Het kleine huis in Russischen stijl, waar Avdotja Nikitisjna of Eudoxia
Koeksjin woonde, stond in een voor kort afgebrande straat. Het is
bekend, dat onze provinciestadjes om de vijf jaar afbranden. Aan
de voordeur was naast een scheef hangend visitekaartje een schel
aangebracht; een juffrouw met een mutsje op, half dienstmeid, half
dame van gezelschap, ontving de heeren in de voorkamer. Een en ander
ten bewijze van den liberalen geest der bewoonster. Sitnikof vroeg
of Avdotja Nikitisjna thuis was.
--O, bent u het Victor? riep een hooge stem uit de achterkamer.--Kom
binnen! Meteen verdween de juffrouw met het mutsje.
--Ik ben niet alleen, zei Sitnikof en keek zijn vrienden met een blik
van verstandhouding aan, terwijl hij zijn overjas uitdeed.
--Dat hindert niet, antwoordde Eudoxia Nikitisjna, kom maar binnen!
De jonge lieden gehoorzaamden. Het vertrek, dat ze binnentraden,
leek meer een werkkamer dan een salon. Papier, brieven, Russische
tijdschriften, meest onopengesneden, slingerden op stoffige
tafels. Overal half opgerookte sigaren daartusschen. De vrouw des
huizes lag op een leeren sofa. Ze was jong, blond, een kanten doekje
over het hoofd, zware armbanden had ze aan de polsen en haar handen
waren klein met korte vingers. Ze stond op, trok een fluweelen sortie,
met vergeeld hermelijn gevoerd, losjes over de schouders, zei met
iets smachtends in haar stem:
--Dag Victor, en drukte hem de hand.
--Bazarof, Kirsanof, zei deze kort, Bazarofs manier van voorstellen
nabootsend.
--Aangenaam, heeren, antwoordde mevrouw Koeksjin. Ze richtte haar ronde
oogen, waartusschen een heel klein, armzalig, rood wipneusje stond,
op Bazarof, voegde er bij: Ik ken u, en gaf hem ook een hand. Bazarof
vertrok even zijn gezicht. Het onbeduidende gezichtje was niet bepaald
leelijk, maar de uitdrukking was onaangenaam. Men zou willen vragen:
Wat scheelt eraan? Heb je honger? Verveel je je? Ben je bang voor
iets? Ze had evenals Sitnikof het gevoel, alsof er voortdurend
iets knaagde aan haar ziel. Haar bewegingen en manier van spreken
hadden iets haastigs en logs tegelijk. Ze vond zich zelf zeker goed
en eenvoudig, en toch, wat ze ook deed, het had altijd den schijn,
alsof haar plan was, iets anders te doen.
-- Ja, ja, ik ken u Bazarof, herhaalde ze. (Naar de gewoonte der
vrouwen van het land, noemde ze mannen, die ze voor het eerst zag,
bij hun familienaam.) Rookt u?
--Een sigaar graag, zei Sitnikof, die het zich intusschen gemakkelijk
had gemaakt in een leunstoel, een been over het andere.--Maar u moet
ons ook wat te eten geven. We vergaan van den honger. En laat dan
maar meteen een flesch champagne aanrukken.
--Sibariet! antwoordde ze lachend. Als ze lachte, zag men het
tandvleesch. Is hij nu geen Sibariet, Bazarof?
--Ik houd van mijn gemak, zei Sitnikof met waardigheid. Maar daarom
ben ik niet minder liberaal!
--Jawel, riep Eudoxia, en ze beval het kamermeisje, voor een dejeuner
te zorgen en champagne te brengen.
--Hoe denkt u daarover? vroeg ze Bazarof, ik weet zeker, dat u het
met mij eens bent!
--Dan vergist u je, antwoordde deze, een stuk vleesch is beter dan
een stuk brood, zelfs van het standpunt der chemische analyse.
--Aha. U doet aan chemie. Dat is mijn zwak. Ik heb zelf een soort
lijm uitgevonden.
--Lijm? U?
--Ja, weet u, waarvoor? Voor poppen, poppenhoofden. Bizonder
duurzaam. Ik ben practisch. Maar ik ben het nog niet met mezelf
eens. Ik moet Liebig raadplegen. Hebt u in de Moscousche courant
het artikel van Kisljakof over den vrouwenarbeid gelezen? Dat moet
u lezen. U interesseert u immers voor de vrouwenkwestie? En voor de
schoolkwestie ook? En wat doet uw vriend? Hoe heet hij?
Mevrouw Koeksjin ratelde deze vragen na elkander af met een naïeve
onverschilligheid, zonder eenig antwoord af te wachten. Zoo praten
ook verwende kinderen met hun gouvernante.
--Ik heet Arkadiej Nikolajwitsj Kirsanof, zei Arkadiej, en doe niets.
Eudoxia lachte.
--Dat is alleraardigst. Rookt u niet? Victor, je weet, dat ik boos
op je ben.
--Waarom?
--Je begint weer met George Sand te dwepen. Dat is een antiek meubel
en verder niets. Hoe kan iemand haar met Emerson vergelijken? Ze heeft
geen begrip van opvoeding of physiologie of wat ook. Ik ben overtuigd,
dat ze nooit van embryologie gehoord heeft en hoe kunnen we het
tegenwoordig zonder die wetenschap stellen? (Eudoxia spreidde de armen
uit bij deze woorden). Wat heeft Jelisejewitsj een prachtig artikel
over dit onderwerp geschreven! Dat is een genie, die heer. (Eudoxia
zei meestal heer in plaats van man). Bazarof, kom eens bij me zitten
op de sofa. U weet zeker niet, dat ik vreeselijk bang voor u ben.
--Waarom? U maakt me nieuwsgierig.
--U bent een gevaarlijk heer. U critiseert alles ter wereld. Maar
mijn hemel, ik spreek als een echte gans. Maar ik ben ook eigenlijk
een gans. Ik beheer mijn goed zelf, maar verbeeld u, mijn opzichter
Jerofej is een type. Hij doet me denken aan Coopers Padvinder. Hij
heeft zoo iets oerwoudachtigs. En nu zit ik voor goed hier in deze
verschrikkelijke stad. Is het niet verschrikkelijk? Maar wat te doen?
--Het is een stad, als elke andere, antwoordde Bazarof droogjes.
--De kleinzieligste dingen houden de menschen hier bezig. 't Is
afschuwelijk. Anders was ik den heelen winter in Moscou. Maar de
eerbiedwaardige heer Koeksjin heeft zich daar gevestigd. Buitendien
is Moscou tegenwoordig... ik weet niet... het is allemaal anders
tegenwoordig. Ik zou willen reizen. Verleden jaar was ik ook al van
plan, op reis te gaan.
--Zeker naar Parijs? vroeg Bazarof.
--Naar Parijs en Heidelberg.
--Waarom Heidelberg?
--Omdat Bunsen daar woont.
Bazarof wist geen antwoord.
--Pierre Sapozjnikof... dien kent u toch?
--Ik heb niet de eer.
--Hoe is 't mogelijk? Pierre Sapozjnikof. Hij is altijd met Lydia
Chostatova.
--Die ken ik ook niet.
--Nu, Sapozjnikof had me zijn reisgezelschap beloofd. Ik heb gelukkig
geen kinderen. Wat zei ik daar? Gelukkig?... Dat doet er ook niet
toe. Eudoxia rolde een sigaret tusschen haar geel geworden vingers,
trok die over haar tong, en begon te rooken.
Het kamermeisje kwam met het theeblad.
--Aha, daar is het eten! Wilt u wat gebruiken? Victor, trek de flesch
eens open. Dat behoor jij te kunnen.
--Kunnen, kunnen, mompelde Sitnikof.
--Zijn hier ook mooie vrouwen? vroeg Bazarof bij zijn derde glas.
--Zeker, antwoordde Eudoxia, maar heel onbelangrijk. Mon amie Odintsova
is niet kwaad. Alleen heeft ze een beetje 'n slechte naam... dat
is nu wel niet zoo erg, maar van verheven ideeën, van geest geen
spoor. Ons opvoedingsysteem deugt ook niet. Onze vrouwen hier zijn
slecht opgevoed.
--U zult ze niet beter maken, zei Sitnikof, de eenige houding is, ze
verachten, en ik veracht ze diep! (Sitnikof hield er van, te verachten,
en hieraan uiting te geven. Hij had het vooral tegen "het geslacht",
zonder te vermoeden, dat hij voorbestemd was, weldra voor zijn vrouw
te kruipen, alleen omdat ze een vorstin Doerdoleosova was.) Er is
niet één, die zich in het gesprek tot onze hoogte kan opheffen,
niet één, die het verdient, dat ernstige mannen als wij zich met
haar bezighouden.
--Ik zie niet in, waarom zij onze gesprekken behooren te begrijpen,
zei Bazarof.
--Wie bedoelt u? vroeg Eudoxia.
--De mooie vrouwen.
--U bent het dus eens met Proudhon?
Bazarof richtte zich met verachtende geste op.
--Ik ben het met niemand eens, ik heb mijn eigen meeningen.
--Weg met alle autoriteiten! riep Sitnikof, gelukkig, in
tegenwoordigheid van een man, wiens onderdanige dienaar hij was,
eens flink te kunnen optreden.
--Maar Macauley zelf, zei mevrouw Koeksjin...
--Weg met Macauley! riep Sitnikof met donderende stem. U neemt het
op voor die zotte vrouwmenschen!
--Ik strijd volstrekt niet voor de vrouwmenschen, maar voor de rechten
der vrouw, die ik gezworen heb te verdedigen.
--Weg met... Sitnikof maakte zijn zin niet af. Hij viel zich zelf in
de rede: ik heb niets tegen ze!
--Ik zie, dat u slavofiel bent!
--Heelemaal niet. Ik ben geen slavofiel, maar...
--Jawel u bent slavofiel. U bent het eens met de Domostroi,
(een 17e-eeuwsch werk over huishoudelijke toestanden) nogal
patriarchaal! Het mankeert er nog maar aan, dat u de vrouwen met de
zweep te lijf gaat!
--Een mooi ding, de zweep, zei Bazarof,--maar we zijn aan den laatsten
droppel.
--Waarvan? vroeg Eudoxia.
--Van de champagne, niet van uw bloed.
--Ik kan het niet verdragen, als men de vrouwen aanvalt, dat is
afschuwelijk. Men moest liever eens het boek van Michelet lezen:
De l'Amour. Een heerlijk werk! Laten we over de liefde spreken, ging
Eudoxia voort en haar hand liet ze smachtend rusten op een kussen. Het
werd plotseling stil in de kamer.
--Waarom, vroeg Bazarof, over de liefde? Mevrouw Odintsof zal wel
interessanter zijn! Zoo heet ze immers? Wie is ze?
--Bekoorlijk, bekoorlijk! riep Sitnikof uit, ik zal haar jullie
voorstellen. Ze is geestig, rijk en weduwe. Ongelukkig is ze geestelijk
nog niet volkomen ontwikkeld, ze moest wat meer met onze Eudoxia
omgaan! Ik drink op je gezondheid, Eudoxia! Aanstooten! Et toc,
et toc, et tin, tin tin. Et toc, et toc et tin-tin-tin!
--Victor, je bent een grappenmaker!
De maaltijd duurde nog lang. De eene flesch champagne volgde op de
andere. Eudoxia praatte maar door. Sitnikof niet minder. Ze kibbelden
over het huwelijk, of het een vooroordeel was of een misdaad. Ze
behandelden de kwestie, of de menschen met denzelfden aanleg geboren
werden, of niet, en wat eigenlijk individualiteit was. Het kwam
zoover, dat Eudoxia, roode vlekken in het gezicht, met haar nagels
op de ontstemde piano begon te hameren en met heesch geluid eerst
zigeunerliederen zong en toen de romance van Seymour Shiff: Granada
droomt in haren sluimer.
Sitnikof speelde den minnaar. Hij had een lint om zijn voorhoofd
gebonden. Toen zij de woorden galmde:
In mijner kussen heeten gloed
Vereenen zich, lief, onze lippen,
kon Arkadiej zich niet langer goed houden:
--Dat krijgt hier iets van een gekkenhuis, riep hij uit.
Bazarof had zich ertoe bepaald, nu en dan een spottend woord te
lanceeren en stelde het meest belang in de champagne. Hij gaapte
hardop, stond op en ging weg met Arkadiej, zonder afscheid te
nemen. Maar Sitnikof holde hen achterna.
--En, vroeg hij, van den één naar den ander ziende, heb ik u niet
gezegd, dat zij een merkwaardige persoonlijkheid is? Dat is een vrouw,
zooals wij er veel moesten hebben. Ze is in haar soort een fenomeen
van hoogere zedelijke orde!
--Hoort deze inrichting van je vader ook tot die hoogere orde? vroeg
Bazarof en wees op een kroeg, waar ze juist langs kwamen.
Sitnikof antwoordde met zijn gewonen valschen glimlach. Hij schaamde
zich over zijn afkomst en wist niet, of hij zich gevleid of beleedigd
moest voelen over Bazarofs gemeenzaamheid.