XVI.

Het huis, dat mevrouw Odintsof bewoonde, lag tegen een open heuvel

dicht bij een steenen kerk met groen dak en witte zuilen, in den

gevel een fresco-voorstelling van de Opstanding in Italiaanschen

stijl. Vooral een door de zon gebruinde welgedane soldaat op den

voorgrond, wekte de bewondering der boeren het meest. Achter de kerk

stonden twee rijen boerenwoningen met schoorsteenen hier en daar boven

de rieten daken uitstekend. Het heerenhuis was gebouwd in denzelfden

stijl als de kerk, den zoogenaamden alexandrijnschen. Het was eveneens

geel geverfd, had ook een groen dak, witte zuilen en een gevel met een

wapen. De goevernementsarchitect had beide gebouwen ontworpen en de

heer Odintsof was hiermede zeer ingenomen, want van die waardelooze

nieuwigheden hield hij niet. Het huis stond te midden van boomen

in den ouden tuin. Een laan met stijf besnoeide dennen voerde naar

den hoofdingang.

De vrienden troffen in de zijkamer twee forsche livreiknechten,

waarvan de éene den huisbewaarder ging roepen. Deze, een dik man in

zwarten rok, verscheen onverwijld en geleidde de gasten langs een

met breeden looper bekleede trap naar een ruim vertrek, waar reeds

twee bedden en toiletbenoodigdheden aanwezig waren. Het huis bevond

zich in goed onderhouden staat. Overal zindelijk, ordelijk en er hing

iets als van de officieele geur in de ontvangzalen der ministeriën.

--Anna Sergejevna verzocht u over een half uur beneden te komen,

zei de hofmeester, is er voor het oogenblik nog iets van uw dienst?

--Heelemaal niets, waardige dienaar, antwoordde Bazarof, behalve

indien u de goedheid zoudt willen hebben, een borrel te laten brengen.

--Heel wel, antwoordde de hofmeester, eenigszins onthutst, en

verwijderde zich met krakende laarzen.

--Daar zit lijn in, grand genre! riep Bazarof. Noemen jullie, menschen

van adel, dat niet zoo? Zij is een hertogin, dat moet ik zeggen.

--Een deftige hertogin, die zoo maar twee aristocraten van ons soort

te logeeren vraagt! zei Arkadiej.

--Vooral een aristocraat als ik, een dokter in spe, zoon van een dokter

en kleinzoon van een koster. Ik weet niet, of ik je dat al eens heb

gezegd. Maar ik ben de kleinzoon van een koster, net als Speranski,

zei Bazarof minder luid. Maar in ieder geval is onze dame verwend

door de fortuin. En hoe verwend! Moeten we niet onzen rok aantrekken?

Arkadiej trok alleen maar de schouders op, maar in waarheid gevoelde

hij zich niet bizonder op zijn gemak. Een half uur later ging hij

met Bazarof naar den salon. Dit was een hoog, groot vertrek, zonder

veel smaak overdadig-rijk ingericht. Kostbare, massale meubels,

met traditioneele regelmatigheid langs de wanden opgesteld, met

bruin-goud-doorstikt trijp overtrokken, waren uit Moscou afkomstig. De

heer Odintsofzaliger had ze door bemiddeling van een vriend, een

franschen wijnhandelaar, laten maken. Boven de sofa in het midden hing

het portret van een blonden man met gezwollen gezicht, die nogal boos

op de bezoekers neer keek.

--Dat moet man zaliger zijn, fluisterde Bazarof zijn vriend in het

oor en hij voegde erbij: zullen we maar weer inpakken?

Maar op dit oogenblik trad de vrouw des huizes binnen. Ze droeg een

lichtkleurig kleed, het haar had ze glad achter de ooren gekamd,

waardoor ze met het frissche van haar gezicht op een jong meisje leek.

--Ik ben u dankbaar, dat u woord hebt gehouden, zei ze, ik hoop, dat u

hier eenigen tijd zult blijven. U zult zien, dat het leven hier niet

onaangenaam is. Ik zal u aan mijn zuster voorstellen, ze speelt heel

goed piano. Dat zal u vrijwel onverschillig zijn, mijnheer Bazarof,

maar u houdt geloof ik van muziek, mijnheer Kirsanof. Behalve mijn

zuster is er nog een tante in huis, en éen van onze buren komt wel

eens een spelletje spelen. Zooals u ziet, is ons gezelschap dus niet

groot. Maar wilt u niet gaan zitten?

Deze kleine "inleiding" werd met volmaakte gemakkelijkheid

voorgedragen. Mevrouw Odintsof scheen de woorden uit het hoofd geleerd

te hebben. Ze begon daarop een gesprek met Arkadiej. Het bleek, dat

haar moeder een intieme vriendin van de zijne was geweest en dat deze

haar vriendin deelgenoot had gemaakt van haar liefde tot Nikolaas

Petrowitsj. Arkadiej sprak vol bewondering van zijn moeder. In dien

tijd bladerde Bazarof in een album.

--Wat ben ik tam geworden, dacht hij.

Een mooie windhond met licht-blauw halslint kwam binnen. Zijn nagels

tikten op de parketvloer. Een jong meisje van achttien jaar, met

donkere oogen en zwart haar volgde het dier. Haar gezichtje was niet

volkomen regelmatig, maar had iets treffends. Ze droeg een mandje

vol bloemen.

--Dat is mijn Katja, zei mevrouw Odintsof en wenkte haar zuster

naderbij. Het meisje kwam dicht bij haar zitten en begon de bloemen

te schikken. De hond, die Fifi heette, maakte kennis met de gasten

éen voor een, kwispelde met zijn krulstaart en drukte zijn kouden

neus tegen hun hand.

--Heb je die allemaal zelf geplukt? vroeg mevrouw Odintsof.

--Ja, zei Katja.

--Komt tante thee drinken?

--Ze komt dadelijk.

Bij het spreken glimlachte ze, schuchter, maar met iets opens in haar

blik, terwijl ze met aardige onbeholpenheid van beneden naar boven

keek. Alles aan haar sprak van jeugd: de stem, het lichte dons langs

de wangen, de mat-roode handen en de nog tenger-smalle schouders. Ze

bloosde telkens en haalde haastig en diep adem.

Mevrouw Odintsof richtte zich tot Bazarof:

--Dat is alleen beleefdheid, Jevgenij Wassiljewitsj, dat u dat album

zoo oplettend bekijkt. Het kan u volstrekt geen belang inboezemen. Kom

toch bij ons zitten en laten we over het een of ander gaan kibbelen.

Bazarof kwam.

--Graag, waarover zullen we het hebben?

--Dat kan me niet schelen. Ik zeg u vooruit, dat ik van tegenspreken

houd.

--U?

--Ja, verwondert u dat? Waarom?

-- Omdat u een koele en rustige natuur hebt, voor zoover ik dat kan

beoordeelen. Wie strijden wil, moet zich ook kunnen laten meesleepen.

--Hoe hebt u me in zoo korten tijd leeren kennen? U moet in de eerste

plaats weten, dat ik ongeduldig en vasthoudend ben. Vraagt u Katja

maar. En dan laat ik mij heel gemakkelijk meesleepen.

Bazarof keek haar zwijgend aan.

--Kan zijn, antwoordde hij, dat zult u beter weten, dan ik. U wilt

dus volstrekt kibbelen? Goed. Ik heb in uw album natuurgezichten van

Saksisch Zwitserland bekeken en u beweert, dat me die onverschillig

zijn. U zei dat, omdat u veronderstelde, dat ik geen gevoel voor

het schoone heb. En daarin hebt u gelijk. Maar die tafereelen konden

mij toch van geologisch standpunt interesseeren, bijvoorbeeld voor

de berg-formaties.

--Dat geef ik niet toe. Als geoloog zoudt u eerder een boek, een

wetenschappelijk werk raadplegen en geen teekeningen.

--Een teekening geeft mij met éen oogopslag, wat in een boek tien

bladzijden beschrijving eischt.

Zij antwoordde niets.

--U hebt dus geen kunstzin, ging ze voort en leunde met den arm op

de tafel, zoodat haar gezicht dichter bij dat van Bazarof kwam. Hoe

speelt u het klaar zonder dien?

--Mag ik vragen, waar kunstzin goed voor is?

--Alleen al, om de menschen te bestudeeren.

Bazarof glimlachte.

--In de eerste plaats, ging hij voort, hebben we levenservaring,

in de tweede plaats, moet ik u zeggen, dat ik het volstrekt niet

noodig vind, iedereen te leeren kennen. Alle menschen lijken op

elkaar, naar lichaam en ziel. Iedereen heeft een stel hersens, een

hart, een milt, longen, alles op dezelfde wijze ingericht. En ook de

zoogenaamde psychische eigenschappen zijn vrijwel dezelfde. Er zijn

maar kleine verschillen. Eén enkel exemplaar is genoeg, om de rest te

beoordeelen. De menschen zijn als de boomen in het woud. Geen botanicus

zal het in zijn hoofd krijgen, ze allemaal te gaan bestudeeren.

Katja, die langzaam met haar bloemen bezig was, keek verwonderd op

naar Bazarof, maar bloosde tot achter de ooren, toen hij zijn sterken,

vrijmoedigen blik op haar richtte. Mevrouw Odintsof schudde het hoofd.

--De boomen van het woud! herhaalde ze. Er is dus volgens u geen

onderscheid tusschen een goed en een slecht mensch, tusschen dom

en geestig?

--O zeker! Zooals tusschen gezond en ziek. De longen van een

teringlijder zijn anders als bij u of bij mij. Maar de bouw is

dezelfde. We kennen zoo ten naaste bij de oorzaken van sommige

physieke kwalen. De psychische vinden hun ontstaan in de opvoeding,

in de vele dwaasheden, waarmee men ons het hoofd volstopt, in de

onwijze gesteldheid van ons maatschappelijk rechtssysteem. Gaat u de

maatschappij hervormen en die ziekten zullen verdwijnen.

Bazarof zei dit alles op een toon, waarin lag: of je me gelooft of

niet, dat is me volkomen onverschillig. Hij streek met zijn lange

vingers door zijn baard en zijn blik doorliep de geheele kamer.

--En denkt u, dat er geen dommen en slechten meer bestaan, zoodra de

maatschappij hervormd is? vroeg mevrouw Odintsof.

--Dit staat in ieder geval vast, dat zoodra de maatschappij eenmaal

redelijk is ingericht, het er niets meer toe doet, of een mensch dom

of slim, goed of slecht, is!

--Ik begrijp wat u bedoelt, de milt zal bij iedereen gelijk zijn!

--Juist, mevrouw.

Mevrouw Odintsof wendde zich tot Arkadiej.

--En hoe denkt u hierover? vroeg ze hem.

--Ik ben het met Jevgenij eens, antwoordde hij.

Katja keek hem aan, zoo van onder op.

--Ik ben verwonderd over u, heeren, zei mevrouw Odintsof. We zullen

op dit alles terugkomen. Ik verwacht tante met de thee. Oude menschen

moeten we sparen.

Haar tante, vorstin Ch., een kleine, schrale, oude vrouw met een

uitgedroogd gezicht, en strenge, harde oogen, trad binnen, verwaardigde

zich nauwelijks de gasten toe te knikken en zette zich in een breeden,

fluweelen fauteuil, die uitsluitend voor haar bestemd was. Katja

bracht haar een voetkussen, de oude dankte niet eens met een blik,

haar handen bewogen even onder den gelen sjaal, die haar dorre leden

bijna geheel bedekte. Ze hield van het geld en had dan ook goud-gele

linten aan haar kapje.

--Hoe hebt u geslapen, tante? vroeg mevrouw Odintsof gedwongen.

--De hond is er nog, antwoordde ze onvriendelijk en toen ze zag,

dat Fifi angstig op haar toe kwam, riep ze: Vort! Vort!

Katja riep het dier en deed de deur open. De hond sprong vroolijk op

haar toe, daar hij dacht, dat hij uit zou gaan. Maar toen hij zich

in zijn eentje buitengesloten zag, begon hij tegen de deur te krabben

en te keffen. De oude vrouw fronste de wenkbrauwen. Katja wilde gaan.

--De thee is klaar, zei mevrouw Odintsof. Mag ik u verzoeken,

heeren? Tante, komt u?

De vorstin stond langzaam op en ging het eerst naar de eetkamer. Een

klein knechtje in kozakkenuniform schoof luidruchtig een grooten stoel

vol kussens bij de tafel en de vorstin ging zitten. Katja, die de

thee schenken moest, bediende haar eerst in een met wapens versierden

kop. De oude vrouw deed honig in haar thee, want het gebruik van

suiker beschouwde ze als een misdaad en buitendien vond ze die te duur,

al kostte het haar geen kopeke. Meteen vroeg ze met een heesche stem:

--Wat zegt vorst Ivan in zijn brief?

Niemand antwoordde en de gasten bemerkten al spoedig, dat men met

al dat eerebetoon weinig om haar gaf. Bazarof dacht: die dient als

decoratie, een vorstin, dat staat goed in een salon...

Na de thee stelde de gastvrouw een wandeling voor. Maar het

begon wat te regenen en men ging terug naar den salon, de vorstin

uitgezonderd. De buurman kwam om zijn partijtje. Hij heette Porfijriej

Platonitsj, een kort, dikbuikig mannetje, kaalhoofdig, met korte

beentjes, die wel op een draaibank gefabriceerd leken. Overigens was

hij een vriendelijk, opgewekt heertje. Anna Sergejevna, die voortdurend

met Bazarof praatte, vroeg hem of hij niet een spelletje préférence

mee wilde doen. Bazarof stemde toe met de opmerking, dat hij zich

oefenen moest in de bezigheden van een plattelandsdokter.

--Past u maar op, zei Anna Sergejevna, u zult uw meester vinden. En

jij, Katja, moest wat spelen voor Arkadiej Nikolajitsj. Hij houdt

van muziek en wij hooren het dan ook.

Katja haastte zich niet naar de piano en Arkadiej, die inderdaad

van muziek hield, volgde haar schoorvoetend. Hij dacht, dat mevrouw

Odintsof hem kwijt wilde zijn, en zooals alle jonge lieden van zijn

leeftijd, werd hij aangetast door dat verwarrende, pijnlijke gevoel,

dat de liefde vooraf gaat. Katja sloeg de piano open en vroeg Arkadiej,

zonder hem aan te zien, wat ze zou spelen.

--Wat u wilt, antwoordde hij onverschillig.

--Van wat voor muziek houdt u het meest? vroeg ze, zonder omzien.

--Van de classieke, was zijn antwoord, even onverschillig.

--Houdt u van Mozart?

--Ja.

Katja nam de C-mineur sonate-fantazie. Ze speelde goed, ofschoon haar

voordracht wat stijf en koud was. Ze zat onbewegelijk, keek strak naar

de muziek en hield de lippen op elkaar geklemd. Maar tegen het einde,

kwam er wat blos op haar gezicht, een haarlok liet los en viel over

haar oogen.

Arkadiej luisterde met genoegen naar het laatste gedeelte der sonate,

waar de heerlijke blijheid eener zingende melodie plotseling gestoord

wordt door de harde kreten eener bijna tragische smart...

Maar de gedachten, die Mozarts muziek in hem wekten, betrokken zich

geenszins op Katja. Als hij haar zag, dacht hij alleen maar: dat kind

speelt goed en ze is niet onaardig...

Toen de sonate uit was, vroeg Katja, zonder de handen van de toetsen

te nemen:

--Is het genoeg?

Arkadiej antwoordde, dat hij geen misbruik van haar goedheid

wilde maken en begon over Mozart te spreken. Hij vroeg, of zij die

sonate zelf uitgezocht had of dat iemand haar aanbevolen had. Katja

antwoordde met een enkel woord, zakelijk. Zij had zich in zich zelf

teruggetrokken, als een slak in haar huisje. In zulke stemmingen duurde

het lang, eer zij iemand durfde aanzien. Haar gezichtje teekende dan

een uitdrukking van killen trots, ze scheen een klein onbeteekenend

kind. Ze was toch niet inkennig van nature, maar haar zuster, die

haar opvoeding leidde, zonder te begrijpen, wat ze noodig had, had

haar zoo schuw gemaakt. Het eenige wat Arkadiej doen kon, om zich

een dragelijke houding te geven, was, den hond te roepen, wien hij,

goedig, maar leeg glimlachend, den kop streelde. Katja ging weer aan

haar bloemen.

Bazarof had niet meer geluk. Mevrouw Odintsof speelde goed evenals

Porphyrij Platonitsj. Bazarof verloor en al was het niet veel,

het verlies deed hem onaangenaam aan. Bij het avondeten bracht de

gastvrouw het gesprek weer op de botanie.

--Zullen we morgenochtend gaan wandelen? vroeg ze Bazarof. Ik zou

graag de latijnsche namen van de veldbloemen en haar eigenschappen

leeren kennen.

--Waarom wilt u de latijnsche namen weten? vroeg hij.

--Er moet in alles orde zijn, antwoordde ze.

--Een bewonderenswaardige vrouw, riep Arkadiej, toen hij met Bazarof

op hun kamer alleen was.

--Ja, antwoordde Bazarof, ze heeft wel hersens, en ze weet zich

te redden.

--Hoe bedoel je?

--Op tweeërlei manier. Ik ben overtuigd, dat ze haar geld uitmuntend

beheert. Als hier iemand bewonderenswaardig is, dan is het de zuster.

--Wat? Die kleine zwarte heks?

--Ja, die kleine zwarte heks. Die is intact en frisch, schuw en

stil. Ze verdient, dat men zich met haar bezig houdt. Daar is van te

maken wat je wilt. Terwijl de ander...

Arkadiej antwoordde niet. En zij gingen slapen, ieder met zijn eigen

gedachten.

Mevrouw Odintsof dacht ook aan haar gasten dien avond. Bazarofs scherp

oordeel en eenvoud behaagden haar. Hij was nog een nieuw probleem

voor haar en dat maakte nieuwsgierig.

Zij was een vreemde vrouw. Zonder vooroordeelen, zonder vast geloof

zelfs, schrok ze voor niets terug en kwam toch niet veel verder. Ze

zag scherp in veel dingen, stelde in allerlei belang, zonder dat

iets haar kon bevredigen. Ik weet trouwens niet, of ze wel een

volle bevrediging verlangde. Zij was weetgierig en onverschillig

tegelijk. Haar twijfelen bleef niet zonder sporen, maar werd nooit

zoo sterk, dat haar gemoedsrust geschokt was. Indien ze niet rijk en

onafhankelijk was geweest, zou ze zich wellicht in het levensgewoel

gestort en de hartstochten hebben leeren kennen...

Maar nu verliep haar leven zonder moeilijkheden, al greep haar

de verveling soms wel aan en ze leefde van dag tot dag, zonder

overhaasting, zonder angst of opgewondenheid. Soms rezen verleidelijke

beelden voor haar vrouw-verlangen op, maar die verdwenen weer, haar

zielsrust werd niet geschokt en zij betreurde niets. Haar verbeelding

overschreed dan de grenzen der gestelde moraal-van-iederen-dag. Maar

zelfs dan vloeide het bloed door haar sterk-rustige, edel-harmonische

leden kalm, als altijd. Dikwijls als ze 's morgens warm en opgewekt

haar geurig bad verliet, kon ze gaan droomen over de ijdelheid aller

dingen, over de vreugdeloosheid, moeiten en lasten des levens. Een

stuwend willen greep haar dan aan, zij voelde verlangen tot daden in

zich ontwaken... een tochtende windstoot langs het half-open venster

was voldoende haar tot huiverende bezinning te brengen, ze was alleen

nog maar boos op den wind en hoopte, dat hij zou gaan liggen. Zooals

alle vrouwen, die niet kunnen liefhebben, verlangde ze altijd iets,

zonder precies te weten wat. Inderdaad verlangde ze niets, ofschoon ze

dacht, alles te verlangen. Ze had haar echtgenoot nauwelijks kunnen

dulden. Uit berekening was ze getrouwd. Indien ze hem niet voor een

goed mensch gehouden had, zou ze zeker niet getrouwd zijn. Maar ze had

zich vergist en had een onbewusten afkeer tegen den man gehouden, dien

ze onrein, lomp, traag, altijd verveeld en krachteloos vond.--Wel had

ze op reis een jongen, knappen Zweed ontmoet, ridderlijk, blauwoogig,

hoog, open van voorhoofd, die een diepen indruk op haar had gemaakt,

maar zonder bezwaren was ze naar Rusland teruggekeerd.

--Die dokter is een merkwaardig man! dacht ze in haar mooi bed op

kanten kussen, onder zijden deken rustend. Anna Sergejevna had iets

geërfd van haar vaders zin voor weelde. Ze had veel van hem gehouden,

hoe minderwaardig hij ook was, en hij had zijn dochter aanbeden,

vertrouwde haar alles toe, ging met haar om, als met een goeden

vriend en vroeg dikwijls haar raad. Van haar moeder had ze slechts

een vage herinnering.

--Die dokter is een merkwaardig man! dacht ze weer, rekte zich in

haar bed, glimlachte en legde de armen onder het hoofd. Daarop las

ze enkele pagina's van een slechten franschen roman, liet het boek

vallen en sliep in, blank, rein en koel...

Na het ontbijt den volgenden morgen ging ze botaniseeren met

Bazarof. Ze kwamen tegen het middagmaal terug. Arkadiej was niet

uitgegaan en had een vol uur met Katja doorgebracht. Hij had zich niet

verveeld. Ze had aangeboden, de sonate van den vorigen avond nog eens

te spelen. Maar toen hij eindelijk mevrouw Odintsof weer zag, kromp

zijn hart onwillekeurig samen. Ze kwam wat vermoeid den tuin door. Haar

wangen met hooger blos, haar oogen glanzend onder den ronden strooien

hoed. De tengere stengel van een paardebloem draaide ze tusschen de

vingers. Haar manteltje was van de schouders op de armen gegleden en

de lange linten van haar hoed golfden over de borst. Bazarof liep met

vasten tred, rustig als altijd, achter haar. Maar aan de uitdrukking

van haar gezicht bemerkte Arkadiej iets, dat hem onaangenaam aandeed.

Bazarof riep hem een goeden morgen toe en ging naar zijn kamer.

Mevrouw Odintsof drukte hem verstrooid de hand en liep hem ook voorbij.

--Goeden morgen? dacht Arkadiej, hebben we elkaar dan nog niet gezien

vandaag?...

Vaders en Zonen · 第 24 / 38 题