De twee vrienden spraken geen woord tot aan Fedote's huis. Bazarof
was ontevreden met zich zelf en Arkadiej was ontstemd over zijn
vriend. Die onbestemde droefenis knaagde hem, zooals alleen jonge
menschen dat kennen, wanneer ze hun eerste schreden in het leven doen.
Toen de paarden verwisseld waren en de koetsier weer op den bok zat,
vroeg hij welke richting, rechts of links, hij rijden moest.
Arkadiej schrok. Rechts ging het naar de stad en vandaar naar zijn
woning, links naar mevrouw Odintsof.
Hij keek Bazarof aan.
--Links, Jevgenij? vroeg hij.
Bazarof keek hem niet aan.
--Onzin, mompelde hij.
--Ik weet, dat het onzin is, antwoordde Arkadiej.--Maar wat zou
dat? Het is niet de eerste dwaasheid, die we begaan.
Bazarof trok de klep van zijn muts omlaag.
--Zooals je wilt, zei hij.
--Hou links! riep Arkadiej den koetsier toe.
De tarantas reed in de richting van Nikolskoi. De beide vrienden,
eenmaal besloten tot een dwaasheid, zwegen hardnekkiger dan eerst. Zij
schenen woedend.
Uit de wijze, waarop de hofmeester van mevrouw Odintsof hen op het
bordes ontving, maakten de vrienden dadelijk op, dat zij verkeerd
hadden gehandeld. Het was vrij duidelijk, dat zij volstrekt niet
werden verwacht. Verzocht, in den salon te gaan, moesten ze daar lang
wachten en voelden, dat ze een treurig figuur sloegen.
Eindelijk verscheen mevrouw Odintsof. Ze sprak hen toe met de haar
eigen wellevendheid, maar scheen verwonderd over hun onverwachte
terugkomst. Uit haar afgemeten woorden en terughoudendheid was evenwel
te merken, dat deze terugkomst haar niet bizonder aangenaam was. Ze
haastten zich dan ook mee te deelen, dat ze op weg waren naar de stad
en maar even in het voorbijkomen waren afgestapt. Haar antwoord sprak
meer van bevreemding. Zij verzocht Arkadiej zijn vader van harentwege
te groeten en zond om haar tante. Deze verscheen, nog al slaperig,
en dit maakte de weinig aantrekkelijke uitdrukking in haar tanig,
verwelkt gezicht nog hatelijker. Katja moest wegens ongesteldheid
haar kamer houden. Arkadiej voelde op dit oogenblik, dat hij niet
alleen om de vrouw des huizes was gekomen.
Zoo gingen vier uren in vrij onverschilligen gesprektoon voorbij. Anna
Sergejevna sprak of luisterde, zonder te glimlachen. Bij het vertrek
der vrienden scheen haar oude vriendelijkheid teruggekeerd.
--U moet mij niet onvriendelijk vinden, zei ze, bekommer u daar niet
om en komt u beiden maar spoedig eens terug.
Bazarof en Arkadiej antwoordden met een buiging, stapten in hun
tarantas en lieten zich onverwijld naar Marjino brengen, waar ze zonder
stoornissen in den avond van den volgenden dag aankwamen. Gedurende
de reis kwam de naam van mevrouw Odintsof niet over hun lippen,
Bazarof bewaarde een hardnekkig stilzwijgen en staarde voor zich uit.
In Marjino werden ze met open armen ontvangen.
De lange afwezigheid van zijn zoon was Nikolaas gaan verontrusten. Hij
sprong op, schreeuwde, stampte met de voeten op den vloer, toen
Fenitsjka met stralende oogen kwam zeggen, dat de jonge heeren er
waren. Zelfs Paul was aangenaam verrast en glimlachte vriendelijk,
toen hij de reizigers begroette. Er werd over de reis gesproken,
door Arkadiej verreweg het meest, vooral bij het avondeten, dat
tot na middernacht duurde. Nikolaas had ettelijke flesschen porter
laten komen, afkomstig van Moscou en die smaakte hem zoo goed,
dat zijn wangen purperrood begonnen te gloeien en hij niet ophield
kinderlijk-naïef te lachen.
Zelfs de bedienden werden aangestoken door de algemeene vroolijkheid.
Doeniasja liep maar heen en weer en sloeg de deuren hard achter zich
dicht en Peter deed nog tegen drie uur in den nacht vergeefsche
pogingen een kozakkenlied op zijn gitaar te spelen. De snaren
van zijn instrument trilden met weemoedig liefelijke tonen door de
landelijke stilte van den nacht. Maar verder dan de eerste maten kwam
de ontwikkelde kamerdienaar niet. Muzikale en andere talenten had de
natuur hem nu eenmaal ontzegd.
Toch leefde men niet zonder zorgen op Marjino. En Nikolaas
allerminst. Aan allerlei kleine dingen had hij zich te ergeren,
iederen dag. De gehuurde arbeiders brachten hem voortdurend
in verlegenheid. Sommigen eischten hooger loon en afrekening,
anderen liepen weg met voorschot. Paarden werden ziek, aan de
werktuigen haperde telkens iets en het werk werd slecht gedaan. Een
dorschmachine, die uit Moscou gekomen was, bleek te zwaar voor het
gebruik. Een ander werktuig raakte defect den eersten dag, dat het in
gebruik genomen werd. De veestallen brandden half af door een oude,
half-blinde koeienmeid, die haar zieke koe van de "betoovering"
had willen genezen door gloeiende kolen. Later vertelde ze, dat
de brand ontstaan was, doordat de heer allerlei nieuwigheden, als
kaasbereiding, had ingevoerd. De opzichter werd lui en dik, zooals
iedere Rus, die op den zak van een ander leeft. Hij voerde niets
uit, dan, wanneer Nikolaas in de buurt was, een varken; dat wat ver
van zijn hok was, met een steen te gooien, of kleine, half-naakte
kinderen uit te schelden. Den overigen tijd sliep hij. De boeren,
die pacht moesten betalen, deden het niet en stalen hout. De wakers
vingen soms boerenpaarden op, die aan het grazen waren op de weilanden
van het goed. Nikolaas had tot een geldstraf besloten. Maar nadat
ze eenige dagen op kosten van den heer waren gevoederd, werden ze
gewoonlijk weer teruggegeven. En de verwarring werd nog grooter,
toen de boeren onderling ruzie kregen. Broeders eischten verdeeling,
omdat respectieve echtgenooten het niet onder één dak met elkander
konden vinden. Ieder oogenblik hadden er vechtpartijen plaats in het
dorp. Een troep boeren zag men op een dag, alsof het afgesproken was,
plotseling samenscholen voor het bureau van den opzichter en vandaar
gingen ze met ontevreden gezichten en meerendeels dronken, naar den
heer zelf en verlangden gerechtigheid. Het rumoer en geschreeuw werd
vergroot door het gillen en jammeren van de vrouwen en het vloeken en
dreigen der mannen. De strijd moest bijgelegd worden. Dat ging niet
zonder overschreeuwen tot schor wordens toe en men wist toch, dat al
die inspanning vruchteloos zou zijn. Bij het oogsten waren er geen
handen genoeg. Een vrije boer uit de buurt, die men op zijn eerlijk
gezicht vertrouwde, had zich verbonden arbeiders te leveren tegen
twee roebel per dessatine, maar hield zijn woord niet. De vrouwelijke
arbeidskrachten eischten schandelijk hooge loonen en intusschen begon
het koren uit te vallen. Dezelfde geschiedenis herhaalde zich bij
den hooioogst en alsof dit alles nog niet genoeg ware, verlangde
de voogdijraad onder dreigementen onmiddellijk aanzuivering van
achterstallige rente.
--Ik houd het niet uit, riep Nikolaas Petrowitsj vertwijfeld. Ik
kan met die menschen onmogelijk gaan vechten en principieel roep
ik de politie er niet bij. Zonder vrees voor straf kan men niets
gedaan krijgen.
--Du calme, du calme, antwoordde Paul Petrowitsj, maar scheen
intusschen allerminst tevreden met den gang van zaken en streek
peinzend zijn knevel op.
Bazarof bleef buiten dezen kwesties, trouwens door zijn positie in huis
kon het ook moeilijk anders. Hij had den dag na zijn terugkeer zijn
onderzoekingen met kikvorschen en insekten weer opgevat, zijn chemische
verbindingen, en was geheel in zijn werk verdiept. Arkadiej beschouwde
het als zijn plicht, zijn vader zooal niet te helpen, dan toch zijn
bereidwilligheid te toonen. De huishoudelijke aangelegenheden stonden
hem niet tegen. Hij nam zich zelfs voor, later al zijn krachten te
wijden aan de agricultuur en wat daarmee samenhing. Voorloopig evenwel
was hij met andere dingen vervuld. Tot zijn groote verwondering moest
hij voortdurend aan Nikolskoi denken. Vroeger zou hij de schouders
hebben opgehaald, als iemand hem gezegd had, dat hij zich onder één
dak met Bazarof zou kunnen vervelen. Maar hij verveelde zich inderdaad
onder zulk een dak, nog wel het vaderlijke dak! En wenschte zich ver
weg. Hij maakte lange wandelingen, maar dat hielp niet.
Eens gedurende een gesprek met zijn vader bleek, dat deze verscheiden,
belangwekkende brieven had bewaard, afkomstig van zijn vrouw, die deze
van de moeder van mevrouw Odintsof had ontvangen. Arkadiej smeekte
ze te mogen lezen. En na veel zoeken haalde Nikolaas Petrowitsj ze
onder papieren te voorschijn en gaf ze zijn zoon. Toen hij die half
verbleekte brieven eenmaal had, voelde hij zich rustiger, alsof hij
eindelijk een doel had gevonden.
--U beiden, hoort u, heeft ze gezegd.
Die gedachte kon hij niet vergeten.
--Ik ga er heen. De duivel zal me halen, ik ga. Maar dan dacht hij
weer aan hun laatste bezoek op Nikolskoi, en de koele ontvangst en
schuchtere angst maakte hem weer besluiteloos.
Maar ten slotte won het toch dat jeugdige "wie weet"..., het stille
verlangen, zijn geluk te beproeven en zonder helpers of beschermers
te onderzoeken, waartoe men in staat is...
Geen tien dagen na hun terugkeer op Marjino vertrok Arkadiej onder
het voorwendsel, de inrichting der zondagscholen te bestudeeren naar
stad en van daar naar Nikolskoi.
De wijze, waarop hij den koetsier tot spoed aanzette, had iets van den
jongen officier, die ten strijde trekt. Blijheid, angst en ongeduld
streden in zijn hart. "Niet nadenken," drong hij zich zelf voortdurend.
De koetsier, die hem reed, was een geslepen boer, die voor elke kroeg
stil hield met de opmerking, of men den duivel niet wegzuipen moest...
En als de duivel weggezopen was, klom hij weer op zijn bok en spaarde
zijn paarden niet.
Eindelijk werd het hooge dak van het welbekende huis zichtbaar.
--Wat ga ik beginnen? woelde het door zijn brein, maar omkeeren was
niet meer mogelijk.
De paarden renden in gestrekten draf. De koetsier vuurde ze aan met
schreeuwen en fluiten.
Reeds dreunde het houten bruggetje onder de paardenhoeven en de
wielen. Daar is de lange dennenlaan, die pal staat als een muur. Een
rose japonnetje wordt zichtbaar tegen het groen, een jong gezichtje
kijkt onder een parasol uit... hij herkent Katja en zij hem. Hij
beveelt stil te houden, springt uit het rijtuig en ijlt haar tegemoet.
--Bent u het! riep Katja en bloosde lichtelijk, gaat u mee naar mijn
zuster. Ze is hier in den tuin, ze zal blij zijn, u weer te zien.
Katja geleidde Arkadiej in den tuin. Die ontmoeting beloofde geluk,
dacht hij, dit weerzien vervulde hem met blijdschap, alsof zij een heel
lieve verwante was. Alles ging goed. Geen hofmeester, geen deftigheid,
geen wachten in een stijven salon. Hij zag mevrouw Odintsof aan
het einde van een laan. Zij liep voor hen uit en keerde zich op het
geluid der naderende voetstappen om. Arkadiej stond op het punt, zijn
zeker-voelen te verliezen, maar haar eerste woorden stelden hem gerust:
--Zoo, vluchteling! zei ze met haar vleiende, evenwichtig-rustige
stem, en liep hem, even knipoogend voor de zon, tegemoet, waar heb
je hem gevonden Katja?
--Ik kom u iets brengen, wat u zeker niet verwacht, begon hij.
--U brengt u zelf mee, en dat is de hoofdzaak.