--Ik ben nieuwsgierig te zien tot welke klasse van zoogdieren je nieuwe
vriendin hoort, zei Bazarof den volgenden dag tot Arkadiej, terwijl
ze de stoep van het hotel opgingen, waar mevrouw Odintsof woonde.--Ik
weet het niet, maar de zaak schijnt mij niet geheel en al in den haak.
--Hoe heb ik het nu met je! riep Arkadiej uit, jij werpt je op tot
het verdedigen van een burgerlijke moraal, die...
--Wat ben je toch een gekke kerel, antwoordde Bazarof onverschillig,
begrijp je niet, dat "niet in den haak" juist het tegendeel
beteekent? Namelijk dat er wel wat te eten zal zijn! Je hebt toch
gezegd, dat ze een verstandig huwelijk gedaan heeft met een ouden
rijkaard. Ik geef niets om praatjes, al neem ik aan, dat ze wel niet
geheel en al zonder grond zullen zijn.
Arkadiej antwoordde niet en klopte aan de kamerdeur van mevrouw
Odintsof. Een jong bediende in livrei bracht hen in een groot,
slecht gemeubeld vertrek, zooals dat in Russische hôtels garnis
gewoonte is. Alleen stonden hier en daar bloemen. Mevrouw Odintsof
kwam spoedig binnen in morgenkleed. Ze scheen nog jonger in het
morgenlicht. Arkadiej stelde haar aan Bazarof voor en tot zijn
verwondering zag hij, dat zijn vriend in verwarring geraakte, terwijl
zij zoo rustig was als op den avond van het bal. Bazarof gevoelde zelf,
dat zijn onzekerheid zichtbaar werd en dit ergerde hem.
--Een mooie boel, dacht hij, die vrouw maakt me onrustig, en nadat
hij met een air van onverschilligheid in een leunstoel plaats had
genomen, zooals Sitnikof het hem niet verbeterd zou hebben, begon
hij met overdreven vastheid te praten, terwijl mevrouw Odintsof hem
rustig bleef aanzien.
Anna Sergejevna Odintsova was de dochter van Sergeej Nikolajevitsj
Loktef, een edelman, bekend door zijn schoonheid, zijn hartstocht voor
het spel en zijn handigheid in geldzaken, die na een schitterend leven,
vijftien jaren lang, in Petersburg en Moscou, door allerlei bedrog en
zwendel hooggehouden, volkomen geruïneerd werd en zich op het land
terugtrok. Hij stierf kort daarop en liet zijn beide dochters Anna
en Katharina, twintig en twaalf jaar oud, een matig inkomen na. Hun
moeder, uit een vervallen vorstelijke familie gesproten, was al eerder,
in den rijken, Petersburgschen tijd van haar echtgenoot gestorven. Bij
den dood van haar vader bevond Anna Loktef zich in zeer moeilijke
omstandigheden. De deftige opvoeding, die ze in Petersburg genoten had,
was geenszins bedoeld voor de huiselijke zorgen, die haar wachtten
in het armzalige provincieplaatsje. Ze kende geen buren en kon dus
bij niemand om raad komen. Haar vader had alle omgang met naburige
eigenaars zorgvuldig gemeden. Hij verachtte hen en zij daarom hem,
ieder op zijn eigen manier. Toch verloor zij den moed niet, schreef
onmiddellijk de zuster harer moeder, vorstin Avdotia Stepanovna Ch.,
een kwaadaardige, trotsche, oude, ongehuwde vrouw, wie zij vroeg,
bij haar te komen wonen. De dame kwam en installeerde zich in het
beste gedeelte van het huis. Zij maakte den geheelen dag ruzie
en ging nooit uit zonder het gezelschap van haar eigen bediende,
een stille, tot kamerdienaar afgerichte lijfeigene in een gele
livrei met blauwe omslagen en een driekanten hoed. Anna verdroeg
de grillen van haar tante geduldig, zorgde zoo goed mogelijk voor
de opvoeding van haar zusje en scheen volkomen te berusten in dit
eenzame, leege leven. Maar het lot wilde anders. Een zeer rijk man,
zekere Odintsof, een veertiger, hypochondrisch en zonderling, dik en
grof, maar niet zonder geest en overigens een eenzaam mensch, leerde
haar kennen, werd verliefd en vroeg haar ten huwelijk. Zij stemde
toe. Na een huwelijk van zes jaar stierf hij en vermaakte haar zijn
vermogen. Anna Sergejevna bleef nog een jaar in de provincie; toen
maakte ze met haar zuster een Europeesche reis, die zich echter niet
verder dan Duitschland uitstrekte en keerde weldra naar het geliefde
dorp Nikolskoi, in de buurt van de stad terug.
Ze bewoonde een ruim landhuis, goed gemeubeld en omgeven door een
grooten tuin met oranjerie. Haar overleden echtgenoot hield van een
leven op grooten voet. Anna Sergejevna verscheen zelden in de stad,
alleen voor geldelijke aangelegenheden. Men hield niet van haar in het
goevernement, haar huwelijk had nog al wat opschudding verwekt. De
booze wereld wist allerlei verhalen, dat ze bij voorbeeld de hand
had gehad in speculaties van haar vader, de buitenlandsche reis moest
als dekmantel dienen en om gevolgen te ontgaan en zoo verder...
--U begrijpt, zeiden de brave lieden dan, die is al door alle wateren
gewasschen... En een grappenmaker, die een patent op zeker soort
aardigheden meende te hebben, voegde er dan altijd bij: en door de
koperen leidingen ook! Zij wist wel van die praatjes. Maar die deerden
haar allerminst. Ze bezat karaktervastheid en geestelijke vrijheid.
In haar stoel, de handen over elkaar gevouwen, luisterde ze naar
Bazarofs woorden. Tegen zijn gewoonte was hij nog al spraakzaam
en deed blijkbaar zijn best, haar te imponeeren. Arkadiej merkte
dit zeer duidelijk, maar hij kon niet uitmaken, of zijn toeleg
hem lukte. Zij wist haar gevoelens volkomen te beheerschen en haar
gelaat gaf niets te lezen, als dienzelfden beminnelijken, fijnen
glimlach. Haar verstandige oogen bleven geïnteresseerd, maar deze
oplettendheid werd nooit enthousiasme. Het ongewone wezen van Bazarof
had haar in 't eerst onaangenaam getroffen, zooals een schel geluid
of een sterke geur pijnlijk kunnen zijn; maar toen ze merkte, dat hij
niet onbevangen was, gevoelde ze zich gevleid. Banaliteit was haar
onverdragelijk, en banaal was Bazarof zeker niet. Ongetwijfeld was het
van te voren aldus bestemd, dat Arkadiej van de eene verbazing in de
andere zou vallen. Hij dacht, dat Bazarof met zulk een intelligente
vrouw over zijn denkbeelden en overtuigingen zou spreken. Ze had
immers het verlangen te kennen gegeven, een man te ontmoeten, die
"aan niets meer geloofde". Maar in plaats daarvan sprak Bazarof over
medische, homoeopatische en botanische kwesties. Mevrouw Odintsof had
in de vele uren harer eenzaamheid goede boeken gelezen en sprak mooi
Russisch. Toen ze even de muziek aanraakte, hoorde ze, dat Bazarof
niet hield van kunst in het algemeen en zoo kwam het gesprek weer
op de botanie, ofschoon Arkadiej reeds een verhandeling over het
volkslied gereed had. Mevrouw Odintsof bleef hem als een broeder
behandelen, ze schatte in hem blijkbaar uitsluitend zijn goedigheid
en de vrijmoedigheid van zijn jongen leeftijd.
Het rustige, afwisselend-levendige gesprek duurde bijna drie uren. Toen
stonden de beide vrienden op, om heen te gaan. Mevrouw Odintsof reikte
beiden haar fijne, blanke hand en zei na eenige aarzeling met een
welwillenden glimlach:
--Als u niet bang bent, u te vervelen, komt u mij dan eens opzoeken
in Nikolskoi.
--Denkt u, dat ik mij niet overgelukkig zou achten... begon Arkadiej.
--En u, monsieur Bazarof?
Bazarof boog alleen maar en Arkadiej zag tot zijn verwondering,
dat zijn vriend rood werd.
--En, vroeg hij, toen ze buiten waren, denk je nog altijd, dat ze
hm... hm...?
--Wie weet? Ze is zoo gesloten, antwoordde Bazarof en na een oogenblik:
Een geboren vorstin! Een prinses! Alleen de kroon op het hoofd
ontbreekt haar.
--Onze vorstinnen spreken haar moedertaal niet zoo zuiver als zij!
--Ze heeft een harde school doorloopen, kerel. Ze heeft hetzelfde
geleden als wij.
--Maar daarom is ze niet minder betooverend, vond Arkadiej.
--Een heerlijk lichaam! antwoordde Bazarof. Een schitterend exemplaar
voor de operatietafel!
--Stil toch, Jevgenij, je bent een verschrikkelijk mensch!
--Wees maar niet boos, teedere ziel! Ik geef immers toe, dat ze van
eerste kwaliteit is. Wij moeten haar opzoeken.
--Wanneer?
--Overmorgen, als je wilt. Wat hebben we hier nog te doen? Champagne
drinken met juffrouw Koeksjin? Of de geest van je waarden neef, den
liberalen grootwaardigheidsbekleeder bewonderen? Laten we overmorgen
gaan. Te meer, omdat het vlak bij mijn vader in de buurt is. Nikolskoi
ligt op den weg naar D.
--Ja.
--Optime. We moeten geen tijd verliezen. Alleen zwakkelingen
aarzelen. Een pracht van een lichaam!
Drie dagen later waren de vrienden op weg naar Nikolskoi. Het was een
mooie dag, matige hitte en de goed doorvoede paarden zwiepten met de
gevlochten staarten, Arkadiej keek voor zich uit en lachte zonder te
weten waarom.
--Wensch me geluk, riep Bazarof plotseling. Het is vandaag 22 Juni,
de dag van mijn beschermheilige. We zullen eens zien, of hij me
beschermt... Ze verwachten me vandaag thuis, zei hij op anderen
toon... ze zullen vergeefs wachten... maar dat hindert niet.