XIX.

Ofschoon ze haar gevoelens volkomen beheerschte en veel vooroordeelen

overwonnen had, kon ze toch iets pijnlijks niet onderdrukken,

toen ze wederom in de eetkamer kwam. Er had niets bizonders plaats

gedurende den maaltijd. Porphyriej Platonitsj verscheen en vertelde

allerlei aardigheden. Hij was in de stad geweest. Hij had onder ander

nieuws gehoord, dat de goeverneur de ambtenaren uit zijn onmiddellijke

omgeving bevolen had, sporen te dragen, opdat dringende zaken dadelijk

te paard uitgevoerd konden worden.

Arkadiej praatte zachtjes met Katja en bewees de vorstin-tante,

als volmaakt diplomaat, kleine oplettendheden. Bazarof was stil en

somber. Mevrouw Odintsof keek hem eenige malen tersluiks aan, wanneer

hij zoo met neergeslagen oogen en een alles verachtende strengheid

om zijn lippen scheen te zeggen: Neen, neen, neen!

Na tafel gingen allen in den tuin. Anna Sergejevna zag, dat Bazarof

haar wilde spreken, liep enkele schreden vooruit en bleef toen

staan. Hij trad op haar toe en zei, nog altijd met neergeslagen oogen

en droeve stem:

--Ik moet u vergiffenis vragen. U zult zeker heel boos zijn.

--Neen, ik ben in 't geheel niet boos op u, antwoordde ze, maar ik

ben bedroefd.

--Des te erger. In ieder geval ben ik voldoende gestraft. Mijn

positie is onmogelijk geworden, dat zult u toegeven. U schreef:

Waarom vertrekken? En ik kan en wil niet blijven. Morgen ga ik weg.

--Jevgenij Wassiljewitsj, waarom...

--Waarom ik weg ga?

--Neen, dat wilde ik niet zeggen.

--Wat voorbij is, komt niet terug. En vroeg of laat moest dit

gebeuren. U ziet, er blijft mij niets anders over. Onder eén enkele

voorwaarde zou ik nog kunnen blijven. Die voorwaarde zal nooit vervuld

worden. Vergeeft u mijn vermetelheid, maar u hebt mij immers niet

lief en zult mij nooit liefhebben.

Bazarofs oogen fonkelden even onder de zware wenkbrauwen.

Anna Sergejevna antwoordde niet, maar ze dacht: die man maakt me bang.

--Goeden dag! zei Bazarof, alsof hij in haar ziel gelezen had en liep

in de richting van het huis.

Anna Sergejevna volgde hem langzaam. Ze riep Katja, nam haar arm,

dien ze vasthield. Ze speelde niet mee en glimlachte gedwongen bij elke

gelegenheid. En dit stond slecht bij haar bleek, moe gezicht. Arkadiej

begreep niets van dit alles en vroeg zich, alleen opmerkend, af:

wat beduidt dit toch? Bazarof had zich op zijn kamer opgesloten,

maar kwam bij de thee. Mevrouw Odintsof had hem gaarne vriendelijk

toegesproken, maar ze wist niet, wat te zeggen. Een onverwachte

omstandigheid kwam haar te hulp. Sitnikof werd aangediend. Het is

moeilijk de merkwaardige houding van den jongen "liberaal" bij zijn

entrée de chambre te beschrijven. Met de hem eigen onbeschaamdheid

had hij besloten, een vrouw te bezoeken, die hij nauwelijks kende

en die hem nooit had uitgenoodigd, maar bij wie, zooals hij wist,

twee ontwikkelde vrienden te gast waren. Toch was hij buitengewoon

verlegen en in plaats van zich te ontlasten van zijn uit het hoofd

geleerde complimenten en verontschuldigingen, stotterde hij allerlei

dwaasheid: Eudoxia, dat wilde zeggen: Koeksjin had hem gezonden om

te informeeren naar den gezondheidstoestand van Anna Sergejevna en

Arkadiej Nikolajewitsj had altijd zeer vleiend over Anna Sergejevna

gesproken... Midden in dien onzin bleef hij steken en werd zoo verward

dat hij op zijn hoed ging zitten. Men joeg hem echter niet weg en Anna

Sergejevna stelde hem zelfs voor aan haar tante en zuster en daardoor

kreeg hij langzamerhand zijn tegenwoordigheid van geest terug en ging

door met kletsen. Wanneer de menschelijke domheid verschijnt, kan

dat zijn nut hebben. Zij brengt ontspanning in al te strak gespannen

verhoudingen en te trotsche en ijdele gevoelens herinnert zij eraan,

dat domheid en geest een zelfden oorsprong en veelal gelijkenis

hebben. De verschijning van Sitnikof gaf een rustiger, eenvoudiger

toon aan het leven in huis. Men soupeerde met meer smaak en ging een

half uur vroeger dan gewoonlijk ter ruste.

--Nu kun je herhalen, zei Arkadiej van uit zijn bed tot Bazarof, die

zich ook gereed maakte voor den nacht, wat je mij eens hebt gezegd:

waarom zoo droevig? Zeker een of anderen heiligen plicht nagekomen?

De vrienden hadden sedert eenigen tijd de gewoonte, elkander op

dezen zoet-bitteren toon te plagen, hetgeen altijd een bewijs is van

innerlijk verdriet en wantrouwen, dat nog verborgen wil blijven.

--Ik ga morgen weg naar huis, zei Bazarof. Arkadiej keerde zich om

en leunde op zijn elleboog. Dit bericht verraste hem aangenaam.

--O, antwoordde hij, ben je daarom zoo down?

--Veel weten veroorzaakt hoofdpijn, antwoordde Bazarof en gaapte.

--En Anna Sergejevna? vroeg Arkadiej.

--Wat zou die?

--Ik bedoel, laat zij je gaan?

--Ik ben toch niet in haar dienst!

Arkadiej zweeg, peinzend en Bazarof keerde zich met het gezicht naar

den muur. Het bleef eenigen tijd stil.

--Jevgenij, riep Arkadiej opeens.

--Wat is er?

--Ik ga morgen met je mee.

Bazarof antwoordde niet.

--Ik ga ook naar huis, ging Arkadiej voort, we kunnen samen reizen

tot Chochlof, waar je dan met Fedot verder je reis bepalen kunt. Ik

had graag je ouders leeren kennen, maar ik vrees jou en hun ongelegen

te komen. En dan kom je hoop ik later nog eens bij ons?

--Mijn bagage staat nog bij jullie, antwoordde Bazarof, zonder om te

keeren. Waarom zou hij de redenen niet vragen van mijn plotseling

besluit? dacht Arkadiej.--Waarom moeten we eigenlijk zoo opeens

weg? Hij zoowel als ik?

Maar hij vond geen antwoord op die vragen en zijn hart was vol stille

bitterheid. Hij voelde, dat het hem moeilijk zou vallen, dit leven,

waaraan hij nu gewoon was geworden, te veranderen, maar nog moeilijker

scheen het, alleen achter te blijven zonder Bazarof. Er moet iets

gebeurd zijn tusschen hen, dacht hij, maar wat heb ik hier nu nog te

doen, als hij weg is? Zij wil niets van mij weten en dan zou ik het

zeker heelemaal verbruiden... Hij zag Anna Sergejevna's beeld voor

zich, maar dat maakte langzaam plaats voor een ander...

--Jammer voor Katja, fluisterde hij in zijn kussen en vreemd, er

viel een traan. Plotseling streek hij zich met de hand door het haar

en riep:

--Wat moest die idioot van een Sitnikof hier doen?

Bazarof kwam in beweging.

--Ik zie, dat je nog heel dom bent, zei hij eindelijk. Lui

als Sitnikof kunnen we niet missen. We hebben zulke idioten

volstrekt noodig. Begrijp je me? De goden hebben ander werk als

pottenbakken! [10]

--Hm! dacht Arkadiej. En voor het eerst zag hij Bazarofs eigenliefde

in haar geheelen omvang.

--Wij zijn dus goden, jij en ik? Of liever jij! Want ik ben

waarschijnlijk ook wel een idioot, is het niet?

--Ja, antwoordde Bazarof, jij bent nog dom...

Mevrouw Odintsof toonde zich niet bijster verrast, toen Arkadiej haar

den volgenden morgen meedeelde, dat hij met Bazarof zou vertrekken. Ze

zag er vermoeid en verstrooid uit. Katja keek hem ernstig aan en zei

niets. De tante maakte een kruis onder haar sjaal zoodanig, dat hij

het moest zien. Sitnikof raakte geheel buiten zichzelve. Hij had een

nieuwen rok aan, die niets van den slavophiel vertoonde. Den vorigen

dag had de knecht, die hem bedienen moest, verwonderd gestaan over

de massa linnengoed, die de nieuwe gast had meegebracht. En nu gingen

zijn vrienden weg! Hij liep angstig en besluiteloos heen en weer als

een gejaagde haas aan den rand van een woud. En geheel onverwachts

verklaarde hij bijna schreeuwend, dat ook hij besloten had, weg te

gaan. Mevrouw Odintsof drong er niet op aan, dat hij zou blijven.

--Ik heb een gemakkelijk rijtuig, zei de ongelukkige jongeling tot

Arkadiej, ik kan u naar huis brengen. Jevgenij Wassiljewitsj kan dan

uw tarantas nemen. Zoo gaat het gemakkelijk.

--Hoe komt u erbij? Ons huis ligt niet langs uw weg. Dan moest u een

grooten omweg maken.

--Dat beteekent niets. Ik heb tijd. En buitendien moet ik voor zaken

in uw buurt zijn.

--Wodki-zaken? vroeg Arkadiej, op bijna verachtenden toon.

Maar Sitnikof was zoo onthutst, dat hij niet eens begon te lachen.

--Ik verzeker u, dat mijn rijtuig bizonder gemakkelijk is, ging hij

voort, en dat er plaats is voor ons allen.

--Krenkt u den heer Sitnikof niet door te weigeren, zei Anna

Sergejevna.

Arkadiej keek haar aan en boog het hoofd.

Na het ontbijt had het vertrek plaats. Bij het afscheid gaf mevrouw

Odintsof Bazarof een hand en zei:

--Tot ziens, niet waar?

--Zooals u wilt.

--Dan zien we elkaar weer.

Arkadiej ging het eerst en nam plaats in Sitnikofs rijtuig. De

hofmeester hielp hem eerbiedig instappen, maar hij gevoelde lust,

hem te slaan of te weenen. Bazarof ging in den tarantas. Toen ze

in Chochlofsk aangekomen waren, wachtte Arkadiej, tot Fedote, de

herbergier, zijn paarden voor de tarantas had gespannen. Daarop ging

hij naar het voertuig en zei met de vroegere hartelijkheid tot Bazarof:

--Jevgenij, laat mij meegaan. Ik wil met je mee.

--Stap maar in, mompelde Bazarof.

Toen Sitnikof, die fluitend rondliep, die woorden hoorde, sperde

hij den mond van verbazing open. Arkadiej nam rustig zijn koffers,

ging naast Bazarof zitten, groette Sitnikof beleefd en riep: Vooruit!

De paarden trokken aan en de tarantas was weldra uit het gezicht

verdwenen. Sitnikof, die niet bekomen kon van zijn verbazing, keek den

koetsier grimmig aan, sprong in het rijtuig, riep twee voorbijgaande

boeren toe: zet je mutsen op, ezels! en reed stadwaarts, waar hij

laat aankwam. Den volgenden dag had hij het met madame Koeksjin in

haar salon, over die twee hoogmoedige grove kinkels, die hem zoo maar

in den steek hadden gelaten.

Arkadiej drukte Bazarof de hand, toen hij naast hem zat en zei

langen tijd geen woord. Bazarof scheen dit zwijgen, dien handdruk te

begrijpen. Den vorigen nacht had hij geslapen, noch gerookt. Reeds

eenige dagen had hij ook weinig gegeten. Zijn somber ingevallen

gezicht teekende zich scherp af onder de reismuts.

--Geef me een sigaar, zei hij eindelijk,... heb ik een beslagen

tong? kijk eens.

--Ja, antwoordde Arkadiej.

--Dacht ik wel... daarom smaakt me die sigaar niet. De machine

loopt niet.

--Ja, je bent wel veranderd, zei Arkadiej.

--Heeft niets te beteekenen, zal wel weer goed komen. Alleen voor

de zorgzaamheid van mijn moeder ben ik bang. Als men niet zijn buik

volstopt en tienmaal per dag eet, heeft ze geen rust. Mijn vader is

gelukkig niet zoo. Die kent de wereld en is door de wol geverfd.

--Niet te rooken! zei hij ergerlijk en gooide de sigaar naar buiten.

--Ligt jullie goed niet vijf en twintig werst van hier? vroeg Arkadiej.

--Ja. Maar hier is een wijsgeer, die het ons precies kan zeggen. En

daarbij wees hij naar den boer, die op den bok zat en wien Fedote de

leidsels gegeven had. De wijsgeer antwoordde:

--Wie weet? De wersten worden hier niet gemeten.

En daarna sprak hij weer zacht met zijn paard, dat voortdurend den

kop schudde.

--Ja, ja, zei Bazarof, dat moet ons een leering zijn. Ik geloof, dat

de duivel de hand in het spel heeft. De mensch hangt aan een draad,

ieder oogenblik kan hij in een afgrond storten, die zich voor hem

opent. En daaraan heeft hij nog niet genoeg. Hij bedenkt nog allerlei

domheden, die hem nog ongelukkiger maken.

--Wat bedoel je? vroeg Arkadiej.

--Niets. En zoo zeg ik ook zonder bedoeling, dat we ons als ezels

hebben gedragen. Buitendien heb ik opgemerkt, dat zieken, die hun

toestand overzien, altijd beter worden.

--Ik begrijp je niet goed, antwoordde Arkadiej, ik geloof, dat je

geen reden hebt, je te beklagen.

--Omdat je mij niet goed begrijpt, zal ik je dit zeggen. Men doet

beter, steenen te kloppen op straat, dan een vrouw ook maar den top

van den kleinen vinger te geven. Dat is allemaal... Bazarof wilde

zijn lievelingswoord romantiek lanceeren, maar hij hield zich in.

--Je zult me nu niet gelooven, ging hij voort, en toch is het waar,

wat ik zeg. We zijn allebei in vrouwengezelschap verzeild geraakt en

dat leventje beviel ons wel. Maar het is even aangenaam, dit gezelschap

weer te verlaten, als op een heeten dag een koude douche te nemen. Een

man heeft beter te doen, dan zich met zulke dwaasheden afgeven. Een

man moet wild zijn, zei een heel verstandig spaansch spreekwoord. Jij

bijvoorbeeld, vriend, zeg eens, richtte hij zich tot den koetsier,

heb jij een vrouw?

De boer keek om en toonden den beiden vrienden zijn breed, plat

gezicht.

--Een vrouw? Zou ik geen vrouw hebben?

--Sla je haar?

-- Mijn vrouw? Dat hangt er van af.--Zonder reden niet.

--Natuurlijk niet. En slaat zij jou ook?

De boer rukte aan den teugel.

--Wat zegt u, heer? vroeg hij, ik geloof, dat u grappen maakt, heer.

Die vraag had hem blijkbaar gekrenkt.

--Hoor je dat? Arkadiej. En toch zijn wij allebei geslagen. Dat hebben

wij ervan, dat we ontwikkelde menschen zijn.

Arkadiej glimlachte gedwongen, Bazarof keerde zich af en deed de

geheele verdere reis den mond niet meer open.

De vijf en twintig werst leek Arkadiej vijftig. Het dorp, waar

Bazarofs ouders woonden, werd eindelijk zichtbaar tegen de helling

van een lagen heuvel. Niet ver daar vandaan stond tusschen een groep

jonge berken het heerenhuis met strooien dak. Bij den ingang van het

dorp stonden twee boeren, de mutsen op het hoofd en keven.

--Je bent een dik zwijn, zei de een tot den ander.

--En jij bent een varken, en je wijf is een heks, antwoordde de andere.

--Zulk een lieve vertrouwelijkheid, zei Bazarof, de opgewekte toon

van deze woordenwisseling kan je bewijzen, dat de boeren van mijn

vader niet al te strak gehouden worden. Maar daar heb je hem zelf

al. Hij heeft zeker de schellen gehoord. Hij is het. Ik herken hem

aan zijn figuur. Wat is hij grijs geworden, de arme duivel!

Vaders en Zonen · 第 27 / 38 题