De tijd, die nu eens als een vogel vliegt, kruipt dan weer als een
pad. Maar hij is nooit aangenamer, dan wanneer wij niet weten, of
hij snel of langzaam gaat. En zoo gingen voor Bazarof en Arkadiej
veertien dagen ten huize van mevrouw Odintsof om. De regelmaat, die
zij in huis en levenswijze had ingevoerd, droeg hiertoe zeer veel
bij. Zij hield hieraan streng de hand en wanneer het er op aankwam,
ook de anderen ertoe te brengen, trad zij despotisch op. Alles had
zijn vastgestelden tijd. Acht uur des morgens kwam men voor het
ontbijt samen, daarna was ieder vrij tot het tweede ontbijt. De
vrouw des huizes regelde in die uren haar zaken met opzichter,
hofmeester en opperhuishoudster. Vóór het middagmaal vereenigde men
zich wederom om te keuvelen of te lezen. De avonden waren gewijd
aan wandelingen, muziek of spel. Mevrouw Odintsof trok zich tegen
half elf terug, gaf haar orders voor den volgenden dag en legde zich
te ruste. Dit geregelde en min of meer plechtstatige leven behaagde
Bazarof niet bizonder. Hij vond, dat het als langs spoorrails ging. De
livreibedienden, de deftige hofmeesters krenkten zijn democratische
gevoelens. Hij was van oordeel, dat men, om konsekwent te zijn, in rok
en witte das aan tafel moest verschijnen, en deelde deze meening ook
aan de vrouw des huizes mede. Zij liet hem uitspreken en antwoordde:
--Van uw standpunt schijnt het ook, of ik de slotvoogdesse speel. Maar
men moet hier buiten wel aan een geregeld regime vast houden anders
vallen we reddeloos de verveling ten prooi. En ze ging voort op haar
manier.--Bazarof mompelde iets, maar juist, omdat alles zoo geregeld
ging, was het hem en Arkadiej aangenaam. Overigens waren beiden,
sedert hun komst, veranderd. Bazarof, van wien de gastvrouw merkbaar
meer werk maakte, ofschoon ze het zelden met hem eens was, verloor
langzamerhand zijn gewone kalmte; hij raakte licht opgewonden, sprak
ongaarne, scheen nog al eens in slechte stemming en had nergens rust,
alsof hij door iets werd voortgedreven. Arkadiej, die het er dadelijk
met zich zelf over eens was, dat hij mevrouw Odintsof lief had, gaf
zich willoos over aan een stille zwaarmoedigheid, maar naderde toch
Katja meer en meer, misschien wel juist daardoor: ...Zij voelt niets
voor me... het zij zoo... maar Katja is een lief wezentje, dat mij
niet van zich stooten zal... en zijn hart genoot van het denkbeeld,
edelmoedig te zijn tegenover haar, zooals hij het tegenover zijn vader
was geweest. Katja vermoedde vaag, dat hij misschien troost zocht in
den omgang met haar en ze weigerde hem de zoete bevrediging niet van
een schuchtere, vertrouwende vriendschap, terwijl zij zich ook zelf aan
die gedachte overgaf. Zij spraken niet met elkander in tegenwoordigheid
van mevrouw Odintsof. Katja werd kleiner onder den scherpen blik
van haar zuster en Arkadiej kon in gezelschap van het voorwerp
zijner liefde niet de minste oplettendheid hebben voor derden. Maar
behagelijk gevoelde hij zich slechts in Katja's tegenwoordigheid. Hij
was bescheiden genoeg, zich niet waardig, noch in staat te achten,
mevrouw Odintsof te kunnen bezighouden. Hij werd verward, als hij
alleen met haar was en kon geen woord uitbrengen. Hij was te jong voor
haar. Katja echter behandelde hij voorkomend en als oudere vriend:
zij mocht hem spreken van den indruk, dien muziek, gedichten, romans
en anderen "onzin" op haar hadden gemaakt, waarbij hij niet bemerkte
hoe die onzin hem zelf ontroerde. Katja van haar kant liet hem gaarne
zijn zwaarmoedigheid uitspelen. Arkadiej hoorde bij Katja, Bazarof bij
Anna Sergejevna, vandaar dat beide paren, zoodra ze te zamen waren,
weer van één gingen en vooral op wandelingen weldra in eigen sfeer hun
zaligheid zochten. Katja dweepte met de natuur. Arkadiej eveneens,
al durfde hij dat niet bekennen. Mevrouw Odintsof was onverschillig
tegenover de natuur, zooals ook Bazarof. Dit gescheiden zijn der
beide vrienden had ten gevolge, dat hun vriendschapsband iets van
zijn innigheid verloor. Bazarof sprak niet meer met Arkadiej over hun
gastvrouw, critiseerde zelfs niet haar aristocratische manieren. Hij
bleef Katja prijzen en ried Arkadiej aan, het sentimenteele in haar
wezen wat te temperen. Maar zijn lof was kort, zijn raad zakelijk; hij
sprak niet meer zoo vaak met zijn vriend, hij begon hem te ontloopen,
alsof hij zich voor hem schaamde. Arkadiej bemerkte dat wel, maar
sprak er met niemand over.
De eigenlijke oorzaak van deze verandering was het gevoel, dat Anna
Sergejevna Bazarof inboezemde, een gevoel, dat hem kwelde en woedend
maakte. Hij zou het echter met een verachtenden glimlach en cynische
spotwoorden geloochend hebben, indien men er ook slechts van verre op
gezinspeeld had. Bazarof hield van de vrouw in het algemeen, achtte
haar schoonheid, maar noemde de ideale of zooals hij zei romantische
liefde dwaasheid en stelde deze ridderlijke gevoelens op één lijn met
physieke afwijkingen en kwalen. Hij verwonderde er zich altijd meer
over, dat men ridder Toggenburg met al de troebadoers en minnezangers
niet in een gekkenhuis had opgesloten.--Wil je een zekere vrouw,
zei hij, tracht haar dan te veroveren. Weigert zij, laat haar dan
loopen en zoek ergens anders. De wereld is groot genoeg...
Mevrouw Odintsof beviel hem. En alles wakkerde zijn verlangen aan: de
geruchten, die omtrent haar de ronde deden, haar onafhankelijk vrij
leven, de welwillendheid, die ze hem betoonde. Hij voelde evenwel
al spoedig, dat hij bij haar niets bereiken zou en toch miste hij
de kracht, heen te gaan. Zoodra hij aan haar dacht, kwam zijn bloed
in beroering. Dit kon hij wel weer tot bedaren brengen. Maar nog
iets anders voelde hij, waardoor zijn trots in opstand kwam, iets,
waarover hij vroeger altijd gelachen had.
In zijn gesprekken met haar toonde hij feller dan ooit zijn
afkeer en verachting voor alle romantiek en, alleen, moest hij
bekennen, hoe diezelfde romantische stemmingen met hem speelden. Hij
dwaalde door de wouden, wild de takken, die hem in den weg waren,
afrukkend, en verwenschte haar en zichzelf. Hij liet zich vallen
in hooistapels, sloot de oogen en trachtte te vergeten, te slapen,
maar vergeefs. Telkens kwam dat beeld, of alleen de gedachte van
het beeld, dat die kuische armen hem zouden omvatten, die trotsche
lippen de zijne kussen, die intelligente oogen met overgave rusten
in de zijne... en een duizeling beving hem, hij vergat en dacht het
door... tot machtelooze woede hem tot zichzelf terugbracht.
Vrouwelijke zwakheid, vrouwelijke gevoeligheden nam hij in zichzelf
waar, alsof de duivel hem beproeven wilde. Soms meende hij, dat zij
haar gedrag veranderde, dat de koelheid week uit haar trotschen blik,
dat misschien... maar dan stampvoette hij en balde de vuisten.
Toch was zij niet volkomen ongevoelig gebleven. Haar fantazie was door
zijn wezen in beweging gebracht. Hij vervulde haar denkleven. Niet,
dat zij zich verveelde in zijn afwezigheid of met ongeduld zijn komst
verbeidde, maar zijn tegenwoordigheid verhoogde haar levensspanning,
ze was gaarne alleen met hem en luisterde met open belangstelling
naar zijn woord, ook al sprak hij anders als zij voelde, zelfs al
verwaarloosde hij den salontoon. Zij scheen zich zelf te leeren kennen,
door zich aan hem te toetsen.
Eens, toen hij met haar in den tuin wandelde, deelde hij haar kort
en vrij ruw zijn aanstaand vertrek naar het landgoed van zijn vader
mede. Ze werd bleek, alsof ze een steek in het hart kreeg, en haar
ontroering was zoo groot, dat het haar zelf verwonderde. Ze vroeg
zich af, wat dat beteekenen kon.
Bazarof had haar dit niet gezegd, om haar op de proef te stellen
en te zien, hoe ze zich gedragen zou. Hij was er de man niet naar,
van zulke middelen gebruik te maken.
De opzichter van zijn vader, zijn vroegere leermeester Timofeitsj, een
sluw handig man op jaren, met geelachtige haren, een rood gezicht en
kleine tranende oogen had plotseling voor hem gestaan in zijn jas van
grove donkerblauwe stof met den leeren gordel en de geoliede laarzen.
--Aha, goeden morgen, oudje, riep Bazarof.
--Goeden morgen, vadertje Jevgenij Wassilitsj, antwoordde de oude
met vriendelijk lachen, dat over zijn geheele gezicht rimpels groef.
--Wat voert je hierheen? Zoek je mij?
--Hoe kunt u dat denken? stamelde Timofeitsj. Bazarofs vader had hem
gezegd, vooral niet te laten merken, dat hij hem stuurde.--Ik had zaken
in de stad voor mijnheer uw vader en daar ik hoorde, dat u hier was,
maakte ik een kleinen omweg, om u eens op te zoeken. Anders had ik
u niet lastig gevallen.
--Lieg niet, antwoordde Bazarof, de weg naar stad gaat toch niet
hier langs.
Timofeitsj wendde het hoofd af zonder te antwoorden.
--Hoe is mijn vader?
--God lof, het gaat hem goed.
--En mijn moeder?
--Arina Wassiljevna ook. Gode zij dank.
--Ze verwachten me, is het niet?
De oude wendde het hoofd weer af.
--Ach, Jevgenij Wassilitsj, hoe zouden ze u dan niet verwachten? Geloof
me, het hart bloedt me, als ik uw ouders aanzie...
--Goed, goed, geen beschrijvingen. Zeg hun, dat ik gauw kom.
--Dat zal ik, antwoordde Timofeitsj zuchtend en ging. Voor het huis
trok hij zijn muts met beide handen over de ooren, klom in zijn
wagentje en reed in korten draf weg, maar niet in de richting van
de stad.
Den avond van dien dag zaten Anna Sergejevna en Bazarof in den salon,
terwijl Arkadiej op en neer liep en naar Katja luisterde, die piano
speelde. De tante was naar haar kamer. Ze hield niet van bezoek en van
"zulke aangewaaide moderne jakhalzen" allerminst. Zoolang ze in den
salon zat, was haar humeur dragelijk. Maar tegenover haar kamenier
gaf ze zoodanig lucht aan haar verontwaardiging, dat tournure en
linten op haar hoofd dansten.
Mevrouw Odintsof wist dat.
--Hoe kunt u er aan denken, te vertrekken? vroeg ze Bazarof. En
uw belofte?
Bazarof trilde.
--Welke belofte?
--Bent u die vergeten? U wilde mij les geven in chemie.
--Ongelukkig wacht mijn vader mij. Ik kan niet langer blijven. Maar
leest u Pelouse en Fremy: Notions générales de chémie, dat is een goed
boek en gemakkelijk te begrijpen. U vindt er alles, wat u wilt weten.
--U zei immers eenige dagen geleden nog, dat een boek nooit de
plaats... ik weet niet precies meer het woord, dat u gebruikte,
maar u begrijpt wel, wat ik bedoel... is het niet?
--Wat moet ik doen? antwoordde Bazarof.
--Hier blijven, waarom weggaan? vroeg ze met zachte stem.
Hij zag haar aan, ze lag achterovergeleund, de armen tot de elboog
bloot over de borst gekruist, het lamplicht, door een papieren kap
getemperd, maakte haar nog bleeker. Ze droeg een lang, wit kleed, dat
wijd, in tallooze fijne plooien haar omhulde. Ook de voeten had ze over
elkaar geslagen, zoodat alleen de punten der schoentjes te zien waren.
--En waarom zou ik blijven? antwoordde Bazarof.
Zij bewoog even het hoofd.
--Hoezoo, waarom? Bevalt het u hier dan niet? Denkt u, dat u hier
niet gemist zult worden?
--Dat denk ik niet.
--Dan hebt u ongelijk, antwoordde ze na een oogenblik stilte. Maar
ik geloof u ook niet. U kunt dat onmogelijk meenen.
Bazarof bleef onbewegelijk en zweeg.
--Jevgenij Wassiljewitsj, waarom antwoordt u niet?
--Wat zal ik zeggen? Niemand is het waard, dat hij gemist wordt,
en ik nog minder dan anderen.
--Waarom?
--Ik ben een nuchter materialist en niet interessant. En ik kan niet
beminnelijk zijn.
--Vischt u?
--Dat is mijn gewoonte niet. U weet toch wel, dat de deftige zijde van
het leven, de zijde, waaraan u zooveel hecht, mij volkomen vreemd is!
Mevrouw Odintsof beet in haar zakdoek.
--U moogt denken wat u wilt, maar ik zal me vervelen, als u weg bent.
--Arkadiej blijft nog, antwoordde Bazarof.
Mevrouw Odintsof haalde de schouders op.
--Ik zal me vervelen, herhaalde ze.
--Denkt u? O, maar dat zal niet lang duren.
--Waaruit besluit u dat?
--U hebt zelf gezegd, dat de verveling komt, zoodra de geregelde gang
van zaken onderbroken wordt. Uw leven is zoo voldoende goed geregeld,
dat het voor verveling noch verdriet toegankelijk is.
--U vindt dus, dat mijn leven volkomen--goed geregeld is en geordend?
--Dat vind ik. Het zal over eenige minuten tien uur slaan en ik weet
zeker, dat u me weg zult sturen.
--Neen, ik zal u niet wegsturen. U kunt blijven. Wilt u het raam wat
open zetten?... Het is hier broeiend-warm...
Bazarof stond op en zette het venster open. Het ging plotseling en
met hard geluid. Hij was er niet op verdacht, dat het zoo gemakkelijk
zou gaan, want zijn handen beefden. De warme, zachte nacht met zijn
diepen hemel was plotseling dichtbij gekomen, de boomen suizelden en
zuiver-teedere geuren zweefden noodend het venster in.
--Doet u de gordijnen dicht en gaat u zitten, ging zij voort. Ik
wil nog met u praten voor uw vertrek. Vertelt u me van uw leven. U
spreekt nooit over u zelf.
--Ik spreek liever over nuttige dingen met u.
--U bent bescheiden. Maar ik zou graag van uw familie, van uw vader
hooren. Voor hem immers gaat u ons verlaten.
Waarom zegt ze dat allemaal? dacht Bazarof.
--Dat zou u niet interesseeren, zei hij, juist u niet. Wij zijn
bescheiden luidjes.
--Ik ben dus een aristocraat, naar uw meening? Hij keek haar aan.
--Ja, zei hij met nadruk.
Zij glimlachte.
--Ik zie, dat u me niet kent, antwoordde ze.--Ofschoon u beweert,
dat alle menschen gelijk zijn en dat men geen moeite hoeft te doen,
hen afzonderlijk te leeren kennen. Eens zal ik u misschien mijn leven
vertellen. Maar nu moet u eerst spreken.
--U zegt, dat ik u niet ken, antwoordde Bazarof. Dat is
mogelijk. Misschien is iedere mensch een raadsel. U bijvoorbeeld. U
ontvlucht alle gezelschap, menschen vermoeien u. En toch noodigt u
twee studenten uit. Waarom woont u, mooi en verstandig als u bent,
op het land?
--Wat zegt u daar? vroeg Anna Sergejevna levendig--ik ben... mooi...?
Bazarof fronste de wenkbrauwen.
--Dat doet er niet toe, antwoordde hij, onzeker, ik wilde zeggen,
dat ik niet begrijp, waarom u op het land bent gaan wonen.
--U begrijpt het niet en toch hebt u er voor u zelf de een of andere
verklaring voor gevonden?
--Ja, ik denk, dat u hier blijft wonen, omdat u van uw gemak houdt,
omdat u verwend bent en u de rest vrijwel onverschillig is.
Mevrouw Odintsof glimlachte weer.
--U wilt dus niet toegeven, dat ik in staat zou zijn, mij te laten
leiden door mijn verbeeldingskracht?
--Misschien uit nieuwsgierigheid, antwoordde hij en keek haar weer
aan. Maar anders niet.
--Werkelijk, nu begrijp ik, waarom wij hét zoo goed kunnen vinden. Wij
zijn het in dit opzicht vrijwel eens.
--Wij het goed kunnen vinden?... herhaalde hij dof.
--Eigenlijk wel. Ik had vergeten, dat u wilde vertrekken.
Bazarof stond op. De lamp brandde zwak, de kamer was half-donker en
de lucht geurig, want de gordijnen golfden zachtjes heen en weer en
lieten de welige nacht met zijn vreemde, stille geluiden ritselend
binnen. Mevrouw Odintsof zat onbewegelijk. Maar langzaam, langzaam kwam
het over haar en ook Bazarof wist met tergende, lokkende zekerheid,
dat hij alleen was met een jonge, mooie vrouw...
--Waarheen? vroeg ze gerekt en fluisterend.
Hij antwoordde niet en liet zich vallen in zijn stoel.
--U houdt mij dus voor gelukkig en door het lot verwend? ging ze voort
op denzelfden toon en keek naar het venster. En ik ben integendeel
overtuigd, dat ik het recht heb, mij ongelukkig te achten.
--U ongelukkig? Maar hoe dan? Bent u dan gevoelig voor dwaze praatjes?
Een trek van misnoegen gleed over haar gezicht. Het verdroot haar,
verkeerd begrepen te zijn.
--Praatjes kunnen me niet eens aan het lachen brengen, Jevgenij
Wassiljewitsj en ik ben te trotsch, mij daaraan te storen. Ik
ben ongelukkig, omdat het leven niets biedt, dat mij aantrekt,
bekoort, meesleept. U kijkt me verwonderd aan en denkt: daar zit
een aristocratische dame in kant gekleed, op haar fluweelen stoel
en spreekt zoo? Zeker, ik houd van comfort, zooals u dat noemt. En
toch geef ik niets om het leven. En probeer nu die tegendeelen te
combineeren zooals u wilt. U zult dat trouwens allemaal wel romantiek
noemen.
--U bent gezond, rijk, onafhankelijk, wat wilt u meer, vroeg Bazarof
hoofdschuddend.
--Wat ik wil? zei ze zuchtend. Ik voel me moe en oud. Het is me,
of ik al heel lang leef. Ik ben oud, herhaalde ze en trok langzaam
den fichu over haar armen. Haar oogen ontmoetten die van Bazarof en
ze bloosde even.
--Ik heb al zooveel herinneringen achter me. Een schitterend leven in
Petersburg, armoede, de dood van mijn vader, mijn huwelijk, mijn reis
door Duitschland en alles wat daarna nog kwam, tallooze herinneringen,
en geen enkele, waarbij men zou willen droomen... en vóor me een lange
weg, zonder doel noch richting... ik heb geen lust verder te gaan.
--Heeft het leven geen bekoring meer voor u? vroeg Bazarof.
--Dat wel, antwoordde ze na een oogenblik peinzen, maar het heeft
me geen bevrediging geschonken. Ik geloof, als ik me met alle kracht
kon vastklampen aan iets... of iemand...
--U wilt liefhebben, antwoordde hij, en u kunt niet. Dat is uw ongeluk.
Mevrouw Odintsof speelde met haar fichu.
--Zou ik werkelijk niet kunnen liefhebben? vroeg ze.
--Ik betwijfel het. Maar ik had het geen ongeluk moeten noemen. Men
moet medelijden hebben met iemand, wien dit ongeluk overkomt.
--Welk ongeluk?
--Liefhebben.
--Hoe weet u dat?
--Van hooren zeggen, antwoordde Bazarof bitter. En hij dacht:
je speelt de kokette, je verveelt je, en tot tijdverdrijf maak je
mij gek, maar ik...
Zijn hart klopte heftig.
--Buitendien bent u veel te kieschkeurig, voegde hij erbij en speelde
voorovergebogen met de kwasten van den stoel.
--Misschien. Alles of niets, dat is het, wat ik wil. Een volkomen
over en weer geven van gevoelens. Wanneer ik geef, dan is dat,
om te ontvangen, en dat zonder berouw, zonder voorbehoud. Anders
liever niets.
--Over het geheel, antwoordde Bazarof, schijnen die voorwaarden niet
onaannemelijk en het verwondert me, dat u nog niet gevonden hebt,
wat u zoekt.
--U denkt dus, dat er gemakkelijk gelegenheid te vinden is, zulk een
ruil tot stand te brengen?
--Gemakkelijk? Niet, als men koud overlegt, beredeneert, kiest, kiest
en zich zelf overschat. Wel, als men zich zonder redeneering overgeeft.
--Waarom zou men zichzelf niet een beetje hoog aanslaan? Waartoe zich
geven, als men niets waard is?
--Dat is niet het werk van hem, die zich geeft, de ontvanger moet
schatten, wat de ander waard is. De hoofdzaak is, dat men zich weet
te geven.
Mevrouw Odintsof haalde de schouders op.
--U zegt dat allemaal, alsof u het aan den lijve ondervonden hadt,
zei ze.
--Toeval, Anna Sergejevna. Want dergelijke kwesties hooren niet bij
mijn vak.
--U zoudt u dus weten te geven?
--Ik weet niet, ik wil mij zelf niet prijzen. Zij antwoordde niet en
Bazarof zweeg.
Zij hoorden pianomuziek,
--Wat speelt Katja nog laat, vanavond, zei mevrouw Odintsof.
Bazarof stond op.
--Het is werkelijk al laat. U moest gaan slapen.
--Nog een oogenblik... waarom zoo'n haast? Ik heb u nog eén ding
te zeggen.
--Wat dan?
--Een oogenblik, herhaalde ze fluisterend en haar oogen ontmoetten
weer die van Bazarof. Zij keek hem onderzoekend aan.
Bazarof deed eenige stappen door de kamer, toen liep hij plotseling
op haar toe, zei ruw: Adieu! en drukte haar hand zoo hard, dat ze wel
kon schreeuwen. Zij bracht haar saamgeperste vingers aan den mond en
blies erop. Toen stond ze op en ging naar de deur, alsof ze Bazarof
terug wilde roepen. Een kamenier kwam binnen met een karaf op een
zilveren blad. Mevrouw Odintsof bleef staan, beval haar heen te gaan,
en zette zich weer peinzend in haar stoel. Een haarvlecht viel als
een donkere slang over haar schouder.
De lamp brandde nog langen tijd in den salon. En mevrouw Odintsof bleef
onbewegelijk zitten. Een enkele maal wreef ze langs haar bloote armen,
toen de nachtlucht merkbaar kil werd.
Twee uur later kwam Bazarof op zijn kamer. Wilde blik, de haren
verward, de laarzen nat van dauw. Arkadiej zat nog aan tafel, een
boek in de hand en de jas hoog dichtgeknoopt.
--Slaap je nog niet? vroeg Bazarof gemelijk.
--Je bent van avond lang gebleven bij Anna Sergejevna, zei Arkadiej,
zonder de vraag te beantwoorden.
--Ja, net zoo lang als jij piano hebt gespeeld met Katharina
Sergejevna.
--Ik heb niet gespeeld, antwoordde Arkadiej en zei niets meer.
Hij voelde zijn oogen vochtig worden maar hij wilde niet weenen in
tegenwoordigheid van zijn vriend, wiens spot hij vreesde.