Bazarof leunde uit den tarantas. Arkadiej zag over de schouders
van zijn vriend op den stoep van het huis een groot, mager man met
opstaande haren, een kleine wipneus en een oude soldatenjas. Hij
stond wijdbeens, een lange pijp in de hand en knipoogde, alsof hij
zijn oogen tegen de zon wilde beschermen. De paarden hielden stil.
--Daar ben je dan! riep Bazarofs vader en rookte verder, ofschoon de
pijp tusschen zijn tanden beefde. Kom, stap uit, stap uit, dat ik je
behoorlijk omhelzen kan.
Hij omarmde den zoon.
--Jenoesja, Jenoesja! riep een trillende stem uit het huis. De
voordeur ging open en een kleine matrone verscheen in wit kapje en
kort jak. Ze schreeuwde, wankelde en zou gevallen zijn, als Bazarof
haar niet opgevangen had.
De kleine mollige handen lagen weldra om Bazarofs nek en ze drukte
haar gezicht tegen zijn borst. Alleen onderdrukt snikken was te
hooren. Bazarofs vader knipoogde erger dan in het begin.
--Nou is het genoeg, Ariesja, hou op, schei nu uit, zei hij eindelijk
en keek Arkadiej aan, die onbewegelijk bij het rijtuig stond. Zelfs de
boer op den bok keerde zich geroerd af.--Dat is niet noodig, hou op,
houd op!
--Och Wassili Ivanitsj! antwoordde het oudje snikkend, als ik bedenk,
dat hij daar is, onze jongen, onze Jenoesja!
En zonder hem los te laten, hief zij haar betraande gezicht op, keek
Bazarof met grappig-gelukkige uitdrukking aan en drukte hem nog eens
aan het hart.
--Nou ja, dat begrijp ik allemaal wel, zei Wassili Ivanitsj, maar laten
we nu naar binnen gaan. Jevgenij heeft een vriend meegebracht. Neemt
u ons niet kwalijk, maar u begrijpt, vrouwelijke zwakheid... een
moederhart...
De laatste woorden golden Arkadiej, maar ook zijn eigen lippen
trilden. Hij deed zijn best, kalm te blijven, zelfs onverschillig,
maar het ging niet.
Arkadiej boog het hoofd.
--Kom moedertje, zei Bazarof, laat ons naar binnen gaan. En hij voerde
de oude vrouw, die in tranen versmolt, naar de ontvangkamer. Hij
zette haar in een gemakkelijken stoel, omhelsde nog eens zijn vader
en stelde hem zijn vriend voor.
--'t Doet me genoegen, kennis te maken, zei Wassili Ivanitsj,
maar u moet het bij ons voor lief nemen, alles is eenvoudig hier,
militair.--Arina Vlassievna, doe me het pleizier en kom tot jezelf! Dat
is zwakheid! Onze gast zal een mooien indruk van je krijgen.
--Vadertje, zei de oude, met tranen nog in de stem, ik ken uw voornaam
en uw vadersnaam nog niet.
--Arkadiej Nikolajevitsj, antwoordde Wassili Ivanovitsj op eenigszins
plechtigen toon.
--Vergeef mij, domme vrouw, klonk het zwakjes, ze snoot haar neus,
en veegde het eene oog, en daarna het andere af, waarbij ze het
hoofd rechts en links gebogen hield.--Neemt u me niet kwalijk. Ik
had gedacht, te zullen sterven, zonder mijn armen zoon... weergezien
te hebben.
--En nu hebt u hem weergezien, mevrouw, zei Wassili Ivanovitsj
levendig.--Tanioesjka, heette het nu tegen een twaalfjarig meisje,
dat blootsvoets in een hel-rood katoenen rokje, angstig in de deur
stond te kijken.--Breng de vrouw een glas water op een blaadje,
versta je, en de heeren? ging hij voort op jovialen toon, die wat
van de oude school had, mag ik zoo vrij zijn, u uit te noodigen,
het kabinet van den veteraan binnen te treden?
--Laat ik je nog eens omhelzen, Jenoesjetsjka, zuchtte Arina
Vlassievna. Bazarof boog over haar heen.--Wat ben je een prachtige
jongen geworden!
--Dat kan ik niet vinden, antwoordde Wassili Ivanovitsj, maar zooals
de Franschman zegt, een homme fait is hij geworden. En nu van wat
anders, Arina Vlassievna, als je moederhart verzadigd is, moest je
je eens met de spijziging van onze dierbare gasten bezig houden,
want je weet, de nachtegaal leeft niet alleen van zingen!
De moeder stond op.
--De tafel is dadelijk gedekt, Wassili Ivanovitsj. Ik zal zelf naar
de keuken gaan en voor het opdoen zorgen. In een oogenblik is alles
in orde. In geen drie jaar heb ik hem gezien, heb ik hem te eten of
te drinken gegeven! Dat is geen kleinigheid.
--Maak voort, moeder, schaf voor vier, dat je eer van je werk hebt. En
als ik de heeren nu verzoeken mag? Daar is Timofeitsj, Jevgenij, en
wil je verwelkomen. Die zal ook gelukkig zijn, die oude poedel! Is
't niet Poedel? Wilt u maar volgen, heeren?
Wassili Ivanovitsj opende de optocht met een gewichtige houding en
slofte met zijn oude pantoffels over den vloer.
Zijn huis bevatte maar zes kleine kamers. Het vertrek, waarheen hij
zijn jonge vrienden voerde, heette het kabinet. Een zware, houten
tafel, overdekt met bijna zwart berookte papieren, stond tusschen
twee vensters. De wanden waren versierd met Turksche geweren,
Kozakkenzweepen, een sabel, twee groote landkaarten, anatomische
afbeeldingen, een portret van Hufeland, een kroon van haar gevlochten
in een zwarte lijst, en een diploma, ook achter glas. Tusschen twee
enorme boekekasten van berken wortelhout stond een op verschillende
plaatsen gescheurde lederen sofa. Boeken, doozen, opgezette vogels,
reageerbuizen, retorten in vakken ingedeeld. In een hoek der kamer
eindelijk stond een electriseermachine, die blijkbaar geen dienst
meer deed.
--Ik heb jullie direct gezegd, mijn waarde gasten, zei Wassili
Ivanitsj, dat we hier om zoo te zeggen in bivak leven...
--Schei toch uit met je excuses, antwoordde Bazarof. Kirsanof weet
heel goed, dat we geen Croesussen zijn en dat we in geen paleis
wonen. De kwestie is, waar we kunnen slapen.
--Dat komt terecht, Jevgenij, ik heb een fijne kamer in het bijgebouw,
je vriend zal zich daar volkomen thuis voelen.
--Heb je tijdens mijn afwezigheid een vleugel laten bijbouwen?
--En of, waar de badkamer is, zei Timofeitsj.
--Naast de badkamer, viel Wassili Ivanovitsj in de rede, ik zal eens
gaan zien, of alles in orde is. En ga jij intusschen de bagage van de
heeren halen, Timofeitsj. Jij komt natuurlijk in mijn studeerkamer,
Jevgenij: Suum cuique.
--Een eigenaardig mensch, zei Bazarof, toen zijn vader weg was,
net als jouw vader, maar dan op zijn manier. Hij praat wat te veel.
--Je moeder schijnt ook een lieve vrouw, zei Arkadiej.
--Ja, ze is niet kwaad. Je zult zien, wat we te eten krijgen!
--We verwachtten u niet vandaag, vadertje, zei Timofeitsj, toen hij
den koffer bracht, we hebben geen vleesch.
--Dan doen we 't zonder vleesch. Waar niets is, heeft de keizer zijn
recht verloren. Armoede is geen schande.
--Hoeveel boeren heeft je vader? vroeg Arkadiej.
--Het goed is niet van hem, het is van moeder en ik geloof, dat het
hoogstens vijftien zielen telt.
--Twee en twintig met verlof, zei Timofeitsj, gekrenkt.
Zij hoorden het sloffen van de pantoffels en Wassili Ivanovitsj
verscheen weer in zijn kabinet.
--Nog een minuut of wat en de kamer zal gereed zijn, u te ontvangen,
Arkadiej--Nikolaitsj... zoo heet u toch, als ik me niet vergis, riep
hij uit, en die hier zal u bedienen, zei hij, op een jongen wijzend,
die mede binnengekomen was, hij heet Fedka.
Fedka had kort geknipt haar, een blauw hemd met gaten door de elbogen
en laarzen, die niet van hem waren.
--U zult voor lief moeten nemen, zeg ik u nog eens, al wil mijn zoon
het niet hebben. Overigens kan de jongen uitmuntend een pijp stoppen. U
rookt zeker?
--Ik rook meest sigaren, antwoordde Arkadiej.
--Daar hebt u gelijk aan. Ik houd ook meer van sigaren. Maar die zijn
hier moeilijk te krijgen, zoo ver van de stad.
--Schei toch uit met die klaagliederen, zei Bazarof, ga liever op de
sofa zitten en laat me je eens bekijken.
Wassili Ivanovitsj ging lachend op de sofa zitten. Hij leek op zijn
zoon. Alleen zijn voorhoofd was lager en smaller, zijn mond wat
breeder, ook haalde hij telkens de schouders op, alsof de armsgaten
van zijn jas te nauw waren. Hij knipoogde voortdurend, terwijl zijn
zoon veel vrijer was in zijn bewegingen.
--Klaagliederen, antwoordde Wassili Ivanitsj, verbeeld je maar niet,
dat ik probeer, het medelijden van je vriend op te wekken. Hij hoeft
niet te denken, dat we hier in de woestijn leven. Ik geloof, dat er
voor een denkend mensch in 't geheel geen woestijn bestaat. In ieder
geval doe ik mijn best, geen mos op me te laten groeien, zooals het
spreekwoord zegt. Ik wil niet bij mijn tijd achterblijven.
Hij haalde een splinternieuwen, geel-zijden zakdoek voor den dag dien
hij gehaald had, toen hij de kamer van Arkadiej had geïnspecteerd,
en ging voort, terwijl hij met dien zakdoek zwaaide:
--Ik zal me er niet op beroemen, dat ik de boeren aan me verplicht
heb door hun de helft van het land af te staan, ofschoon me dat
gevoelige verliezen heeft gekost. Ik beschouwde het als mijn plicht,
het gezond verstand zegt, zoo te handelen. Ik begrijp niet, dat alle
grondbezitters het nog niet gedaan hebben. Ik bedoelde straks de
wetenschap en de ontwikkeling in 't algemeen.
--Daar heb je warempel "De Vriend der Gezondheid" liggen voor 't jaar
'55! zei Bazarof.
--Een aandenken van een goed vriend, antwoordde Wassili Ivanitsj. En
uitsluitend tegen Arkadiej sprekend, ging hij voort:
--Wij hebben ook nog wel eenig denkbeeld van de phrenologie! Hij wees
op een kleinen kop van gips, die in een menigte vakjes was ingedeeld,
de namen Schönlein en Rademacher zijn ons niet onbekend.
--Gelooft men nog aan Rademacher in het goevernement? vroeg Bazarof.
Wassili Ivanovitsj kuchte.
--In 't goevernement, herhaalde hij, zeker zullen de heeren meer
van die dingen af weten, dan wij, er is geen denken aan, dat wij u
nog zouden kunnen inhalen. Jullie moeten ons ook opvolgen. Ik weet
nog wel, in onzen tijd vonden we den patholoog Hoffman of Browe met
zijn vitalisme belachelijk, en toch hadden die opgang gemaakt in hun
tijd. Er zal weer een ander geleerde gekomen zijn, om Rademacher te
overtroeven en jullie gelooft in hem, maar over twintig jaar zullen
ze weer over hem spotten.
--Ik kan je tot je troost zeggen, dat we tegenwoordig over de heele
medische wetenschap lachen en geen enkelen leeraar erkennen.
--Hoe kan dat? Je studeert toch medicijnen?
--Jawel, maar het eene sluit het andere niet uit.
Wassili Ivanovitsj haalde zijn pijp uit, waarin nog wat warme asch.
--Kan zijn, zei hij, daar wil ik af wezen. Wat ben ik per slot van
rekening? Een gepensioneerde regimentsdokter, voilà tout! En nu ben ik
grondeigenaar geworden. Ik stond bij de brigade van uw grootvader, ja,
ik heb heel wat gezien in mijn leven, alle mogelijke menschen ontmoet
uit alle standen (dit was weer tegen Arkadiej). Ik, zooals ik hier
voor u zit, heb vorst Witgenstein en Joekofski den pols gevoeld. En
de mannen van den veertienden December [11] heb ik gekend in de
Zuid-legers. U begrijpt!
Wassili Ivanovitsj zette deze woorden kracht bij door veelbeteekenend
de lippen samen te knijpen.
--Ik heb ze allemaal gekend. Ik kon ze met den vinger aanwijzen. Maar
ik bemoei me niet met dingen, die me niet aangaan. Men doet zijn plicht
en daarmee basta. Ik moet zeggen, dat uw grootvader een krachtig man
was, een echt soldaat!
--Een echte hark, kom er maar voor uit, viel Bazarof in de rede.
--Maar Jevgenij, hoe kan je zoo'n woord gebruiken. Dat is
onvergefelijk. 't Is waar, de oude generaal Kirsanof hoorde niet tot...
--Laat hem maar slapen, antwoordde Bazarof, bij de aankomst zag ik
met genoegen, dat het berkenboschje mooi opgeschoten is!
Wassili Ivanovitsj raakte plotseling in vuur.
--Dat is nog niets. Je moet den tuin zien. Ik heb hem zelf
aangelegd. We hebben vruchtboomen, alle mogelijke kleingoed en
geneeskundige kruiden. Jullie hebt goed praten, maar de oude Paracelsus
heeft toch maar groot gelijk: In herbis, verbis et lapidibus... Ik
heb de praktijk opgegeven, zooals je weet. Maar zoo twee, driemaal in
de week gebeurt het nog wel, dat ze me komen raadplegen. Dan kan ik de
menschen toch niet het huis uitjagen. Dikwijls ook arme lui. Want er is
geen dokter in 't dorp. Mijn buurman, de majoor, doet me concurrentie
aan. Ik vraag hem op een dag, of hij gestudeerd heeft. Nee, is zijn
antwoord, maar hij doet het uit naastenliefde. Haha! Uit naastenliefde,
hoe vind je die! Haha!
--Fedka, stop mijn pijp eens, riep Bazarof ruw.
--We hebben nog een anderen dokter, zei Wassili Ivanovitsj weer,
maar er lag een zekere angst in zijn stem.--Stel je voor, dat die op
een dag bij een zieke komt, die al ad patres is. De knecht wil hem
niet binnen laten en zegt: we hebben u niet meer noodig. De dokter,
die niet verdacht was op deze mogelijkheid, komt in verwarring en
vraagt: Heeft hij benauwdheden gehad, voor hij stierf?
--Ja.--Nog al erg?--Ja.--Ah, dat is uitmuntend.--En hij ging weg! Ha
ha!
De oude man was de eenige, die lachte. Arkadiej glimlachte
beleefdheidshalve, Bazarof blies een rookwolk in de lucht. Het
gesprek duurde ongeveer een uur. Arkadiej ging weer naar zijn kamer,
die feitelijk een bij-badkamer was, maar toch zeer geriefelijk
ingericht. Eindelijk verscheen Tanioesja en zei, dat het eten
gereed was.
Wassili Ivanovitsj stond het eerst op.
--Gaat u mee, heeren? En neem me niet kwalijk, als ik u heb zitten
vervelen. Ik hoop, dat mijn vrouw u beter behandelen zal.
Het maal, ofschoon in der haast toebereid, was inderdaad
uitmuntend. Alleen de wijn liet te wenschen over. De bijna zwarte
sherry, dien Timofeitsj in de stad had gekocht, gaf een nasmaak van
kanipholium en koper. Ook de vliegen waren hinderlijk. Gewoonlijk
had een jong knechtje ze met een boomtak te verdrijven. Maar Wassili
Ivanovitsj had dit ambt opgeheven, ten einde geen kritiek uit te
lokken van de jonge "mannen-van-den-vooruitgang". Arina Vlassievna
had tijd gevonden, toilet te maken. Ze droeg een kapje met linten
en een blauw-gebloemden sjaal. Ze begon weer te schreien, toen ze
haar Jenoesja zag, maar haar echtvriend behoefde haar ditmaal niet
te helpen, ze droogde van zelf haar tranen, ongetwijfeld bang, haar
sjaal te bederven.
De jonge lui bewezen den maaltijd alle eer. De ouders, die 's middags
al gegeten hadden, deden niet mee. Fedka, die zeer veel last van zijn
laarzen had en een éenoogig vrouwspersoon met mannelijke trekken en die
Anfisoesjka heette, bedienden bij tafel. De laatste vereenigde in haar
persoon de ambten van keldermeester, waschvrouw en hoenderverzorgster.
Gedurende het eten liep Wassili Ivanovitsj met een van geluk stralend
gezicht in de kamer heen en weer en gaf daarbij bespiegelingen ten
beste over zijn grooten angst betreffende de politiek van Napoleon
III en de duisterheid der Italiaansche kwestie. Arina Vlassievna
scheen Arkadiej in het geheel niet te zien. Ze steunde de kin op de
hand en haar rond gezicht had een merkwaardig goedige uitdrukking
door de kleine, dikke, kersroode lippen en de schoonheidsvlekjes op
haar wangen. Ze had de oogen niet van haar zoon en zuchtte maar. Ze
had dolgraag geweten, hoe lang hij blijven zou. Maar ze durfde niet
vragen. Ze dacht: als hij eens antwoordde: twee dagen... en de schrik
sloeg haar om het hart. Na het gebraad verdween Wassili Ivanovitsj,
maar kwam dadelijk terug met een halve flesch champagne, die hij open
had gemaakt.
--Al wonen we ook in een wilde streek, zei hij, we kunnen toch wel
wat ter opvroolijking vinden bij belangrijke gelegenheden.
Hij schonk drie groote en een klein glas in, verklaarde op het welzijn
der dierbare bezoekers te drinken, dronk zijn glas in éen slok leeg
en dwong Arina Vlassievna haar kleine glas geheel te ledigen. Toen de
ingemaakte vruchten verschenen, meende Arkadiej, die zoete spijzen
niet kon verdragen, toch van vier nieuwe soorten te moeten proeven,
te meer, daar Bazarof rondweg weigerde en zijn sigaar opstak. Na het
dessert kwam thee met room, krakelingen en boter. Toen bracht Wassili
Ivanovitsj zijn gasten in den tuin, om van den heerlijken avond te
genieten. Bij een bank fluisterde hij Arkadiej in het oor:
--Hier zit ik graag te mijmeren en naar den zonsondergang te kijken,
dat gaat goed voor den kluizenaar. Een eind verderop heb ik Jevgenijs
lievelingsboomen geplant.
--Wat voor boomen? vroeg Bazarof ruw.
--Nu... acacia's...
Bazarof gaapte.
--Ik geloof, dat onze reizigers goed deden, te gaan slapen, zei
Wassili Ivanovitsj.
--Dat wil zeggen, dat het tijd is, naar bed te gaan, begon Bazarof,
ik vind het goed. Vooruit maar!
En toen zei hij zijn moeder goeden nacht en kuste haar op het
voorhoofd. Zij sloeg intusschen driemaal een kruis achter zijn
rug. Wassili Ivanovitsj bracht Arkadiej naar zijn kamer en verliet
hem met den wensch, dat hij "dezelfde rust zou genieten als hij in
zijn jeugd had gekend." Inderdaad sliep Arkadiej goed in zijn klein
kamertje. Het rook er naar versche houtkrullen en twee krekeltjes
achter de kachel maakten een zachte, slaapwekkende muziek. Wassili
Ivanovitsj ging naar zijn eigen kabinet, ging bij zijn zoon op bed
zitten, dat wil zeggen op de sofa, en wilde wat praten, maar Bazarof
vroeg hem weg te gaan, omdat hij slaap had, zooals hij zei. Toch deed
hij den geheelen nacht geen oog dicht. Hij liet zijn blikken, hard,
zweven door de duisternis. Jeugdherinneringen hadden geen macht over
hem, maar de droeve ervaringen van den vorigen dag hielden hem nog
altijd bezig.
Arina Vlassievna lag voor haar Heiligenbeelden te bidden en bleef
toen nog langen tijd bij Anfisoesjka, die als een steenen beeld voor
haar meesteres stond, die ze met haar éene oog aanstaarde, terwijl
ze haar geheimzinnig en langzaam allerlei opmerkingen en vermoedens
omtrent Jevgenij Wassiljewitsj meedeelde.
Door blijdschap, wijn en tabaksrook was haar brein zoo beneveld,
dat het haar duizelde. Haar man wilde nog met haar praten, maar hij
zag er van af en ging met een berustende handbeweging weg.
Arina Vlassievna was het type van den kleinen Russischen adel uit
den goeden ouden tijd. Ze had twee eeuwen vroeger, in den tijd van
de grootvorsten van Moscou geboren moeten zijn. Uitermate gevoelig
en innig-vroom, geloofde ze aan voorteekens, voorgevoelens, tooverij
en droomen, aan spotgeesten, huis- en woudgodheden, ongeluk brengende
ontmoetingen, aan "het Booze Oog", aan huismiddeltjes, aan de kracht
van het zout op de altaren op Groenen Donderdag en den aanstaanden
ondergang der wereld. Ze geloofde, dat er een goede boekweitoogst
zou zijn, als de kaarsen in de Paaschnachtmis niet uitgingen, dat de
champignons niet meer groeiden, zoodra de blik des menschen hen trof,
dat de duivel gaarne kwam op plaatsen waar veel water is, en dat alle
Joden een bloedvlek hebben op de borst. Ze was bang voor muizen,
adders, kikvorschen, musschen, bloedegels, den donder, koud water,
tocht, paarden, bokken, roodharige menschen en zwarte katten en vond
krekels en honden onreine schepsels. Ze at kalfsvleesch noch duiven,
kreeft noch kaas, asperges noch hazen, noch watermeloenen (omdat een
opengesneden meloen deed denken aan het afgeslagen hoofd van Johannes
den Dooper) en de gedachte alleen aan oesters, die ze nog nooit had
gezien, deed haar rillen. Ze at graag veel en goed en hield zich streng
aan de vastendagen. Ze sliep tien uur daags. Het eenige boek, dat
ze gelezen had, heette Alexis of de hut in het woud, ze schreef éen,
hoogstens twee brieven in het jaar en kon overheerlijk vruchten inmaken
en groente, ofschoon ze zelf niets deed en zich niet graag bewoog.
Overigens was ze niet zonder gezond verstand. Ze wist, dat er heeren
zijn om te bevelen en knechten om te gehoorzamen. Ze had dan ook
geen bezwaar tegen de onderdanigheid der bedienden en hun diepe
eerbewijzen. Maar ze behandelde hen met groote zachtzinnigheid, liet
geen bedelaar zonder aalmoes gaan en veroordeelde niemand, zonder
afkeerig te zijn van kletspraatjes. Ze was niet leelijk geweest in
haar jeugd, speelde piano en sprak een beetje Fransch. Maar gedurende
het vele reizen van haar man, met wien ze tegen haar wil was getrouwd,
was ze dik geworden, en had haar muziek en Fransch verleerd. Ze aanbad
haar zoon, maar was erg bang voor hem. Wassili Ivanovitsj beheerde
haar goed en ze liet hem volkomen vrij in dit opzicht. Ze begon te
zuchten, en waaierde zich met haar zakdoek en trok de wenkbrauwen
hoog op, wanneer haar man begon te spreken over hervormingen of over
zijn eigen plannen. Ze was wantrouwend, verwachtte voortdurend een of
ander groot ongeluk en begon te weenen, zoodra ze aan iets droevigs
dacht... Zulke vrouwen beginnen zeldzaam te worden. Misschien moeten
we ons daarover verheugen...
Zoodra Arkadiej was opgestaan, deed hij het venster open en het eerste
wat hij zag was Wassili Ivanovitsj, in chalaat (chambre cloak), een
zakdoek om het middel, aan het werk in den moestuin. Toen hij zijn
jongen gast gewaar werd, leunde hij op zijn schop en riep hem toe:
--Goeden morgen. Hoe heb je geslapen?
--Heel goed, antwoordde Arkadiej.
--Je ziet een soort Cincinnatus voor je, ging de oude man voort,
ik ben bezig met een bed herfstrapen. We leven in een tijd, en ik
beklaag me daar in het geheel niet over, dat ieder de handen uit
de mouw moet steken voor zijn dagelijksch brood. Je kunt je niet op
anderen verlaten. Je moet zelf aanpakken. Jean Jacques Rousseau had
gelijk, al beweren ze ook van niet. Een half uur geleden had u me
aan heel ander werk bezig kunnen zien, mijn beste heer. De boerin
kwam me consulteeren over buikloop. Ik heb haar, hoe zal ik zeggen,
ik heb haar een dosis opium ingegeven. En een andere heb ik een tand
getrokken. Ik had haar willen verdooven met chloroform, maar ze wilde
niet. Natuurlijk doe ik dat allemaal voor niets--en amateur. Maar daar
schaam ik me heelemaal niet voor. Ik ben plebejer, een homo novus,
ik voer geen wapen, zooals mijn teergeliefde echtgenoote... maar zou u
niet eens hier in de schaduw vòòr het ontbijt de frissche morgenlucht
willen inademen?
Arkadiej kwam naar buiten.
--Welkom, welkom, ging Wassili Ivanovitsj voort en bracht militair de
hand aan het vettige kalotje op zijn hoofd,--ik weet, dat u de grootste
weelde gewend bent, maar zelfs de grooten dezer aarde versmaden het
niet, een enkele maal in een hut te overnachten.
--Hoe kunt u mij een groote dezer aarde noemen? riep Arkadiej--en
dan moet ik u beleefd verzoeken, niet te denken, dat ik aan weelde
gewend ben.
--Jawel, jawel, antwoordde Wassili Ivanovitsj glimlachend,--ik ben
nu wel oud roest, maar ik heb toch genoeg in de wereld rondgekeken,
om een vogel aan zijn veeren te kennen. Ook verbeeld ik me een beetje
psycholoog en gezichtskundige te zijn. Zonder dat zou ik allang
verloren zijn geweest. De menschen zouden me vertrapt hebben, ellendig
aardwormpje, dat ik ben. Ik kom er rond voor uit: de vriendschap,
die er tusschen u en mijn zoon bestaat, doet me oprecht pleizier. Ik
kom juist van hem vandaan. Hij is oudergewoonte vroeg opgestaan en
stroopt den omtrek af. Mag ik u vragen: duurt die vriendschap al lang?
--Verleden winter hebben we elkaar ontmoet.
--Ja? Mag ik dan nog een vraag... maar zullen we niet gaan zitten? Mag
ik u met de vrijmoedigheid van een vader vragen, wat u denkt van
mijn zoon?
--Uw zoon is een van de uitnemendste mannen, die ik ooit ontmoet
heb! antwoordde Arkadiej levendig.
Wassili Ivanovitsj spalkte zijn oogen wijd open, een lichte blos
kleurde zijn wangen. Hij liet zijn schop vallen.
--U denkt dus... begon hij weer.
--Ik ben overtuigd, dat uw zoon een groote toekomst voor zich heeft,
ging Arkadiej voort. Hij zal uw naam beroemd maken. Daarvan was ik
bij onze eerste kennismaking al overtuigd.
--U zegt?... hè?... kwam er moeilijk uit. Een trotsche glimlach
ontplooide zijn breeden mond en bleef daar.
--Wilt u weten, hoe we elkaar leerden kennen?
--Ja... en...
Arkadiej sprak met nog grooter bewondering over zijn vriend, als op
dien eersten avond met mevrouw Odintsof in de balzaal.
Wassili Ivanovitsj hoorde toe, snoot zijn neus, verfrommelde zijn
zakdoek met beide handen, kuchte, streek door zijn haar, maar kon
zich eindelijk niet langer inhouden, pakte Arkadiej en kuste hem op
den schouder.
--U hebt den gelukkigsten mensch van me gemaakt, zei hij en
glimlachte. Ik moet u bekennen, dat ik, dat ik mijn zoon verafgood. Ik
spreek niet van mijn vrouw, zij is moeder en voelt als moeder. Maar ik
durf mijn zoon niet bekennen, hoe ik hem liefheb, want dat zou hem niet
aangenaam zijn. Hij kan zulke ontboezemingen niet verdragen. Sommigen
verwijten hem die karaktervastheid en houden het voor gevoelloosheid
en valschen trots. Maar mannen als hij kunnen niet met dezelfde maat
gemeten worden als gewone stervelingen. Een ander zou in zijn plaats
zijn vaders beurs hebben geplunderd. Maar hij heeft nog nooit een
kopeke te veel gevraagd, dat verzeker ik je!
--Hij is een onzelfzuchtig, feilloos man, zei Arkadiej.
--Zooals je zegt een toonbeeld van onzelfzuchtigheid. Wat mij betreft,
ik verafgood hem niet alleen, ik ben ook trotsch op hem en wat
mijn trots het meest streelt is, dat men eens in zijn biografie zal
lezen: hij was de zoon van een eenvoudig officier van gezondheid, die
vroegtijdig zijn talent ontdekte en alles deed voor zijn ontwikkeling,
wat...
Hij kon niet verder spreken.
Arkadiej drukte hem de hand.
--Wat denkt u? vroeg Wassili Ivanovitsj na eenigen tijd, zou hij als
medicus den roem verwerven, dien u hem voorspelt?
--Zeer zeker niet, al zal hij ook in dit vak tot de geleerdste mannen
behooren.
--In welk vak denkt u dan, dat hij...
--Dat is zoo niet te zeggen, maar hij zal een beroemd man zijn.
--Een beroemd man! herhaalde de vader en gaf zich aan zijn droomen
over.
--Arina Vlassievna laat vragen, of u thee komt drinken, zei
Anfisoesjka, die met een groote schaal frambozen voorbij kwam.
Wassili Ivanovitsj schrikte op.
--Is er room bij de frambozen? vroeg hij.
--Ja, die is er.
--Maar hij moet goed koud zijn, hoor je. Geneer je niet, Arkadiej
Nikolajitsj, neem nog maar meer. Waar zit Jevgenij zoo lang?
--Ik zit hier, riep Bazarof van uit Arkadiej's kamer.
Wassili Ivanovitsj keerde zich snel om.
--Je wilde je gast zeker verrassen. Maar je komt te laat, amice,
we zijn al een uur aan het praten samen. Kom mee thee drinken, je
moeder wacht ons. Apropos, ik moet je wat vragen.
--Wat?
--Er is hier een boer, die aan icterus lijdt.
--Hij heeft dus geelzucht.
--Ja, hij heeft een aanval van chronischen en hardnekkigen
icterus. Ik heb hem duizendguldenkruid en hondsgras gegeven. Ook
liet ik hem worteltjes eten en sodawater drinken. Maar dat zijn maar
huismiddeltjes. Hij moet wat sterkers hebben. Je spot wel met de
medicijnen, maar misschien kun je me toch raad geven.
--Daar kunnen we later over spreken. Laten we eerst thee gaan drinken.
Wassili Ivanovitsj stond vlug op van de bank en begon te zingen het
lied uit Robert le Diable:
De wijn, de wijn, het spel, de meisjes
daar houd, daar houd, daar houd ik van alleen.
--Wat een vitaliteit! zei Bazarof en ging van het venster weg.
Het was middag, en drukkend heet, al hing een fijn gordijn van blanke
wolken voor den hemel. Stilte heerschte rondom, alleen de hanen
kraaiden in het dorp, en die gerekte klanken brachten een gevoel van
traagheid en verveling over de menschen. Nu en dan snerpte boven uit
een boom de doordringende schreeuw van een jongen sperwer als een
wreede klacht.
Arkadiej en Bazarof lagen in de schaduw van een hooimijt uitgestrekt
op een hoop pas afgemaaid gras, dat bij iedere beweging ritselde,
ofschoon het nog groen en geurig was.
--Die populier, zei Bazarof, herinnert mij aan mijn kindsheid. Hij
staat aan den rand van een droge sloot, die zich gevormd heeft op de
plaats van een vroegere pannenbakkerij. Ik was overtuigd, dat die boom
en die kuil de kracht van een talisman hadden. Ik verveelde me nooit,
als ik daar was. Ik begreep toen nog niet, dat ik me alleen daarom
niet verveelde, omdat ik een kind was. Nu heeft die talisman zijn
beteekenis verloren.
--Hoeveel jaren heb je hier doorgebracht? vroeg Arkadiej.
--Twee jaar aan éen stuk. Later kwamen we nu en dan terug. We leidden
een zwerversleven en trokken altijd van de eene stad naar de andere.
--Staat het huis allang?
--Ja, mijn grootvader heeft het gebouwd, de vader van mijn moeder.
--Wat was je grootvader?
--Dat weet ik waarachtig niet. Ik geloof majoor tweede klasse. Hij
heeft nog onder Soeworof gediend en vertelde altijd, hoe ze over de
Alpen waren getrokken. Hij zal wel flink hebben opgesneden.
--Hangt daarom het portret van Soeworof in jullie eetkamer? Ik houd
van zulke oude, warme huisjes als dat van jullie. Ze hebben zoo een
eigenaardige lucht.
--Ja, olie en zeep, antwoordde Bazarof, en al die muggen in die lieve
huisjes, bah!
--Hebben ze je kort gehouden, vroeger? vroeg Arkadiej na eenig zwijgen.
--Je kent mijn ouders toch. Het zijn geen menscheneters.
--Hou je van ze?
--O ja, Arkadiej.
--Ze hangen erg aan je.
Bazarof antwoordde niet.
--Weet je, waaraan ik denk? vroeg hij eindelijk, terwijl hij de hand
onder zijn hoofd legde.
--Neen, zeg eens.
--Ik vind, dat mijn ouders een heerlijk leven hebben. Mijn vader
stelt in alles belang, ofschoon hij over de zestig is. Hij geeft
huismiddeltjes, behandelt zieken, speelt den edelmoedige bij de boeren
en is daarbij gelukkig als een kind. Mijn moeder heeft ook niet te
klagen, ze heeft het zoo druk, zooveel o! en ah!s dat ze geen tijd
heeft, tot zichzelf te komen. En ik...
--En jij?
--En ik, ik zeg tegen mezelf: daar lig je nu bij die hooimijt... de
plek, die ik noodig heb, is zoo grenzenloos klein tegenover de groote
ruimte, waar ik niet ben en waar ik niets te beteekenen heb; en de
tijd, die mij geschonken is, is zoo kort tegenover de Eeuwigheid,
waarin ik niet geleefd heb en waarin ik nooit leven zal... en toch
stroomt het bloed in dit niets, in dit stofje werken hersens en willen
nog iets... O, wat een onzin! Wat een dwaasheid.
--Wat je daar zegt, geldt voor alle menschen...
--Juist, antwoordde Bazarof, dat bedoel ik ook. Ik wilde zeggen,
dat mijn ouders, die goeierds, zich druk maken over allerlei en geen
oogenblik bedenken, dat ze niets zijn. Ze walgen niet van alles,
terwijl ik alleen nog haat en verveling kan koesteren.
--Haat? Waarom?
--Waarom? Wat een vraag! Ben je dan vergeten?
--Ik weet alles, maar ik geloof niet, dat je dat recht geeft, te
haten. Je bent niet gelukkig, dat geef ik toe.
--Ha, ha, Arkadiej Nikolajitsj, jij vat de liefde op zooals de meeste
jongelui van onzen tijd. Je lokt het kippetje, klok, klok, klok,
en zoodra het kippetje komt, maak je, dat je wegkomt. Ik doe dat
anders. Maar laten we hierover niet spreken. Als een zaak verloren is,
moet je haar laten loopen.
Hij keerde zich op een zijde en ging voort:
--Kijk, een mier, die een half-doode mug voortsleept. Vooruit, oudje,
vooruit! Bekommer je niet om haar tegenstand. In je hoedanigheid van
dier heb je het recht geen erbarmen te kennen. Dat is anders als wij
menschen, die ons vrijwillig laten vernietigen en breken.
--Je moet niet zoo spreken, Jevgenij, wanneer ben jij gebroken,
zooals je zegt?
Bazarof hief het hoofd op.
--Ik kan er trotsch op zijn. Ik heb me niet zelf gebroken. En een
vrouw zal het zeker ook niet kunnen. Basta! Het is gedaan! Je zult
geen woord meer van me hooren over dit onderwerp.
Beide vrienden lagen eenigen tijd zwijgend.
--Ja, begon Bazarof toen weer, de mensch is een merkwaardig wezen. Als
je naar het leven kijkt, zoo van terzijde en uit de verte en je ziet,
wat "de vaderen" alzoo uitvoeren, dan lijkt het wel, of alles volmaakt
en gelukkig is. Eet, drink en leef verder zoo geregeld mogelijk, als
je denkt, dat goed voor je is. Maar dat geeft niet. De verveling neemt
je te pakken. Je voelt behoefte, andere menschen te zien, te spreken,
desnoods te vechten met hen, als het maar andere menschen zijn.
--We moesten het leven zoo kunnen inrichten, dat elk oogenblik zijn
doel en zin had, antwoordde Arkadiej peinzend.
--Zeker, het is altijd prettig een beteekenis te zoeken, al gebeurt
dat ook ten onrechte. Men zou ten slotte genoegen nemen met alles,
dat geen zin heeft. Maar die kleinigheden, die armzaligheden, dat is
juist het ongeluk!
--Er zijn geen kleinigheden voor wie ze niet zien wil.
--Nu heb je een gemeenplaats omgekeerd.
--Hoe bedoel je?
--Als je me verzekert, dat de beschaving nuttig is, noem ik dat een
gemeenplaats. Maar als je beweert, dat ze schadelijk is, dan heet
dat een omgekeerde gemeenplaats. Het klinkt wat interessanter, maar
het is precies hetzelfde.
--Waar wil je de waarheid dan zoeken?
--Waar? Ik antwoord je als een echo: waar?
--Je bent zwartgallig, vandaag, kerel.
--Ja? De zon brandt ook zoo op mijn kop en we hebben zeker te veel
frambozen gegeten.
--We moesten een dutje doen, zei Arkadiej.
--Mij goed, maar dan moet je niet zoo naar me kijken. Want we zien
er zoo dom uit, als we slapen.
--Het schijnt je dus niet onverschillig te zijn, wat men van je denkt?
--Wat zal ik daarop antwoorden? Een man, die dien naam verdient, moest
zich niet bekommeren om wat men van hem denkt. De echte man is hij,
die anderen niets te denken geeft, maar hen dwingt tot gehoorzamen
of haten!
--Dat is vreemd, ik haat niemand, zei Arkadiej na een oogenblik.
--Ik wel. Jij hebt een zachte ziel, kneedbaar als boter, hoe zou jij
kunnen haten? Jij bent bangig, jij mist zelfvertrouwen.
--En heb jij veel zelfvertrouwen? vroeg Arkadiej,... nòg? Heb je een
hoogen dunk van jezelf?
Bazarof antwoordde niet dadelijk.
--Zoodra ik iemand ontmoet, die in mijn tegenwoordigheid niet den
kop laat hangen, zei hij langzaam, zal ik de meening over mijzelf
wijzigen.--Haten?--Maar wacht eens, laatst, toen wij de mooie, ruime
hut van jullie starost [12] voorbijkwamen, heette hij niet Philips,
zei jij: Rusland zal niet eerder zijn ware hoogte bereikt hebben,
voordat de geringe boer zoo een woning heeft en wij moeten er allen
toe bijdragen... Nou, ik haatte onmiddellijk dien boer, voor wiens
welzijn ik mij moet inspannen, zonder dat hij dank-u zegt. En toch, wat
zou ik aan zijn dankbaarheid hebben? Als hij in een mooi huis woont,
ben ik al lang mest voor de brandnetels op het kerkhof. En wat dan?
--Stil, Jevgenij, als men je aanhoort, vandaag, zou men geneigd zijn,
die lui gelijk te geven, die ons verwijten, dat we geen principes
hebben!
--Je praat als je waardige oom! Er zijn geen beginsels. Wist je dat nog
niet? Er zijn alleen gevoeligheden. Alles hangt af van gevoeligheden.
--Hoezoo?
--Ja. Neem mij bijvoorbeeld. Als de geest van tegenspraak en ontkenning
mij te pakken heeft, dan komt dat door mijn gevoeligheden. Ik
vind het aangenaam, neen te zeggen. Mijn hersens zijn daarop
ingesteld. En daarmee uit! Waarom houd ik van chemie? Waarom hou jij
van appels? Alles door de gevoeligheden. Hier heb je de waarheid en
nooit zullen de menschen dieper komen. We bekennen dat niet graag en
ik zal het ook niet voor de tweede maal zeggen!
--Van dit standpunt uit, is de deugd dus ook een gevoeligheid.
--Zeer zeker.
--Jevgenij! antwoordde Arkadiej, met droefheid in zijn stem.
--Och kom, smaakt het wat bitter? vroeg Bazarof, neen, mijn beste
kerel, als men besloten heeft, alles omver te maaien, mag men zijn
eigen beenen niet sparen. Maar we hebben nu genoeg gefilozofeerd. De
natuur noodt tot het genot des sluimers, zegt Poesjkien.
--Dat heeft hij nooit gezegd, antwoordde Arkadiej.
--Kan zijn, maar als dichter had hij het kunnen of moeten
zeggen. Apropos, is hij niet soldaat geweest?
--Poesjkien was nooit soldaat.
--Och kom! Op elke bladzijde roept hij: Te wapen! Te wapen. Voor
Ruslands Eer!
--Waar haal je al die verzinsels vandaan? Dat noem ik laster!
--Laster? Och wat! Denk je me bang te maken met dat woord? Wat je ook
voor praatjes van een mensch vertelt, hij verdient nog honderdmaal
meer!
--Laten we maar gaan slapen, antwoordde Arkadiej gekrenkt.
--Met genoegen, graag.
Maar ze konden den slaap niet vatten, een gevoel van vijandigheid was
in hun hart geboren. Na korten tijd sloegen ze de oogen op en keken
elkaar zwijgend aan.
--Kijk, dat verdorde blad, zei Arkadiej opeens, het raakt los van den
tak, warrelt omlaag, door de lucht, net als een vlindertje. Is dat
niet vreemd? Het droevigste en meest doode lijkt op het zonnigste en
meest levende!
--Mijn beste vriend Arkadiej Nikolajevitsj, riep Bazarof uit, ik
smeek je in 's hemels naam, praat niet zoo poëtisch!
--Ik spreek, zooals ik voel... maar dat grenst aan tyrannie! Waarom
zou ik niet zeggen, wat ik denk?
--Goed. Maar waarom zou ik dan ook niet zeggen, wat ik denk? Ik vind
het onfatsoenlijk, poëtisch te doen!
--Je vindt het zeker fatsoenlijk, grofheden te debiteeren!
--Hé, hé, je schijnt vast besloten, de voetsporen van je oom te
drukken. Wat zou die idioot tevreden zijn, als hij je eens hooren kon.
--Hoe zeg je daar van Paul Petrowitsj?
--Zooals hij verdient: een idioot.
--Dat wordt onduldbaar! riep Arkadiej.
--Aha, de familiezin ontwaakt, zei Bazarof rustig. Ik heb opgemerkt,
dat die diep zit bij de meeste menschen. Ze zijn in staat, afstand
te doen van alles, van hun vooroordeelen zelfs. Maar tóegeven, dat
een broer, die zakdoeken gestolen heeft, een dief is, dat gaat hun
krachten te boven. En natuurlijk, iemand, die mij zoo nauw verwant is,
"mijn" broeder, zou die geen genie zijn?
--Ik heb een gevoel van rechtvaardigheid en niet van familievereering
gevolgd, antwoordde Arkadiej opgewonden, maar aangezien jij geen orgaan
hebt, geen begrip voor de familie, aangezien jij deze "gevoeligheid"
mist, moest je er liever in 't geheel niet over spreken.
--Dat wil zeggen: Arkadiej Kirsanof staat te hoog, dan dat ik hem zou
kunnen begrijpen. Ik buig het hoofd en veroordeel mezelf tot zwijgen.
--Schei toch uit, Jevgenij, we krijgen nog ruzie op die manier.
--Ja, ik bezweer je, Arkadiej, we zullen ruzie maken, we zullen elkaar
afranselen, tot alle dierlijke warmte vernietigd is!
--Dat leidt dan tot...
--Tot vuistslagen! viel Bazarof hem in de rede, waarom ook niet? Hier
op het hooi, in die idyllische omgeving, ver van de wereld en
de menschen, het kon niet beter. Maar jij bent niet tegen mij
opgewassen. Ik zal je bij de strot pakken!
Bazarof strekte zijn knokige vingers uit. Arkadiej nam glimlachend
een verdedigende houding aan. Maar het gezicht van zijn vriend, het
grijnzen van zijn lippen, het sombere vuur dat in zijn oogen gloeide
was als een dreigement en onwillekeurig werd hij angstig.
--Eindelijk vind ik jullie dan! riep Wassili Ivanovitsj op dit
oogenblik, die gekleed in een jas van zelfgeweven linnen en een thuis
gefabriceerden strooien hoed voor de vrienden verscheen.
--Ik heb gezocht en gezocht... Jullie hebt een mooi plekje uitgekozen
en bent daar nuttig bezig den hemel te bekijken... Weet jullie,
dat die houding zoo een bizondere beteekenis heeft?
--Ik kijk alleen naar den hemel, als ik moet niezen, zei Bazarof
onvriendelijk, en naar Arkadiej toe, zachter: het spijt me, dat hij
tusschen beide gekomen is.
--Kom, nu is het genoeg, zei Arkadiej en drukte hem steelsgewijze
de hand.
--Ik zie jullie aan, jonge vrienden, ging Wassili Ivanovitsj voort,
schudde het hoofd en leunde, de handen gevouwen op een stok, dien
hij zelf kunstig spiraalvormig gewonden had en van boven met een
Turkschen kop versierd,
--Ik zie jullie aan en kan er niet genoeg van krijgen. Hoeveel kracht,
jeugd, talent, kundigheden liggen niet in jullie verborgen... Castor
en Pollux!
--Mooi! riep Bazarof uit, nu gaat hij aan mythologie doen. Je kunt wel
merken, dat hij in zijn tijd erg knap in het Latijn is geweest. Heb
je nooit de zilveren medaille gekregen voor je schoolwerk?
--Dioskuren! Dioskuren! herhaalde Wassili Ivanovitsj.
--Kom, vader, wees toch verstandiger. Wat minder teederheid alsjeblief.
--Een enkel maal zoo nu en dan is toch zoo erg niet, aarzelde de
oude man. Maar ik ben niet gekomen om jullie complimenten te maken,
maar in de eerste plaats om je mee te deelen, dat we gauw gaan eten
en in de tweede plaats, Jevgenij... je bent een jongen met geest,
je kent de menschen en zult dus weten te vergeven, je moeder wil
dankgebeden voor je aankomst laten houden. Maak je niet ongerust,
dat ik je vragen zal daarbij tegenwoordig te zijn. De ceremonie is
al afgeloopen. Maar Vader Alexis...
--De priester?
--Ja, de priester is thuis en zal blijven eten. Ik was er niet op
verdacht en ried het hem ook af. Ik weet niet, hoe dat zoo opeens
gekomen is... hij begreep me zeker niet... en buitendien is Arina
Vlassievna... Maar hij is een verstandig en aangenaam mensch.
--Ik hoop, dat hij mijn portie niet op zal eten? vroeg Bazarof.
--O neen, zei Wassili Ivanovitsj en lachte.
--Meer verlang ik niet. En dan kun je voor mijn part laten mee eten,
wie je wilt!
--Ik wist wel, dat je boven alle vooroordeelen verheven zoudt zijn. Het
zou ook wel kras zijn, anders. Ik met mijn twee en zestig jaren heb
ze niet eens. (Wassili Ivanovitsj durfde niet bekennen, dat hij die
gebeden even belangrijk vond als zijn vrouw, omdat hij net zoo vroom
was). Maar Vader Alexis wilde je graag leeren kennen. Ik ben overtuigd,
dat hij je mee zal vallen. Hij houdt van een spelletje en, maar dat
blijft onder ons, rookt zelfs zijn pijpje.
--Nu, na tafel zullen we een partij jeralasj spelen en dan zal ik
jullie al je geld afnemen.
--Hm, hm, hm, dat zullen we zien, zei grootmoeder altijd.
--Wilde je soms van zekere bekwaamheden misbruik maken? vroeg Bazarof
met klemtoon.
Een blos kleurde de bronzen wangen van Wassili Ivanovitsj.
--Schaam je je niet, Jevgenij? Wat voorbij is, is voorbij. Nu ja,
ik wil wel bekennen dat ik vroeger een hartstochtelijk speler was,
maar dat heb ik duur geboet... Wat is het drukkend vandaag. Mag ik
naast jullie komen zitten of stoor ik soms?
--Volstrekt niet, antwoordde Arkadiej.
Wassili Ivanovitsj ging op het gras zitten en begon met iets klagends
in zijn stem:
--Deze ligplaats herinnert me aan mijn soldatenleven, aan bivak en
ambulance. Dat was ook altijd naast een hooischelf, als er ten minste
éen was in de buurt,--hij zuchtte--och, ik heb vreeselijke dingen
gezien in mijn leven. Ik wil jullie, als je wilt, wat vertellen van
de pestepidemie, die ons in Bessarabië decimeerde.
--En die je de Wladimirorde bezorgd heeft, zei Bazarof, dat ken ik,
dat ken ik. Maar waarom draag je hem niet?
--Ik zei je daarnet immers, dat ik geen vooroordeelen heb, antwoordde
Wassili Ivanovitsj verlegen.
Hij had het roode lintje den vorigen dag pas weggenomen uit zijn
knoopsgat. En begon de episode te vertellen.
--Zie je hem? Hij is ingeslapen, fluisterde hij plotseling Arkadiej
toe, en wees naar Bazarof, terwijl hij vertrouwelijk knipoogde.
--Wakker, Jevgenij! riep hij hard, we moeten eten.
Vader Alexis, een krachtige, volle gestalte, met dik, goed verzorgd
haar en een breeden, gestikten gordel om de lila-zijden soutane,
gedroeg zich verstandig en taktvol. Hij begon met den vrienden een
hand te geven, als wist hij, dat zijn zegen hun onverschillig was,
en zonder zijn stand iets te kort te doen, zorgde hij ervoor, niemand
te grieven. Hij aarzelde niet, over het Latijn, dat in de seminariën
gedoceerd werd, lichtelijk te spotten, en nam dadelijk daarop zijn
aartsbisschop in bescherming. Na twee glazen wijn, weigerde hij het
derde. Hij accepteerde de sigaar, die Arkadiej hem aanbood, rookte
echter niet, maar zei, dat hij ze mee wilde nemen. Ook had hij de
onaangename gewoonte, telkens de hand voorzichtig en langzaam naar
het gezicht te brengen, om de vliegen te vangen en herhaaldelijk
sloeg hij ze dan plat. Hij nam aan de speeltafel plaats, zonder
daarbij veel belangstelling te toonen en won ten slotte twee roebel
vijftig-papier van Bazarof. Van berekening in zilver had men nog geen
voorstelling ten huize van Arina Vlassievna. Arina, die nooit speelde,
zat naast haar zoon, de hand tegen de wang, zooals haar gewoonte was,
en stond alleen op, om ververschingen gereed te maken. Ze was bang,
te zeer alleen voor Bazarof oog te hebben, hij moedigde haar trouwens
volstrekt niet aan. Bovendien had Wassili Ivanovitsj haar op het hart
gedrukt, hem niet te lastig te vallen. De jonge lui houden daar niet
van, zei hij.
Wij mogen niet nalaten te vermelden, dat er niets gespaard was voor
het middagmaal. Timofeitsj was met het aanbreken van den dag naar
stad gegaan, om eerste kwaliteit vleesch te koopen, de oudste knecht
was elders heen gezonden om visch en kreeft te bemachtigen, terwijl
twee en veertig kopeken in koper betaald werd aan de boerenvrouwen
voor eetbare zwammen.
In Arina's blik, onafgebroken op Bazarof gericht, lag echter niet
alleen teederheid en toewijding, ook een zekere droefheid, vermengd
met angst, nieuwsgierigheid en stil verwijt.
Maar Bazarof bekommerde zich niet om wat er te lezen was in de oogen
zijner moeder, hij sprak nauwelijks met haar en deed slechts nu en
dan een korte vraag, maar wel vroeg hij, hem haar hand te geven,
in de verwachting, dat dat geluk aanbrengen zou.
Arina Vlassievna legde haar week tenger handje in de ruwe breede hand
van haar zoon.
--En, vroeg ze een oogenblik later, helpt het?
--Het gaat nog slechter, antwoordde hij met een onverschilligen
glimlach.
--Mijnheer speelt te roekeloos, zei Vader Alexis op meewarigen toon
en streek door zijn mooien baard.
--Zoo deed Napoleon het, vadertje, zei Wassili Ivanovitsj en speelde
een aas uit.
--En zoo moet Napoleon op het eiland St. Helena gestorven zijn,
antwoordde Vader Alexis en nam de aas met een troef.
--Jenoesjenka! Wil je een glas bessenwijn? vroeg Arina Vlassievna
haar zoon.
Bazarof haalde alleen de schouders even op.
Den volgenden morgen zei hij tegen Arkadiej:
--Neen, ik moet morgen weer weg. Ik verveel me. Ik zou willen
werken. Maar het is me onmogelijk, iets te doen. Ik wil naar jullie
terug. Ik heb bij jullie al mijn werk gelaten. Bij jullie kan men
tenminste alleen zijn. Maar hier is het den heelen dag: je kunt over
mijn studeerkamer beschikken, daar ben je alleen. Maar zelf laat mijn
vader me geen oogenblik met rust. En ik kan de deur toch niet voor
hem sluiten. Moeder is even lastig. Ik hoor haar voortdurend zuchten
in haar kamer en als ik bij haar ben, weet ik niet wat ik zeggen moet.
--Ze zal erg bedroefd zijn, als je weggaat, en je vader ook,
antwoordde Arkadiej.
--Ik kom terug.
--Wanneer?
--Als we weer naar Petersburg gaan.
--Ik heb te doen met je moeder.
--Waarom? Omdat jij zulke lekkere ingemaakte vruchten van haar krijgt?
Arkadiej sloeg de oogen neer.
--Je kent je moeder niet, zei hij. Ze heeft niet alleen een hart
van goud, maar ze is een verstandige vrouw ook. We hebben van morgen
langer dan een half uur samen gepraat en dat was erg onderhoudend en
lang niet dom.
--Ik was het onderwerp van gesprek?
--We hebben ook over andere dingen gesproken.
--Best mogelijk, dat je gelijk hebt. Als toeschouwer zie je die dingen
beter. Als een vrouw in staat is een half uur lang een gesprek gaande
te houden, dan is dat een goed teeken. Maar dat kan mij niet van mijn
plan afbrengen.
--Ik weet niet, hoe je hun dat zult meedeelen. Zij schijnen te denken,
dat we minstens nog veertien dagen blijven.
--Dat gaat niet. Buitendien was ik zoo dom, mijn vader te plagen, omdat
hij laatst een boer had laten afranselen en niet ten onrechte. Ja,
met recht, kijk me maar niet zoo aan. 't Was een onverbeterlijke
dief en dronkenlap. Maar mijn vader wist niet, dat ik er alles van
wist. Hij was erg onder den indruk. En daarom is 't een beetje lam,
dat ik hem nu weer verdriet moet doen. Maar wat doet het er ook
toe!... Het zal wel weer overgaan.
Ofschoon Bazarof dit nog al onverschillig had gezegd, kon hij het
toch niet van zich verkrijgen, eerder over zijn vertrek te spreken
dan op het oogenblik van goeden nacht zeggen in de studeerkamer. Met
bedwongen geeuw, zei hij:
--Ja, nog wat... ik had bijna vergeten het te zeggen, de paarden
moeten morgen vooruit gebracht worden naar Fedot.
Wassili Ivanovitsj bleef als versuft staan.
--Wil Arkadiej Kirsanof ons verlaten? vroeg hij eindelijk.
--Ja, en ik ga met hem mee.
Wassili Ivanovitsj schrok terug.
--Wil je weg?
--Ja, ik moet werken. Wil je de paarden vooruit sturen?
--Ja, ja, stotterde de oude man, naar de
wisselplaats... goed... goed... maar... hoe kan dat nou?...
--Ik moet een paar dagen naar de Kirsanofs. Dan kom ik terug.
--O? Een paar dagen?... Goed...
Wassili Ivanovitsj nam zijn zakdoek, snoot en bukte zich bijna tot
den vloer.
--Goed... ja,... ik zal er voor zorgen. Maar ik hoopte, dat je
langer... dan drie dagen... na drie jaar afwezigheid... het is niet
veel, Jevgenij.
--Ik zei toch al, dat ik terugkom. Maar het moet nu...
--Moet... nu ja... Zijn plicht moet men doen. Je wilt de paarden
vooruit hebben? Het is goed, maar we hadden daar niet op gerekend,
je moeder en ik. Ze heeft net bloemen laten halen voor je kamer.
Wassili Ivanovitsj zei er niet bij, dat hij elken morgen met het
aanbreken van den dag op zijn pantoffels Timofeitsj opzocht en hem
een gescheurd bankbiljet in de hand stopte, dat bestemd was voor
allerlei eetwaren en rooden wijn, waarvan de jongelui zooveel hielden.
--Er is niets heerlijkers dan de vrijheid, dat is mijn opvatting. Je
moet de menschen niet dwingen, je moet...
Wassili Ivanovitsj zweeg plotseling en ging naar de deur.
--We zien elkaar gauw weer, vader, dat beloof ik je.
Maar Wassili Ivanovitsj keek niet meer om, hij ging de kamer uit. Op
zijn slaapkamer vond hij Arina Vlassievna ingeslapen. Hij bad zachtjes,
om haar niet te storen, maar ze ontwaakte.
--Ben jij het, Wassili Ivanovitsj? vroeg ze.
--Ja, moedertje.
--Kom je van Jenoesja? Ligt hij wel goed op die sofa? Ik heb
Anfisoesjka gezegd, dat ze hem jouw oude veldbed en de nieuwe kussens
moet geven. Ik had hem graag het veeren bed gegeven. Maar hij ligt,
geloof ik, niet graag week.
--Dat hindert niet, moedertje, hij heeft over niets te klagen. Wees
maar gerust... Heer, vergeef ons onze zonden! bad hij voort.
Meer zei Wassili Ivanovitsj niet. Hij wilde zijn vrouw het nieuws
niet vertellen. Want het zou haar nachtrust verstoord hebben.
Den volgenden morgen reisden de jonge lieden af. Alles in huis was
terneergedrukt. Anfisoesjka liet borden vallen, Fedka scheen versuft
en trok zijn laarzen uit. Wassili Ivanovitsj had het nog drukker dan
anders. Hij deed zich geweld aan, zijn verdriet te verbergen, praatte
erg hard-op en deed luidruchtig. Maar zijn gezicht was ingevallen
en hij vermeed het, zijn zoon aan te zien. Arina Vlassievna weende
stil. Ze zou het hoofd geheel verloren hebben, als Wassili Ivanovitsj
haar niet heel in de vroegte een preek gehouden had.
Maar toen Bazarof zich eindelijk, na herhaalde verzekeringen dat hij
binnen een maand terug zou zijn, uit de armen, die hem vasthielden,
had losgewerkt, en in het rijtuig zat, toen de paarden aanzetten
en het geluid der bellen zich mengde met het kraken der wielen en
verder--verder klonk, toen het niet meer baatte, den tarantas nog
langer na te kijken, toen het stof weer opgetrokken en Timofeitsj,
gebroken, zijn slaapplaats had opgezocht, toen eindelijk de beide
oudjes weer alleen waren in hun huis, dat hun nu nog nauwer en meer
vervallen toescheen, liet Wassili Ivanovitsj, die daareven nog zoo
trotsch en sterk gewuifd had met zijn zakdoek, zich in zijn leunstoel
vallen en het hoofd zinken op de borst...
--Hij heeft ons verlaten, beefden zijn lippen, verlaten... hij
verveelde zich bij ons. Nu ben ik weer alleen, alleen... alleen... en
hij strekte den wijsvinger van zijn rechterhand uit.
Arina Vlassievna trad op hem toe, legde haar grijze hoofd tegen zijn
grijs hoofd en zei:
--Wat is er aan te doen, Wassili? Een kind is als een stuk goed,
dat laat los. Een zoon lijkt op een valk. Het behaagt hem te komen
en hij komt. Hij wil gaan, en hij gaat. Maar wij beiden, jij en ik,
wij zijn twee kleine zwammen in een hollen boom. En zoo leven we naast
elkaar, stilletjes aan. Ik zal jou niet alleen laten en jij zult mij
niet alleen laten en jij zult mij niet verlaten...
Wassili Ivanovitsj hief zijn hoofd op en drukte haar tegen zich aan,
inniger dan hij het ooit gedaan had, ook, toen zij nog jong waren.
Ze had hem troost gegeven in zijn oud verdriet.