De overleden echtgenoot van mevrouw Odintsof was geen vriend van
nieuwigheden geweest, echter altijd bereid gevolg te geven aan de
"wijze ingevingen van een gelouterden smaak" en daarom had hij in
den tuin tusschen de oranjerie en den vijver een soort grieksche
zuilengalerij van russischen steen laten zetten. De achtermuur van
dit bouwwerk had zes nissen voor standbeelden, die de heer Odintsof
uit het buitenland wilde laten komen. Die standbeelden, zouden de
Eenzaamheid, het Zwijgen, het Peinzen, de Zwaarmoedigheid, de Schaamte
en de Fijngevoeligheid verbeelden. Eén, de Godin van het Zwijgen, een
vinger op de lippen, was aangekomen en opgesteld. Maar den eersten dag
al gooiden jongens haar de neus af en ofschoon een huisschilder op zich
durfde nemen, haar een "tweemaal zoo mooie neus" terug te geven, had de
heer Odintsof het beeld laten wegnemen. Het stond in den hoek van een
dorschvloer tot groote en voortdurende ontsteltenis van bijgeloovige
boerinnen. Sedert jaren was dicht struikgewas aan de voorzijde der
galerij opgeschoten. Alleen de kapiteelen der zuilen staken daar
boven uit. Het was er altijd koel, zelfs op het heetst van den dag.
Anna Sergejevna hield niet van de galerij, sedert ze er eens een
adder had aangetroffen. Katja kwam er dikwijls zitten op de groote
steenen bank in éen der nissen. In de koele, donkere stilte las of
werkte ze of gaf zich over aan het teedere gevoel, dat de geluidlooze
eenzaamheid in ons wekt, een gevoel, dat ieder kent, omdat het een
vreemde en diepe bekoring heeft, te luisteren naar het machtige
levensgolven om ons heen en binnen ons, altijd door...
De morgen, na Bazarofs komst, zat Katja op haar lievelingsplekje en
Arkadiej weer naast haar. Ze had er in toegestemd met hem naar de
zuilengalerij te gaan.
Het was nog een uur vóor het ontbijt, de koelheid van den morgen was
nog niet verjaagd door de heete middagzon.
Arkadiej's gezicht had dezelfde uitdrukking als den vorigen dag. Katja
scheen onzeker. Haar zuster had haar na de thee apart geroepen en
haar na eenige liefkoozingen, die haar altijd een beetje ongerust
maakten, aangeraden, wat voorzichtiger te zijn in haar houding
tegenover Arkadiej en vooral niet te veel met hem alleen te blijven,
want die veelvuldige gesprekken begonnen tante en de bedienden op te
vallen. Buitendien was Anna Sergejevna niet in haar humeur geweest
en Katja had een gevoel, of ze zich iets te verwijten had. Ze had
dan ook besloten, dat dit de laatste samenkomst zou zijn.
--Katharina Sergejevna, zei Arkadiej opeens met een niet te beschrijven
vermenging van durf en onzekerheid; sedert ik het geluk heb, onder
één dak met u te wonen, hebben we al over allerlei dingen gesproken,
maar één kwestie toch onaangeroerd gelaten. Een kwestie, die voor mij
van groot gewicht is. U hebt gisteren gehoord, dat ik veranderd ben
(den vragenden blik van Katja zocht en ontweek hij tegelijkertijd). Ik
ben ook werkelijk veranderd in allerlei opzichten en u weet beter,
dan iemand anders, aan wie ik vooral die verandering te danken heb.
--Ik... U... antwoordde ze.
--Ik ben niet meer die bescheiden jongen, die ik was, toen ik hier
kwam. Ik heb niet voor niets mijn drie en twintigste jaar achter me. Ik
hoop nog altijd, iets nuttigs te doen voor de maatschappij en al mijn
kracht te wijden aan de... aan de overwinning van de waarheid. Maar
ik zoek mijn ideaal niet meer, waar ik het vroeger zocht. Het ligt
geloof ik veel dichter bij. Vroeger begreep ik mijzelf niet, ik hield
me bezig met problemen, die boven mijn kracht lagen. Eindelijk zijn
me de oogen opengegaan. Door mijn gevoel... ik druk me misschien niet
duidelijk uit, maar ik hoop, dat u mij begrijpt.
Katja antwoordde niet en keek Arkadiej niet meer aan.
--Ik geloof, dat het de plicht is van een eerlijk man, ging hij
opgewonden voort--en boven zijn hoofd in de takken van een berkeboom
zong een vink zijn zorgeloos lied,--open en vrijmoedig te zijn
tegenover hen, die... die hem dierbaar zijn... en daarom ben ik
besloten...
Nu liet zijn welsprekendheid hem in den steek. Hij struikelde over
zijn zinnen, verloor zijn gedachtegang en moest ophouden. Katja bleef
zitten en keek naar den grond. Ze begreep niet, waar hij heen wilde
en toch scheen ze iets te verwachten.
--Ik zie wel, dat ik u zal verrassen, ging hij voort, toen
hij zijn gedachten weer geordend had.--Vooral, omdat dat gevoel
eenigszins,... wel te verstaan... betrekking heeft... op u. Ik meen
me te herinneren, dat u mij gisteren gebrek aan ernst verweten hebt...
Hij sprak met het gezicht van een man, die in een moeras geraakt,
voelt dat hij met iedere beweging dieper wegzakt en toch maar vooruit
gaat in de hoop, er weldra doorheen te zijn.
--Dit verwijt treft jonge menschen dikwijls, zelfs dan, wanneer ze
het niet verdienen... en indien ik meer zelfvertrouwen had...
Help me dan toch, help me toch, dacht Arkadiej in zijn wanhoop. Maar
Katja bleef roerloos zitten.
--En als ik mocht hopen...
--Als ik uw woorden gelooven kan, hoorden zij mevrouw Odintsof
plotseling zeggen met kalme, heldere stem.
Arkadiej zweeg plotseling en Katja werd bleek.
Een smal laantje voerde vlak langs de zuilengalerij door het
kreupelhout heen. Mevrouw Odintsof had dit ingeslagen met Bazarof. Ze
was onzichtbaar voor Katja en Arkadiej. Des te duidelijker echter
hoorden ze haar stem en zelfs haar adem. De wandelaars deden nog eenige
stappen en bleven toen, als met opzet, vlak voor de galerij staan.
--Ziet u, ging mevrouw Odintsof voort,--wij hebben ons vergist
allebei... Wij zijn niet meer in onze eerste jeugd, ik het
minst. Wij hebben geleefd. We zijn moe, we zijn, waarom zal ik het
niet zeggen, allebei ervaren, we hebben elkaar belang ingeboezemd,
onze nieuwsgierigheid werd geprikkeld, en toen...
--Toen ben ik een ezel geweest, viel Bazarof in de rede.
--U weet, dat dat niet de oorzaak was van onze breuk. Dit staat vast,
dat we elkaar niet noodig hadden. Wij hadden te veel, hoe zal ik
zeggen, te veel punten van overeenkomst. We zijn geestelijk te nauw
verwant. Dat zagen we niet dadelijk in. Terwijl Arkadiej...
--Hem had u wel noodig? vroeg Bazarof.
--Stil, Jevgenij Wassiljewitsj. U beweert, dat ik hem niet
onverschillig was en ik dacht ook inderdaad, dat hij voor mij
voelde. Ik weet, dat ik zijn tante kan zijn, maar ik wil bekennen,
dat ik sedert eenigen tijd nog al eens aan hem denk. Zijn jeugd en
zijn natuurlijkheid hebben een zekere aantrekkelijkheid voor mij.
--Een zekere tooverkracht. Dat is het woord, dat men in zulke gevallen
gebruikt, antwoordde Bazarof met rustige, doffe stem, waarin even
opkomende wrevel trilde.--Gisteren deed hij nog, of hij van niets
wist. Hij sprak noch van u, noch van uw zuster. Dat is een ernstig
symptoom.
--Hij is als een broer met Katja, zei mevrouw Odintsof,--en dat vind
ik prettig, al moest ik dergelijke vertrouwelijkheid niet zoo maar
goed vinden.
--Is het de zuster, die op het oogenblik in u spreekt? vroeg Bazarof
langzaam.
--Zeker wel, maar waarom blijven we staan? Laten we doorloopen. Wat
een merkwaardig gesprek voeren we daar. Ik had nooit gedacht, dat ik
u zoo iets zou kunnen zeggen. U weet, dat ik een groot vertrouwen in
u heb, al ben ik ook een beetje bang voor u, want ik ben overtuigd,
dat u eigenlijk een goed mensch bent.
--In de eerste plaats ben ik heelemaal niet goed, in de tweede plaats
ben ik niets meer voor u, en toch zegt u, dat ik goed ben. Dat is
als een krans van bloemen om het hoofd van een doode.
--Jevgenij Wassiljewitsj, we zijn niet... antwoordde ze.
Op dit oogenblik werden de woorden door een windvlaag verstrooid.
--Maar u bent toch vrij? klonk even daarop de stem van Bazarof. Meer
was er niet te verstaan van hun gesprek. Hun stappen verloren zich
meer en meer en het werd weer stil.
Arkadiej keek naar Katja, ze zat nog in dezelfde houding. Alleen het
hoofd was nog wat meer voorover gebogen.
--Katharina Sergejevna, zei hij met trillende stem en gevouwen
handen,--ik heb je lief hartstochtelijk, zooals ik het leven lief
heb. En niemand anders op aarde heb ik lief. Jou alleen. Dat wilde ik
je bekennen, en als het antwoord gunstig zou zijn, wilde ik vragen,
of je mijn vrouw... Ik ben niet rijk en tot elk offer bereid... U
antwoordt niet? Gelooft u me niet? Denkt u, dat ik zoo maar wat
zeg? Maar herinner je toch deze laatste dagen. Kun je denken, dat
iets van dat alles, het minste, spoorloos verdwijnen kan? Kijk me
toch aan... zeg één woord, één woord... ik heb je lief... ik heb je
lief... geloof me toch.
Katja keek hem ernstig en klaar in de oogen, bezon zich lang en zei
toen met heel-vagen glimlach:
--Ja.
Arkadiej sprong op.
--Ja. Je hebt ja gezegd, Katharina Sergejevna. Wat beteekent dat
woord? Beteekent dat, dat je gelooft aan de oprechtheid van mijn
woorden of... of... ik kan het niet uitspreken...
--Ja! antwoordde ze.
En ditmaal begreep hij haar.
Hij nam haar groote, mooie handen en drukte ze aan zijn borst, wist
niet meer van vreugde, dronken, stamelde hij maar:
--Katja, Katja...
Zij begon te schreien en lachte onder haar tranen door.
Wie die tranen in de oogen van een geliefde vrouw niet heeft gezien,
begrijpt niet, hoe zalig het van dankbaarheid en liefde verlangen
dronken mannenhart kan zijn.
Den volgenden morgen liet mevrouw Odintsof Bazarof roepen en toonde
hem met gedwongen glimlach een brief. Het was de brief, waarin Arkadiej
om de hand van Katharina vroeg.
Bazarof las haastig en moest een opwelling van leedvermaak met moeite
onderdrukken.
--Prachtig! zei hij.--U beweerde gisteren immers, dat hij broederlijke
genegenheid voor haar koesterde! Wat denkt u te antwoorden?
--Wat raadt u mij? vroeg mevrouw Odintsof en bleef glimlachen.
--Ik vind, antwoordde hij, ook lachend en met minder moeite dan
zij,--dat u uw zegen moet geven. Het is een goede partij. Het vermogen
van de Kirsanofs is vrij belangrijk. Arkadiej is eenige zoon en de
vader een braaf man, die geen moeilijkheden in den weg zal leggen.
Mevrouw Odintsof liep op en neer. Ze werd afwisselend rood en bleek.
--Vindt u? Ook ik zie geen moeilijkheden. Het doet me genoegen voor
Katja en Arkadiej Nikolajewitsj. Ik zal natuurlijk eerst de toestemming
van zijn vader, afwachten. Die mag hij zelf gaan halen. Maar dit
alles bewijst, dat ik gelijk had, toen ik gisteren zei, dat wij
oud worden, u en ik... En dat ik zoo volstrekt niets heb gemerkt,
ik moest me schamen!
Mevrouw Odintsof begon te lachen en keerde zich af.
--De hedendaagsche jeugd is bizonder slim, zei Bazarof.
--Vaarwel, vervolgde hij na een oogenblik zwijgen.--Ik hoop, dat u
de geheele zaak tot een bevredigend einde zult weten te leiden en
zal mij daarover verheugen... uit de verte.
Mevrouw Odintsof keek hem opeens aan.
--Wilt u op reis gaan? Waarom wilt u nu niet blijven? U moet
blijven. Het is zoo aangenaam, met u te praten. 't Is, of men langs
den rand van een afgrond wandelt... Eerst is men bang, maar dan komt
een stoutmoedigheid over ons, die ons zelf verbaast. U moet blijven!
--Ik weet uw uitnoodiging te waardeeren, evenals uw goede meening over
mijn geringe hoedanigheden. Maar ik vind, dat ik al te lang omga met
menschen, die niet tot mijn wereld behooren. Vliegende visschen houden
het wel een tijdlang uit in de lucht, maar dan vallen ze toch weer
in hun element. Veroorloof mij, in mijn eigen element onder te duiken.
Mevrouw Odintsof keek hem aan, een bittere glimlach trok over haar
bleek gezicht... die heeft mij lief gehad... dacht zij en reikte hem op
een wijze van welwillend leedwezen de hand. Maar hij had haar begrepen.
--Neen, zei hij en deed een stap achteruit,--ik ben wel arm, maar
heb toch nog nooit een aalmoes aangenomen. Vaarwel! Het ga u goed.
--Ik weet zeker, dat dit niet de laatste maal zal zijn, antwoordde
ze niet zonder ontroering.
--Er kan zooveel gebeuren in de wereld, zei hij, groette nog eens en
verliet de kamer.
--Je denkt dus een eigen nest te bouwen? vroeg Bazarof zijn vriend,
terwijl hij zijn koffer pakte.--Je hebt gelijk. Dat is een goede
gedachte. Alleen had je niet zoo geheimzinnig moeten zijn. Ik had
verwacht, dat je symphatieën een heel anderen kant uit gingen. Was
je zelf niet een beetje verwonderd?
--Dit had ik in elk geval niet verwacht, toen ik van huis weg ging,
antwoordde Arkadiej,--maar je bent niet oprecht als je zegt: dit is
een goede gedachte. Want ik ken je opvattingen over het huwelijk.
--Och, mijn beste, antwoordde Bazarof,--zoo spreek je nu! Zie je, wat
ik daar doe? Ik heb hier een leege ruimte in mijn koffer. Die stop
ik vol met hooi, zoo goed als ik kan. Dat moet je ook doen met je
levenskoffer. Die moet je ook vol maken, met al wat je in de handen
komt, als er maar geen plekje leeg blijft. Je moet me niet kwalijk
nemen. Maar herinner je je, hoe ik altijd over Katharina Sergejevna
heb gesproken? Er zijn jonge meisjes, die voor wonderwezens gehouden
worden, alleen omdat ze op het goede oogenblik weten te zuchten. Maar
die van jou zal zich op een andere manier doen gelden en wel zoo,
dat jij haar onderdanige dienaar zult zijn, hetgeen dan ook volkomen
in den haak is.
Bazarof sloeg de deksel van den koffer dicht en richtte zich op.
--Nu wil ik je nog eens voor het laatst zeggen, want we scheiden
voor altijd, daarvan moet jij evenzeer overtuigd zijn als ik, je doet
heel verstandig. Ons treurig, armzalig vagebondenleven is niets voor
jou. Daar heb je geen durf en geen hardheid genoeg voor. Maar des te
meer jeugdige moed en jeugdig vuur! En dat is niet voldoende voor het
werk, waaraan wij bezig zijn. En dan komen jullie adellijke heeren
nooit verder dan zekere hooghartige verontwaardiging of edelmoedige
zelfverloochening. En dat heeft niet veel om het lijf. Jullie denken,
groote heeren te zijn, en te staan op de tinnen der menschelijke
volmaaktheid, wanneer jullie je bedienden niet meer slaat. Maar wij
verlangen niets als geslagen te worden en terug te slaan. Het stof,
dat wij opjagen, bezorgt jou een oogontsteking, en ons afval zou jou
maar vuil maken. Je bent nog niet tot onze hoogte opgeklommen. Je
bewondert jezelf en bent gelukkig, als je je iets te verwijten
hebt. Maar wij moeten daar niets van hebben. Wij hebben wat anders
te doen als bewonderen en verwijten. Wij hebben andere mannen noodig
op ons schip. Je bent een beste jongen. Maar toch een heertje, een
liberaal jonkertje en voilà tout, om met je vader te spreken.
--Ga je voor goed weg? antwoordde Arkadiej droevig,--en is dat alles,
wat je me te zeggen hebt?
Bazarof krabde zich achter het oor.
--Ik zou nog wel wat gevoeligs kunnen zeggen, Arkadiej, maar ik
zal het niet doen. Dat zou romantisch zijn, al te zoet. Neem een
goeden raad van mij aan. Trouw zoo gauw mogelijk. Richt je zoo goed
mogelijk in en verwek veel kinderen. Het zullen zeker menschen van
geest worden, omdat ze op het goede oogenblik verschijnen en niet
zooals jij en ik. Maar daar staan de paarden. Vooruit! Ik heb al
afscheid genomen. Kom, nog eens omhelzen?
Arkadiej omhelsde zijn vriend en leermeester en de tranen stroomden
over zijn wangen.
--Dat is de jeugd, zei Bazarof,--Maar ik reken op Katharina Sergejevna,
zij zal je troosten!
--Vaarwel, broeder! klonk het nog van uit het rijtuig. Toen wees
Bazarof naar twee raven, die naast elkaar op het dak van den stal
zaten en zei:
--Dat is een goed voorbeeld! Volg dat vooral!
--Wat bedoel je daarmee? vroeg Arkadiej.
--Ik dacht dat je knapper was in de natuurlijke historie. Weet je
niet, dat de raaf de achtbaarste onder de vogels is? Hij houdt van
het familieleven. Doe als hij! Vaarwel!
Het rijtuig zette zich in beweging en reed weg.
Bazarof had gelijk gehad.
Arkadiej vergat nog dienzelfden avond zijn vriend in vertrouwelijk
gesprek met Katja. Hij begon al de mindere te zijn en Katja was daar
volstrekt niet verwonderd over.
Den volgenden morgen ging Arkadiej naar Marjino, naar zijn
vader. Mevrouw Odintsof was zoo welwillend, de tante, die op het
bericht van het aanstaande huwelijk een soort huilopwinding over zich
had gekregen, uit het huis te verwijderen. Ze deed dat terwille van
de jonge lieden, die ze toch ook fatsoenshalve liever niet te lang
alleen liet.
Eerst was ze bang, dat het jonge geluk, haar onaangenaam zou zijn, maar
het tegendeel bleek het geval. Ze stelde belang in "het schouwspel"
en het maakte haar wat zachter gestemd.
Dit bewustzijn verheugde en bedroefde haar tegelijk.
...Bazarof heeft gelijk, dacht ze, het is alleen maar nieuwsgierigheid,
belangstellend toeschouwer, die van zijn rust houdt en egoïst is,...
--Kinderen vroeg ze eens, is het waar, dat liefde een onecht gevoel is?
Maar Katja en Arkadiej begrepen die vraag niet. Ze gevoelden een
zekere schuwheid voor die vrouw en konden dat gesprek in den tuin
niet vergeten.
Weldra stond alles in rustige bewogenheid, eenvoudig en licht voor
deze menschen gereed.