke zoogenaamde Americanisms zijn
niets dan tijdelijk verouderde vormen, nog voortlevend in hedendaagsche
dialecten, waarvan het hoogst moeielijk is met zekerheid te verklaren
of ze gereïmporteerd zijn van uit Amerika, of door de schrijvers aan
locale dialecten direct werden ontleend.
Mijn hernieuwden dank aan mijne trouwe medewerkster en aan den Heer J.
Coster, Directeur H.B.S. te Vlissingen, die me weer zeer belangrijk en
uitstekend ‘belegt’ materiaal voor beide deelen toezond. Van de
gewaardeerde bijdragen van den Heer A. Broers, Leeraar H.B.S. te ’s
Gravenhage, kon ik tot mijn spijt slechts voor het 2e deel gebruik
maken.
Ook den Heeren J. Browne, Somerset West, Zuid-Afrika, en K. Hoeksema,
Muskegon, Michigan, U.S.A., die de vriendelijkheid hadden, me
uitgebreide aanteekeningen te doen toekomen, betuig ik mijn hartelijken
dank voor hunne welkome belangstelling. En waar ik aan sommige wenschen
of verwachtingen ook tot nu toe niet mocht hebben voldaan, veroorloof
ik me den wellicht wat nerveuzen gebruiker zachtkens te herinneren aan
Byron’s bekende woorden:
“A man must serve his time to every trade
Save censure—critics are all ready made.”
Steenwijk April 1913. L. VAN DER WAL.
A.
A, ei, A (letter, noot); A. 1. eiwɐn eerste klasse (in Lloyd’s
Register); uitstekend; het lidw. een (ə vóór consonanten); het (vóór
gewicht, maat, periode): Sixpence a pound = sixpence per pond; Twice a
day = tweemaal daags; a = verbastering van at, by, in, on, van to have
en van he, she, it, they: A. B. = able-bodied; A(rtium) B(accalaureus)
= Bachelor of Arts; abbr., abbrev. = abbreviated, abbreviation; ABC,
eibisî, alphabet, beginselen: All that is of the ABC of strategy; The
very ABC of a man’s existence = meest elementaire behoeften; An ABC
place = Aerated Bread Comp. Shop; An ABC = A.B.C. spoorboekje; Most of
my work was now ABC to me = als gesneden brood; Abp. = archbishop;
A(merican) B(ible) S(ociety); A. C. = Alpine Club; Ante Christum; a/c =
account; A.D. = Anno Domini; A(ide) D(e) C(amp); adv. = adverb;
A(dmiral) of the F(leet); A. F. B. S. = American and Foreign Bible
Society; A. G. = adjutant-general, attorney-general; Ala. = Alabama;
Ald. = Alderman; A. M. = ante meridiem; A. M. = Artium Magister; Amer.
= America(n); an(d); App. = Apostles; app. = appendix; A. R. = anno
regni; A(ssociate) of the R(oyal) A(cademy); A. R. A. M. = Associate of
the Royal Academy of Music; Ariz(ona); Ark(ansas); A. R. S. = A. R. A.;
A(nglo) S(axon); Av. = average; Avdp. = avoirdupois.
Aardvark, âdvâk, aardvarken.
Aaron, êr’n, Aaron: Aaron’s beard = hertshooi, steenbreek, etc.;
Aaron’s rod = grootbloemige toorts; een staf met een slang er om
gekronkeld; Aaronic(al), êronik(’l), het hoogepriesterambt betreffend.
Aasvögel, âsfɐ̂g’l, aasraaf (in Zuid-Afrika).
Aback, əbak, terug, mastwaarts: Taken aback = van zijn stuk gebracht,
uit het veld geslagen.
Abacus, abəkɐs, rekentafel, dekstuk (van een kapiteel); soort
stommeknechtje, etenskast, waschtrog (v. gouderts).
Abaddon, əbad’n, booze geest; de bodemlooze afgrond (Openb. v. Joh. IX,
11).
Abaft, əbâft, (naar) achter, achteruit (op schepen).
Abalienate, əbeiljəneit, vervreemden (van eigendom), overdragen;
Abalienation, vervreemding; verzwakking van het verstand.
Abandon, abəndoŋ, ongedwongenheid.
Abandon, əband’n, verlaten; prijs geven, abandonneeren: abandon to =
zich overgeven aan; An abandoned wretch = een verdorven ellendeling;
The bill was abandoned = werd voor rekening gelaten; Abandonee,
əbandənî, cessionaris (iemand, wien iets, b.v. bergen van een wrak,
afgestaan wordt); Abandoner, əbandənə, die iets afstaat; Abandonment =
afstand, achterlating, overlaten, abandonnement; overgave aan;
verlatenheid.
Abase, əbeis, vernederen; subst. Abasement.
Abash, əbaš, beschamen, in verlegenheid brengen; subst. Abashment.
Abatable, əbeitəb’l, voor opheffing of vernietiging vatbaar; Abate,
əbeit, opheffen, wegnemen, verminderen, verzachten; afnemen, dalen,
ongeldig worden; Abatement, opheffing, vermindering, verzachting,
korting, etc.; Abater = middel tot vermindering, etc.
Abat: Abat-jour, abəžûə, əbâžûə, vallicht; lichtscherm; Abat-vent,
abəvoŋ, luifel, windscherm; Abat-voix, abəvwö, klankbord (kansel).
Abat(t)is, abətis of abətî, verhakking (ter verdediging van een kamp of
fort); Abated, abətist, abətaizd, met een abat voorzien.
Abattoir, abətwô, abattoir.
Abb, ab (= Abb-wool) kettinggaren.
Abba, aba, vader (bij het aanspreken van een monnik); kloostervoogd.
Abbacy, abəsi, het ambt en het rechtsgebied van een abt; Abbatial,
əbeiš’l, abtelijk, tot eene abdij behoorende = Abbatical.
Abbé, əbei, (= Abbe, abi), Abbé.
Abbess, abəs, abdis; Abbey, abi, abdij.
Abbot, abət, abt: Abbot of Unreason (Schotl.) Zie Lord of Misrule;
Abbotship, ambt of waardigheid van een abt.
Abbreviate, əbrîvjeit, verkorten, afkorten; Abbreviation, afkorting;
Abbreviator, vervaardiger van een uittreksel; Abbreviatory, afkortend.
Abdal, abd’l, Perzische derwisch.
Abdera, abdîrə; adj. Abderian; Abderite, abdərait, Abderiet; onnoozele
hals: The Abdera = Democritus.
Abdicant, abdik’nt, afstand doende (van); Abdicate, abdikeit, afstand
doen (van); verstooten, onterven; Abdication, afstand; Abdicator, hij,
die afstand doet.
Abdomen, abdoum’n of abdəmen, onderbuik; achterlijf; Abdominal,
abdomin’l, Abdominous, abdominəs tot den onderbuik (het achterlijf)
behoorende, (onder)buik(s), achterlijfs....
Abduce, abdjûs, wegtrekken, op zij trekken; Abducent: Abduce muscle =
strekspier.
Abduct, abdɐkt, ontvoeren; wegtrekken; Abduction, ontvoering;
aftrekken; Abductor, hij, die ontvoert; strekspier.
Abeam, əbîm, rechthoekig op de kiel.
Abecedarian, eibîsîdêriən, subst. onderwijzer in de beginselen,
beginner; adj. alphabetisch = Abecedary, eibisîdəri, subst. en adj.
Abed, əbed, in bed.
Abele, əbîl of eibil = Abel-tree, eib’ltrî, abeel, witte populier.
Aberbrothok, abəbrothok, abəbrəthok; Aberdeen, abədîn.
Aberdavine, Aberdevine, abədəvain, sijsje.
Aberrance, -cy, əber’ns(i), Aberration, abəreiš’n, afdwaling,
afwijking, aberratie; Aberrant, afdwalend, afwijkend.
Aberuncator, abərɐŋkeitə, wiedmachine, (wiedijzer), tuinschaar.
Abet, əbet, aanhitsen; bijstand verleenen; Abetter of Abettor,
aanstoker, handlanger.
Abeyance, əbeiəns, toestand van onzekerheid, werkeloosheid of twijfel:
The question now in abeyance = de nog onopgeloste vraag; To (be in)
fall into abeyance = krachteloos (zijn) worden; Abeyant = In abeyance.
Abhor, abhö, verfoeien, verafschuwen = To hold in abhorrence, abhor’ns
= verafschuwen; Abhorrent, verfoeiend, onverdragelijk; Abhorrer, hij,
die verfoeit.
Abide, əbaid, blijven, verwijlen, wonen; blijven bij, trouw zijn aan;
helpen; wachten op; uithouden, verdragen, op zich nemen; Abiding =
duurzaam; blijven, voortduur: Abiding-place = verblijfplaats.
Abies, abi-îz, zilverspar; Abietic acid, abietik asid = daaruit bereid
zuur.
Abigail, abigeil, kamenier (1 Sam. 20, 5).
Ability, əbiliti, bekwaamheid; Abilities, əbilitiz, geestesgaven,
talenten.
Abintestate, abintesteit, adj. zonder testament stervend; Abintestate
subst. degene, die onder deze omstandigheden erft.
Abiogenesis, abiədženəsis, subst. zelfontstaan; adj. Abiogenetic;
Abiogenist, voorstander van die theorie.
Abject, abdžəkt, adj. laag, verachtelijk, kruiperig; subst. Abjection.
Abjuration, abdžureiš’n, afzwering; adj. Abjuratory = afzwerings....;
Abjure, abdžûə, afzweren; den naturalisatie-eed afleggen (Amer.);
Abjurer (Abjuror), hij, die afzweert.
Ablative, ablətiv, subst. ablativus.
Ablaze, əbleiz, in brand, vlammend; opgewonden, vlammend op: To set
ablaze = in vuur en vlam zetten.
Able, eib’l, bekwaam, bevoegd; krachtig; solvent; bevaren: able-bodied
= sterk, krachtig, gezond van lijf en leden, bekwaam: Able seaman =
matroos 1ste klasse; subst. Ableness.
Abluent, abluənt, subst. en adj. afdrijvend of bloedzuiverend (middel).
Ablution, ablûš’n, reiniging (godsdienstige plechtigheid der Mahom.);
het uitspoelen van den kelk (Kath.); het daarvoor gebruikte water;
Ablutionary, reinigings...
Abnegation, abnəgeiš’n, (zelf)verloochening.
Abnormal, abnöm’l, abnormaal; Abnormality, afwijking = Abnormity, ook:
wanstaltigheid.
Aboard, əböd, aan boord: All aboard for New York! = allen instappen
voor N.Y. (Amer.); To fall aboard (of) a ship = in aanvaring komen met
een schip; To go aboard = aan boord gaan.
Abode, əboud, subst. verblijf, woonplaats: To make abode = wonen,
verblijven.
Abode, əboud, voorspellen, een voorteeken zijn; Abodement, voorteeken.
Abolish, əboliš, afschaffen, vernietigen, ongeldig verklaren;
Abolition, abəliš’n, afschaffing, opheffing, gratie: Abolitiondom = de
gezamenl. Noord. Staten in den Amer. burgeroorlog; Abolitionism = de
afschaffing der slavernij; Abolitionist = een voorstander van die
afschaffing.
Abominable, əbominəb’l, afschuwelijk, verfoeilijk; Abominate,
əbomineit, verfoeien, verafschuwen; Abomination, afschuw; schanddaad:
He is my abomination = ik walg van hem; To hold in abomination =
verafschuwen.
Aboriginal, abəridžin’l, oorspronkelijk; subst. oorspronkelijke
bewoner; dier of plant eigen aan een land.
Aborigine(s), abəridžinî(z), oorspronkelijke bewoner(s) van een land.
Abort, əböt, ontijdig bevallen, rudimentair blijven; adj. Abortient;
Abortion, əböš’n, misgeboorte, ontijdige geboorte: Forced abortion =
vruchtafdrijving; Abortive = ontijdig, onvoldragen, rudimentair,
onrijp; subst. afdrijvend middel; Abortiveness = mislukking.
Abound, əbaund, overvloedig zijn, wemelen van: To abound in one’s own
sense = halsstarrig vasthouden aan eigen meening.
About, əbaut, omstreeks: I am about it now = er mee bezig; Be quick
about it = maak voort; To bring about a great change = teweegbrengen;
To come about = gebeuren; Go about your work = ga aan; I have no money
about me = bij mij; He is about to go there = op het punt; What is all
that noise about? = waarover is? When papa is not about, he will smoke
= niet thuis is; That is all about it = en daarmee is het uit; Look
about you = zie om u heen, neem u in acht; The books were lying all
about = lagen overal te slingeren; The ship put about = wendde; He
stopped and turned about = keerde zich om; You have walked two miles
about = omgeloopen; Much ado about nothing = veel geschreeuw en weinig
wol; You have been very good about it = je goed gehouden; Left, Right
about = links, rechts zwenken; What about your friend? = hoe staat het
met? About it = er op los! You are about right = gij hebt vrij wel
gelijk; A man about town = roué; iemand, die veel uitgaat.
Above, əbɐv, prep., adv. en adj. boven, meer dan, omhoog: He is above
following advice = te trotsch om; He doesn’t mean to marry above him =
boven zijn stand; The above observations = bovengenoemde; Above the
rest = bovenal; Above board = eerlijk, oprecht, openhartig; Above
ground = levend, onbegraven; Above par = boven pari, duur.
Abracadabra, abrəkədabrə, tooverwoord; soort amulet; wartaal.
Abradant, əbreid’nt, adj. wrijvend, slijpend; subst. wrijf-,
slijppoeder; Abrade = afwrijven, afschaven; beschadigen; His shins were
abraded = waren geschaafd.
Abraham, eibrəham, Abraham: To sham Abraham = ziekte of ellende
voorwenden; In Abraham’s bosom = in Abraham’s schoot; dood; Abraham men
= krankzinnige bedelaars uit de Abraham Ward in het Bethlehem (Bedlam)
Hospital, die op bepaalde dagen mochten gaan bedelen; bedelende
vagebond; Abram = Abraham.
Abrasion, əbreiž’n, afslijting, afwrijving, afschaving.
Abreast, əbrest, naast elkander: Abreast of the newest discoveries, the
times = op de hoogte van; To keep abreast of = op de hoogte blijven; To
walk four abreast = vier op eene rij.
Abridge, əbridž, verkorten, bekorten, samentrekken, te kort doen: He
was abridged of his rights = verkort in; Abridger, maker van een
Abridgment = uittreksel.
Abroach, əbroutš: To set abroach = aansteken (van een vat).
Abroad, əbrôd, buiten, buitenshuis, buitenslands: To be all abroad =
het geheel mis hebben, geheel in de war (van slag) zijn; It is all
abroad = overal bekend; The schoolmaster is abroad = het onderwijs
geniet (en eischt) alle aandacht; Stories get abroad = de menschen
beginnen er over te praten; Who has set it abroad? = het ruchtbaar
gemaakt? He does not stir much abroad = hij komt niet veel de deur uit;
To take one’s grievances abroad = te koop loopen met.
Abrogate, abrəgeit, afschaffen, intrekken (van wetten); Abrogation,
afschaffing, opheffing.
Abrupt, əbrɐpt, steil, plotseling, onverwacht, ruw, barsch; subst.
Abruptness.
Abscess, absəs, zweer, gezwel.
Abscond, abskond, met de noorderzon vertrekken; zich verschuilen;
Absconder = vluchteling.
Absence, abs’ns, afwezigheid: On leave of absence = met verlof; Absence
of mind = verstrooidheid; To be conspicuous for one’s absence =
schitteren door afwezigheid; Absent, abs’nt, afwezig, verstrooid: Long
absent, soon forgotten = uit het oog, uit het hart; The absent is in
the wrong = de afwezige; I am too absent to drive a cab in London = te
verstrooid, sufferig; Absent-minded = verstrooid; Absent verb. Absent,
absent, (zich) verwijderen, wegblijven; Absentee, abs’ntî, subst. en
adj. afwezig(e), niet op zijne bezittingen wonend(e); Absenteeism, het
niet wonen op zijne goederen.
Absinthe, absinth, alsem, absinth; Absinthial, Absinthian, Absinthic =
alsemachtig; Absinthiate, əbsinthieit, met alsem mengen.
Absolute, absəl(j)ût, adj. onvoorwaardelijk, onbegrensd, volslagen,
volstrekt: The Absolute = het absolute; subst. Absoluteness;
Absolution, absəl(j)ûš’n, absolutie, vrijspraak; Absolutism,
absəl(j)utizm, absolutisme; Absolutist = absolutist; Absolutory =
vrijsprekend.
Absolve, absolv of abzolv, vrijstellen, vergeven, vrijspreken: He
absolved me from my promise = ontsloeg mij van.
Absonant, absən’nt, wanklinkend, ongerijmd = Absonous.
Absorb, absöb, opslorpen, opzuigen, geheel in beslag nemen: Absorbed in
thought, in study = verdiept; Absorbability = absorptievermogen;
Absorbable = opzuigbaar; Absorbent, absorbeerend; absorb. stof,
bloedstill. middel; Absorption = absorptie, verdiept zijn; zuiging:
Absorptive, absorbeerend.
Absquatulate, abskwotjuleit, er vandoor gaan, uitsnijden (Amer.).
Abstain, abstein, zich onthouden: He abstained from wine = hij dronk
geen wijn; Abstainer = Total abstainer = geheelonthouder.
Abstemious, abstîmjəs, matig, zich onthoudend; Abstemiousness,
matigheid.
Abstention, abstenš’n, onthouding; Abstentionist = onthouder; adj.
Abstentious.
Absterge, abstɐ̂dž, reinigen; Abstergent, abstɐ̂dž’nt, reinigend,
afdrijvend (middel) = Abstersive, abstɐ̂siv = reinigend; subst.
Abstersiveness.
Abstinence, abstin’ns, onthouding; kuischheid, vasten: Total abstinence
= geheelonthouding; Abstinence day = onthoudingsdag; Abstinent,
onthoudend, matig.
Abstract, abstrəkt, abstract, niet werkelijk, theoretisch, duister,
ingewikkeld; Abstract noun = begripsnaam; Abstract numbers = onbenoemde
getallen; Abstract subst. korte inhoud: In the abstract = op zich zelf
beschouwd, in ’t algemeen gesproken.
Abstract, abstrakt, afscheiden, een verkorten inhoud maken, wegnemen,
verduisteren, stelen: It was Abstracted from me in the railway = mij
ontfutseld, ontvreemd; Abstracted = afgezonderd, verfijnd, verstrooid,
ingewikkeld; Abstractedness = onwerkelijkheid, idealiteit; Abstracter,
maker van een abstract; Abstraction, abstractie; afzondering,
afgetrokkenheid, verduistering; Abstractive, afgezonderd; Abstractness
= onwerkelijkheid, etc.
Abstruse, abstrûs, diepzinnig, duister; Abstruseness = Abstrusity,
duisterheid, etc.
Absurd, absɐ̂d, ongerijmd; Absurdity = Absurdness, ongerijmdheid.
Abundance, əbɐnd’ns, overvloed: Out of the abundance of the heart the
mouth speaketh = waar het hart vol van is vloeit de mond van over;
Abundant, overvloedig.
Abuse, əbjûs, subst. misbruik, misstand, euvel, slechte behandeling;
scheldwoorden.
Abuse, əbjûz, verb. misbruiken, verdraaien, verkeerdelijk toepassen,
ruw behandelen, uitschelden, schenden: He has abused my confidence =
geschonden; Abusive, əbjûsiv, verkeerd, scheld..: Abusive language =
beleedigende taal.
Abut, əbɐt, grenzen aan (on); vooruitspringen (from); Abutment,
əbɐtm’nt, het aangrenzen; steenen beer, paalwerk bij bruggen.
Abuzz, əbɐz, gonzend.
Abysmal, əbizm’l, bodemloos; Abyss, əbis, bodemlooze afgrond; hel: They
are lost in the abyss of time; Abyssal, afgronds...
Abyssinia(n), abisinjə(n), Abyssinië(r).
Acacia, əkeišə, acacia.
Acacin(e), akəsin, acacine.
Academic, akədemik, adj. academisch; subst. student; Academical,
academisch: Academicals = costuum (cap and gown) van studenten en
beambten: In full academicals = in vol ornaat; Academician, əkadimiš’n,
lid eener bepaalde academie: Royal Academician = lid der Koninklijke
Academie van Schoone Kunsten; Academicism = Academism = acad. leer;
Academy, əkadəmi, (hooge) school (vooral voor een bepaald vak);
genootschap: Riding-, Dancing-, Military Academy; in Amerika wat Public
School is in Engeland.
Acadia, əkeidjə, thans dichterl. voor Nieuw Schotland; Acadian = N.
Schotlandsch; bewoner van N. S.
Acajou, akəžû, cachou, mahoniehout.
Acanaceous, akəneišəs, stekelig.
Acanthus, əkanthəs, acanthus.
Acatalectic, əkatəlektik, subst. en adj. volkomen (versvoet of
versregel).
Acatalepsy, əkatəlepsi, onbegrijpelijkheid; Acataleptic, əkatəleptik,
onbegrijpelijk.
Accede, əksîd, toetreden, instemmen met (met to) ten deel vallen: To
accede to the throne = bestijgen.
Accelerate, əkseləreit, bespoedigen, versnellen; Acceleration,
versnelling; Accelerative (= Acceleratory) versnellend; Accelerator =
dat wat versnelt.
Accensor, əksensə, aansteker (vooral van de kaarsen in de Kath. kerk).
Accent, aks’nt, subst., accent, klemtoon, klemteeken, stembuiging,
uitspraak, toon, nadruk; Accents = woorden, taal (Dichterl.).
Accent, əksent, verb. accentueeren, uitspreken; Accentual = rhythmisch;
klem...; Accentuate = doen uitkomen, in ’t licht stellen, accentueeren;
subst. Accentuation.
Accept, əksept, aannemen, goedvinden, instemmen met, accepteeren;
Acceptability = aannemelijkheid; Acceptable = aannemelijk, aangenaam,
welkom; subst. Acceptableness; Acceptance, əksept’ns, aanneming,
gunstige ontvangst, acceptatie: I request your kind Acceptance of this
= verzoek u vriendelijk, dit aan te nemen; Acceptant, bereid aan te
nemen; Acceptation, aksəpteiš’n, aanneming, aanvaarding; aangenomen
beteekenis; Accepted = aangenomen; subst. verloofde; Accepter =
Acceptor = acceptant.
Access, aksəs, toegang, gehoor, genaakbaarheid, acces, aanval (van een
ziekte): To have access to = toegang hebben tot; Easy of access =
gemakkelijk genaakbaar; Accessary, aksəsəri, əksesəri = Accessory;
Accessibility, bereikbaarheid, genaakbaarheid; adj. Accessible;
Accessorial = bijkomend, medeschuldig; Accessory, aksəsəri, əksesəri,
bijdragend, bijkomend, medeplichtig; subst. medeplichtige: The
Accessories = al wat er bij hoort; Accession, əkseš’n, toetreding,
toestemming, vermeerdering, komst (op den troon, tot eene waardigheid),
aanval (van eene ziekte).
Accidence, aksid’ns, buigingsleer, beginselen.
Accident, aksid’nt, voorval, toeval, ongeluk, toevallige eigenschap: By
accident = toevallig; He has met with an accident = heeft een ongeluk
gehad, is verongelukt; Accident-column = kolom of rubriek van
ongelukken in eene courant; Accidental = toevallig, niet essentieel;
subst. toevallige eigenschap, bijzaak: Accidental colours = bijkleuren,
aanvullende kleuren.
Accipiter, əksipitə, roofvogel (vooral havik).
Acclaim, əkleim, toejuichen; subst. toejuiching: By acclaim = bij
acclamatie; Acclamation, akləmeiš’n, toejuiching, acclamatie;
Acclamatory, bijvals...
Acclimatization, əklaimətaizeiš’n, əklaimətəzeiš’n, acclimatisatie:
Acclimatize, əklaimətaiz, aan een zeker klimaat gewennen.
Acclivity, əkliviti, helling, steilte.
Accolade, akəleid, accolade (na den ridderslag); haakje: To confer the
accolade on = de accolade geven.
Accommodate, əkomədeit, geschikt maken, aanpassen, verzoenen met;
voorzien van; huisvesten, herbergen: If you want a nice room, I can
accommodate you = u eraan helpen; Accommodating, əkomədeitiŋ,
inschikkelijk, vriendelijk; Accommodation, əkomədeiš’n, schikking,
verzoening, geschiktheid, plaatsruimte, logies; wisselruiterij etc.:
Accommodation bill (Accommodation-note, Accommodation-paper) =
schoorsteenwissel, plezierpapier; Accommodation-ladder = trap aan de
valreep; Accommodation-works = bruggen, schuttingen, afsluitingen,
enz., die eene spoorwegmaatschappij verplicht is te bouwen langs hare
lijn.
Accompanier, əkɐmpənjə, begeleider (ook bij muziek); Accompaniment,
əkɐmpəniment, begeleiding, bijwerk, toebehooren; Accompanist,
əkɐmpənist, begeleider; Accompany, əkɐmpəni, vergezellen, begeleiden.
Accomplice, əkomplis, medeplichtige.
Accomplish, əkompliš, vervullen, uitvoeren; bereiken, verwezenlijken;
uitrusten; Accomplishable, uitvoerbaar; Accomplished = volkomen,
talentvol, voldongen; Accomplisher, hij, die voltooit; Accomplishment =
voleindiging, vervulling, talent, beschaving; Accomplishments =
kundigheden.
Accord, əköd, subst. overeenstemming, harmonie, schikking, accoord;
Accord verb. overeenstemmen, toestaan, inwilligen: With one accord =
eenstemmig, eenparig; He did it of his own accord = uit eigen beweging;
accordance = overeenstemming: In accordance with = overeenkomstig;
Accordant = overeenstemmend, overeenkomstig; According =
overeenstemmend: according as = al naarmate; according to your wish =
overeenkomstig; According to Cocker (Gunter; Amer.) = volgens Bartjes;
You must act accordingly = dienovereenkomstig.
Accordion, əködjən, harmonica; Accordionist = harmonicaspeler;
Accordion kilt = waaierrok; Accordion sleeves = waaiermouwen; A frock
of accordion cut = met waaierplooien.
Accost, əkost, verb. naderen, groeten, aanspreken; subst. aanspraak,
begroeting.
Accouchement, əkûšmoŋ of əkûšm’nt, bevalling; Accoucheur, əkûšɐ̂
Accoucheuse, akušɐ̂z.
Account, əkaunt, subst. (be)rekening, conto, rekenschap; bericht,
verhaal, verslag; reden; verklaring; belang, voordeel; Account verb.
berekenen, aanrekenen, achten, houden voor, rekenschap geven,
verklaren, verantwoordelijk zijn: It is of no account = van geen
belang; On my account = om mij, wat mij aangaat; I do it on account of
you = om, ter wille van; I began life on my own account = op eigen
verantwoordelijkheid; On no account = in geen geval; He was called to
account = ter verantwoording; To cast accounts = rekeningen opmaken; To
dodge an account = eene verwachting teleurstellen; The smaller of the
two prize-fighters gave a good account of himself = hield zich kranig;
We will give a good account of our enemies = ons kranig houden
tegenover; They had all gone to their account = waren voor Gods
rechterstoel geroepen; I lay that to your account = zet het op uwe
rekening; To leave out of account = buiten rekening laten; He makes his
account of it = profiteert er van (bij); I make no account of omens =
geef niet om; He placed a nice sum to my account = op mijn credit; He
will certainly render a good account of the work entrusted to him =
zich goed kwijten van; You must try to turn it to good account = er
zooveel mogelijk van te profiteeren; Every man was accounted for,
either as dead or prisoner = verantwoord; It will not be difficult to
account for our absence = te verklaren; There is no accounting for
tastes = over den smaak valt niet te twisten; I will account for it =
neem het op mijne verantwoording; He accounts dearly of all his friends
= schat hoog; Account-current = rekening-courant; Account-day =
betaaldag; Accountability, əkauntəbiliti, verantwoordelijkheid;
Accountable, verantwoordelijk, rekenplichtig; Accountancy, əkaunt’nsi,
bekwaamheid of arbeid van een Accountant, əkaunt’nt, subst. accountant;
Accountantship, ambt van accountant.
Accouple, əkɐp’l, samenkoppelen; Accouplement, koppeling.
Accoutre, əkûtə, uitdossen, uitrusten; Accoutrements = uitrusting.
Accredit, əkredit, machtigen, volmacht geven, krediet verschaffen;
gelooven, toeschrijven: He was accredited with miraculous power = hem
werd toegeschreven; Accreditation: Letter of accreditation =
geloofsbrief.
Accrescent, əkres’nt, toenemend; Accrescence, toeneming; Accretion,
əkrîš’n, aanwas, toename, samengroeiing; Accretive = toenemend.
Accrue, əkrû, aangroeien; voortspruiten: Much good may accrue to you
from it; Accrued interest to date = opgeloopen interest tot den dag
toe.
Accubation, akjubeiš’n, Accumbency, əkɐmb’nsi, het aanliggen aan een
maaltijd bij de Ouden; Accumbent, aanliggend tegen.
Accumulate, əkjûmjuleit, ophoopen, verzamelen, toenemen; Accumulation,
(op)hoop(ing); Accumulative, accumuleerend; Accumulator, accumulator.
Accuracy, akjurəsi, nauwkeurigheid; adj. Accurate; subst. Accurateness.
Accurse, əkɐ̂s, vervloeken; Accursed, Accurst = vervloekt, goddeloos.
Accusable, əkjûzəb’l, laakbaar, aanklaagbaar; Accusant, aanklager;
Accusation, aanklacht, beschuldiging.
Accusative, əkjûzətiv, subst. 4de nv.; ook adj.; Accusatorial,
əkjûzətôriəl, den aanklager betreffend; Accusatory, əkjûzətəri,
beschuldigend; Accuse, əkjûz, beschuldigen, aanklagen; Accuser,
aanklager.
Accustom, əkɐst’m, gewennen, gewoon zijn; Accustomed = gewoon, gewend.
Ace, eis, eenheid, aas (bij kaart- of dobbelspel), kleinigheid: Within
an ace (of) = op een haar na.
Acephalous, əsefəlɐs, koploos.
Acer, eisə, ahorn; Aceric acid, əserikasid, ahornzuur.
Acerb, əsɐ̂b, zuur, wrang; streng; Acerbity, wrangheid, scherpheid,
hardheid, gestrengheid.
Acerose, asərous, acerous, als kaf; naaldvormig = Acerous, asərɐs, ook:
zonder voelhorens.
Acervate, əsɐ̂veit, in trossen groeiend.
Acescency, əsesənsi, zuurheid; adj. Ascescent, zuur wordend, wrang.
Acetate, asiteit, azijnzuurzout; Acetic acid, əsetik- of əsîtikasid,
azijnzuur; Acetone, asitoun, azijngeest; Acetose, asitous, asitous,
Acetous, asitɐs, azijn....
Acetylene, əsetilîn, acetyleen.
Ache, eik, subst. pijn: Chest-ache; Face-ache; Ache verb. pijn doen,
pijn lijden: My back (sides) ached; I ached in every limb.
Acheen, ətšîn, Atjeh; Acheenese, atšənîz, Atjeher; Acheron, akəron,
Acheron.
Achievable, ətšîvəb’l, uitvoerbaar; Achieve, ətšîv, volbrengen,
voleinden, verwerven: To achieve a great success = behalen; Achievement
= succes, wapenfeit; wapenteeken: Men of achievement = beroemde.
Achilles (tendon), əkilîz(tend’n), Achilles (pees).
Achromatic, akrəmatik, achromatisch; Achromatism, Achromaticity =
achromatisme; Achromatize, achromatiseeren.
Acicular, əsikjulə, Aciculate, əsikjulit, Aciculiform, əsikjûliföm,
naaldvormig.
Acid, asid, subst. zuur; adj. zuur, scherp: An acid drop =
zuurballetje; Acidify = zuur maken; Acidity, zuurheid; Acidulate,
əsidjuleit, zuur maken: Acidulated drop = zuurballetje; Acidulent =
zuur, norsch; Acidulous, zuurachtig, scherp.
Acknowledge, əknolədž, erkennen, toegeven, (de ontvangst) berichten,
waardeering uitdrukken over: I acknowledge (receipt of) your favour of
the 14th inst. = bericht u de ontvangst van uwe geëerde van 14 dezer; I
acknowledge the corn = ik geef de beschuldiging toe (Amer.);
Acknowledgment = erkenning, belooning, dank, bericht van ontvangst.
Acme, akmi, toppunt; adj. voortreffelijk.
Acock, əkok, brutaal, uitdagend.
Acold, əkould, koud.
Acolyte, akəlait, misdienaar.
Aconite, akənait, monnikskap (plant).
Acorn, eikön, eikel: acorn-cup, acorn-shell = eikeldopje; Acorned =
eikels voortbrengend, met eikels gevoed of voorzien.
Acorus, akərɐs, kalmus.
Acotyledon, əkotilîd’n plant zonder zichtbare zaadlobben; adj.,
Acotyledonous.
Acoustic, əkûstik of əkaustik, het gehoor betreffend, gehoor...:
Acoustic duct = gehoorbuis; Acoustic nerves = gehoorzenuwen;
Acoustician = geluidkundige; Acoustics, əkûstiks of əkaustiks,
geluidsleer.
Acquaint, əkweint, berichten, bekend maken; Acquaintance = bekendheid,
kennis, vriend: He had made acquaintance with him, the acquaintance of
him; To maintain the acquaintance = aanhouden; An acquaintance of mine
= vriend van mij; Acquaintanceship, bekendheid.
Acquiesce, akwies, berusten, zich neerleggen bij, inwilligen, toegeven;
Acquiescence = berusting; Acquiescent = geduldig, toegevend.
Acquirable, əkwairəb’l, verkrijgbaar; Acquire, əkwaiə, verkrijgen,
verwerven; Acquirement, verwerving: Acquirements = talenten.
Acquisition, akwiziš’n, het verkregene, aanwinst, verkrijging;
Acquisitive = hebzuchtig; subst. Acquisitiveness.
Acquit, əkwit, vrijstellen, vrijspreken, (zich) kwijten; Acquittal,
vrijspraak; Acquittance, vervulling, vereffening: Forbearance is no
acquittance = uitstel is geen afstel.
Acre, eikə, stuk land (4840 vierk. yards of 4047 M2): God’s acre,
godzeikə, Godsakker; Acreage, eikəridž, het gezamenlijke land: The
acreage of Holland amounts to = de gezamenlijke landerijen van
Nederland zijn groot...; Acred, eikəd, grond bezittend.
Acrid, akrid, scherp, bijtend; Acridity, scherpheid.
Acrimonious, akrimounjəs, scherp, bits; Acrimony, akriməni, scherpheid,
bitsheid.
Acrobat, akrəbat, acrobaat, koorddanser; Acrobatic, acrobatisch;
Acrobatism, acrobatisme.
Acropolis, əkropəlis, Acropolis, burcht.
Acrospire, akrəspaiə, subst. (mout)kiem; Acrospired = kiemend.
Across, əkros, əkrôs, dwars, kruiselings, scheef, breed, aan gene
zijde: To come across = aantreffen; opkomen (in den geest); With arms
across = de armen over elkander.
Acrostic, əkrostik, subst. naamdicht; ook adj. = Acrostical.
Act, akt, subst. handeling, daad, wet, oorkonde, akte, disputatie,
bedrijf; Act verb. doen, handelen, (in)werken, volbrengen, opvoeren,
spelen, zich gedragen: Acts of the Apostles = Handelingen...; Act of
God = godswil; Act of Grace = amnestie; Act of Honour = acte van
interventie; Act of indemnity = acte van indemniteit; Act of Parliament
= parlementswet; He was caught in the (very) act = op heeterdaad; He
acts up to his promise = handelt overeenkomstig; I will act upon it =
dienovereenkomstig; act-drop = scherm, dat tusschen de bedrijven wordt
neergelaten; Actable = geschikt om op te voeren, uitvoerbaar; Acting =
subst. het spelen, het spel; adj. handelend, tijdelijk,
plaatsvervangend: An acting copy = een exemplaar van een tooneelstuk,
zooals het gespeeld wordt.
Action, akš’n, handeling, daad, beweging, gang, werking; voordracht,
uitdrukking; mechaniek, gevecht, aanklacht, proces: To bring an action
against a person for = iemand aanklagen wegens; I threatened the driver
with an action = aanklacht; The hour for action came = het ging op een
vechten; Actionable, akš’nəbl, strafbaar (in rechten): Your words are
Actionable.
Active, aktiv, werkzaam, vlug, levendig, actief; bedrijvend (gramm.):
Active bonds = prioriteitsobligaties; Active capital = activa; Active
partner = werkend; Activity = bedrijvigheid, vlugheid, behendigheid.
Actor, aktə, tooneelspeler; Actor-manager, theater-directeur (die
meespeelt); Actress, aktrəs, tooneelspeelster.
Actual, aktjuəl, wezenlijk, werkelijk, feitelijk, werkzaam; actueel;
Actuality = werkelijkheid; Actualities = actueele omstandigheden;
Actualize, aktjuəlaiz, verwerkelijken.
Actuary, aktjuəri, gerechtsschrijver; actuaris.
Actuate, aktjueit, aansporen, invloed oefenen, in beweging brengen;
Actuation, aandrijving, werkende kracht.
Aculeate(d), əkjûljit(-eitid), stekelig, van prikkels of een angel
voorzien, scherp, bits.
Acumen, əkjûm’n, scherpzinnigheid; Acuminate, əkjûmineit, spits;
Acumination, spitsheid; Acuminous, puntig.
Acute, əkjût, adj. puntig, scherp, fijn, doordringend, schrander; akuut
(van ziekten): An acute angle; Acute-angled (= Acute angular);
Acuteness, puntigheid, etc.
Ad (= advertisement): It was a paper of local news and local Ads.
Adage, adidž, spreekwoord, gezegde.
Adagio, adâdžou, langzaam; adagio.
Adam, ad’m, Adam, menschelijke zwakheid, broodheer: Adam’s ale = water;
Adam’s apple = adamsappel in zijn verschillende beteek.; Adam’s flannel
= melige toorts; Adam’s needle = Jucca; Adamite, Adamiet; adj.
menschelijk.
Adamant, adəmant, adamant; groote hardheid: His heart is of adamant =
zoo hard als steen; Adamantin(e), diamantachtig; onverwoestbaar.
Adapt, ədapt, geschikt of passend maken (to, for); toepassen; bewerken
naar (from); Adaptability, aanwendbaarheid; Adaptable, aanwendbaar;
Adaptation = aanpassing, bewerking; Adapted = passend, geschikt; subst.
Adaptedness; Adapter = bewerker; Adaptive, geschikt tot aanpassen;
subst. Adaptiveness.
Add, ad, bijvoegen, vermeerderen, verhoogen, optellen (met up): Added
to = plus, toegevoegd aan, uitgebreid; Addendum = toevoegsel, bijlage.
Adder, adə, adder; Adder-bolt = Adder-fly = waterjuffer; Adder’s tongue
= addertong; Adder’s wort = adder(slangen)wortel.
Addible, adib’l, vermeerderbaar.
Addict, ədikt, (zich) overgeven aan: Addicted to liquor = verslaafd aan
den drank; Addictedness; Addiction, neiging, verslaafdheid.
Addition, ədiš’n, bijvoeging, vermeerdering, optelling: In addition to
= behalve dat, buiten en behalve; Addition sum = optelsom; Additional =
bijgevoegd, extra, bij...: An Additional petticoat = een rok meer.
Addle, ad’l, bedorven, onvruchtbaar; Addle verb. bederven, onvruchtbaar
maken, verwarren: He has been addling his brains = zich suf zitten
denken; Addled eggs = bedorven; Never mind such Addle-brain = domkop;
Addle-brained (-headed, -pated) = suf, stom.
Address, ədres, subst. toespraak, adres, verzoekschrift; aanzoek;
manieren, manier van optreden; handigheid; Address verb. adresseeren;
(zich) richten tot, aanspreken; aanvangen; een adres richten tot:
Address-book; He has a (is a man of) pleasant address = hij maakt een
aangenamen indruk; Wanted a cook; editor has address = adres bij den
uitgever dezes; He paid her his addresses = maakte haar het hof; To
address the house = in ’t parlement spreken; To address the King = zich
tot den Koning richten; Addressee, adrəsî, geadresseerde; Addresser,
afzender, adressant.
Adduce, ədjûs, aanvoeren (als bewijs); Adducent = aanvoerend,
aantrekkend; Adducer = bewijzer; Adducible = aanvoerbaar.
Adduct, ədɐkt, aantrekken; Adduction = het bijbrengen; Adductive =
aantrekkend, bijbrengend.
Adelaide, adəleid, Adelheid; Aden, âd’n, eid’n.
Adenoid, adənôid: Adenoid growths = adenoïde vegetaties.
Adept, ədept, ingewijd; subst. ingewijde.
Adequacy, adikwəsi, geschiktheid, voldoendheid, gepastheid; Adequate,
adikwit, gepast, geschikt, evenredig, bekwaam voor; subst.
Adequateness.
Adhere, ad-hîə, aankleven, aanhangen, getrouw blijven; Adherence,
aankleving, aanhankelijkheid, vasthouden (to); Adherent = aanklevend,
aanhangend; subst. aanhanger; Adhesion ad-hîž’n, adhesie; Adhesive,
ad-hîsiv, adj. gegomd; aanklevend, aanhankelijk, blijvend: Adhesion
envelope = gegomde enveloppe; Adhesion plaster = hechtpleister; subst.
Adhesionness.
Adieu, ədjû, subst. afscheid; adv. vaarwel.
Adige, âdidž, adidž, Etsch (rivier).
Adipocere, adipəsîə, lijkenvet; Adipose, adipous, adipous, vethoudend,
vet..; nierenvet: Adipose tissue = vetweefsel; Adiposity, vetheid.
Adit, adit, toegang; afvoerkanaal.
Adjacency, ədžeis’nsi, aangrenzen, het aangrenzende; adj. Adjacent =
aanliggend, aangrenzend.
Adjectival, adžəktiv’l, adžəktaiv’l, bijvoeglijk; Adjective, adžəktiv,
subst. bijv. naamwoord; adj. bijvoeglijk.
Adjoin, ədžôin, aanvoegen, aangrenzen.
Adjourn, ədžɐ̂n, uitstellen, verdagen, schorsen; zich begeven: The
meeting was adjourned; The meeting adjourned for lunch; The company
adjourned to an ante-room = begaf zich; Adjournment, verdaging;
verplaatsing; He moved an adjournment to the ladies = stelde voor zich
te begeven naar.
Adjudge, ədžɐdž, toewijzen; oordeelen; subst. Adjudgment =
Adjudication.
Adjudicate, ədžûdikeit, berechten, toewijzen, rechtspreken (on = over):
He was adjudicated (a) bankrupt = hij werd failliet verklaard;
Adjudication = toewijzing, uitspraak: Adjudication of bankruptcy =
faillietverklaring; Adjudication order = faillietverklaring;
Adjudicator = scheidsrechter.
Adjunct, adžɐŋkt, subst. aanhangsel, toevoegsel, toevallige eigenschap;
adjunct; adj. verbonden, vereenigd; Adjunction, toevoeging; Adjunctive,
toevoegend.
Adjuration, adžureiš’n, plechtige eed, dringende bede, eedsformule;
Adjuratory = door een eed gestaafd; Adjure, ədžûə, bezweren; Adjurer,
Adjuror = beëediger.
Adjust, ədžɐst, geschikt maken, in orde brengen, afwikkelen,
beslechten; Adjustable: Adjustable chair = verstelbaar; Adjuster,
ijker; Adjusting-screw = stelschroef; Adjustment = schikking, ijking.
Adjutancy, adžut’nsi, adjudantschap; Adjutant, adžut’nt, adjudant;
soort vogel; Adjuvant, ədžûv’nt of adžuv’nt, helpend, bevorderlijk;
subst. helper, hulpmiddel.
Administer, administə (Administrate) besturen, beheeren, executeeren,
verschaffen, toedienen: To administer an oath = afnemen; To administer
the law = rechtspreken; Administration = beheer, toediening,
ministerie; Administrative = administratief, bevorderlijk;
Administrator, of Administrator, administrateur, executeur (v. een
intestate); vr. Administratrix.
Admirability, admirəbiliti, bewonderenswaardigheid; Admirable,
admirəb’l, bewonderenswaardig; subst. Admirableness.
Admiral, admir’l, admiraal, admiraalschip; Admiralship, admiraalschap;
Admiralty = de admiraliteit; het admiraliteitsgebouw: Admiralty Court =
Oud Gerechtshof voor alle zaken, die met de scheepvaart in verband
staan; thans overgebracht naar de Admiralty Division of the High Court
of Justice.