Een half uur later ging Nikolaas den tuin in naar zijn geliefd boschje,
zware gedachten kwelden hem. Voor het eerst had hij de kloof overzien,
die hem van zijn zoon scheidde. Hij vreesde, dat die met den dag wijder
zou worden. Zijn verblijf in Petersburg, zijn lezen van de nieuwe
werken had dus niet gebaat. Vergeefs dus had hij geluisterd naar de
gesprekken der jongeren. Vergeefs getracht, in hun gedachteleven door
te dringen. Mijn broeder beweert, dat wij gelijk hebben, dacht hij,
en inderdaad, afgezien van alle eigenliefde, schijnen zij verder
van de waarheid dan wij. En toch, zij hebben iets, dat wij missen,
een zeker overwicht, een kracht... Zou dat de jeugd zijn? Neen, niet
alleen. Hun overwicht ligt hierin, dat ze minder belast zijn met de
tradities der heeren.
Ze verachten de poëzie! zei hij tot zich zelf en schudde het
hoofd.--Niets voelen voor kunst, voor de natuur?... Hij keek om zich
heen, alsof hij wilde begrijpen, hoe het mogelijk was, dat men de
natuur niet liefhebben kon. De schemering viel. De zon was achter een
populieren boschje verborgen, dit stond een halve werst van den tuin
verwijderd en wierp lange schaduwen over het land. Een boer draafde
op een schimmel het pad langs den woudrand af. Hij was scherp te zien,
zelfs een anderskleurige lap op den schouder van zijn kaftan. De beenen
van het paard bewogen in aangenamen regelmaat en sierlijk. De stralen
der zon drongen door het loof en tintten de boomen met warmen toon,
zoodat het hooge, stille sparren geleken en de hemel stond bleek-rozig,
strak over het land. De zwaluwen vlogen heel hoog, wind was er bijna
niet. Wat late bijen zoemden zwakjes, slaperig langs de vlierbloesems
en een zwerm muggen danste boven een eenzaam-uitstekenden tak.
--Hoe heerlijk, mijn God, dacht hij, en geliefde verzen, wilden hem
over de lippen komen, maar hij dacht aan zijn zoon, aan "Kracht en
Stof" en hield zich stil. Toch bleef hij zitten en gaf zich over
aan het teedere, droeve genot van eenzaam droomen. Het landleven
had hem dat geleerd... Hoelang was het nu geleden, dat hij in die
herberg aan den straatweg wachtte op zijn zoon, en hoeveel was er
veranderd sedert dien? Toen kende hij nog niet zijn verhouding tot den
zoon... en nu... ja... Het beeld van zijn vrouw verscheen voor hem,
niet zooals zij in haar laatste jaren was geweest, goede, opgeruimde,
welwillende huisvrouw, maar als jong meisje, slank, met vragenden blik,
onschuldig, het haar in dikke vlechten, zooals hij haar voor de eerste
maal had gezien, toen hij college liep. Toen hij haar ontmoette op de
trap van het huis, waar hij woonde, stootte hij haar en zei verlegen:
pardon, monsieur... Zij glimlachte, en liep opeens, als verschrikt,
hard weg. Maar op het portaal keek ze hem even aan, ernstig en kreeg
een kleur. En het aarzelende samenzijn begon, de halve woorden,
lachjes, de uren van twijfel en wanhoop, de uren van zaligheid en
eindelijk het overstelpende, dronken makende geluk... wat was van dit
alles geworden? Zij werd zijn vrouw, hij was gelukkig, als weinigen op
aarde... maar toch... niets is te vergelijken met die eerste heilige
oogenblikken... waarom kunnen die niet duren... tot aan den dood?...
Hij trachtte niet verder te weven aan deze gedachte. Vasthouden wilde
hij dien tijd met sterker banden dan die der herinnering. Hij wilde
haar weer naast zich weten, haar adem voelen, haar wangen streelen,
en bijna was het, of boven zijn hoofd haar...
--Nikolaas Petrowitsj, vleide Fenitsjka's stem naast hem, waar ben
je toch?
Hij trilde plotseling. Geen berouw of schaamte was dat gevoel, hij had
er nooit aan gedacht, vergelijkingen te maken tusschen zijn vrouw en
Fenitsjka. Maar het was pijnlijk, dat zij nu juist komen moest. Haar
stem herinnerde hem zijn grijze haren, zijn vroeg-oud zijn, zijn
tegenwoordigen toestand, en de droomwereld, waarin hij zich had laten
gaan op de bleeke nevels van het verleden, vervaagde en verdween.
--Ik zit hier, antwoordde hij, ik kom dadelijk, ga maar vast...
Dat zijn nu de tradities der heeren, van zooeven, dacht hij.
Fenitsjka keek eerst nog in het boschje en verwijderde zich toen. Nu
bemerkte hij pas, dat de nacht hem overrompeld had. Rondom was het
donker en stil en Fenitsjka's gezichtje was zoo bleek en teer geweest,
die enkele oogenblikken. Hij stond op, om naar huis te gaan. Maar zijn
bewogen hart was nog niet tot rust gekomen en langzaam liep hij heen en
weer in den tuin, keek nu eens omlaag, dan weer omhoog naar den hemel,
die vol sterren stond. Langen tijd ging hij zoo, tot hij moe werd,
en kon niet tot rust geraken. Wat zou Bazarof hem uitgelachen hebben,
als hij hem zoo had gezien! Ook zijn zoon zou hem hebben bespot. Zijn
oogen stonden vol tranen en hij bleef weenen, weenen, waarom?... dat
was toch schandelijk voor een man van veertig jaar, een landeigenaar
en landbouwkundige, veel, veel erger dan cellospelen... Nikolaas
Petrowitsj doolde, doolde en kon niet besluiten, naar huis te gaan,
het huis, dat hem vriendelijk wenkte met zijn verlichte vensters. Hij
kon den moed niet vinden, den donkeren tuin te verlaten, de koele
lucht, die zijn voorhoofd streelde, deze teer-droeve stemming...
Daar trad Paul Petrowitsj op hem toe.
--Wat doe je toch? vroeg hij, je bent bleek als een spook. Voel je
je ziek? Je moest naar bed gaan.
Nikolaas sprak hem van zijn gedachten en gevoelens en ging in
huis. Paul bleef in den tuin. Ook hij begon te peinzen en sloeg
de oogen ten hemel. Maar hij was geen romanticus. Zijn oogen
weerspiegelden koel en klaar de sterren, geen tranen, geen droomen,
die niet bij zijn hartstochtelijk wezen pasten. Hij was een man van
de daad, van het proza, hoe gevoelig ook voor teere dingen, vijandig
gezind aan de menschen, op de manier der Fransche misanthropische
ziel...
--Weet je wat? ik heb een idee, zei Bazarof dienzelfden avond tegen
zijn vriend. Je vader vertelde, dat hij een uitnoodiging ontvangen
had van jullie neef. Hij wil niet gaan. Hoe zou je erover denken als
wij eens gingen?... Voor jou is de invitatie ook. Je ziet, hoe het
hier gesteld is. De reis zal ons goed doen. Wij zien de stad. Het
kost ons hoogstens een dag of zes.
--En kom je dan weer mee terug?
--Nee, ik moet naar mijn vader. Hij woont een dertig werst van
de stad. Ik heb de ouwelui in lang niet gezien. Ik moet hun dat
genoegen eens doen. Het zijn beste menschen en mijn vader is een
grappenmaker. En bovendien ben ik eenig kind.
--Blijf je lang?
--Ik denk het niet. Ik zal me daar wel vervelen.
--Kom je op de terugreis dan nog langs?
--Dat hangt van er af. Ik weet nog niet. En? Hoe denk je er over? Goed?
--Goed, antwoordde Arkadiej, onverschillig.
Eigenlijk was hij zeer tevreden met den voorslag van zijn vriend. Maar
hij wilde het niet laten merken. Dat hoorde zoo voor een echten
nihilist.
Den dag daarop reisden zij naar de stad.
Op Marjino vonden de jonge menschen hun afwezigheid
onaangenaam. Doeniasja weende zelfs. Maar "de ouden" zooals Bazarof
hen noemde, herademden.