XXVI.

Daar zij hem nog niet hadden verwacht, was de blijdschap van Bazarofs

ouders dubbel, toen hij plotseling voor hen stond. Arina Vlassievna was

zoo buiten zichzelf, dat zij niets deed als heen en weer loopen. Haar

man vergeleek haar op het laatst met een kalkoen. En de omhoog gehouden

sleep van haar huisjapon gaf haar ook werkelijk iets van een vogel.

Wassili Ivanowitsj liet onophoudelijk een behagelijk gebrom hooren,

terwijl hij aan zijn barnsteenen pijp, die in zijn mondhoek stak,

groote halen deed. Toen ging hij driftig met de vingers achter zijn

boord, omdat de hemdsknoop knelde, draaide die krampachtig rond en

lachte daarbij breed en stil over zijn geheele gezicht.

--Ik blijf minstens zes weken, oudje, zei Bazarof,--ik wil werken en

hoop, dat je me met rust zult laten.

--Ik zal je zoo plagen, dat je niet meer weten zult, hoe mijn gezicht

er uitziet! antwoordde Wassili Ivanowitsj.

En hij hield woord. Toen hij zijn zoon evenals de eerste maal in zijn

studeerkamer had geïnstalleerd, scheen hij zich voor hem te verstoppen

en duldde ook niet, dat zijn vrouw uiting gaf aan haar gevoeligheden.

--Ik denk wel, dat we Jenoesjenka de eerste keer wat gehinderd hebben,

zei hij,--we moeten verstandiger zijn ditmaal.

Arina Vlassievna gaf haar man gelijk, maar veel pleizier had ze daar

niet van, want ze zag haar zoon alleen bij de maaltijden en durfde

hem dan nauwelijks aanspreken.

--Jenoesjenka... begon ze, en voor deze tijd had, zich om te draaien,

zei ze al:...--niets, niets, niets... en speelde met het koord van

haar geldtaschje. Dan ging ze naar Wassili Ivanowitsj en vroeg:

--Hoe kunnen we te weten komen, wat Jenoesjenka graag eten wil

vanmiddag, sjtsjie [15] of borsj [16]?

--Waarom heb je hem niet gevraagd?

--Ik was bang, hem te storen.

Bazarof hield weldra van zelf op, zich af te zonderen. De werklust

maakte plaats voor een doffe, onrustige verveling. Een vreemde moeheid

kwam over hem, die zich in al zijn bewegingen uitte. Zijn vlugge,

flinke gang verslapte zelfs, hij maakte geen eenzame tochten meer en

begon gezelschap te zoeken. Hij dronk thee in de huiskamer, ging met

zijn vader naar den moestuin en rookte stil zijn pijp. Eens vroeg

hij zelfs naar Vader Alexis.

Deze verandering verheugde Wassili Ivanowitsj eerst, maar die vreugde

was van korten duur.

--Jenoesja geeft me te denken, zei hij tegen zijn vrouw. Hij is niet

ontevreden of prikkelbaar, dat zou lang zoo erg niet zijn, maar hij

is gedrukt en treurig en dat maakt me ongerust. Hij spreekt niet,

wordt mager en ziet er niet goed uit. Ik wilde, dat hij maar eens

flink aan het vloeken ging.

--Och hemel! antwoordde de oude vrouw en zuchtte. Ik wou dat ik hem

een zakje relikwieën om den hals kon hangen. Maar hij wil het niet.

Wassili Ivanowitsj trachtte herhaaldelijk Bazarof uit te hooren over

zijn werk, zijn gezondheid en Arkadiej. Maar Bazarof antwoordde kort

en zei ten slotte gemelijk:

--Het is net, of je altijd om mij heen sluipt en me bespiedt. Dat is

nog erger dan vroeger.

--Stil maar, ik zal het niet meer doen, viel de ongelukkige Wassili

Ivanowitsj snel in de rede.

Gesprekken over politiek hadden niet meer succes. Toen hij eens naar

aanleiding van de opheffing der lijfeigenschap, de groote kwestie

van den vooruitgang aanroerde, zei Bazarof onverschillig:

--Toen ik gisteren langs het tuinhek ging, hoorde ik in plaats van

hun oude liederen een paar boeren zich schor schreeuwen.--Daar heb

je den vooruitgang!

Bazarof ging soms naar het dorp en begon daar op zijn

spottend-sarcastischen toon een gesprek met den eersten den besten

boer:

--Vertel me toch eens, ze beweren, dat jullie de kracht en de toekomst

van Rusland zijn, dat met jullie een nieuw hoofdstuk begint van

onze geschiedenis. Jullie zult ons de echte taal en de ware wetten

geven. Hoe zit dat toch?

De boer zei niets, keek hem zonder iets te begrijpen aan, of stotterde,

als het mooi was, zoo iets van:

--Ja, dat zouden we best kunnen, want bovendien... volgens de wet,

die we hebben...

--Zeg me toch eens, wat jullie "mir" waard is, vroeg Bazarof. Steunt

die nog altijd op drie visschen? [17]

--De aarde steunt op drie visschen, antwoordde de boer overtuigd,

en met dien zingenden klank in zijn stem, die iets aartsvaderlijks en

naïefs had,--en iedereen weet, dat de wil van den heer tegenover onze

mir almachtig is, want de heer is onze Vader. Hoe strenger de heer,

des te onderdaniger de boer.

Toen hij die woorden eens had moeten aanhooren, haalde Bazarof

verachtend de schouders op en liet den boer staan, die kalm zijns

weegs ging.

--Waarover heeft hij met je gesproken? vroeg hem een andere boer van

middelbaren leeftijd en met een terugstootend uiterlijk, die hem van

zijn deur uit met Bazarof had zien praten.

--Zeker over de achterstallige pachtgelden?

--Dat zal wel! antwoordde de eerste, en zijn stem had niets meer van

den patriarchalen zingtoon, maar iets ruws, waaruit geringschatting

spreekt:

--Hij heeft geleuterd, zijn tong sloeg zeker dubbel. De heeren zijn

allemaal hetzelfde, ze begrijpen er niets van!

--Hoe zouden ze wat begrijpen? zei de ander, en ze schudden hun koppen,

haalden hun gordels aan en praatten verder over gemeentebelangen.

En die jonge man vol zelfvertrouwen, die zich met hooghartig

schouderophalen verwijderde, die Bazarof, die zoo goed met de boeren

overweg kon, zooals hij tegenover Paul Petrowitsj had beweerd,

vermoedde zelfs niet, dat diezelfde boeren hem een gek en een

stommeling noemden.

Eindelijk vond Bazarof een bezigheid, die hem beviel. Eens verbond

Wassili Ivanowitsj een boer, die een beenwond had. De handen van den

ouden man beefden, en het viel hem blijkbaar moeilijk, het verband

te leggen. Bazarof hielp hem. En sedert hielp hij zijn vader geregeld

bij diens geneeskundige bezigheden, maar kon niet nalaten te spotten

over de middelen, die hij zelf voorschreef en den ijver, waarmee

zijn vader die toepaste. Wassili Ivanowitsj liet zich hierdoor echter

niet van zijn stuk brengen en vond die grapjes zelfs wel aardig. Zijn

pijp in den mond en de hand in de zakken van zijn morgenjas luisterde

hij met welgevallen toe. Hoe harder de woorden van zijn zoon waren,

des te genoegelijker lachte hij, zoodat zijn zwarte tanden zichtbaar

werden. Dikwijls herhaalde hij zelfs de dwaze en ongezouten uitvallen

van zijn zoon. Zoo zei hij bijvoorbeeld dagen lang achter elkaar bij

elke gelegenheid:

--Dat is voor het dessert.

Alleen, omdat Bazarof die uitdrukking had gebruikt, toen hij hoorde,

dat de oude vrouw naar de vroegmis was.

En in vertrouwen zei hij tegen zijn vrouw:

--Goddank, Jenoesja heeft zijn zwaarmoedigheid overwonnen. Hij was

zoo los vandaag!

Buitendien was hij in de wolken over zulk een flink assistent. De

gedachte alleen gaf hem een gevoel van wilden trots.

--Ja, ja, heette het tegen een arme boerin, die haar kitsjka ophad

en in de grove jas van haar man gewikkeld was,--ja, ja en hij gaf

haar een glas goulard-water en een potje bilzenkruidzalf,--ja, ja,

je mag God wel danken, dat Hij mijn zoon teruggebracht heeft, nu word

je behandeld volgens de nieuwste en geleerdste methode. De fransche

keizer Napoleon heeft geen beteren dokter!

De boerin had geklaagd, dat ze een gevoel had, alsof ze met handen

in de hoogte werd getild (woorden, die ze zelf niet nader verklaren

kon.) Ze hoorde Wassili Ivanowitsj aan, maakte een buiging tot op

den grond en haalde drie eieren uit haar omslagdoek te voorschijn

tot betaling.

Bazarof trok zelfs een tand bij een vreemden koopman. En ofschoon

die tand niets bizonders had, bewaarde Wassili Ivanowitsj hem als

een zeldzaam stuk en zei meermalen, terwijl hij hem liet zien aan

Vader Alexis:

--Kijk eens, Vader, wat een wortels! Jevgenij moet een krachtige

hand hebben! Ik zag den koopman omhoog tillen, prachtig, ik geloof

waarachtig, een eik zou geen weerstand geboden hebben!

--Inderdaad verdienstelijk! antwoordde de priester die geen kans

zag op een andere wijze een einde te maken aan de verrukking van den

ouden man.

Een boer uit den omtrek bracht zijn broer, die aan typhus leed, bij

Wassili Ivanowitsj. De ongelukkige lag stervend op een hoop hooi,

donkere vlekken overdekten zijn lichaam en hij was sedert langen tijd

buiten kennis.

Wassili Ivanowitsj sprak er zijn spijt over uit, dat hij niet vroeger

gekomen was, en verklaarde, dat hij onmogelijk nog te redden was. En

werkelijk kwam de man niet meer thuis. Hij stierf onderweg in zijn kar.

Eenigen tijd later kwam Bazarof zijn vader vragen, of hij ook lapis

infernalis voor hem had.

--Jawel, wat wil je daarmee doen?

--Om een wond uit te branden.

--Wie is verwond? Jij? Laat zien de wond.

--Hier, aan mijn vinger. Ik ben van morgen naar het dorp geweest,

waar die boer aan typhus gestorven is. Ik weet niet waarom, maar men

wilde het lijk openen. En nu had ik die soort operatie lang niet bij

de hand gehad.

--Ja, en ...?

--Ik verzocht den distriktsgeneesheer, of ik het mocht doen, en toen

heb ik me gesneden.

Wassili Ivanowitsj verbleekte, liep, zonder een woord, naar zijn

kamer en kwam met een stuk helschen steen terug. Bazarof wilde ermee

de kamer uit gaan.

--In 's hemels naam, riep Wassili Ivanowitsj, laat mij dat doen.

Bazarof glimlachte.

--Wat een hartstocht voor de praktijk!

--Maak nu geen grapjes. Laat je vinger zien. De wond is niet groot. Ik

doe je toch niet pijn?

--Druk maar stevig.

Wassili Ivanowitsj hield op.

--Misschien was het beter, met een heet ijzer te branden. Wat denk je?

--Dat hadden we eerst moeten doen. Nu geeft dat niet meer dan

dit. Trouwens als ik de ziektestof al opgenomen heb, is er geen

middel meer.

--Wat... geen middel meer? stamelde Wassili Ivanowitsj.

--Het is al meer dan vier uur geleden, dat ik me gesneden heb.

Wassili Ivanowitsj drukte de wond weer met den helschen steen.

--Had de dokter daar dan niets?

--Neen.

--Dat is ongeloofelijk. Ieder dokter moet toch lapis hebben.

--Ja, en je had zijn messen moeten zien! antwoordde Bazarof en ging

de kamer uit.

Dien avond en den volgenden dag verzon Wassili Ivanowitsj alle

mogelijke voorwendsels, om in de kamer van zijn zoon te komen,

en ofschoon hij niet over de wond sprak en zijn best deed, zoo

onverschillig mogelijk te zijn, lette hij toch scherp op hem

en bestudeerde al zijn bewegingen met zulk een opgewondenheid,

dat Bazarof ongeduldig werd en zou besluiten heen te gaan. Wassili

Ivanowitsj beloofde, niet langer ongerust te zijn, en vooral, toen

Arina Vlassievna, die hij niets meegedeeld had, hem trachtte uit

te hooren, waarom hij zoo opgewonden was en den geheelen nacht niet

had geslapen.

Twee dagen hield hij vol, al verontrustte hem Bazarofs uitzien meer

en meer. Den derden dag kon hij niet langer zwijgen.

Zij zaten aan tafel en Bazarof, met neergeslagen oogen, at niets.

--Waarom eet je niet, Jevgenij? vroeg zijn vader, schijnbaar zoo

zonder bedoeling.--Het schoteltje vind ik heel goed.

--Ik eet niet, omdat ik geen eetlust heb.

--Geen eetlust, vroeg hij, en hoofdpijn?

--Ja, waarom zou ik geen hoofdpijn hebben?

Arina Vlassievna werd oplettend.

--Word nu niet dadelijk boos, Jevgenij, zei Wassili Ivanowitsj,

je moet me toestaan, je pols te voelen.

Bazarof stond op.

--Ik kan je zoo wel zeggen, dat ik verhooging heb.

--Heb je ook koude rillingen?

-- Ja. Ik zal wat gaan liggen. Stuur me wat kamillenthee. Ik zal een

kou opgedaan hebben.

--Daarom heb ik je ook hooren hoesten vannacht, zei Arina Vlassievna.

--Ik heb kou gevat, herhaalde Bazarof en verliet de kamer.

Arina Vlassievna zette de thee en Wassili Ivanowitsj liep naar de

zijkamer, waar hij zich aan de haren trok zonder een woord te spreken.

Bazarof bleef den geheelen verderen dag in bed en bracht den nacht

door in een doffen, afmattenden slaap.

Toen hij tegen éen uur wakker werd, zag hij bij den flauwen schijn

van het nachtlicht het bleeke gezicht van zijn vader, die aan zijn

bed gezeten was. Hij verzocht hem, te gaan slapen.

De oude man ging heen, maar kwam dadelijk daarop weer terug en

bleef achter de half-open deur van een kast verborgen, zijn zoon

observeeren. Ook Arina Vlassievna sliep niet, ze kwam telkens aan de

kamerdeur, om naar de ademhaling van haar Jenoesja te luisteren en zich

ervan te vergewissen, dat Wassili Ivanowitsj nog op zijn post was. Ze

kon niets zien als den gebogen rug van haar man, die zich niet bewoog,

maar dat was voldoende, om haar eenigszins gerust te stellen.

Toen de dag aanbrak, trachtte Bazarof op te staan. Maar een

duizeling beving hem, gevolgd door neusbloedingen en hij ging weer

te bed. Wassili Ivanowitsj hielp hem zwijgend. Arina Vlassievna kwam

en vroeg, hoe het stond.

--Ik voel me beter, antwoordde hij en keerde zich naar de muur.

Wassili Ivanowitsj beduidde zijn vrouw met beide handen, dat ze weg

moest gaan. Zij beet op haar lippen, om niet te weenen en ging.

Het heele huis scheen versomberd. Alle gezichten waren strak en een

vreemde stilte heerschte tot op het erf. Een kraaiende haan, die zich

zeker verwonderde, werd naar het dorp verwijderd.

Bazarof bleef in bed, het gezicht naar den muur gekeerd.

Wassili Ivanowitsj sprak hem herhaaldelijk toe, maar zijn vragen

hinderden den zieke en daarom bleef hij maar in zijn leunstoel zitten

en van tijd tot tijd wrong hij alleen zijn handen. Dan ging hij weer

een oogenblik den tuin in en stond strak als een standbeeld. Een

onuitsprekelijke ontzetting scheen hem aangegrepen te hebben. De

uitdrukking van diepste verwondering bleef duidelijk op zijn gezicht

te lezen. Toen ging hij weer naar binnen, naar zijn zoon en liep zijn

vrouw zoo veel mogelijk uit den weg.

Het gelukte haar eindelijk, hem bij de hand te grijpen en als in een

kramp, bijna dreigend vroeg ze:

--Wat heeft hij dan?

Wassili Ivanowitsj trachtte te glimlachen, om haar gerust te stellen,

maar tot zijn eigen verbazing ontwrong zich een harde lach aan zijn

breeden mond.

's Morgens al had hij een geneesheer uit de stad laten roepen en hij

wilde het zijn zoon meedeelen, opdat deze hem geen verwijten zou doen

in tegenwoordigheid van een derde.

Bazarof keerde zich plotseling om, keek zijn vader star aan en vroeg

drinken.

Wassili Ivanowitsj gaf hem water en maakte van die gelegenheid gebruik,

hem de hand op het voorhoofd te leggen. Dit gloeide.

--Oude, zei Bazarof langzaam en met harde stem,--dat loopt mis. Ik

heb het gif in mijn lichaam, over een paar dagen zul je me begraven.

Wassili Ivanowitsj wankelde, alsof hij een zwaren slag tegen de beenen

had gekregen.

--Wat zeg je daar, jongen, stamelde hij, het is een gewone verkoudheid.

--Kom, een dokter mag zoo iets niet zeggen, antwoordde hij.--Ik heb

alle verschijnselen van een besmetting. Dat weet je wel.

--Verschijnselen... van een... o neen... Jevgenij!

--Wat is dit dan? vroeg hij, stroopte den mouw van zijn hemd op en

liet zijn vader de onheilspellende roodachtige vlekken zien, die zijn

huid bedekten.

Wassili Ivanowitsj verbleekte.

--Gesteld... indien ook al... dat zou... een epidemische...

--Het is pyemie, zei de zoon.

--Ja, een epidemische besmetting.

--Pyemie, herhaalde Bazarof beslist en op ruwen toon:--heb je je

dictaatcahiers vergeten?

--Nu ja, dat kan wel. Maar we zullen je beter maken.

--Onzin... Laat ons verstandig praten. Ik dacht niet, zoo gauw al te

sterven. Het is een ongeluk, dat, ik geef het toe, niet pleizierig

is. Moeder en jij, jullie zult goed doen, je toevlucht in het geloof te

zoeken, het is een mooie gelegenheid, dat eens op de proef te stellen.

Hij dronk een slok water.--Ik heb je iets te verzoeken, zoolang mijn

hoofd nog helder is. Morgen of overmorgen, zullen mijn hersens ophouden

te werken. Het kan best zijn, dat ik me nu al niet duidelijk meer

uitdruk. Zoo pas nog dacht ik, dat roodharige honden mij achterna

zaten en jij stond ook te loeren, zooals men op jacht een korhaan

afwacht. Ik voel me net dronken. Kun je me nog begrijpen?

--Zeker, jongen, je spreekt heel redelijk, zooals altijd.

--Des te beter. Je hebt gezegd, dat je een dokter hebt laten

halen. Daarmee heb je jezelf een genoegen gedaan. Doe mij nu ook een

genoegen en stuur een ijlbode...

--Aan Arkadiej Nikolajewitsj, viel de oude man in de rede.

--Wie is die Arkadiej Nikolajewitsj? vroeg Bazarof, als in een

oogenblik van niet-meer-weten...--o ja, die sijs! Neen, laat die maar

loopen, die is nu een raaf geworden. Zet maar geen groote oogen op. Dit

is nog geen dilirium. Stuur een ijlbode naar Anna Sergejevna Odintsof,

een dame hier in de buurt, (Wassili gaf met het hoofd een teeken dat

hij haar kende). Doe haar weten: Eugenij Bazarof laat haar groeten

en deelt u mede, dat hij stervende is. Begrijp je mij?

--Het zal gebeuren, maar hoe kun je nu sterven? Jevgenij, jongen,

oordeel zelf. Er is toch nog gerechtigheid in de wereld!

--Ik begrijp je niet. Maar stuur hem nu weg.

--Dadelijk en ik zal hem een brief meegeven.

--Nee, dat hoeft niet. Laat haar maar groeten, dat is genoeg. En nu ga

ik weer naar mijn roode honden. Vreemd, ik wilde aan den dood denken,

maar dat gaat niet. Ik zie een soort nevelvlek, anders niets.

Hij keerde zich weer moeilijk om en Wassili Ivanovitsj verliet de

kamer. In het vertrek bij zijn vrouw, viel hij voor de Heiligenbeelden

neer.

--Laat ons bidden, Arina, laat ons God bidden, snikte hij.--onze

zoon sterft!

De distriktsgeneesheer, dezelfde, die geen lapis had, kwam en ried

aan, een afwachtende houding aan te nemen. En dan sprak hij nog een

paar frazes, die hoop op herstel moesten wekken.

--U hebt dus menschen gezien in mijn toestand en die niet naar de

Elyzeesche velden zijn vertrokken? vroeg Bazarof en stootte met zijn

voet tegen een zware tafel bij het bed, zoodat deze wankelde.

--Ik heb nog mijn volle kracht, zei hij, mijn volle kracht, en toch

moet ik sterven. Een grijsaard heeft tenminste tijd gehad om het

leven af te wennen. Maar ik... ontkennen; ontkennen... Ja, ontken

den dood maar eens. Hij ontkent óns. Daarmee is alles gezegd. Ik hoor

weenen daar ginds... en na een oogenblik:... het is mijn moeder, arme

vrouw, voor wien zal ze nu haar heerlijken borsj klaar maken? En jou,

vader, staat ook het huilen nader dan het lachen. Als je christelijk

geloof je niet helpt, probeer het dan met de filosofie, denk aan de

Stoïcijnen. Beweerde je niet filosoof te zijn?

--Ik filosoof? riep Wassili Ivanowitsj en de tranen stroomden hem

over zijn wangen.

Bazarofs toestand werd ieder uur erger. De ziekte greep razend snel om

zich heen, zooals gewoonlijk bij dergelijke bloedvergiftigingen. Hij

had nog zijn volle bewustzijn en begreep alles, wat er gesproken

werd. Hij streed nog,--ik wil niet ijlen, dacht hij,... dat is te

gek... En hij balde de vuisten... tien min acht, dat is ...? Wassili

Ivanowitsj liep als een gek in de kamer heen en weer, bedacht allerlei

middelen en dekte in zijn machteloosheid, telkens en telkens weer de

voeten van den zieke toe.

--Koude omslagen--een braakmiddel--mosterdpleister op de

maag--aderlaten--steunde hij.

De geneesheer, dien hij verzocht had te blijven, stemde in alles toe,

gaf den zieke limonade te drinken en vroeg zelf iets versterkends en

verwarmends, een borrel. Arina Vlassievna zat op een stoeltje bij

de deur en ging daar alleen vandaan om te bidden. Een paar dagen

geleden had ze haar spiegel laten vallen, en die was gebroken. En

dat beschouwde ze als een slecht voorteeken. Zelfs Anfisoesjka kon

haar geen troostwoord geven.

Timofeitsj was naar mevrouw Odintsof gegaan.

De nacht was slecht. De koorts gloeide door zijn lichaam en verteerde

het. Met het aanbreken van den dag kwam wat ontspanning. Hij vroeg

Arina Vlassievna, zijn haar te kammen, kuste haar de hand en slikte

twee lepels thee. Wassili Ivanowitsj kreeg weer wat hoop.

--Goddank, zei hij herhaaldelijk.--De crisis is voorbij. Dat was

de crisis...

--Zoo zie je de kracht van een woord, zei Bazarof,--het woord crisis

komt hem in den zin en dat kalmeert hem. Vreemd, de invloed, dien de

woorden hebben op de menschen... Zeg iemand, dat hij een idioot is,

je hoeft hem niet te slaan, en hij is onder den indruk. Wensch hem

geluk met zijn intellect, je hoeft hem geen geld te geven, en hij

voelt zich gelukkig...

En Wassili Ivanowitsj herinnerde zich gesprekken uit gezonder dagen

en verrukt riep hij:

--Bravo! Dat is goed gezegd. Bravo!

En hij deed, of hij in zijn handen klapte.

Bazarof glimlachte moe.

--Wat denk je eigenlijk? vroeg hij zijn vader, is de crisis voorbij

of moet ze nog komen?

--Het gaat beter, dat zie ik en dat verheugt me, antwoordde hij.

--Gelukkig. Het is goed, als men zich verheugt. Maar is er een

boodschap daar heen? je weet wel...

--Ja, zeker.

De rustige oogenblikken duurden niet lang. De aanvallen kwamen

weer. Wassilli Ivanowitsj week niet van het ziekbed. Een vreeselijke

angst scheen hem te kwellen. Hij probeerde telkens te spreken.

--Jevgenij! riep hij eindelijk,--mijn lieve, goede zoon!

Deze onverwachte uitroep maakte indruk op Bazarof. Hij bewoog het

hoofd even en trachtte blijkbaar den last, die zijn geest drukte,

af te wentelen, hij zei:

--Wat, vader?

--Jevgenij, ging Wassili Ivanowitsj voort en liet zich op de knieën

vallen bij het bed. Maar Bazarof zag het niet, want hij had de oogen

gesloten.--Jevgenij, je voelt je beter en zult met Gods hulp geheel

herstellen. Maar maak van dit oogenblik gebruik en doe wat je moeder

en mij zoo een rust zou geven. Je plicht als Christen. Het valt me

zwaar, je dat te vragen. Maar het zou nog erger zijn... het gaat om

de eeuwigheid, Jevgenij, bedenk dat wel...

Hij kon niet meer spreken en een vreemd trekken gleed over het gezicht

van den zoon, langzaam en zonderling. Zijn oogen bleven gesloten.

--Als het jullie rust kan geven, heb ik er niets tegen; zei hij

eindelijk.--Maar dat heeft toch geen haast. Je zei daar toch, dat

het beter met me ging.

--Beter, zeker, maar wie kan alles weten. Alles hangt af van Gods

wil. En een plicht nakomen...

--Ik wil nog wachten, zei Bazarof,--je zegt zelf, dat de crisis

begonnen is. En als we ons vergissen, wat hindert dat? Een zieke

krijgt zijn absolutie, ook als hij bewusteloos is...

--Om 's hemels wil, Eugenij...

--Ik wil nog wachten. Ik wil eerst slapen. Laat me... En hij legde

het hoofd weer op het kussen.

De oude man stond op, ging in zijn leunstoel zitten, stutte het hoofd

met de hand en beet zijn nagels stuk...

Het geluid, dat een rijtuig op veeren maakt, dat geluid, dat in de

stilte van het land zoo duidelijk te onderscheiden is, bereikte het

gehoor van den ouden man. Het rollen der lichte wielen, het snuiven

der paarden en het getrappel der hoeven was duidelijk waar te nemen.

Wassili Ivanowitsj sprong op en haastte zich naar het venster. Een

reiswagen met vier paarden bespannen, reed zijn erf op. Zonder zich

af te vragen, wat dat beteekende en onwillekeurig doortinteld met

een blij gevoel, liep hij naar de deur.

Een palfrenier sloeg het portier open en een gesluierde vrouw in

zwarten mantel steeg uit.

--Ik ben mevrouw Odintsof, zei ze,--leeft Eugenij Wassiljewitsj nog? U

bent zijn vader? Ik heb een geneesheer meegebracht.

--Gods zegen over u! riep Wassili Ivanowitsj, nam haar hand en drukte

die krampachtig aan zijn lippen, terwijl de geneesheer, van wien

mevrouw Odintsof gesproken had, een kleine man met een bril en een

Duitsch gezicht, langzaam den reiswagen verliet.

--Hij leeft nog, mijn Jenoesja, en nu zal hij gered

worden. Vrouw! Vrouw! Een engel uit den hemel is neergedaald.

--Wat is er? God! stotterde Arina Vlassievna, die uit de woonkamer

kwam en in het voorvertrek Anna Sergejevna te voet viel en den zoom

van haar rok begon te kussen.

--Wat doet u? Wat doet u? vroeg mevrouw Odintsof. Maar Arina Vlassievna

hoorde niet en Wassili Ivanowitsj herhaalde maar: Een engel! Een

engel is gekomen!

--Wo is der Kranke? vroeg de geneesheer blijkbaar ongeduldig.

Die woorden gaven Wassili Ivanowitsj zijn tegenwoordigheid van

geest terug.

--Hier, hier. Wilt u mij maar volgen, waarde collega! voegde hij er

in het Duitsch bij en dacht aan zijn vroeger ambt.

--Ah! zei de ander met een wrang lachje.

Wassili Ivanowitsj bracht hem in zijn studeerkamer.

--Hier is een dokter, door Anna Sergejevna Odintsof gezonden, zei hij,

aan het oor van zijn zoon,--en zij zelf is ook hier.

Bazarof sloeg dadelijk de oogen op.

--Wat zeg je?

--Ik zeg, dat Anna Sergejevna Odintsof hier is en dezen geleerden

dokter heeft meegebracht.

Bazarof zocht met zijn oogen door de kamer.

--Is ze hier? Ik wil haar zien...

--Je zult haar zien, Jevgenij, maar we moeten eerst met den dokter

spreken. Ik zal hem het ziekteverloop vertellen, want Sidor Sidoritsj

(de distriktsgeneesheer) is weggegaan. Dan kunnen we consult houden.

Bazarof keek den Duitscher aan.

--Goed, maar dan zoo gauw mogelijk. Maar praat geen latijn. Want ik

weet, wat dat beteekent: jam moritur.

--Mijnheer schijnt Duitsch te kennen, zei de vreemde geneesheer

wederom in het Duitsch.

--Ikke... aber... spreekt u maar liever Russisch, dat gaat toch beter,

antwoordde Wassili Ivanowitsj.

--Aha... goed.

En het consult begon.

Een kwartier later kwam Anna Sergejevna met Wassili Ivanowitsj

binnen. De dokter had gelegenheid gevonden, haar toe te fluisteren,

dat de toestand hopeloos was.

Ze keek naar Bazarof en bleef in de deuropening staan, ontsteld door

dat rood-opgezwollen gezicht en die vreemd-zoekende oogen. Een ijzige

kilheid, een beklemmende angst greep haar aan. En de zekerheid, dat

ze iets geheel anders gevoeld zou hebben, als ze van hem gehouden had,

maakte haar machteloos--beschaamd bijna.

--Dank u, zei hij opgewonden,--ik had het niet gedacht. Dat is goed. We

zien elkaar dus nog eens, zooals u gezegd hebt.

--Anna Sergejevna heeft de goedheid gehad...

--Vader, laat ons alleen... Anna Sergejevna, u vindt het goed? Ik

geloof, dat het nu...

Ze knikte en scheen daarmee te willen zeggen, dat ze niets meer te

vreezen had van een stervende.

Wassili Ivanowitsj ging heen.

--Ik dank u, herhaalde Bazarof, dat is een vorstelijke daad. Komen

koningen zoo niet aan het leger van stervenden?

--Eugenij Wassiljewitsj, ik hoop...

--Neen, Anna Sergejevna, laten we oprecht zijn. Voor mij is alles

gedaan. Ik ben onder het groote Wiel gekomen. Ziet u wel, dat ik gelijk

had, toen ik van de toekomst niets wilde weten? Sterven is een oude

geschiedenis, en blijft toch altijd nieuw voor iedereen. Tot op het

oogenblik voel ik geen angst, dan zal ik het bewustzijn verliezen en

fff... (hierbij bewoog hij even de hand). Maar wat wilde ik u nog

zeggen? Dat ik u heb liefgehad? Dat had vroeger geen zin en nu nog

veel minder. De liefde is een gevormdheid en mijn eigen vorm is zijn

vervluchtiging nabij. Ik wil u liever zeggen, dat u mooi bent... ja,

zooals ik u hier voor me zie...

Anna Sergejevna beefde onwillekeurig.

--Het is niets, maak u niet ongerust... gaat u daar zitten, nee,

niet dichterbij. Mijn ziekte is besmettelijk.

Anna Sergejevna kwam naar hem toe, snel, door de kamer, en ging zitten

in den leunstoel bij het bed.

--Die adel, fluisterde Bazarof,--wat is ze nu dichtbij, zoo jong,

zoo sterk, zoo rein in dit smerige hok... vaarwel, leeft u lang,

heel lang, iets beters kan men niet doen en geniet het leven, zoolang

het nog niet te laat is. Ziet u die afschuwelijke vertooning, een

half platgetrapte worm, die nog kronkelt. Ik had gehoopt nog veel te

kunnen doen... Sterven? Ik?... Bah!... Ik heb een opdracht... ik ben

een reus. En de heele opdracht van dien reus is nu alleen nog maar,

behoorlijk te sterven, al kan dat niemand wat schelen... Wat doet

het ertoe?... maar ik wil in een hoek kruipen als een hond.

Hij zweeg en tastte met de hand naar zijn glas. Anna Sergejevna hielp

hem drinken, ze had handschoenen aan en hield den adem in.

--U zult me vergeten, ging hij voort, de dooden zijn niets voor de

levenden. Mijn vader zal u vertellen, dat Rusland een man verliest,

die groote waarde had voor het land... Dat is opsnijderij, maar laat

den ouden man zijn illusie... U weet... Voor een kind...

Tracht u hem en mijn moeder te troosten. In uw wereld

zult u zulke menschen niet aantreffen, al zocht u ze met een

lantarentje... ik... noodig voor Rusland!... Och nee, zeker niet. Maar

wie is dan wel noodig? Een schoenmaker, een kleermaker, een slager,

die verkoopt vleesch... een slager... stil... ik raaskal... dit is

een plank...

Hij legde de hand op zijn voorhoofd.

Mevrouw Odintsof boog over hem heen.

--Eugenij Wassiljewitsj, ik ben er nog...

Hij nam zijn hand weg en richtte zich plotseling op.

--Vaarwel! zei hij hardop, en zijn oogen glansden voor de laatste

maal.--Vaarwel... luister... ik heb je toen niet gekust... blaas de

stervende lamp uit, uit...

Mevrouw Odintsof drukte haar lippen op het voorhoofd van den stervende.

--Ja... goed... fluisterde hij en zijn hoofd viel terug... nu de

duisternis...

Mevrouw Odintsof verliet geruischloos de kamer.

--En?... vroeg Wassili Ivanowitsj zacht.

--Hij is ingeslapen, antwoordde ze nog zachter.

Bazarof ontwaakte niet meer. Tegen den avond verloor hij het

bewustzijn en des morgens stierf hij. Vader Alexis schonk hem den

laatsten troost. Maar toen de gewijde olie op zijn borst drupte,

ging éen zijner oogen even open, en het was, of bij het zien van

dien priester in zijn ornaat, het rookende wierookvat en de brandende

kaarsen een rillende ontzetting voer over het misvormde gezicht... dit

duurde maar een oogenblik. Toen hij den laatsten snik gegeven had en

het huis in weeklachten jammerde, greep een plotselinge waanzin den

ouden vader aan.

--Ik heb gezworen, in opstand te komen! schreeuwde hij met schorre

stem. Zijn gezicht stond vertrokken en wild-gloeiend en met gebalde

vuisten, als dreigend, liep hij rond:

--Ik heb gezworen! En ik zal in opstand komen! Ik zal in opstand...

Maar Arina Vlassievna, enkel tranen, viel hem om den hals en

beiden lagen voorover op den grond, "als twee lammeren" zooals

Anfisoesjka later vertelde, als twee lammeren, bevangen door de

hitte... tegelijkertijd en zij aan zij vielen ze neer.

Maar de warmte van den dag vergaat, de avond komt, en dan de nacht,

de nacht, die alle zwaarbeproefden en zielsvermoeiden een stille

rustplaats biedt...

Vaders en Zonen · 第 34 / 38 题