XII.

Goeverneur van de stad *., waar beide vrienden heen gingen, was een

jonge man, die, zooals zulks in Rusland dikwijls het geval is, tegelijk

vooruitstrevend en despoot genoemd kon worden. In het eerste jaar van

zijn ambtsaanvaarding reeds was hij zoo handig geweest, niet alleen met

den oudste van den adel, een gepensioneerden ritmeester-stafofficier,

tevens paardenfokker en zeer gastvrij mensch in conflict te komen,

maar evenzeer met zijn eigen ambtenaren. De geschillen, uit dezen

toestand gerezen, hadden zulk een omvang aangenomen, dat de minister

zich genoopt zag, een man van vertrouwen te zenden, ten einde

de zaken weer vlot te krijgen. De keuze was gevallen op Matthias

Ilitsj Koliazin, de zoon van dien Koliazin, die weleer voogd over de

gebroeders Kirsanof was geweest. Hij was een ambtenaar der jongere

school, ofschoon reeds over de veertig. Hij was echter vast voornemens,

een staatsman te worden en prijkte dan ook reeds met twee sterren op

de borst, waarvan de eene trouwens niet veel te beteekenen had, een

buitenlandsch, weinig geacht ordeteeken. Evenals de goeverneur, gold

hij als een man van den vooruitgang, had reeds grooten invloed, maar

was toch geheel anders als andere ambtenaren van zijn rang. Wel had

hij een zeer grooten dunk van zich zelf en was hij grenzenloos ijdel,

maar zijn manieren waren eenvoudig en er lag iets aangenaams in zijn

blik. Hij luisterde altijd zeer welwillend toe en lachte zoo goedig,

dat men hem bij eerste kennismaking voor "een wonderlijk mensch"

hield. In belangrijke zaken wist hij echter gewetenloos streng op

te treden.

--Energie is noodzakelijk, placht hij te zeggen, "l'énergie est

la première qualité d'un homme d'état". Toch kon elk min of meer

geslepen ambtenaar hem gemakkelijk om den tuin leiden en werd hij

telkens bedrogen. Matthias Ilitsj maakte veel werk van Guizot en

deed zijn best, ieder, die hem wilde aanhooren, te overtuigen, dat

hij niet tot die bekrompen-achterlijke mannen behoorde, die routine-

en gewoontemenschen, zooals er zoovelen zijn, en dat geen enkele der

groote maatschappelijke bewegingen aan zijn aandacht en belangstelling

ontsnapte. Hij hield van die groote woorden en volgde eveneens de

literaire beweging, maar met een soort superieure minachting, ongeveer

zooals een man op leeftijd het spel van straatjongens gadeslaat. In

facto was Matthias Ilitsj niet zooveel verder dan de staatslieden

uit den tijd van Alexander I, die, wanneer ze 's avonds een soireé

bij mevrouw Swetsjiena moesten bijwonen, 's morgens een hoofdstuk uit

Condillac lazen. Alleen zijn manieren waren wat moderner. Hij was een

handig hoveling, een sluwerd, zonder meer. Van staatszaken begreep

hij weinig, en geest bezat hij niet. Zijn eigen belangen echter waren

hem wel bewust. Hierin kon niemand hem bedriegen en dit is een talent,

waardoor hij toch eenige verdienste had.

Matthias Ilitsj ontving Arkadiej met welwillendheid, volkomen passend

bij een verlicht ambtenaar van zijn slag; bijna vroolijk ontving hij

hem. De mededeeling echter, dat de beide andere heeren niet zouden

verschijnen, ontstemde hem min of meer.

--Je papa is altijd een type geweest, zei hij, en liet de kwasten van

zijn fluweelen morgenjas door de vingers glijden. Daarop wendde hij

zich tot een jong ambtenaar in streng toegeknoopt interimsuniform en

snauwde hem af:

--Wat moet u daar?

De jonge man, die lang gezwegen had, richtte zich op en keek zijn

meerdere met een uitdrukking van verbazing aan. Matthias Ilitsj

echter deed reeds weer, of hij niet bestond. Onze hoofdambtenaren

houden er wel van, hun ondergeschikten te overbluffen, maar ze doen

dat op verschillende manieren. Een zeer geliefd middel bijvoorbeeld,

a quite favourite, zooals de Engelschman zegt, is dit: de ambtenaar

verstaat plotseling geen enkel woord meer, alsof hij met doofheid

geslagen is. Hij vraagt, welke dag het is. Men antwoordt onderdanig:

--Vrijdag, Uw Excellentie!

--Hè, wat? Wat is?--Zei je iets? antwoordt hij dan.

--Het is vandaag Vrijdag, Uw Excellentie.

--Hè, wat, wat is er met Vrijdag? Wat voor een Vrijdag?

--Vrijdag, Uw Excellentie, het is Vrijdag, een weekdag.

--Wat, ondersta jij je, mij een lesje te willen geven?

Zulk een hoofdambtenaar was Mathias Ilitsj, ten spijt van zijn

liberale denkbeelden.

--Ik raad je aan, mijn beste, zei hij tot Arkadiej, den goeverneur

een bezoek te brengen. Je moet me goed begrijpen. Als ik je dien

raad geef, moet je niet denken, dat ik wil, dat je autoriteiten het

hof zoudt maken. Maar de goeverneur is een man van de wereld. En

buitendien zul je toch wel van plan zijn, je in onze kringen te laten

introduceeren. Ik hoop, dat je geen beer bent. De goeverneur geeft

overmorgen een groot bal.

--Denkt u daar ook heen te gaan? vroeg Arkadiej.

--Hij geeft het ter mijner eer, zei Mathias Ilitsj op bijna

medelijdenden toon, je danst toch?

--Ja, maar niet goed.

--Des te erger voor jou. Er komen een paar mooie vrouwen. En buitendien

is het een schande voor een jongen man, als hij niet kan dansen. Ik

herhaal, ik zeg dat niet uit voorliefde voor het oude, ik vind

volstrekt niet, dat de geest in de beenen zit, maar het byronisme

vind ik belachelijk, dat is overwonnen!

--Denkt u dan, oom, dat het byronisme...

--Ik zal je in kennis brengen met onze dames. Ik zal je onder mijn

bescherming nemen, antwoordde Mathias Ilitsj met welwillenden glimlach.

Een dienaar diende den president der kamer van financiën aan,

een oude man met honig-zoeten blik en ingevallen lippen, die met

de natuur dweepte, vooral in den zomer, wanneer, zooals hij zei,

"het vlijtige bijtje haar dropje zuigt uit elk bloempje."

Arkadiej trok zich terug. Hij vond Bazarof in het hotel, waar ze

hun intrek genomen hadden en deze liet zich overhalen, mee naar den

goeverneur te gaan.

--Voor mijn part dan, zei hij, als men den pink gegeven heeft,

moet men ook de heele hand reiken. Wij zijn gekomen om de heeren

grondeigenaren te leeren kennen.--Vooruit dan.

De goeverneur ontving de jonge lieden vriendelijk, maar hij noodigde

ze niet uit te gaan zitten, en bleef zelf ook staan. Hij had het

altijd gewichtig en druk. Zoodra hij opgestaan was, stak hij zich in

ambtsuniform met nauwsluitende das en gunde zich nauwelijks tijd te

ontbijten, om toch maar niets van zijn zaken te verzuimen. Hij werd

in het goevernement Boerdaloe genoemd; dit was geen toespeling op den

beroemden Franschen prediker, maar werd afgeleid van het woord bourde,

dat praatje beduidt. Hij noodigde Arkadiej en Bazarof op zijn bal,

herhaalde de uitnoodiging eenige minuten later, hield de vrienden

voor broeders en gaf hun den naam Kaisarof.

Toen ze het huis des goeverneurs verlieten, kwam er een rijtuig aan,

dat plotseling stil hield. Een jonge man van gemiddelde gestalte

sprong eruit en riep "Jevgeni Wassilitsj!" terwijl hij op Bazarof

afkwam. Hij droeg een Poolsche lange jas op de wijze der Slavofielen.

--Hé, bent u het, mijnheer Sitnikof, zei Bazarof, zonder te blijven

staan. Wat voert u hier?

--Een toeval, antwoordde hij, keerde zich naar het rijtuig, wenkte

vijf, zes maal met de hand en riep: Volgen! Volgen!--Mijn vader, ging

hij voort, heeft hier zaken en verzocht mij... ik hoorde vandaag,

dat u ook hier bent, en kom juist van uw hotel. (Inderdaad vonden de

vrienden een omgebogen visitekaartje, bij thuiskomst in hun hotel,

met den naam van Sitnikof in latijnsche en slavische letters.) Ik hoop,

dat u nog niet bij den goeverneur bent geweest?

--Hoopt u van niet? Wij komen er juist vandaan.

--Dan ga ik er ook heen. Eugène Wassiljewitsj, stel me toch voor aan

dezen heer.

--Sitnikof--Kirsanof, mompelde Bazarof zonder te blijven staan.

--Aangenaam, begon Sitnikof, met vriendelijken glimlach tot Arkadiej,

terwijl hij zijn zeer elegante handschoenen uittrok,--ik heb al veel

over u hooren spreken. Ik ben een oud vriend van Eugène Wassiljewitsj

en mag me zelfs zijn leerling noemen. Hem heb ik mijn moderne inzichten

te danken.

Arkadiej keek den modernen leerling van Bazarof eens aan. Zijn klein,

glad geschoren gezicht en regelmatige trekken drukten iets onrustigs,

ingespannens, maar tegelijk iets geborneerds uit. Zijn oogen keken

star en onvast tegelijk, zelfs zijn korte-droge lach had iets onzekers,

verwards.

--U zoudt het niet gelooven, ging hij voort, toen Eugène Wassiljewitsj

mij voor de eerste maal verklaarde, dat er geen autoriteit erkend

behoefde te worden, gevoelde ik een blijdschap, een bevrijding,

alsof ik herboren was. Eindelijk een man, dacht ik.--Zeg eens, Eugène

Wassiljewitsj, je moet vooral een dame bezoeken hier, die heelemaal op

jouw hoogte staat en die gelukkig zal zijn kennis met je te maken. Je

moet zeker al van haar gehoord hebben.

--Wie is het dan? vroeg Bazarof verveeld.

--Koeksjina, Eudoxia Koeksjina. Een merkwaardige vrouw, geëmancipeerd

in den volsten zin van het woord, een vrouw van den vooruitgang in

ieder opzicht. Laten we dadelijk alle drie naar haar toe gaan, ze

woont hier vlak bij. We drinken bij haar koffie... of heb jullie al

koffie gedronken?

--Neen.

--Uitmuntend. Ze leeft natuurlijk gescheiden van haar man en is

onafhankelijk.

--Is ze mooi? vroeg Bazarof.

--Nee, dat kan ik niet zeggen.

--Wat moeten we dan in Gods naam bij haar uitvoeren?

--Geen grapjes. Ze zal champagne schenken.

--Hm. De praktische man komt om den hoek kijken. Apropos, doet je

vader nog altijd in brandewijn?

--Ja, antwoordde Sitnikof, met gedwongen glimlach. Ga jullie mee?

--Ik weet niet, wat ik zeggen zal...

--Je wilde immers menschen bestudeeren... zei Arkadiej fluisterend.

--En gaat u ook mee, meneer Kirsanof? vroeg Sitnikof. We gaan niet

zonder u.

--We kunnen toch niet zoo met z'n drieën daar in huis komen vallen...

--Dat hindert niet. Ze is een zeldzame vrouw!

--We krijgen dan champagne? herhaalde Bazarof.

--Drie flesschen, riep Sitnikof, ik sta er voor in.

--Waarmee?

--Met mijn hoofd.

--De portemonnaie van papa zou een beter pand zijn. Maar vooruit

dan maar!

Vaders en Zonen · 第 20 / 38 题