Katja en Arkadiej zaten in den tuin van Nikolskoi op een bank in de
schaduw van een ouden eschdoorn. Fifi lag naast hen op den grond, in
die bekoorlijke houding van zijn slanke lichaam, welke de Russische
jagers in herinnering aan de grijze waternimf Roesaatsja noemen.
Arkadiej en Katja zwegen. Hij hield een boek in de hand, half toe
geslagen, zij zocht broodkruimpjes uit haar mandje en strooide ze
voor een groepje musschen, die met de hun eigen durf tjilpend tot
aan haar voeten genaderd waren.
Een zacht koeltje speelde met de bladeren der boomen, zoodat er gouden
vlekken zonlicht door de laan en over Fifi's rug vielen, terwijl de
beide jonge menschen in schaduw bleven. Zelden slechts kwam er een
lichtstreep, als een vlam over de haren van het meisje.
Zij zwegen, maar de wijze waarop zij zwegen, de een naast den ander,
beefde van innige harmonie. Zij letten schijnbaar niet op elkaar
en toch was het duidelijk, hoe gelukkig zij met elkanders bijzijn
waren. Zelfs in hun gezicht was verandering gekomen, sedert wij hen
verlieten. Arkadiej was rustiger, Katja meer levend en warmer.
--Vindt u niet, dat jasen een symbolische naam is? Ik ken geen boom,
die zoo licht en luchtig is. [13]
Katja keek traag naar boven en antwoordde.
--Ja.
En Arkadiej dacht: ze vindt het ten minste niet erg, als ik poëtisch
word.
Katja keek naar het boek van Arkadiej:
--Ik houd niet van Heine, zei ze, niet wanneer hij lacht en niet
wanneer hij weent. Ik houd van hem, als hij droevig en droomerig is.
--En ik houd van hem, als hij lacht, zei Arkadiej.
--Dat is een overblijfsel van den satirischen kant van uw geest.
Een overblijfsel, dacht hij, dat moest Bazarof eens hooren...
--Wacht maar, we zullen u wel veranderen!
--Wie? U?
--Ja, mijn zuster, Porphirij Platonitsj, met wien u al niet meer
kibbelt, mijn tante, die u eergisteren naar de kerk geleidde.
--Dat kon ik niet weigeren. En Anna Sergejevna is het in veel opzichten
eens met Eugenij, zooals u weet.
--Mijn zuster stond onder zijn invloed, net als u.
--Net als ik? Hebt u dan gemerkt, dat ik over dien invloed heen ben?
Katja antwoordde niet.
--Ik weet, ging hij voort, dat u nooit van hem gehouden hebt.
--Ik heb geen oordeel over hem.
--Ja, ziet u, Katharina Sergejevna, zoo dikwijls ik u dat hoor zeggen,
geloof ik u niet. Ik vind, dat niemand boven onze oordeelsmacht uit
gaat. Dat is eenvoudig een uitvlucht.
--Nu ja, ik geef toe, dat ik hem niet bepaald onaangenaam vind,
maar wij hooren tot twee heel verschillende werelden en ook u hoort
feitelijk niet bij hem.
--Waarom?
--Hoe zal ik zeggen... hij is een roofdier, ruw, wild, en u en ik,
wij zijn getemd.
--Ben ik ook getemd?
Katja knikte van ja.
Arkadiej krabde zich achter het oor.
--Weet u wel, dat dat een beetje beleedigend is, wat u daar zegt,
Katharina Sergejevna?
--Zou u liever een roofdier willen zijn?
--Dat niet, maar ik wil sterk en flink zijn.
--Dat hangt niet van ons zelf af. Uw vriend wil het niet zijn, en
toch is hij het.
-- U denkt dus, dat hij grooten invloed heeft op Anna Sergejevna?
--Ja, maar niemand houdt dat lang vol, zei ze zacht.
--Hoe weet u dat?
--Ze is erg trotsch... of neen, dat bedoel ik niet. Maar ze wil
volstrekt onafhankelijk zijn.
--Dat willen we allemaal, antwoordde Arkadiej, maar hij dacht:
Waartoe? En Katja dacht hetzelfde. Als jonge menschen veel met elkaar
omgaan, beginnen zij veelal dezelfde gedachten te hebben op dezelfde
oogenblikken.
Arkadiej glimlachte en zei:
--Geeft u toe, dat u een beetje bang voor haar bent?
--Voor wie?
--Nu... voor haar, antwoordde Arkadiej met een blik van
verstandhouding.
--En u? vroeg Katja.
--Ik ook. Let wel, wat ik zeg: ik ook.
Katja dreigde met den vinger.
--Dat vind ik vreemd. Mijn zuster was nooit zoo aardig tegen u,
als de laatste dagen. Dat was bij uw eerste bezoek heel anders.
--Vindt u?
--Hebt u het dan niet gemerkt? Vindt u dat niet prettig?
Arkadiej begon te denken: Waaraan heb ik die welwillendheid
verdiend? Omdat ik haar brieven heb meegebracht van haar moeder?
--En daar zijn wel gronden voor, maar die zeg ik niet...
--Waarom niet? vroeg hij.
--Ik zeg ze niet.
--O, ik weet wel, dat u stijfhoofdig bent.
--Stijfhoofdig, ja, dat is waar.
--En u kijkt nog al scherp uit uw oogen.
Katja keek hem van terzijde aan.
--Bent u ergens boos over? Waar denkt u aan?
--Ik vraag me af, hoe u aan dat observeeringstalent komt. U bent zoo
teruggetrokken, zoo wantrouwig... U gaat iedereen uit den weg.
--Ik ben veel alleen geweest. Dan gaan we nadenken over ons zelf,
tegen onzen wil. Maar u zegt, dat ik iedereen ontvlucht. Hebt u het
recht, dat te zeggen?
Arkadiej zag haar dankbaar aan.
--U hebt gelijk, antwoordde hij, maar menschen in uw positie, rijke
menschen, bestudeeren hun omgeving zelden scherp. Door toeval komen
ze soms achter de waarheid, evenals gekroonde hoofden.
--Maar ik ben niet rijk.
Arkadiej keek haar verwonderd aan en begreep eerst niet... 't is waar,
dacht hij, het vermogen is van haar zuster... en die gedachte was
haar bizonder aangenaam.
--Wat hebt u dat goed gezegd, zei hij.
--Hoe bedoelt u?
--U hebt dat gezegd zonder gemaakte eenvoudigheid, zonder valsche
schaamte en onechtheid. Ik geloof, dat ieder, die het weet en er voor
uitkomt, dat hij arm is, een zekeren trots moet voelen.
--Ik heb niets van dien aard gevoeld. Dank zij mijn zuster. Hoe zijn
we zoo opeens over mijn financieelen toestand komen spreken?
--Nu goed. Maar u zult toch toegeven, dat het gevoel in kwestie,
dat trots u niet geheel vreemd is.
--Hoe zoo?
--Zou u bij voorbeeld ertoe kunnen komen, ik hoop, dat mijn vraag u
niet beleedigt, een rijken man te trouwen?
--Als ik veel van hem hield... maar neen, ik geloof, dat ik hem ook
in dat geval niet zou willen.
--Ziet u! riep Arkadiej, en waarom niet, als ik vragen mag?
--Omdat zelfs de volksliederen een ongelijk huwelijk ontraden.
--U wilt misschien heerschen en...
--Och neen, waarom? Ik wil zelfs graag gehoorzamen. Maar ongelijkheid
schijnt mij onverdragelijk. Achting voor zich zelf en gehoorzaamheid,
dat begrijp ik, dat kan een geluk zijn. Maar ongelijkheid,
onderworpenheid, dat niet.
--Dat niet, antwoordde Arkadiej, u hebt niet voor niets hetzelfde
bloed in de aderen als Anna Sergejevna. U hebt denzelfden
onafhankelijkheidszin, maar weet u beter te verbergen. Ik ben
overtuigd, dat u nooit het eerst een liefde bekennen zoudt, hoe
machtig en heilig die ook was.
--Dat spreekt toch van zelf, zei Katja.
--U bent ook niet van verstand ontbloot, zooals men dat noemt. En u
hebt minstens evenveel karakter als uw zuster.
--Vergelijkt u me niet met mijn zuster, haastte Katja zich te
antwoorden,--zij heeft zooveel voor boven mij. Zij heeft alles,
schoonheid, geest,... en u moest dat vooral niet zeggen, Arkadiej
Nikolajitsj, en dan nog wel op zoo ernstigen toon.
--Wat bedoelt u met dat: U vooral niet? En waarom zou ik niet ernstig
spreken?
--U spreekt niet in ernst.
--Denkt u? En als ik nu eens heel zeker was van wat ik zei, als ik
nu eens nog heel veel meer ging zeggen?
--Ik begrijp u niet...
--Heusch niet? Dan heb ik uw observatietalent te hoog geschat.
--Hoezoo?
Arkadiej antwoordde niet en keek een anderen kant uit. Katja vond
nog wat kruimels voor haar musschen. Maar ze zwaaide te heftig met
haar arm en de vogeltjes vlogen op.
--Katharina Sergejevna, begon Arkadiej weer,--het zal u wel
onverschillig zijn, maar ik moet u zeggen, dat ik u niet alleen boven
uw zuster stel, maar boven ieder op deze wereld...
Toen stond hij plotseling op en liep weg, alsof hij van zijn woorden
geschrokken was.
Katja liet de handen in haar schoot vallen, boog wat voorover en
keek Arkadiej na. Een lichte blos kleurde haar wangen, maar haar mond
glimlachte niet en in haar blik was verwondering. Het was duidelijk,
dat er een gevoel in haar leefde, dat zij nog niet gekend had.
--Ben je alleen? vroeg mevrouw Odintsof, ik dacht dat Arkadiej met
je mee was gegaan.
Katja keek haar zuster aan, die smaakvol, elegant gekleed, in de
laan stond tegenover haar en met de punt van haar parasol Fifi's
oor aantipte.
--Ja, alleen, antwoordde Katja.
--Dat zie ik, lachte haar zuster terug.--Hij is zeker naar zijn kamer.
--Ja.
--Heb jullie samen gelezen?
--Ja.
Mevrouw Odintsof nam Katja bij den kin en hief haar hoofd tot zich.
--Heb jullie gekibbeld?
--Neen, antwoordde Katja en maakte zich zacht los van de hand der
zuster.
--Wat spreek je ernstig. Ik dacht hem hier te vinden en wilde
een wandeling voorstellen. Die ben ik hem al zoo lang schuldig. Je
schoentjes zijn gekomen. Moet je ze niet eens passen? Ik heb gezien,
dat je ze noodig hebt. De schoenen, die je daar aan hebt, zijn op. Ik
vind, dat je nog al slordig bent in dat opzicht en toch heb je een
mooi gebouwden voet. Je hand is ook mooi, maar wel wat groot. En daarom
moest je meer werk maken van je schoeisel. Je bent niet erg koket.
Mevrouw Odintsof verwijderde zich en haar fijn morgenkleed ruischte
om haar heen.
Katja stond op, nam het boek (Heine) en wandelde huiswaarts. Maar ze
paste haar schoentjes niet.
--Een mooie voet... dacht ze en ging langzaam de treden van het bordes
op, die door de zon warm geworden waren,... hij zal wel gauw aan die
mooie voeten liggen...
Tegelijk kwam er een gevoel van schaamte in haar en ze liep vlug
in huis.
Arkadiej ging naar zijn kamer. De hofmeester kwam hem achterop en
deelde mee, dat Bazarof op hem wachtte.
--Jevgenij! riep hij verschrikt--is mijnheer al lang hier?
--Op het oogenblik. Maar hij wilde niet bij Anna Sergejevna aangediend
worden en liet zich onmiddellijk naar uw kamer brengen.
--Zou er een ongeluk gebeurd zijn thuis? dacht hij, ging haastig de
trap op en gooide zijn deur open.
Zoodra hij Bazarof zag, was hij gerust gesteld, al zou een meer
geoefend oog de innerlijke onrust op het open-flinke, maar wel wat
aangedane gezicht van zijn vriend niet zijn ontgaan.
Hij zat in de vensterbank, de stoffige mantel om, de pet op. Hij bleef
onbewegelijk zitten, zelfs toen Arkadiej hem om den hals viel en een
uitroep van vreugde niet kon onderdrukken.
--Dat is een verrassing! Hoe komt dat zoo? riep hij uit en liep heen
en weer door de kamer, als iemand, die wil bewijzen, dat hij in de
wolken is.--Hoe staat het thuis? Is alles goed, iedereen gezond?
--Alles is goed, maar niet iedereen is gezond, antwoordde
Bazarof.--Houd nu eens je gemak en bezorg me een glas kwas, ga zitten
en luister, wat ik je zoo kort mogelijk, maar naar ik hoop, duidelijk,
heb te vertellen.
Arkadiej ging zitten en Bazarof vertelde hem de geschiedenis van
het duel met Paul Petrowitsj. Het ontstemde Arkadiej nog al, maar
dat wilde hij niet laten blijken. Hij vroeg alleen, of de wond van
zijn oom niet gevaarlijk was en toen Bazarof antwoordde, dat ze wel
belangwekkend was, maar niet van medisch standpunt, glimlachte hij
gedwongen, en voelde eenige schaamte en schrik.
Bazarof scheen wel te begrijpen, wat er omging in zijn vriend.
--Ja, zoo is het, zei hij, als je onder een adellijk dak
woont. Je neemt zelfs die middeleeuwsche gewoonten aan en wordt
een vechtersbaas. Ik ga weer naar mijn oudjes, maar wilde jou die
geschiedenis eerst even komen biechten... zou ik kunnen zeggen,
maar dat zou een leugen en dus een dwaasheid zijn... Ik ben gekomen,
nu ja, de duivel weet waarom! Het is soms wel goed, je zelf bij de
keel te pakken en er uit te smijten. Dat heb ik gedaan. En nu wilde
ik voor het laatst nog eens de plaats zien, waar ik zoo een beetje
wortel begon te schieten.
--Ik hoop, dat die woorden geen betrekking hebben op mij, vroeg
Arkadiej,--en dat je niet van plan bent, ook van mij afscheid te nemen.
Bazarof keek hem vast en doordringend aan.
--Zeg, zou je dat waarachtig wat kunnen schelen? Het wil me zoo
voorkomen, alsof jij al van mij afscheid genomen hebt. Je ziet er zoo
goed verzorgd uit... ik geloof, dat het zaakje met Anna Sergejevna
hier aardig loopt.
--Welk zaakje?
--Ben je niet om haar de stad uitgegaan, kameraad? Apropos, hoe staat
het daar met de Zondagscholen? Wilde je soms ontkennen, dat je verliefd
bent? Of heb je de periode van de eerbaarheid al bereikt?
--Jevgenij, je weet dat ik altijd eerlijk met je geweest ben. Ik
bezweer je en God is mijn getuige, dat je je vergist.
--Hm. God als getuige... dat is een nieuwe uitdrukking, zei Bazarof
zachter.--Waarom vat je de zaak zoo gewichtig op? Het is mij absoluut
onverschillig. Een romanticus zou zeggen: ik voel, dat onze wegen
hier uiteen gaan. Ik voor mij, zeg alleen maar, dat we genoeg van
elkaar hebben.
--Jevgenij...
--Dat is zoo erg niet, kerel.--Men krijgt nog wel genoeg van
andere dingen in het leven. Het is nu een goed oogenblik
van elkaar te gaan. Zoolang ik hier ben, voel ik me zoo
verschrikkelijk-gebroken-van-hart, alsof ik me had volgestopt met
Gogols brieven aan mevrouw de goeverneursvrouw van Kaloega. Ik heb
de paarden niet eens laten uitspannen.
--Wat denk je wel? Dat gaat zoo niet!
--Waarom niet?
--Afgezien van mij, zou mevrouw Odintsof het erg kwalijk nemen als
je zoo weer weg ging. Ik weet zeker, dat ze je wil spreken.
--Wat dat aangaat, zul je je wel vergissen.
--Ik weet zeker, dat het zoo is, waarom die leugens? Ben je om haar
gekomen, nu we toch over dit onderwerp spreken?
--Misschien. Maar je hebt het toch mis.
Arkadiej had echter gelijk. Mevrouw Odintsof liet hem roepen door den
hofmeester. Bazarof verkleedde zich voor dit bezoek. Zijn nieuwe rok
lag boven in den koffer, zoodat hij gemakkelijk genomen kon worden,
zonder iets in wanorde te brengen.
Mevrouw Odintsof ontving Bazarof niet in de kamer, waar hij haar zijn
liefde had verklaard, maar in den salon. Ze reikte hem hartelijk haar
vingertoppen, maar had toch iets gedwongens in haar gezicht.
--Anna Sergejevna, haastte Bazarof zich te zeggen, in de eerste plaats
moet ik u gerust stellen. U ziet een mensch voor u, die weer geheel
tot zich zelf is gekomen en die hoopt, dat anderen zijn misslagen
vergeten hebben. Ik ga op reis voor langen tijd, en al ben ik niet
sentimenteel, zooals u wel weet, zou het mij toch onaangenaam zijn,
te denken, dat u een slechte herinnering...
Mevrouw Odintsof ademde diep-op, als iemand, die eindelijk den top
van een berg heeft bereikt en een lichte glimlach speelde om haar
mond. Ze reikte Bazarof nogmaals de hand, en toen hij die hand drukte,
beantwoordde ze dien druk.
--Kto staroë vspomanjèt, tamoë glas won [14]! zei ze,--te meer,
daar ik ook niet geheel zonder schuld ben. Ook ik heb gezondigd, zoo
niet uit behaagzucht, dan toch om andere redenen. We zullen vrienden
blijven, dat alles was maar een droom en wie hecht blijvende waarde
aan een droom?
--Niemand. Buitendien is de liefde een onecht gevoel.
--Denkt u? Het doet me genoegen dat te hooren.
Zoo sprak mevrouw Odintsof, zoo sprak van zijn zijde Bazarof. Ze
geloofden beiden, dat ze oprecht waren.
In hoeverre waren ze het inderdaad? Dat wisten ze zelf niet en de
auteur kan het evenmin verklaren. Maar het gesprek nam een keer,
die bewees, dat ze elkander hun volle vertrouwen wilden schenken.
Mevrouw Odintsof vroeg Bazarof, wat hij bij de Kirsanofs had
gedaan. Hij stond op het punt, van zijn duel met Paul Petrowitsj te
spreken. Maar hij liet zich weerhouden door de gedachte, dat ze zou
kunnen denken: hij maakt zich interessant ... en daarom antwoordde hij,
dat hij gewerkt had.
--En ik, antwoordde mevrouw Odintsof, ik wist met mijn tijd geen raad
en was al van plan, op reis te gaan. Stel u voor. Maar langzamerhand
is het beter geworden. Uw vriend Arkadiej kwam en ik voel me weer in
het rechte spoor, in mijn eigenlijke rol.
--Wat voor een rol, als ik vragen mag?
--De rol van tante, goevernante, moeder, hoe u het noemen wilt.--Weet
u wel, dat ik langen tijd, uw intieme vriendschap met Arkadiej niet
begrepen heb? Ik vond hem niet erg belangrijk. Maar ik heb hem leeren
kennen en ik ben overtuigd, dat hij zeer intelligent is... en bovenal
heel jong, heel jong, dat kunnen wij van ons niet zeggen, Jevgenij
Wassiljewitsj.
--Is hij nog altijd zoo bang voor u? vroeg Bazarof.
--Was hij dan?... begon Mevrouw Odintsof, maar viel zich zelf in de
rede en ging voort:
--Hij is veel gezelliger geworden en praat graag met me. Vroeger hield
hij zich altijd op een afstand. Trouwens ik moet bekennen, dat ik zijn
gezelschap ook niet zocht. Katja en hij zijn goede vrienden geworden,
Bazarof werd ongeduldig, hij dacht: die vrouw kan het huichelen
niet laten.
--U zegt, dat hij u gemeden heeft, antwoordde hij met een killen
glimlach, maar de schuchtere liefde, die u hem inboezemde, zal nu
toch wel geen geheim meer voor u zijn!
--Wat? Hij ook! riep Mevrouw Odintsof onwillekeurig.
--Ja, hij ook, herhaalde Bazarof met een eerbiedige buiging. Is het
mogelijk, dat u het niet gemerkt heeft, en ben ik de eerste, die u
dat nieuws meedeel?
Mevrouw Odintsof sloeg de oogen neer.
--U vergist u, zei ze.
--Ik geloof het niet, maar ik had misschien moeten zwijgen.
Hij dacht echter: dat zal je leeren huichelen...
--Waarom zou u daarover niet gesproken hebben? Ik geloof, dat u
te veel waarde hecht aan een voorbijgaande gevoeligheid. Ik begin,
te vermoeden, dat u van overdrijven houdt.
--Laat ons over iets anders spreken, mevrouw.
--Waarom? vroeg deze, maar deed meteen, wat haar gevraagd was.
Ze voelde zich onzeker, onbehagelijk tegenover Bazarof, al had ze
zich ook ingepraat, dat alles vergeten was, zooals ze hem zeide. Bij
het meest onbeduidende woord dat gewisseld werd, zelfs grapjes, kon
ze een gevoel van angst niet onderdrukken. Zoo gaat het op een schip
in volle zee, wanneer de reizigers onbezorgd keuvelen en lachen,
maar bij de geringste onregelmatigheid, bij iets onverwachts of
vreemds teekent zich op aller gezicht een zekere onrust, gevolg van
het bewustzijn van een voortdurend gevaar.
Mevrouw Odintsof en Bazarof spraken niet lang meer samen. Anna
Sergejevna werd meer en meer ernstig, antwoordde verstrooid, onzeker,
en vroeg hem ten slotte, naar het aangrenzende vertrek te gaan,
waar zij de tante en Katja aantroffen.
--Waar is Arkadiej Nikolajitsj? vroeg mevrouw Odintsof. Toen ze hoorde
dat hij al een uur weg was, liet ze hem roepen.
Na lang zoeken overal, vonden ze hem in den tuin op een afgelegen
bank, de kin op de hand gesteund en verzonken in diep gepeins. Zijn
gedachten waren ernstig, maar niet droevig.
Hij wist, dat mevrouw Odintsof alleen met Bazarof was, maar gevoelde
geen spoor van naijver. Hij zag er opgewekt uit en scheen besloten,
iets te doen, dat hem verheugde en verwonderde tegelijk.