XXV.

De overleden echtgenoot van mevrouw Odintsof was geen vriend van

nieuwigheden geweest, echter altijd bereid gevolg te geven aan de

"wijze ingevingen van een gelouterden smaak" en daarom had hij in

den tuin tusschen de oranjerie en den vijver een soort grieksche

zuilengalerij van russischen steen laten zetten. De achtermuur van

dit bouwwerk had zes nissen voor standbeelden, die de heer Odintsof

uit het buitenland wilde laten komen. Die standbeelden, zouden de

Eenzaamheid, het Zwijgen, het Peinzen, de Zwaarmoedigheid, de Schaamte

en de Fijngevoeligheid verbeelden. Eén, de Godin van het Zwijgen, een

vinger op de lippen, was aangekomen en opgesteld. Maar den eersten dag

al gooiden jongens haar de neus af en ofschoon een huisschilder op zich

durfde nemen, haar een "tweemaal zoo mooie neus" terug te geven, had de

heer Odintsof het beeld laten wegnemen. Het stond in den hoek van een

dorschvloer tot groote en voortdurende ontsteltenis van bijgeloovige

boerinnen. Sedert jaren was dicht struikgewas aan de voorzijde der

galerij opgeschoten. Alleen de kapiteelen der zuilen staken daar

boven uit. Het was er altijd koel, zelfs op het heetst van den dag.

Anna Sergejevna hield niet van de galerij, sedert ze er eens een

adder had aangetroffen. Katja kwam er dikwijls zitten op de groote

steenen bank in éen der nissen. In de koele, donkere stilte las of

werkte ze of gaf zich over aan het teedere gevoel, dat de geluidlooze

eenzaamheid in ons wekt, een gevoel, dat ieder kent, omdat het een

vreemde en diepe bekoring heeft, te luisteren naar het machtige

levensgolven om ons heen en binnen ons, altijd door...

De morgen, na Bazarofs komst, zat Katja op haar lievelingsplekje en

Arkadiej weer naast haar. Ze had er in toegestemd met hem naar de

zuilengalerij te gaan.

Het was nog een uur vóor het ontbijt, de koelheid van den morgen was

nog niet verjaagd door de heete middagzon.

Arkadiej's gezicht had dezelfde uitdrukking als den vorigen dag. Katja

scheen onzeker. Haar zuster had haar na de thee apart geroepen en

haar na eenige liefkoozingen, die haar altijd een beetje ongerust

maakten, aangeraden, wat voorzichtiger te zijn in haar houding

tegenover Arkadiej en vooral niet te veel met hem alleen te blijven,

want die veelvuldige gesprekken begonnen tante en de bedienden op te

vallen. Buitendien was Anna Sergejevna niet in haar humeur geweest

en Katja had een gevoel, of ze zich iets te verwijten had. Ze had

dan ook besloten, dat dit de laatste samenkomst zou zijn.

--Katharina Sergejevna, zei Arkadiej opeens met een niet te beschrijven

vermenging van durf en onzekerheid; sedert ik het geluk heb, onder

één dak met u te wonen, hebben we al over allerlei dingen gesproken,

maar één kwestie toch onaangeroerd gelaten. Een kwestie, die voor mij

van groot gewicht is. U hebt gisteren gehoord, dat ik veranderd ben

(den vragenden blik van Katja zocht en ontweek hij tegelijkertijd). Ik

ben ook werkelijk veranderd in allerlei opzichten en u weet beter,

dan iemand anders, aan wie ik vooral die verandering te danken heb.

--Ik... U... antwoordde ze.

--Ik ben niet meer die bescheiden jongen, die ik was, toen ik hier

kwam. Ik heb niet voor niets mijn drie en twintigste jaar achter me. Ik

hoop nog altijd, iets nuttigs te doen voor de maatschappij en al mijn

kracht te wijden aan de... aan de overwinning van de waarheid. Maar

ik zoek mijn ideaal niet meer, waar ik het vroeger zocht. Het ligt

geloof ik veel dichter bij. Vroeger begreep ik mijzelf niet, ik hield

me bezig met problemen, die boven mijn kracht lagen. Eindelijk zijn

me de oogen opengegaan. Door mijn gevoel... ik druk me misschien niet

duidelijk uit, maar ik hoop, dat u mij begrijpt.

Katja antwoordde niet en keek Arkadiej niet meer aan.

--Ik geloof, dat het de plicht is van een eerlijk man, ging hij

opgewonden voort--en boven zijn hoofd in de takken van een berkeboom

zong een vink zijn zorgeloos lied,--open en vrijmoedig te zijn

tegenover hen, die... die hem dierbaar zijn... en daarom ben ik

besloten...

Nu liet zijn welsprekendheid hem in den steek. Hij struikelde over

zijn zinnen, verloor zijn gedachtegang en moest ophouden. Katja bleef

zitten en keek naar den grond. Ze begreep niet, waar hij heen wilde

en toch scheen ze iets te verwachten.

--Ik zie wel, dat ik u zal verrassen, ging hij voort, toen

hij zijn gedachten weer geordend had.--Vooral, omdat dat gevoel

eenigszins,... wel te verstaan... betrekking heeft... op u. Ik meen

me te herinneren, dat u mij gisteren gebrek aan ernst verweten hebt...

Hij sprak met het gezicht van een man, die in een moeras geraakt,

voelt dat hij met iedere beweging dieper wegzakt en toch maar vooruit

gaat in de hoop, er weldra doorheen te zijn.

--Dit verwijt treft jonge menschen dikwijls, zelfs dan, wanneer ze

het niet verdienen... en indien ik meer zelfvertrouwen had...

Help me dan toch, help me toch, dacht Arkadiej in zijn wanhoop. Maar

Katja bleef roerloos zitten.

--En als ik mocht hopen...

--Als ik uw woorden gelooven kan, hoorden zij mevrouw Odintsof

plotseling zeggen met kalme, heldere stem.

Arkadiej zweeg plotseling en Katja werd bleek.

Een smal laantje voerde vlak langs de zuilengalerij door het

kreupelhout heen. Mevrouw Odintsof had dit ingeslagen met Bazarof. Ze

was onzichtbaar voor Katja en Arkadiej. Des te duidelijker echter

hoorden ze haar stem en zelfs haar adem. De wandelaars deden nog eenige

stappen en bleven toen, als met opzet, vlak voor de galerij staan.

--Ziet u, ging mevrouw Odintsof voort,--wij hebben ons vergist

allebei... Wij zijn niet meer in onze eerste jeugd, ik het

minst. Wij hebben geleefd. We zijn moe, we zijn, waarom zal ik het

niet zeggen, allebei ervaren, we hebben elkaar belang ingeboezemd,

onze nieuwsgierigheid werd geprikkeld, en toen...

--Toen ben ik een ezel geweest, viel Bazarof in de rede.

--U weet, dat dat niet de oorzaak was van onze breuk. Dit staat vast,

dat we elkaar niet noodig hadden. Wij hadden te veel, hoe zal ik

zeggen, te veel punten van overeenkomst. We zijn geestelijk te nauw

verwant. Dat zagen we niet dadelijk in. Terwijl Arkadiej...

--Hem had u wel noodig? vroeg Bazarof.

--Stil, Jevgenij Wassiljewitsj. U beweert, dat ik hem niet

onverschillig was en ik dacht ook inderdaad, dat hij voor mij

voelde. Ik weet, dat ik zijn tante kan zijn, maar ik wil bekennen,

dat ik sedert eenigen tijd nog al eens aan hem denk. Zijn jeugd en

zijn natuurlijkheid hebben een zekere aantrekkelijkheid voor mij.

--Een zekere tooverkracht. Dat is het woord, dat men in zulke gevallen

gebruikt, antwoordde Bazarof met rustige, doffe stem, waarin even

opkomende wrevel trilde.--Gisteren deed hij nog, of hij van niets

wist. Hij sprak noch van u, noch van uw zuster. Dat is een ernstig

symptoom.

--Hij is als een broer met Katja, zei mevrouw Odintsof,--en dat vind

ik prettig, al moest ik dergelijke vertrouwelijkheid niet zoo maar

goed vinden.

--Is het de zuster, die op het oogenblik in u spreekt? vroeg Bazarof

langzaam.

--Zeker wel, maar waarom blijven we staan? Laten we doorloopen. Wat

een merkwaardig gesprek voeren we daar. Ik had nooit gedacht, dat ik

u zoo iets zou kunnen zeggen. U weet, dat ik een groot vertrouwen in

u heb, al ben ik ook een beetje bang voor u, want ik ben overtuigd,

dat u eigenlijk een goed mensch bent.

--In de eerste plaats ben ik heelemaal niet goed, in de tweede plaats

ben ik niets meer voor u, en toch zegt u, dat ik goed ben. Dat is

als een krans van bloemen om het hoofd van een doode.

--Jevgenij Wassiljewitsj, we zijn niet... antwoordde ze.

Op dit oogenblik werden de woorden door een windvlaag verstrooid.

--Maar u bent toch vrij? klonk even daarop de stem van Bazarof. Meer

was er niet te verstaan van hun gesprek. Hun stappen verloren zich

meer en meer en het werd weer stil.

Arkadiej keek naar Katja, ze zat nog in dezelfde houding. Alleen het

hoofd was nog wat meer voorover gebogen.

--Katharina Sergejevna, zei hij met trillende stem en gevouwen

handen,--ik heb je lief hartstochtelijk, zooals ik het leven lief

heb. En niemand anders op aarde heb ik lief. Jou alleen. Dat wilde ik

je bekennen, en als het antwoord gunstig zou zijn, wilde ik vragen,

of je mijn vrouw... Ik ben niet rijk en tot elk offer bereid... U

antwoordt niet? Gelooft u me niet? Denkt u, dat ik zoo maar wat

zeg? Maar herinner je toch deze laatste dagen. Kun je denken, dat

iets van dat alles, het minste, spoorloos verdwijnen kan? Kijk me

toch aan... zeg één woord, één woord... ik heb je lief... ik heb je

lief... geloof me toch.

Katja keek hem ernstig en klaar in de oogen, bezon zich lang en zei

toen met heel-vagen glimlach:

--Ja.

Arkadiej sprong op.

--Ja. Je hebt ja gezegd, Katharina Sergejevna. Wat beteekent dat

woord? Beteekent dat, dat je gelooft aan de oprechtheid van mijn

woorden of... of... ik kan het niet uitspreken...

--Ja! antwoordde ze.

En ditmaal begreep hij haar.

Hij nam haar groote, mooie handen en drukte ze aan zijn borst, wist

niet meer van vreugde, dronken, stamelde hij maar:

--Katja, Katja...

Zij begon te schreien en lachte onder haar tranen door.

Wie die tranen in de oogen van een geliefde vrouw niet heeft gezien,

begrijpt niet, hoe zalig het van dankbaarheid en liefde verlangen

dronken mannenhart kan zijn.

Den volgenden morgen liet mevrouw Odintsof Bazarof roepen en toonde

hem met gedwongen glimlach een brief. Het was de brief, waarin Arkadiej

om de hand van Katharina vroeg.

Bazarof las haastig en moest een opwelling van leedvermaak met moeite

onderdrukken.

--Prachtig! zei hij.--U beweerde gisteren immers, dat hij broederlijke

genegenheid voor haar koesterde! Wat denkt u te antwoorden?

--Wat raadt u mij? vroeg mevrouw Odintsof en bleef glimlachen.

--Ik vind, antwoordde hij, ook lachend en met minder moeite dan

zij,--dat u uw zegen moet geven. Het is een goede partij. Het vermogen

van de Kirsanofs is vrij belangrijk. Arkadiej is eenige zoon en de

vader een braaf man, die geen moeilijkheden in den weg zal leggen.

Mevrouw Odintsof liep op en neer. Ze werd afwisselend rood en bleek.

--Vindt u? Ook ik zie geen moeilijkheden. Het doet me genoegen voor

Katja en Arkadiej Nikolajewitsj. Ik zal natuurlijk eerst de toestemming

van zijn vader, afwachten. Die mag hij zelf gaan halen. Maar dit

alles bewijst, dat ik gelijk had, toen ik gisteren zei, dat wij

oud worden, u en ik... En dat ik zoo volstrekt niets heb gemerkt,

ik moest me schamen!

Mevrouw Odintsof begon te lachen en keerde zich af.

--De hedendaagsche jeugd is bizonder slim, zei Bazarof.

--Vaarwel, vervolgde hij na een oogenblik zwijgen.--Ik hoop, dat u

de geheele zaak tot een bevredigend einde zult weten te leiden en

zal mij daarover verheugen... uit de verte.

Mevrouw Odintsof keek hem opeens aan.

--Wilt u op reis gaan? Waarom wilt u nu niet blijven? U moet

blijven. Het is zoo aangenaam, met u te praten. 't Is, of men langs

den rand van een afgrond wandelt... Eerst is men bang, maar dan komt

een stoutmoedigheid over ons, die ons zelf verbaast. U moet blijven!

--Ik weet uw uitnoodiging te waardeeren, evenals uw goede meening over

mijn geringe hoedanigheden. Maar ik vind, dat ik al te lang omga met

menschen, die niet tot mijn wereld behooren. Vliegende visschen houden

het wel een tijdlang uit in de lucht, maar dan vallen ze toch weer

in hun element. Veroorloof mij, in mijn eigen element onder te duiken.

Mevrouw Odintsof keek hem aan, een bittere glimlach trok over haar

bleek gezicht... die heeft mij lief gehad... dacht zij en reikte hem op

een wijze van welwillend leedwezen de hand. Maar hij had haar begrepen.

--Neen, zei hij en deed een stap achteruit,--ik ben wel arm, maar

heb toch nog nooit een aalmoes aangenomen. Vaarwel! Het ga u goed.

--Ik weet zeker, dat dit niet de laatste maal zal zijn, antwoordde

ze niet zonder ontroering.

--Er kan zooveel gebeuren in de wereld, zei hij, groette nog eens en

verliet de kamer.

--Je denkt dus een eigen nest te bouwen? vroeg Bazarof zijn vriend,

terwijl hij zijn koffer pakte.--Je hebt gelijk. Dat is een goede

gedachte. Alleen had je niet zoo geheimzinnig moeten zijn. Ik had

verwacht, dat je symphatieën een heel anderen kant uit gingen. Was

je zelf niet een beetje verwonderd?

--Dit had ik in elk geval niet verwacht, toen ik van huis weg ging,

antwoordde Arkadiej,--maar je bent niet oprecht als je zegt: dit is

een goede gedachte. Want ik ken je opvattingen over het huwelijk.

--Och, mijn beste, antwoordde Bazarof,--zoo spreek je nu! Zie je, wat

ik daar doe? Ik heb hier een leege ruimte in mijn koffer. Die stop

ik vol met hooi, zoo goed als ik kan. Dat moet je ook doen met je

levenskoffer. Die moet je ook vol maken, met al wat je in de handen

komt, als er maar geen plekje leeg blijft. Je moet me niet kwalijk

nemen. Maar herinner je je, hoe ik altijd over Katharina Sergejevna

heb gesproken? Er zijn jonge meisjes, die voor wonderwezens gehouden

worden, alleen omdat ze op het goede oogenblik weten te zuchten. Maar

die van jou zal zich op een andere manier doen gelden en wel zoo,

dat jij haar onderdanige dienaar zult zijn, hetgeen dan ook volkomen

in den haak is.

Bazarof sloeg de deksel van den koffer dicht en richtte zich op.

--Nu wil ik je nog eens voor het laatst zeggen, want we scheiden

voor altijd, daarvan moet jij evenzeer overtuigd zijn als ik, je doet

heel verstandig. Ons treurig, armzalig vagebondenleven is niets voor

jou. Daar heb je geen durf en geen hardheid genoeg voor. Maar des te

meer jeugdige moed en jeugdig vuur! En dat is niet voldoende voor het

werk, waaraan wij bezig zijn. En dan komen jullie adellijke heeren

nooit verder dan zekere hooghartige verontwaardiging of edelmoedige

zelfverloochening. En dat heeft niet veel om het lijf. Jullie denken,

groote heeren te zijn, en te staan op de tinnen der menschelijke

volmaaktheid, wanneer jullie je bedienden niet meer slaat. Maar wij

verlangen niets als geslagen te worden en terug te slaan. Het stof,

dat wij opjagen, bezorgt jou een oogontsteking, en ons afval zou jou

maar vuil maken. Je bent nog niet tot onze hoogte opgeklommen. Je

bewondert jezelf en bent gelukkig, als je je iets te verwijten

hebt. Maar wij moeten daar niets van hebben. Wij hebben wat anders

te doen als bewonderen en verwijten. Wij hebben andere mannen noodig

op ons schip. Je bent een beste jongen. Maar toch een heertje, een

liberaal jonkertje en voilà tout, om met je vader te spreken.

--Ga je voor goed weg? antwoordde Arkadiej droevig,--en is dat alles,

wat je me te zeggen hebt?

Bazarof krabde zich achter het oor.

--Ik zou nog wel wat gevoeligs kunnen zeggen, Arkadiej, maar ik

zal het niet doen. Dat zou romantisch zijn, al te zoet. Neem een

goeden raad van mij aan. Trouw zoo gauw mogelijk. Richt je zoo goed

mogelijk in en verwek veel kinderen. Het zullen zeker menschen van

geest worden, omdat ze op het goede oogenblik verschijnen en niet

zooals jij en ik. Maar daar staan de paarden. Vooruit! Ik heb al

afscheid genomen. Kom, nog eens omhelzen?

Arkadiej omhelsde zijn vriend en leermeester en de tranen stroomden

over zijn wangen.

--Dat is de jeugd, zei Bazarof,--Maar ik reken op Katharina Sergejevna,

zij zal je troosten!

--Vaarwel, broeder! klonk het nog van uit het rijtuig. Toen wees

Bazarof naar twee raven, die naast elkaar op het dak van den stal

zaten en zei:

--Dat is een goed voorbeeld! Volg dat vooral!

--Wat bedoel je daarmee? vroeg Arkadiej.

--Ik dacht dat je knapper was in de natuurlijke historie. Weet je

niet, dat de raaf de achtbaarste onder de vogels is? Hij houdt van

het familieleven. Doe als hij! Vaarwel!

Het rijtuig zette zich in beweging en reed weg.

Bazarof had gelijk gehad.

Arkadiej vergat nog dienzelfden avond zijn vriend in vertrouwelijk

gesprek met Katja. Hij begon al de mindere te zijn en Katja was daar

volstrekt niet verwonderd over.

Den volgenden morgen ging Arkadiej naar Marjino, naar zijn

vader. Mevrouw Odintsof was zoo welwillend, de tante, die op het

bericht van het aanstaande huwelijk een soort huilopwinding over zich

had gekregen, uit het huis te verwijderen. Ze deed dat terwille van

de jonge lieden, die ze toch ook fatsoenshalve liever niet te lang

alleen liet.

Eerst was ze bang, dat het jonge geluk, haar onaangenaam zou zijn, maar

het tegendeel bleek het geval. Ze stelde belang in "het schouwspel"

en het maakte haar wat zachter gestemd.

Dit bewustzijn verheugde en bedroefde haar tegelijk.

...Bazarof heeft gelijk, dacht ze, het is alleen maar nieuwsgierigheid,

belangstellend toeschouwer, die van zijn rust houdt en egoïst is,...

--Kinderen vroeg ze eens, is het waar, dat liefde een onecht gevoel is?

Maar Katja en Arkadiej begrepen die vraag niet. Ze gevoelden een

zekere schuwheid voor die vrouw en konden dat gesprek in den tuin

niet vergeten.

Weldra stond alles in rustige bewogenheid, eenvoudig en licht voor

deze menschen gereed.

Vaders en Zonen · 第 33 / 38 题