Bazarof begon, nadat hij zijn vriend met woorden van ironische
spijtigheid en wel-begrijpen-waarheen-de-reis-ging, uitgeleide had
gedaan, geheel in zich zelf teruggetrokken te leven, Arbeidswoede
scheen zich van hem meester gemaakt te hebben. Hij redetwistte niet
meer met Paul Petrowitsj, dewijl deze bij zulke gelegenheden al te
aristocratisch deed door niet met woorden, maar met losse klanken
te antwoorden. Eenmaal had Paul zich tot een woordenstrijd met den
nihilist laten verleiden. Dat ging over de rechten van den adel in de
Baltische provincies, een actueele kwestie in die dagen. Maar opeens
had hij een einde aan de discussie gemaakt door de koel-beleefde
opmerking:
--Wij zullen het nooit eens worden. Ik heb tenminste niet de eer,
u te begrijpen.
--Dat betwijfel ik, was Bazarofs antwoord, de mensch kan alles
begrijpen: de trillingen van den aether en de wijzigingen, die de
zon ondergaat; maar hij zal nooit begrijpen, dat hij zijn neus op
een andere manier zou kunnen snuiten, dan hij doet.
--Vindt u dat geestig? antwoordde Paul en ging terzijde.
Toch kwam hij er toe, Bazarof te vragen, of hij zijn proefnemingen
mocht bijwonen. Zelfs boog hij eens zijn met zeldzame essences
geparfumeerd gezicht over den microscoop, om te zien, hoe een
doorzichtig infusiediertje een groenachtig atoom verslond, dat het met
een soort grijpvingers om en om draaide. Paul Petrowitsj kwam vaker
op Bazarofs kamer dan Nikolaas. Hij zou iederen dag komen, om les te
nemen, zooals hij zei, indien de zaken hem niet elders riepen. Hij
stoorde den jongen natuuronderzoeker allerminst. Hij bleef in een
hoek der kamer, volgde de onderzoekingen zwijgend en oplettend en
veroorloofde zich slechts zelden een bescheiden vraag. Bij middag-
en avondmaaltijd trachtte hij het gesprek op physica, geologie of
chemie te brengen, want alle andere onderwerpen, zelfs landbouwkundige
kwesties, om van politieke in 't geheel niet te spreken, konden twist
of onaangename uiteenzettingen ten gevolge hebben.
Nikolaas was er zeker van, dat de antipathie van zijn broeder tegen
Bazarof niet verminderd was. Een onbelangrijke omstandigheid bevestigde
hem in die meening.
De cholera verscheen in het distrikt en had reeds twee bewoners van
Marjino weggerukt. Paul had eens 's nachts een vrij hevigen aanval te
verduren. Hij leed pijnen tot de morgen aanbrak, maar wilde niet de
kunst van Bazarof beproeven. Toen deze hem bezocht en vroeg, waarom
hij hem niet had laten roepen, antwoordde hij nog bleek, maar toch
zorgvuldig gekamd en geschoren:
--Heb ik u niet eens hooren zeggen, dat u niet gelooft in de
medicijnen?
Bazarof zette intusschen zijn eenzame onderzoekingen voort.
Iemand echter was er in huis, voor wie hij wel niet zijn hart opende,
maar wier gezelschap hem toch bijzonder aangenaam was:
Fenitsjka.
Hij ontmoette haar meestal 's morgens vroeg in den tuin of bij de
woningen. Hij kwam nooit in haar kamer en zij was één enkel maal aan
zijn deur geweest, om te vragen, of ze Mitia zou mogen baden. Ze
stelde een onbeperkt vertrouwen in hem en gevoelde zich in zijn
tegenwoordigheid vrijer en ongedwongener dan tegenover Nikolaas
Petrowitsj. Het is nog al moeilijk, de oorzaak hiervan aan te
geven. Misschien begreep ze instinctmatig, dat Bazarof niets van den
hoogen heer, van den edele, niets van die hoogheid had, die tegelijk
aantrekt en bang maakt. Hij was in haar oogen een uitmuntend geneesheer
en een goed mensch. In zijn tegenwoordigheid kon ze voortgaan, haar
kind te verzorgen en eens bij een aanval van duizeligheid en hoofdpijn
nam ze uit zijn hand een drankje in.
Als Nikolaas Petrowitsj er bij was, gedroeg ze zich minder
gemeenzaam tegenover Bazarof, niet uit berekening, maar omdat het zoo
hoorde... Voor Paul gevoelde ze meer angstig ontzag dan ooit. Hij
scheen haar doen en laten sedert eenigen tijd te bespieden en kon
plotseling, als uit den grond opgerezen, in zijn engelsch pak, met
zijn onbewogen gezicht, zijn doordringenden blik en de handen in de
zakken, van achter haar rug te voorschijn komen.
--Hij kan je zóo laten schrikken, zei ze tegen Doeniasja, en die
antwoordde dan met een zucht, omdat zij aan een anderen gevoellooze
werd herinnerd. En dat was Bazarof, die zonder het te weten, de wreede
tyran van haar hart geworden was.
Bazarof beantwoordde de vereering van Fenitsjka. Als hij met haar
praatte, kreeg zijn gezicht een andere uitdrukking, vroolijker,
lichter, bijna zacht en tegelijk kwam er iets spottend-vriendelijks
in zijn meestal onverschillige houding. Fenitsjka werd bij den
dag mooier. Er is een tijd voor jonge vrouwen, dat ze zich gaan
ontplooien en openbloeien als de zomerrozen; die tijd was voor
Fenitsjka aangebroken. En alles droeg daartoe bij, zelfs de hitte
van de Julimaand. In haar licht zomerkleedje scheen ze nog blanker
en lichter zelf. De zon bruinde haar niet en de warmte, die men
niet ontloopen kon, gaf haar wangen en ooren een teeder rose,
spreidde over haar wezen een liefelijke matheid en gaf haar oogen
iets smachtend-droomends van een onweerstaanbare teederheid. Ze kon
bijna niet werken, de handen schenen als het ware bij het werk neer
te glijden. Ze kon nauwelijks loopen en klaagde, klaagde maar over
een grappig-lieve machteloosheid.
--Je moet meer koude baden nemen, zei Nikolaas. Hij had hiertoe een
groot zeildoek laten spannen over éen van de vijvers, die nog niet
geheel opgedroogd was.
--Och, Nikolaas Petrowitsj, ik ben dood, eer ik aan den vijver kom,
of ik sterf op den terugweg, antwoordde ze dan.--Er is heelemaal geen
schaduw in den tuin.
--Dat is waar, gaf Nikolaas toe en wreef zijn voorhoofd.
Op een morgen tegen zeven uur vond Bazarof, van een wandeling
teruggekeerd, Fenitsjka in het vlierboschje, dat reeds uitgebloeid,
maar toch nog groen en frisch aandeed. Zij zat op de bank, een witte
zakdoek over het hoofd. Naast haar lagen roode en witte rozen, nog
bedauwd. Hij wenschte haar goeden morgen.
--Ah, Jevgenij Wassilitsj, zei ze en hief een punt van den zakdoek op,
om hem aan te zien. Hierbij kwam een arm tot den elleboog bloot.
--Wat doet u hier? vroeg Bazarof en ging naast haar zitten.--Bloemen?
--Ja, voor de ontbijttafel. Nikolaas Petrowitsj houdt daar zoo van.
--Maar we ontbijten toch nog lang niet. Wat een massa bloemen!
--Ik heb ze daarnet geplukt. Anders is het te heet. Men kan alleen
's morgens vroeg adem halen. Ik kan die hitte niet meer verdragen. Ik
geloof, dat ik ziek word...
--Och kom, waar denkt u aan! Laat uw pols eens voelen.
Bazarof nam haar hand, legde zijn duim op den onder teer-vochtige
huid verborgen polsslagader, maar telde niet eens de rustige slagen.
--U wordt honderd jaar, zei hij, en liet haar hand los.
--O, alstublieft niet! riep ze uit.
--Waarom? Wilt u dan niet graag lang leven?
--Honderd jaar? Mijn grootmoeder is tachtig jaar geworden en dat was
treurig om te zien, heelemaal zwart, doof, mismaakt, altijd hoesten,
zich zelf tot last. Is dat leven?
--'t Is dus beter, jong te zijn?
--Ik zou het wel denken.
--En zeg nu eens, waarom!
--Neemt u mij bij voorbeeld. Ik ben nog jong en kan alles doen. Ik ga,
kom, zorg voor mezelf en heb niemand noodig. Is dat niet heerlijk?
--Mij kan het niet schelen, of ik jong ben of oud. Dat is me
onverschillig.
--Hoe kunt u dat zeggen, dat u dat onverschillig is! Het is niet
mogelijk, dat u zoo denkt.
--Oordeel zelf maar, Fedosia Nikolajevna, wat heb ik aan mijn
jong-zijn? Ik leef eenzaam... een vrijgezel...
--Dat ligt aan u zelf.
--Dat is niet waar. Niemand bekommert zich om mij.
Fenitsjka keek hem even aan, maar antwoordde niet.
--Wat hebt u daar voor een boek? vroeg ze eenige oogenblikken later.
--Dat is een geleerd boek en moeilijk te begrijpen.
--U studeert altijd. Verveelt dat niet? U moet toch nu wel alles weten,
denk ik.
--Dat denk ik niet. Probeer eens te lezen in dat boek.
--Ik zal er niets van begrijpen. Is het Russisch? vroeg ze, terwijl
ze het boek met beide handen aannam.--Wat is het dik!
--Ja, het is Russisch.
--Dat doet er niet toe, ik begrijp het toch niet.
--Dat weet ik wel. Maar ik wilde u zien lezen. Het puntje van uw neus
beweegt zoo aardig, als u leest.
Fenitsjka, die begonnen was hardop een verhandeling over creosoot te
lezen, lachte en gaf het boek terug, dat op den grond viel.
--Ik houd ook van uw lachen, zei Bazarof.
--Scheidt u toch uit!
--Ik vind het ook prettig, je te hooren spreken. Dat klinkt als het
gemurmel van een beekje.
Fenitsjka keerde zich af.
--Wat bent u toch raar, zei ze en streelde haar bloemen, hoe kunt
u naar mij willen luisteren, u hebt toch al met zooveel geleerde
dames gesproken.
--Och Fedosia Nikolajevna, alle geleerde dames op de wereld zijn niet
zooveel waard als jouw ellebogen!
--Wat een onzin! zei Fenitsjka zacht en drukte haar ellebogen in
de zijden.
Bazarof raapte het boek op.
--Dat is een medisch boek. Waarom heb je dat op den grond gegooid?
--Een medisch boek? herhaalde ze en keek hem aan.--Weet u nog, dat
u me droppels gegeven hebt voor Mitja? Sedert slaapt hij als een
roos. Dat dank ik u. U bent goed.
--Eigenlijk moest ieder doktersadvies betaald worden, glimlachte
Bazarof. Dokters zijn inhalige lui.
Fenitsjka keek Bazarof aan. Het witte licht over haar gezicht maakte
den gloed in haar oogen dieper. Ze wist niet, of hij schertste of niet.
--Goed, antwoordde ze.--Maar dan moet ik daarover even spreken met
Nikolaas Petrowitsj.
--Je denkt dus, dat ik geld wil, hernam Bazarof.--Neen, geld wil ik
niet van je.
--Wat dan?
--Raad eens.
--Ik weet het niet.
--Dan zal ik het zeggen. Ik wil een van die rozen.
Fenitsjka begon weer te lachen en klapte in de handen, zoo vreemd
vond ze het verzoek van Bazarof. En tegelijkertijd gevoelde ze zich
zeer gevleid. Bazarof keek haar vast aan.
--Graag, graag, zei ze en bukte zich, om een bloem uit te zoeken.--Wilt
u een roode of een witte?
--Een roode, en geen groote.
Fenitsjka richtte zich weer op.
--Hier, zei ze, maar meteen trok ze haar hand weer terug, beet op de
lippen, keek rond en luisterde.
--Wat is er? vroeg Bazarof, is Nikolaas Petrowitsj daar?
--Neen, hij is op het land. En ik ben ook niet bang voor hem. Maar
Paul Petrowitsj... ik dacht...
--Ben je dan bang voor Paul Petrowitsj?
--Hij maakt me bang. Hij spreekt wel niet tegen me, maar hij kan me
zoo vreemd aankijken. U houdt ook niet van hem, wel? Ik herinner me,
dat u altijd met hem kibbelde. Ik wist niet, waarom, maar ik begreep,
dat u hem flink de waarheid zei... zoo... zoo...
Fenitsjka illustreerde met haar hand, hoe ze zich voorstelde, dat
dit gebeurde.
Bazarof glimlachte.
--En zou je me geholpen hebben, als hij mij in het nauw gedreven had?
--Kan ik u dan helpen? Maar tegen u kunnen ze niet zoo gemakkelijk op.
--Denk je? Maar ik weet een hand, die mij met één vingerstoot omver
heeft!
--Wat is dat voor een hand?
--Dat weet je wel! Hier, ruik die roos eens, heerlijk, hé?
Fenitsjka boog over de bloem. De zakdoek viel van haar hoofd en toonde
het volle, glanzend-zwarte haar.
--Ik wil ook ruiken, zei Bazarof, en drukte een krachtigen kus op de
half-open lippen van de jonge vrouw.
Zij trilde en duwde beide handen tegen Bazarofs borst, maar zwakjes
en hij kon haar nog eens kussen.
Een droge kuch klonk van achter het struikgewas. Fenitsjka vloog naar
de andere zijde van de bank.
Paul kwam te voorschijn, groette licht en zei langzaam, met iets
bitter-droevigs in zijn stem:
--Bent u hier?--en ging verder.
Fenitsjka raapte haar rozen bijeen en stond op.
--Dat is vreeselijk voor u, Jevgenij Wassiljewitsj, fluisterde ze en
snelde huiswaarts.
Bazarof herinnerde zich een dergelijk tooneel, niet lang geleden. Die
herinnering wekte een gevoel van schaamte en zelfverachting in zijn
ziel. Maar toen schudde hij het hoofd, wenschte zich geluk niet zonder
ironie en ging naar zijn kamer.
Paul verliet den tuin en ging langzaam boschwaarts. Hij bleef lang weg
en toen het ontbijt verscheen, vroeg zijn broeder of hij onwel was,
want zijn gelaat was somber.
--Je weet, dat ik lijd aan overloop van gal, antwoordde hij kalm.