XV.

--Ik ben nieuwsgierig te zien tot welke klasse van zoogdieren je nieuwe

vriendin hoort, zei Bazarof den volgenden dag tot Arkadiej, terwijl

ze de stoep van het hotel opgingen, waar mevrouw Odintsof woonde.--Ik

weet het niet, maar de zaak schijnt mij niet geheel en al in den haak.

--Hoe heb ik het nu met je! riep Arkadiej uit, jij werpt je op tot

het verdedigen van een burgerlijke moraal, die...

--Wat ben je toch een gekke kerel, antwoordde Bazarof onverschillig,

begrijp je niet, dat "niet in den haak" juist het tegendeel

beteekent? Namelijk dat er wel wat te eten zal zijn! Je hebt toch

gezegd, dat ze een verstandig huwelijk gedaan heeft met een ouden

rijkaard. Ik geef niets om praatjes, al neem ik aan, dat ze wel niet

geheel en al zonder grond zullen zijn.

Arkadiej antwoordde niet en klopte aan de kamerdeur van mevrouw

Odintsof. Een jong bediende in livrei bracht hen in een groot,

slecht gemeubeld vertrek, zooals dat in Russische hôtels garnis

gewoonte is. Alleen stonden hier en daar bloemen. Mevrouw Odintsof

kwam spoedig binnen in morgenkleed. Ze scheen nog jonger in het

morgenlicht. Arkadiej stelde haar aan Bazarof voor en tot zijn

verwondering zag hij, dat zijn vriend in verwarring geraakte, terwijl

zij zoo rustig was als op den avond van het bal. Bazarof gevoelde zelf,

dat zijn onzekerheid zichtbaar werd en dit ergerde hem.

--Een mooie boel, dacht hij, die vrouw maakt me onrustig, en nadat

hij met een air van onverschilligheid in een leunstoel plaats had

genomen, zooals Sitnikof het hem niet verbeterd zou hebben, begon

hij met overdreven vastheid te praten, terwijl mevrouw Odintsof hem

rustig bleef aanzien.

Anna Sergejevna Odintsova was de dochter van Sergeej Nikolajevitsj

Loktef, een edelman, bekend door zijn schoonheid, zijn hartstocht voor

het spel en zijn handigheid in geldzaken, die na een schitterend leven,

vijftien jaren lang, in Petersburg en Moscou, door allerlei bedrog en

zwendel hooggehouden, volkomen geruïneerd werd en zich op het land

terugtrok. Hij stierf kort daarop en liet zijn beide dochters Anna

en Katharina, twintig en twaalf jaar oud, een matig inkomen na. Hun

moeder, uit een vervallen vorstelijke familie gesproten, was al eerder,

in den rijken, Petersburgschen tijd van haar echtgenoot gestorven. Bij

den dood van haar vader bevond Anna Loktef zich in zeer moeilijke

omstandigheden. De deftige opvoeding, die ze in Petersburg genoten had,

was geenszins bedoeld voor de huiselijke zorgen, die haar wachtten

in het armzalige provincieplaatsje. Ze kende geen buren en kon dus

bij niemand om raad komen. Haar vader had alle omgang met naburige

eigenaars zorgvuldig gemeden. Hij verachtte hen en zij daarom hem,

ieder op zijn eigen manier. Toch verloor zij den moed niet, schreef

onmiddellijk de zuster harer moeder, vorstin Avdotia Stepanovna Ch.,

een kwaadaardige, trotsche, oude, ongehuwde vrouw, wie zij vroeg,

bij haar te komen wonen. De dame kwam en installeerde zich in het

beste gedeelte van het huis. Zij maakte den geheelen dag ruzie

en ging nooit uit zonder het gezelschap van haar eigen bediende,

een stille, tot kamerdienaar afgerichte lijfeigene in een gele

livrei met blauwe omslagen en een driekanten hoed. Anna verdroeg

de grillen van haar tante geduldig, zorgde zoo goed mogelijk voor

de opvoeding van haar zusje en scheen volkomen te berusten in dit

eenzame, leege leven. Maar het lot wilde anders. Een zeer rijk man,

zekere Odintsof, een veertiger, hypochondrisch en zonderling, dik en

grof, maar niet zonder geest en overigens een eenzaam mensch, leerde

haar kennen, werd verliefd en vroeg haar ten huwelijk. Zij stemde

toe. Na een huwelijk van zes jaar stierf hij en vermaakte haar zijn

vermogen. Anna Sergejevna bleef nog een jaar in de provincie; toen

maakte ze met haar zuster een Europeesche reis, die zich echter niet

verder dan Duitschland uitstrekte en keerde weldra naar het geliefde

dorp Nikolskoi, in de buurt van de stad terug.

Ze bewoonde een ruim landhuis, goed gemeubeld en omgeven door een

grooten tuin met oranjerie. Haar overleden echtgenoot hield van een

leven op grooten voet. Anna Sergejevna verscheen zelden in de stad,

alleen voor geldelijke aangelegenheden. Men hield niet van haar in het

goevernement, haar huwelijk had nog al wat opschudding verwekt. De

booze wereld wist allerlei verhalen, dat ze bij voorbeeld de hand

had gehad in speculaties van haar vader, de buitenlandsche reis moest

als dekmantel dienen en om gevolgen te ontgaan en zoo verder...

--U begrijpt, zeiden de brave lieden dan, die is al door alle wateren

gewasschen... En een grappenmaker, die een patent op zeker soort

aardigheden meende te hebben, voegde er dan altijd bij: en door de

koperen leidingen ook! Zij wist wel van die praatjes. Maar die deerden

haar allerminst. Ze bezat karaktervastheid en geestelijke vrijheid.

In haar stoel, de handen over elkaar gevouwen, luisterde ze naar

Bazarofs woorden. Tegen zijn gewoonte was hij nog al spraakzaam

en deed blijkbaar zijn best, haar te imponeeren. Arkadiej merkte

dit zeer duidelijk, maar hij kon niet uitmaken, of zijn toeleg

hem lukte. Zij wist haar gevoelens volkomen te beheerschen en haar

gelaat gaf niets te lezen, als dienzelfden beminnelijken, fijnen

glimlach. Haar verstandige oogen bleven geïnteresseerd, maar deze

oplettendheid werd nooit enthousiasme. Het ongewone wezen van Bazarof

had haar in 't eerst onaangenaam getroffen, zooals een schel geluid

of een sterke geur pijnlijk kunnen zijn; maar toen ze merkte, dat hij

niet onbevangen was, gevoelde ze zich gevleid. Banaliteit was haar

onverdragelijk, en banaal was Bazarof zeker niet. Ongetwijfeld was het

van te voren aldus bestemd, dat Arkadiej van de eene verbazing in de

andere zou vallen. Hij dacht, dat Bazarof met zulk een intelligente

vrouw over zijn denkbeelden en overtuigingen zou spreken. Ze had

immers het verlangen te kennen gegeven, een man te ontmoeten, die

"aan niets meer geloofde". Maar in plaats daarvan sprak Bazarof over

medische, homoeopatische en botanische kwesties. Mevrouw Odintsof had

in de vele uren harer eenzaamheid goede boeken gelezen en sprak mooi

Russisch. Toen ze even de muziek aanraakte, hoorde ze, dat Bazarof

niet hield van kunst in het algemeen en zoo kwam het gesprek weer

op de botanie, ofschoon Arkadiej reeds een verhandeling over het

volkslied gereed had. Mevrouw Odintsof bleef hem als een broeder

behandelen, ze schatte in hem blijkbaar uitsluitend zijn goedigheid

en de vrijmoedigheid van zijn jongen leeftijd.

Het rustige, afwisselend-levendige gesprek duurde bijna drie uren. Toen

stonden de beide vrienden op, om heen te gaan. Mevrouw Odintsof reikte

beiden haar fijne, blanke hand en zei na eenige aarzeling met een

welwillenden glimlach:

--Als u niet bang bent, u te vervelen, komt u mij dan eens opzoeken

in Nikolskoi.

--Denkt u, dat ik mij niet overgelukkig zou achten... begon Arkadiej.

--En u, monsieur Bazarof?

Bazarof boog alleen maar en Arkadiej zag tot zijn verwondering,

dat zijn vriend rood werd.

--En, vroeg hij, toen ze buiten waren, denk je nog altijd, dat ze

hm... hm...?

--Wie weet? Ze is zoo gesloten, antwoordde Bazarof en na een oogenblik:

Een geboren vorstin! Een prinses! Alleen de kroon op het hoofd

ontbreekt haar.

--Onze vorstinnen spreken haar moedertaal niet zoo zuiver als zij!

--Ze heeft een harde school doorloopen, kerel. Ze heeft hetzelfde

geleden als wij.

--Maar daarom is ze niet minder betooverend, vond Arkadiej.

--Een heerlijk lichaam! antwoordde Bazarof. Een schitterend exemplaar

voor de operatietafel!

--Stil toch, Jevgenij, je bent een verschrikkelijk mensch!

--Wees maar niet boos, teedere ziel! Ik geef immers toe, dat ze van

eerste kwaliteit is. Wij moeten haar opzoeken.

--Wanneer?

--Overmorgen, als je wilt. Wat hebben we hier nog te doen? Champagne

drinken met juffrouw Koeksjin? Of de geest van je waarden neef, den

liberalen grootwaardigheidsbekleeder bewonderen? Laten we overmorgen

gaan. Te meer, omdat het vlak bij mijn vader in de buurt is. Nikolskoi

ligt op den weg naar D.

--Ja.

--Optime. We moeten geen tijd verliezen. Alleen zwakkelingen

aarzelen. Een pracht van een lichaam!

Drie dagen later waren de vrienden op weg naar Nikolskoi. Het was een

mooie dag, matige hitte en de goed doorvoede paarden zwiepten met de

gevlochten staarten, Arkadiej keek voor zich uit en lachte zonder te

weten waarom.

--Wensch me geluk, riep Bazarof plotseling. Het is vandaag 22 Juni,

de dag van mijn beschermheilige. We zullen eens zien, of hij me

beschermt... Ze verwachten me vandaag thuis, zei hij op anderen

toon... ze zullen vergeefs wachten... maar dat hindert niet.

Vaders en Zonen · 第 23 / 38 题