XXVII.

Zes maanden waren voorbijgegaan en het was winter geworden, een harde

winter met het wreede zwijgen van zijn vriesnachten, het wilde jagen

van zijn sneeuwbuien.

De takken der boomen glinsteren van rozig rijp, kolommen dikke rook

stijgen uit de schoorsteenen naar den bleeken hemel, stroomen warme

lucht vluchten uit de warme deuren, wanneer die opengaan, de roode

gezichten der voorbijgangers schijnen van steen en de van kou rillende

paarden draven met verdubbelde snelheid.

Een Januaridag was verstorven. De avondkou verdichtte de stille

lucht nog meer en de bloedroode schemering was haastig heengegaan. De

vensters van het heerenhuis te Marjino werden het een na het ander

verlicht. Prokofitsj dekte met bizondere plechtigheid voor vijf

personen in de eetzaal. Hij was in rok en witte handschoenen.

Een week te voren waren er twee huwelijken ingezegend in de kleine

kerk van het kerspel. In alle stilte en nagenoeg zonder getuigen.

Arkadiej was met Katja en Nikolaas met Fenitsjka verbonden en nu

gaf Nikolaas zijn broeder, die voor zaken naar Moscou ging een

afscheidsmaal.

Anna Sergejevna was ook naar Moscou vertrokken, nadat ze den

jong-gehuwden rijke geschenken had gegeven.

Het was het derde uur van den middag toen men aan tafel ging. Mitja

bevond zich ook onder de gasten. Er was voor hem al een goevernante

met een kokosjnik van goud-doorstikte zijde.

Paul Petrowitsj zat tusschen Katja en Fenitsjka. De echtgenooten

zaten naast hun vrouwen.

Onze oude vrienden waren wel wat veranderd in den laatsten tijd. Zij

waren mooier, of tenminste flinker geworden. Alleen Paul Petrowitsj

zag er magerder uit, maar dit verhoogde den adel van zijn wezen.

Ook Fenitsjka was niet meer dezelfde.

In zwart-zijden kleed, een breed fluweelen lint in de haren, een

gouden ketting om den hals, zat ze daar onbewegelijk, eerbiedwaardig,

indrukwekkend, niet alleen voor zich zelf, maar tegenover al de

anderen en ze glimlachte alsof ze zeggen wilde:

--Neemt u me niet kwalijk, maar ik heb geen schuld...

Ook de anderen hadden trouwens dien eigenaardigen glimlach om de

lippen, die als om verontschuldiging vraagt. Zij gevoelden zich allen

wat gedrukt, wat droevig en zeer gelukkig. Ieder was buitengewoon

vriendelijk voor zijn buurman, het was, of men afgesproken had,

een goedmoedige comedie van wederzijdsche welwillendheid met elkaar

te spelen. Katja was het stilst en rustigst van allen. Ze gevoelde

zich blijkbaar geheel thuis en Nikolaas scheen al aardig ingenomen

met haar. Hij stond op, het was tegen het einde van den maaltijd,

een glas champagne in de hand en sprak tot Paul Petrowitsj:

--Je gaat ons verlaten, beste broeder. Wij hopen maar voor korten

tijd. Maar ik kan niet nalaten te zeggen, hoe jammer het is, dat

ik,... dat wij... dat wij Russen geen speech kunnen afsteken. Arkadiej,

neem jij het woord voor mij.

--Neen, papa, ik ben in 't geheel niet voorbereid.

--Altijd nog beter dan ik! Nu dan, broeder, laat ik je mogen omarmen,

gewoon weg, en je alles goeds toewenschen. Kom maar zoo gauw mogelijk

weer bij ons terug.

Paul Petrowitsj omhelsde alle dischgenooten, Mitja incluis. Hij kuste

Fenitsjka buitendien nog de hand, die ze hem nog al onhandig gaf. Toen

dronk hij een tweede glas champagne en riep met een diepen zucht:

-- Weest gelukkig vrienden, farewell!

Maar dit Engelsche woord hoorde niemand, want ieder was te zeer

ontroerd.

--Ter nagedachtenis van Bazarof, fluisterde Katja haar man in het

oor en klonk met hem. Maar hij durfde niet op Bazarof te toasten en

drukte haar alleen de hand.

En hiermede is dit verhaal ten einde.

Misschien wenschen sommige lezers te weten hoe het met de verschillende

personen op het oogenblik gaat.

Wij komen gaarne aan dit verlangen tegemoet.

Anna Sergejevna is onlangs getrouwd. Zooals te verwachten was,

een mariage de raison. Haar echtgenoot is een voortreffelijk

rechtsgeleerde, een practisch man, met een krachtigen wil en groot

redenaarstalent. Overigens tamelijk jong, onbesproken, maar ijzig

koele natuur. Hij schijnt voorbestemd een groote rol in de politiek

der volgende jaren te spelen.

Het is een voorbeeldig huwelijk en waarschijnlijk zullen zij het tot

huiselijk geluk en misschien tot liefde brengen.

Vorstin K. is overleden en vergeten sedert den dag van haar heengaan.

Vader en zoon Kirsanof wonen op Marjino. De zaken beginnen beter te

loopen. Arkadiej is een flink landbouwkundige geworden en het landgoed

brengt aanzienlijke rente op.

Nikolaas Petrowitsj werd tot vrederechter gekozen en komt zijn

ambtelijke plichten met de grootste nauwgezetheid na. Hij bereist

onophoudelijk zijn distrikt, en houdt lange redevoeringen. Want hij

is van oordeel, dat men de boeren moet onderrichten en herhaalt nu

dezelfde kwesties uit den treure. Intusschen gelukt het hem noch de

verlichte heeren edellieden, die over de "(é)mancipation" zwaarwichtig

of zwaarmoedig redeneeren, noch de onontwikkelde heeren, die deze

"mancipation" hartgrondig verwenschen, volkomen tevreden te stellen.

Dezen zoowel als genen vinden hem te "slap".

Katharina Sergejevna heeft een zoon en Mitja is al een aardig kereltje,

dat loopen en praten kan.

Fenitsjka, nu Fedosia Nikolajevna, houdt, behalve van echtgenoot en

kind, van niemand zooveel als van haar schoondochter. Als Katja piano

speelt, wijkt ze niet van haar zijde.

Ook Peter mogen we niet vergeten. Hij is verdwaasd en in het gevoel

van zijn gewichtigheid opgeblazener dan ooit. Toch heeft hij een vrij

voordeelig huwelijk gesloten. Met de dochter van een tuinbaas uit de

stad, die hem de voorkeur had gegeven boven twee andere mededingers,

omdat die geen horloge hadden en hij niet alleen een horloge, maar

zelfs lakschoenen bezat!

Op het Brühlterras te Dresden kan men des middags tusschen twee en

vier uur, den fashionable wandeltijd, een vijftiger zien wandelen,

geheel grijs, en die jichtig schijnt, maar nog knap en elegant, en

met dat bizondere cachet, dat onmiddellijk den man van de wereld

verraadt. Deze wandelaar is niemand anders als Paul Petrowitsj

Kirsanof. Hij heeft Moscou om gezondheidsredenen verlaten en zich

in Dresden gevestigd, waar hij hoofdzakelijk omgaat met Engelsche

en Russische vreemdelingen. Tegenover de Engelschen gedraagt hij

zich bescheiden, maar altijd waardig. Zij vinden hem min of meer

vervelend, maar zeggen, dat hij een perfect gentleman is. In den

omgang met de Russen gevoelt hij zich meer behagelijk, laat zijn

galgenhumor den vrijen teugel, bespot zich zelf en spaart de anderen

evenmin. Maar er is in zijn houding een prettig aandoend zich laten

gaan en hij komt nooit in botsing met den goeden toon en de waardige

levenshouding. Hij is het buitendien eens met de opvattingen der

slavophielen en zooals men weet wordt deze opvatting in de Russische

beau monde zeer gedistingeerd gevonden. Hij leest geen Russische

boeken, maar op zijn schrijftafel staat een zilveren "lapot" [18] als

aschbak. Russische reizigers bezoeken hem dikwijls. Zoo ook Mathias

Ilitsj Koliazin, die tegenwoordig in de oppositie is, en hem zijn

opwachting kwam maken op een reis door de Boheemsche badplaatsen. De

inwoners van Dresden, met wie hij overigens niet omgaat, schijnen

een soort vereering voor hem te koesteren.

Niemand kan zoo gemakkelijk als "Baron van Kirsanof" een introductie

krijgen voor de hofkapel, een schouwburgloge of dergelijke. Hij doet

zooveel goed, als hij kan en altijd min of meer zichtbaar. Toch is

het leven hem een last, meer dan hijzelf eigenlijk beseft. Zie bij

voorbeeld, hoe hij in de Russische kerk, tegen een muur geleund staan

kan, een trek van bitterheid om de vastgesloten lippen onbewegelijk,

droomend, en dan opeens het hoofd schudt en bijna onmerkbaar een

kruis slaat.

Mevrouw Koeksjin heeft ook het dorpsleven vaarwel gezegd. Zij

woont in Heidelberg en studeert niet langer natuurwetenschappen,

maar architectuur en heeft, zooals zij zelf beweert, nieuwe wetten

ontdekt. Zooals vroeger gaat zij met de studenten om en vooral met

jonge Russische chemici en physici, waarvan er zoo veel zijn in

Heidelberg, en die eerst de naïeve Duitsche professoren versteld

doen staan over hun juist oordeel, maar weldra door hun verregaande

luiheid en leegloopen die heeren nog meer verbazen.

Met twee zulke chemici, die het onderscheid tusschen zuurstof en

stikstof niet kennen, maar alles critiseeren en zeer ingenomen met

zich zelf zijn, maakt Sitnikof Petersburg onveilig en zet zoogenaamd

het "werk" van Bazarof voort in compagnieschap met "den grooten"

Jelisewitsj, en is overtuigd, weldra eveneens een groot man te

zullen zijn.

Men zegt, dat hij onlangs een pak slaag heeft opgeloopen, maar niet

zonder zich te wreken. In een obscuur blaadje heeft hij in een anoniem

artikel te verstaan gegeven, dat zijn vijand een lammeling was. Zelf

noemt hij dat ironie. Zijn vader bemoeit zich niet met hem, en zijn

vrouw noemt hem een domkop en een "letterkundige".

In een afgelegen hoekje van Rusland ligt een klein kerkhof. Zooals

al onze kerkhoven, treurig om te zien. De greppels erom heen zijn

sedert lang met onkruid begroeid en onzichtbaar. De houten kruisen

zijn voor den tand des tijds bezweken en liggen omvergewaaid,

vergeten. Enkele houden zich nog staande, maar schijnen gebukt te

gaan onder het bemost-groene afdakje, dat ze beschermen moest. De

grafsteenen zijn van hun plaatsen geschoven, alsof iemand ze van

onderen had weggeduwd. Enkele, bijna bladerlooze boomen geven geen

schaduw. Schapen weiden tusschen de zerken. Maar één graf is er,

dat door mensch en dier gespaard schijnt. Alleen de vogels komen en

zingen er iederen morgen, als de dag aanbreekt. Het is omgeven door

een ijzeren hek en twee jonge dennen staan aan de uiteinden.

Dit is het graf van Jevgenij Bazarof.

Twee oude menschen, een man en een vrouw, gebogen onder den last der

jaren, komen er dikwijls van uit een dorpje in de omgeving. De een

op de ander steunend komen ze langzaam naar het hekje, knielen neer

en weenen lang en bitter, de oogen op den stommen steen gericht. Ze

spreken een paar woorden, vegen het stof en zand van den steen,

leggen er een dennetak op neer, en beginnen weer te bidden en kunnen

er niet toe komen, deze plaats te verlaten, waar ze dichter bij hun

kind denken te zijn.

Kunnen hun tranen, hun gebeden vruchteloos zijn?

Is het mogelijk, dat reine, opofferende liefde niet alvermogend is?

O... neen... neen....

Hoe hartstochtelijk, hoe opstandig een hart ook is geweest, dat nu

rust in een graf, de bloemen, die er bloeien, zien ons liefdevol met

haar onschuldige oogen aan. Ze vertellen ons van de eeuwige rust,

van de rust der in zichzelve harmonische natuur. Ze vertellen ook

van een verzoening en van een leven, dat zonder einde is...

Vaders en Zonen · 第 35 / 38 题