XVIII.

Toen mevrouw Odintsof den volgenden morgen kwam ontbijten, zat

Bazarof al over zijn thee gebogen en richtte plotseling zijn oogen

op haar... zij richtte zich tot hem, alsof hij haar gestooten had

en hij meende te bemerken, dat ze nog bleeker zag dan den vorigen

avond. Hij verdween spoedig in zijn kamer en kwam pas bij het tweede

ontbijt terug. Het was een regenachtige morgen. Allen waren in den

salon bijeen. Arkadiej nam het laatste nummer van een tijdschrift

en begon voor te lezen. De vorstin scheen hierover zeer verwonderd,

alsof hij een fout tegen de etikette had begaan, en monsterde hem

met boozen blik, waarop hij echter niet lette.

--Jevgenij Wassiljewitsj, zei mevrouw Odintsof, wilt u even meegaan

naar mijn kamer, ik wilde u vragen, u noemde gisteren den titel van

een boek...

Ze stond op en ging naar de deur. De tante keek om zich heen, en haar

gezicht zei duidelijk: kijk, kijk, hoe ik versteld sta! Zij keek weer

naar Arkadiej, maar deze wisselde een snellen blik met Katja, die naast

hem zat, en las overluid verder. Mevrouw Odintsof liep naar haar kamer,

Bazarof volgde met neergeslagen oogen en hoorde het ruischen van het

zijden morgenkleed voor hem... Anna Sergejevna zette zich in denzelfden

stoel als den vorigen avond en ook Bazarof hernam zijn plaats.

--Hoe heette dat boek? vroeg ze na een oogenblik.

--Pelouse en Fremy. Notions Générales, antwoordde hij. Maar ik

kan u ook Ganot Handboek der experimenteele physica aanbevelen. De

afbeeldingen zijn meer gedetailleerd en het boek is...

--Neem me niet kwalijk, Jevgenij Wassiljewitsj, viel ze hem in de

rede, ik heb u niet laten komen, om over handboeken te praten. Ik zou

ons gesprek van gisteravond weer willen hervatten. U ging zoo opeens

weg... het is u toch niet onaangenaam?

--Ik ben tot uw dienst. Waarover spraken we gisteren ook weer?

Mevrouw Odintsof keek hem van terzijde aan.

--Ik geloof, dat we over het geluk spraken. Ik sprak over mijzelf. Maar

ik moet u iets vragen, omdat ik dat woord geluk noemde. Waarom

schijnt het genot van muziek, van een mooien avond, van een intiem

gesprek met iemand, die ons sympathiek is, eigenlijk alleen maar een

belofte, de afglans van een onbekend geluk, dat wellicht ergens wacht,

maar nooit het geluk zelf, nooit een geluk dat we in werkelijkheid

genieten?--Antwoord me hierop... maar misschien kent u dit gevoel in

het geheel niet.

--Kent u den bekenden versregel: Nur wo wir nicht sind, dort is das

Glück? antwoordde Bazarof. Trouwens u hebt me gisteren gezegd, dat

u geen bevredigd-zijn kent. En verder komen mij inderdaad dergelijke

gedachten nooit in den zin.

--Vindt u ze belachelijk?

--Dat niet, maar ik ken dat zoo niet.

--Ik zou wel willen weten, waaraan u op het oogenblik denkt.

--Hoe meent u? Ik begrijp u niet.

--Ik had al zoo lang eens met u willen uitspreken. Ik hoef niet

te zeggen, dat u niet de eerste de beste bent. Dat weet u wel. Op

uw leeftijd heeft men nog een langen weg voor zich. Wat bent u van

plan? Wat verwacht u van de toekomst? Wat is uw doel? En wat gaat er

om in uw binnenste? Met éen woord, wat en wie bent u?

--U doet me versteld staan, mevrouw. U weet toch, dat ik

natuurwetenschappen beoefen. En wat mij persoonlijk betreft...

--Ja, wie bent u?

--Ik had reeds het genoegen, u mee te deelen, dat ik

goevernements-geneesheer hoop te worden.

Mevrouw Odintsof gaf teekenen, van ongeduld.

--Waarom spreekt u zoo? zei ze. U gelooft zelf niet, wat u

zegt. Arkadiej had zoo kunnen antwoorden, maar u...

--Maar waarom zou Arkadiej...

--Och wat! Zoo een klein arbeidsveld zou u toch nooit

bevredigen. Bekent u niet zelf, dat u niet gelooft in de medische

wetenschap? U met uw zelfgevoel, distrikts-geneesheer? U zegt dat maar,

om mijn vraag te ontloopen. Ik boezem u geen vertrouwen in. Toch geloof

ik, dat ik u zou kunnen begrijpen, Jevgenij Wassiljewitsj. Ik was

zelf arm en vol zelfgevoel zooals u. Ik heb waarschijnlijk hetzelfde

meegemaakt.

--Dat is goed en wel, Anna Sergejevna, maar ik ben niet gewoon,

anderen mijn hart te openen, u moet me niet kwalijk nemen. En

buitendien bestaat er zulk een kloof tusschen ons...

--Och kom, zult u me nog eens voor de voeten gooien, dat ik aristocrate

ben? Ik heb u toch zeker wel bewezen...

--Buitendien, ging Bazarof voort, begrijp ik niet, welk genoegen er

in kan liggen over de toekomst te spreken, die in 't algemeen zoo

weinig met ons te maken heeft. Doet zich een gelegenheid voor, iets

te praesteeren, des te beter, en anders zal het wel het best zijn,

zoo weinig mogelijk onnoodig gepraat te hebben.

--U noemt vriendschappelijke gedachtenwisseling onnoodige praat. U

acht mij ten slotte als vrouw uw vertrouwen niet waard? U veracht

zoo een beetje het vrouwelijk geslacht!

--Ik veracht u geenszins, Anna Sergejevna, en dat weet u heel goed.

--Neen, ik weet niets. Maar het zij zoo. Dat u niet over uw toekomst

wilt spreken, kan ik begrijpen, maar wat er op het oogenblik in

u omgaat...

--Omgaat? herhaalde Bazarof. Ben ik soms een staat of een

maatschappij? In ieder geval is dat niet erg belangrijk. En buitendien,

moeten wij dan altijd maar luide verkondigen, wat er in ons omgaat?

--Ik zie niet in, waarom men niet eerlijk uit zou komen voor wat men

op het hart heeft!

--Zou u dat kunnen?

--Ja, antwoordde mevrouw Odintsof na een oogenblik.

Bazarof boog.

--Dan bent u gelukkiger dan ik, zei hij.

Anna Sergejevna zag hem aan, alsof ze een verklaring verwachtte.

--U hebt goed praten, antwoordde zij, maar ik ben toch geneigd,

te gelooven, dat wij elkaar niet vergeefs hebben ontmoet en dat wij

goede vrienden zullen blijven. Ik ben overtuigd, dat uw geslotenheid,

uw... hoe zal ik zeggen... hardheid op den duur verdwijnen zal.

--U vindt mij dus gesloten... of... hard?

--Ja.

Bazarof stond op en ging naar het venster.

--En u wilt de oorzaken van die geslotenheid leeren kennen, u wilt

weten, wat er in mij omgaat?

--Ja, antwoordde mevrouw Odintsof, met een ontroering, waarvan ze

zich nog geen rekenschap kon geven.

--En u zult niet boos worden?

--Neen!

--Niet? Bazarof stond met den rug naar haar toe.

--Weet dan, dat ik u dwaas, krankzinnig lief heb... u hebt mij

gedwongen, het te zeggen.

Mevrouw Odintsof strekte haar armen. Bazarof drukte zijn voorhoofd

tegen de ruit. Hij had het gevoel van stikken, beefde over al

zijn leden; maar dat was niet de opgewondenheid van prille jeugd,

niet de zalige verrukking eener eerste liefdesbekentenis, dat was

het lijfsverlangen, dat in hem streed, die wilde, heftige kracht,

die op het Booze lijkt en wellicht daarmee verwant is.

Mevrouw Odintsof gevoelde angst en medelijden tegelijk.

--Jevgenij Wassiljewitsj, zei ze zacht, en wellicht ongewild lag er

diepe teederheid in haar stem.

Hij keerde zich om, keek haar aan met verterenden blik en trok haar

bij de handen hartstochtelijk naar zich toe.

Zij kon zich niet dadelijk losrukken... maar na eenige oogenblikken

was ze gevlucht in den versten hoek der kamer. Hij op haar toe...

--U hebt me niet begrepen! riep ze met heesche stem.

Nog een stap en ze zou geschreeuwd hebben. Dat was aan haar houding

duidelijk kenbaar. Bazarof beet zich de lippen en liet haar alleen.

Een half uur later bracht een kamermeisje haar een briefje van

Bazarof. Daar stond in: "Moet ik vandaag nog vertrekken, of kan ik

tot morgen blijven?" Zij antwoordde: "Waarom vertrekken? Ik heb u

niet begrepen en u hebt mij niet begrepen." Terwijl ze die woorden

opschreef, dacht ze: ik heb me zelf niet begrepen.

Bij het middagmaal verscheen ze pas. Den geheelen morgen was ze heen

en weer blijven loopen in haar kamer, was nu eens voor den spiegel,

dan weer voor het venster blijven staan, terwijl ze voortdurend haar

hals met een zakdoek afveegde. Ze verbeeldde zich, dat daar een

gloeiend-roode vlek moest zijn. Ze had zich afgevraagd, waarom ze

Bazarof tot die bekentenis gedwongen had en of ze het al niet reeds

lang vermoedde.

Ik ben schuldig, zei ze hardop, maar wie kan alles vooruitzien?

Ze werd kalmer-droomend en schrok blozend bij de herinnering aan

Bazarofs wilde blikken, toen hij op haar af was gekomen.

Of... misschien... zei ze dan weer opeens, bleef staan en schudde haar

lokken. Toen ze in den spiegel haar licht opzij gebogen hoofd zag,

met den geheimzinnigen glimlach in de halfgeloken oogen en op den

half-open mond, ontroerde haar dit beeld, alsof het iets vreemds en

dieps verborg.

--Neen, neen, zei ze ten slotte, God weet, waartoe dit leiden kan. Met

zoo iets valt niet te spelen. De rust is toch het best op aarde...

Haar gemoedsrust werd dan ook niet verstoord. Maar ze was droevig

en vergoot zelfs enkele tranen, zonder te weten waarom. Het was

geen gevoel van schaamte of vernederd-zijn, ze voelde zich niet eens

deemoedig geworden. Ze voelde alleen wat schuld. Geleid door allerlei

onduidelijke gevoelens, het bewustzijn van een doelloos vervlietend

leven en het verlangen naar nieuwe ontroeringen, was ze tot een grens

gegaan en toen ze over die grens een blik wierp, had ze geen afgrond,

maar toch leegheid en leelijkheid gezien...

Vaders en Zonen · 第 26 / 38 题