XXI.

De twee vrienden spraken geen woord tot aan Fedote's huis. Bazarof

was ontevreden met zich zelf en Arkadiej was ontstemd over zijn

vriend. Die onbestemde droefenis knaagde hem, zooals alleen jonge

menschen dat kennen, wanneer ze hun eerste schreden in het leven doen.

Toen de paarden verwisseld waren en de koetsier weer op den bok zat,

vroeg hij welke richting, rechts of links, hij rijden moest.

Arkadiej schrok. Rechts ging het naar de stad en vandaar naar zijn

woning, links naar mevrouw Odintsof.

Hij keek Bazarof aan.

--Links, Jevgenij? vroeg hij.

Bazarof keek hem niet aan.

--Onzin, mompelde hij.

--Ik weet, dat het onzin is, antwoordde Arkadiej.--Maar wat zou

dat? Het is niet de eerste dwaasheid, die we begaan.

Bazarof trok de klep van zijn muts omlaag.

--Zooals je wilt, zei hij.

--Hou links! riep Arkadiej den koetsier toe.

De tarantas reed in de richting van Nikolskoi. De beide vrienden,

eenmaal besloten tot een dwaasheid, zwegen hardnekkiger dan eerst. Zij

schenen woedend.

Uit de wijze, waarop de hofmeester van mevrouw Odintsof hen op het

bordes ontving, maakten de vrienden dadelijk op, dat zij verkeerd

hadden gehandeld. Het was vrij duidelijk, dat zij volstrekt niet

werden verwacht. Verzocht, in den salon te gaan, moesten ze daar lang

wachten en voelden, dat ze een treurig figuur sloegen.

Eindelijk verscheen mevrouw Odintsof. Ze sprak hen toe met de haar

eigen wellevendheid, maar scheen verwonderd over hun onverwachte

terugkomst. Uit haar afgemeten woorden en terughoudendheid was evenwel

te merken, dat deze terugkomst haar niet bizonder aangenaam was. Ze

haastten zich dan ook mee te deelen, dat ze op weg waren naar de stad

en maar even in het voorbijkomen waren afgestapt. Haar antwoord sprak

meer van bevreemding. Zij verzocht Arkadiej zijn vader van harentwege

te groeten en zond om haar tante. Deze verscheen, nog al slaperig,

en dit maakte de weinig aantrekkelijke uitdrukking in haar tanig,

verwelkt gezicht nog hatelijker. Katja moest wegens ongesteldheid

haar kamer houden. Arkadiej voelde op dit oogenblik, dat hij niet

alleen om de vrouw des huizes was gekomen.

Zoo gingen vier uren in vrij onverschilligen gesprektoon voorbij. Anna

Sergejevna sprak of luisterde, zonder te glimlachen. Bij het vertrek

der vrienden scheen haar oude vriendelijkheid teruggekeerd.

--U moet mij niet onvriendelijk vinden, zei ze, bekommer u daar niet

om en komt u beiden maar spoedig eens terug.

Bazarof en Arkadiej antwoordden met een buiging, stapten in hun

tarantas en lieten zich onverwijld naar Marjino brengen, waar ze zonder

stoornissen in den avond van den volgenden dag aankwamen. Gedurende

de reis kwam de naam van mevrouw Odintsof niet over hun lippen,

Bazarof bewaarde een hardnekkig stilzwijgen en staarde voor zich uit.

In Marjino werden ze met open armen ontvangen.

De lange afwezigheid van zijn zoon was Nikolaas gaan verontrusten. Hij

sprong op, schreeuwde, stampte met de voeten op den vloer, toen

Fenitsjka met stralende oogen kwam zeggen, dat de jonge heeren er

waren. Zelfs Paul was aangenaam verrast en glimlachte vriendelijk,

toen hij de reizigers begroette. Er werd over de reis gesproken,

door Arkadiej verreweg het meest, vooral bij het avondeten, dat

tot na middernacht duurde. Nikolaas had ettelijke flesschen porter

laten komen, afkomstig van Moscou en die smaakte hem zoo goed,

dat zijn wangen purperrood begonnen te gloeien en hij niet ophield

kinderlijk-naïef te lachen.

Zelfs de bedienden werden aangestoken door de algemeene vroolijkheid.

Doeniasja liep maar heen en weer en sloeg de deuren hard achter zich

dicht en Peter deed nog tegen drie uur in den nacht vergeefsche

pogingen een kozakkenlied op zijn gitaar te spelen. De snaren

van zijn instrument trilden met weemoedig liefelijke tonen door de

landelijke stilte van den nacht. Maar verder dan de eerste maten kwam

de ontwikkelde kamerdienaar niet. Muzikale en andere talenten had de

natuur hem nu eenmaal ontzegd.

Toch leefde men niet zonder zorgen op Marjino. En Nikolaas

allerminst. Aan allerlei kleine dingen had hij zich te ergeren,

iederen dag. De gehuurde arbeiders brachten hem voortdurend

in verlegenheid. Sommigen eischten hooger loon en afrekening,

anderen liepen weg met voorschot. Paarden werden ziek, aan de

werktuigen haperde telkens iets en het werk werd slecht gedaan. Een

dorschmachine, die uit Moscou gekomen was, bleek te zwaar voor het

gebruik. Een ander werktuig raakte defect den eersten dag, dat het in

gebruik genomen werd. De veestallen brandden half af door een oude,

half-blinde koeienmeid, die haar zieke koe van de "betoovering"

had willen genezen door gloeiende kolen. Later vertelde ze, dat

de brand ontstaan was, doordat de heer allerlei nieuwigheden, als

kaasbereiding, had ingevoerd. De opzichter werd lui en dik, zooals

iedere Rus, die op den zak van een ander leeft. Hij voerde niets

uit, dan, wanneer Nikolaas in de buurt was, een varken; dat wat ver

van zijn hok was, met een steen te gooien, of kleine, half-naakte

kinderen uit te schelden. Den overigen tijd sliep hij. De boeren,

die pacht moesten betalen, deden het niet en stalen hout. De wakers

vingen soms boerenpaarden op, die aan het grazen waren op de weilanden

van het goed. Nikolaas had tot een geldstraf besloten. Maar nadat

ze eenige dagen op kosten van den heer waren gevoederd, werden ze

gewoonlijk weer teruggegeven. En de verwarring werd nog grooter,

toen de boeren onderling ruzie kregen. Broeders eischten verdeeling,

omdat respectieve echtgenooten het niet onder één dak met elkander

konden vinden. Ieder oogenblik hadden er vechtpartijen plaats in het

dorp. Een troep boeren zag men op een dag, alsof het afgesproken was,

plotseling samenscholen voor het bureau van den opzichter en vandaar

gingen ze met ontevreden gezichten en meerendeels dronken, naar den

heer zelf en verlangden gerechtigheid. Het rumoer en geschreeuw werd

vergroot door het gillen en jammeren van de vrouwen en het vloeken en

dreigen der mannen. De strijd moest bijgelegd worden. Dat ging niet

zonder overschreeuwen tot schor wordens toe en men wist toch, dat al

die inspanning vruchteloos zou zijn. Bij het oogsten waren er geen

handen genoeg. Een vrije boer uit de buurt, die men op zijn eerlijk

gezicht vertrouwde, had zich verbonden arbeiders te leveren tegen

twee roebel per dessatine, maar hield zijn woord niet. De vrouwelijke

arbeidskrachten eischten schandelijk hooge loonen en intusschen begon

het koren uit te vallen. Dezelfde geschiedenis herhaalde zich bij

den hooioogst en alsof dit alles nog niet genoeg ware, verlangde

de voogdijraad onder dreigementen onmiddellijk aanzuivering van

achterstallige rente.

--Ik houd het niet uit, riep Nikolaas Petrowitsj vertwijfeld. Ik

kan met die menschen onmogelijk gaan vechten en principieel roep

ik de politie er niet bij. Zonder vrees voor straf kan men niets

gedaan krijgen.

--Du calme, du calme, antwoordde Paul Petrowitsj, maar scheen

intusschen allerminst tevreden met den gang van zaken en streek

peinzend zijn knevel op.

Bazarof bleef buiten dezen kwesties, trouwens door zijn positie in huis

kon het ook moeilijk anders. Hij had den dag na zijn terugkeer zijn

onderzoekingen met kikvorschen en insekten weer opgevat, zijn chemische

verbindingen, en was geheel in zijn werk verdiept. Arkadiej beschouwde

het als zijn plicht, zijn vader zooal niet te helpen, dan toch zijn

bereidwilligheid te toonen. De huishoudelijke aangelegenheden stonden

hem niet tegen. Hij nam zich zelfs voor, later al zijn krachten te

wijden aan de agricultuur en wat daarmee samenhing. Voorloopig evenwel

was hij met andere dingen vervuld. Tot zijn groote verwondering moest

hij voortdurend aan Nikolskoi denken. Vroeger zou hij de schouders

hebben opgehaald, als iemand hem gezegd had, dat hij zich onder één

dak met Bazarof zou kunnen vervelen. Maar hij verveelde zich inderdaad

onder zulk een dak, nog wel het vaderlijke dak! En wenschte zich ver

weg. Hij maakte lange wandelingen, maar dat hielp niet.

Eens gedurende een gesprek met zijn vader bleek, dat deze verscheiden,

belangwekkende brieven had bewaard, afkomstig van zijn vrouw, die deze

van de moeder van mevrouw Odintsof had ontvangen. Arkadiej smeekte

ze te mogen lezen. En na veel zoeken haalde Nikolaas Petrowitsj ze

onder papieren te voorschijn en gaf ze zijn zoon. Toen hij die half

verbleekte brieven eenmaal had, voelde hij zich rustiger, alsof hij

eindelijk een doel had gevonden.

--U beiden, hoort u, heeft ze gezegd.

Die gedachte kon hij niet vergeten.

--Ik ga er heen. De duivel zal me halen, ik ga. Maar dan dacht hij

weer aan hun laatste bezoek op Nikolskoi, en de koele ontvangst en

schuchtere angst maakte hem weer besluiteloos.

Maar ten slotte won het toch dat jeugdige "wie weet"..., het stille

verlangen, zijn geluk te beproeven en zonder helpers of beschermers

te onderzoeken, waartoe men in staat is...

Geen tien dagen na hun terugkeer op Marjino vertrok Arkadiej onder

het voorwendsel, de inrichting der zondagscholen te bestudeeren naar

stad en van daar naar Nikolskoi.

De wijze, waarop hij den koetsier tot spoed aanzette, had iets van den

jongen officier, die ten strijde trekt. Blijheid, angst en ongeduld

streden in zijn hart. "Niet nadenken," drong hij zich zelf voortdurend.

De koetsier, die hem reed, was een geslepen boer, die voor elke kroeg

stil hield met de opmerking, of men den duivel niet wegzuipen moest...

En als de duivel weggezopen was, klom hij weer op zijn bok en spaarde

zijn paarden niet.

Eindelijk werd het hooge dak van het welbekende huis zichtbaar.

--Wat ga ik beginnen? woelde het door zijn brein, maar omkeeren was

niet meer mogelijk.

De paarden renden in gestrekten draf. De koetsier vuurde ze aan met

schreeuwen en fluiten.

Reeds dreunde het houten bruggetje onder de paardenhoeven en de

wielen. Daar is de lange dennenlaan, die pal staat als een muur. Een

rose japonnetje wordt zichtbaar tegen het groen, een jong gezichtje

kijkt onder een parasol uit... hij herkent Katja en zij hem. Hij

beveelt stil te houden, springt uit het rijtuig en ijlt haar tegemoet.

--Bent u het! riep Katja en bloosde lichtelijk, gaat u mee naar mijn

zuster. Ze is hier in den tuin, ze zal blij zijn, u weer te zien.

Katja geleidde Arkadiej in den tuin. Die ontmoeting beloofde geluk,

dacht hij, dit weerzien vervulde hem met blijdschap, alsof zij een heel

lieve verwante was. Alles ging goed. Geen hofmeester, geen deftigheid,

geen wachten in een stijven salon. Hij zag mevrouw Odintsof aan

het einde van een laan. Zij liep voor hen uit en keerde zich op het

geluid der naderende voetstappen om. Arkadiej stond op het punt, zijn

zeker-voelen te verliezen, maar haar eerste woorden stelden hem gerust:

--Zoo, vluchteling! zei ze met haar vleiende, evenwichtig-rustige

stem, en liep hem, even knipoogend voor de zon, tegemoet, waar heb

je hem gevonden Katja?

--Ik kom u iets brengen, wat u zeker niet verwacht, begon hij.

--U brengt u zelf mee, en dat is de hoofdzaak.

Vaders en Zonen · 第 29 / 38 题