XI.

Een half uur later ging Nikolaas den tuin in naar zijn geliefd boschje,

zware gedachten kwelden hem. Voor het eerst had hij de kloof overzien,

die hem van zijn zoon scheidde. Hij vreesde, dat die met den dag wijder

zou worden. Zijn verblijf in Petersburg, zijn lezen van de nieuwe

werken had dus niet gebaat. Vergeefs dus had hij geluisterd naar de

gesprekken der jongeren. Vergeefs getracht, in hun gedachteleven door

te dringen. Mijn broeder beweert, dat wij gelijk hebben, dacht hij,

en inderdaad, afgezien van alle eigenliefde, schijnen zij verder

van de waarheid dan wij. En toch, zij hebben iets, dat wij missen,

een zeker overwicht, een kracht... Zou dat de jeugd zijn? Neen, niet

alleen. Hun overwicht ligt hierin, dat ze minder belast zijn met de

tradities der heeren.

Ze verachten de poëzie! zei hij tot zich zelf en schudde het

hoofd.--Niets voelen voor kunst, voor de natuur?... Hij keek om zich

heen, alsof hij wilde begrijpen, hoe het mogelijk was, dat men de

natuur niet liefhebben kon. De schemering viel. De zon was achter een

populieren boschje verborgen, dit stond een halve werst van den tuin

verwijderd en wierp lange schaduwen over het land. Een boer draafde

op een schimmel het pad langs den woudrand af. Hij was scherp te zien,

zelfs een anderskleurige lap op den schouder van zijn kaftan. De beenen

van het paard bewogen in aangenamen regelmaat en sierlijk. De stralen

der zon drongen door het loof en tintten de boomen met warmen toon,

zoodat het hooge, stille sparren geleken en de hemel stond bleek-rozig,

strak over het land. De zwaluwen vlogen heel hoog, wind was er bijna

niet. Wat late bijen zoemden zwakjes, slaperig langs de vlierbloesems

en een zwerm muggen danste boven een eenzaam-uitstekenden tak.

--Hoe heerlijk, mijn God, dacht hij, en geliefde verzen, wilden hem

over de lippen komen, maar hij dacht aan zijn zoon, aan "Kracht en

Stof" en hield zich stil. Toch bleef hij zitten en gaf zich over

aan het teedere, droeve genot van eenzaam droomen. Het landleven

had hem dat geleerd... Hoelang was het nu geleden, dat hij in die

herberg aan den straatweg wachtte op zijn zoon, en hoeveel was er

veranderd sedert dien? Toen kende hij nog niet zijn verhouding tot den

zoon... en nu... ja... Het beeld van zijn vrouw verscheen voor hem,

niet zooals zij in haar laatste jaren was geweest, goede, opgeruimde,

welwillende huisvrouw, maar als jong meisje, slank, met vragenden blik,

onschuldig, het haar in dikke vlechten, zooals hij haar voor de eerste

maal had gezien, toen hij college liep. Toen hij haar ontmoette op de

trap van het huis, waar hij woonde, stootte hij haar en zei verlegen:

pardon, monsieur... Zij glimlachte, en liep opeens, als verschrikt,

hard weg. Maar op het portaal keek ze hem even aan, ernstig en kreeg

een kleur. En het aarzelende samenzijn begon, de halve woorden,

lachjes, de uren van twijfel en wanhoop, de uren van zaligheid en

eindelijk het overstelpende, dronken makende geluk... wat was van dit

alles geworden? Zij werd zijn vrouw, hij was gelukkig, als weinigen op

aarde... maar toch... niets is te vergelijken met die eerste heilige

oogenblikken... waarom kunnen die niet duren... tot aan den dood?...

Hij trachtte niet verder te weven aan deze gedachte. Vasthouden wilde

hij dien tijd met sterker banden dan die der herinnering. Hij wilde

haar weer naast zich weten, haar adem voelen, haar wangen streelen,

en bijna was het, of boven zijn hoofd haar...

--Nikolaas Petrowitsj, vleide Fenitsjka's stem naast hem, waar ben

je toch?

Hij trilde plotseling. Geen berouw of schaamte was dat gevoel, hij had

er nooit aan gedacht, vergelijkingen te maken tusschen zijn vrouw en

Fenitsjka. Maar het was pijnlijk, dat zij nu juist komen moest. Haar

stem herinnerde hem zijn grijze haren, zijn vroeg-oud zijn, zijn

tegenwoordigen toestand, en de droomwereld, waarin hij zich had laten

gaan op de bleeke nevels van het verleden, vervaagde en verdween.

--Ik zit hier, antwoordde hij, ik kom dadelijk, ga maar vast...

Dat zijn nu de tradities der heeren, van zooeven, dacht hij.

Fenitsjka keek eerst nog in het boschje en verwijderde zich toen. Nu

bemerkte hij pas, dat de nacht hem overrompeld had. Rondom was het

donker en stil en Fenitsjka's gezichtje was zoo bleek en teer geweest,

die enkele oogenblikken. Hij stond op, om naar huis te gaan. Maar zijn

bewogen hart was nog niet tot rust gekomen en langzaam liep hij heen en

weer in den tuin, keek nu eens omlaag, dan weer omhoog naar den hemel,

die vol sterren stond. Langen tijd ging hij zoo, tot hij moe werd,

en kon niet tot rust geraken. Wat zou Bazarof hem uitgelachen hebben,

als hij hem zoo had gezien! Ook zijn zoon zou hem hebben bespot. Zijn

oogen stonden vol tranen en hij bleef weenen, weenen, waarom?... dat

was toch schandelijk voor een man van veertig jaar, een landeigenaar

en landbouwkundige, veel, veel erger dan cellospelen... Nikolaas

Petrowitsj doolde, doolde en kon niet besluiten, naar huis te gaan,

het huis, dat hem vriendelijk wenkte met zijn verlichte vensters. Hij

kon den moed niet vinden, den donkeren tuin te verlaten, de koele

lucht, die zijn voorhoofd streelde, deze teer-droeve stemming...

Daar trad Paul Petrowitsj op hem toe.

--Wat doe je toch? vroeg hij, je bent bleek als een spook. Voel je

je ziek? Je moest naar bed gaan.

Nikolaas sprak hem van zijn gedachten en gevoelens en ging in

huis. Paul bleef in den tuin. Ook hij begon te peinzen en sloeg

de oogen ten hemel. Maar hij was geen romanticus. Zijn oogen

weerspiegelden koel en klaar de sterren, geen tranen, geen droomen,

die niet bij zijn hartstochtelijk wezen pasten. Hij was een man van

de daad, van het proza, hoe gevoelig ook voor teere dingen, vijandig

gezind aan de menschen, op de manier der Fransche misanthropische

ziel...

--Weet je wat? ik heb een idee, zei Bazarof dienzelfden avond tegen

zijn vriend. Je vader vertelde, dat hij een uitnoodiging ontvangen

had van jullie neef. Hij wil niet gaan. Hoe zou je erover denken als

wij eens gingen?... Voor jou is de invitatie ook. Je ziet, hoe het

hier gesteld is. De reis zal ons goed doen. Wij zien de stad. Het

kost ons hoogstens een dag of zes.

--En kom je dan weer mee terug?

--Nee, ik moet naar mijn vader. Hij woont een dertig werst van

de stad. Ik heb de ouwelui in lang niet gezien. Ik moet hun dat

genoegen eens doen. Het zijn beste menschen en mijn vader is een

grappenmaker. En bovendien ben ik eenig kind.

--Blijf je lang?

--Ik denk het niet. Ik zal me daar wel vervelen.

--Kom je op de terugreis dan nog langs?

--Dat hangt van er af. Ik weet nog niet. En? Hoe denk je er over? Goed?

--Goed, antwoordde Arkadiej, onverschillig.

Eigenlijk was hij zeer tevreden met den voorslag van zijn vriend. Maar

hij wilde het niet laten merken. Dat hoorde zoo voor een echten

nihilist.

Den dag daarop reisden zij naar de stad.

Op Marjino vonden de jonge menschen hun afwezigheid

onaangenaam. Doeniasja weende zelfs. Maar "de ouden" zooals Bazarof

hen noemde, herademden.

Vaders en Zonen · 第 19 / 38 题