Zoo verliepen twee weken. Het leven der menschen op Marjino ging
eentonig voort. Arkadiej leefde als sybariet, Bazarof werkte. Men
was gewoon geraakt aan zijn kort-aangebonden woord. Fenitsjka had
zooveel vertrouwen in hem gekregen, dat ze hem eens in den nacht
liet wekken, toen Mitia krampen had. Bazarof kwam, bleef twee uren,
lachte, gaapte beurtelings en hielp het kind. Alleen Paul haatte en
verachtte Bazarof uit het diepst van zijn hart; in zijn oogen was
hij onbeschaamd, aanmatigend cynicus, een plebejer, die hem, Paul
Kirsanof, weinig eer bewees en misschien wel de vermetelheid had,
hem te minachten; zijn broeder Nikolaas was eigenlijk een weinig
bang voor den nihilist en betwijfelde, of hij wel een goeden invloed
had op Arkadiej. Maar hij hoorde hem met genoegen aan en was gaarne
tegenwoordig bij zijn chemische en physische experimenten. Bazarof had
een microscoop meegebracht en kon daarmee urenlang bezig zijn. Ook de
bedienden hadden zich aan hem gewend, ofschoon hij hen vrijwel uit
de hoogte behandelde. Ze zagen meer een gelijke, dan een "heer" in
hem. Doeniasja giegelde graag met hem en knipoogde dan veelbeteekenend,
als ze langs hem kwam. Peter, ingebeeld en dom, met een altijd erg
bezorgd gezicht, dat toch vriendelijk stond, terwijl hij ook schrijven
kon en netjes voor den dag kwam, begon te glimlachen, zoodra Bazarof
een vriendelijkheid tegen hem zei. De jongste bedienden liepen hem
na als honden. De oude Prokofitsj was de eenige, die niet van hem
hield. Hij bediende hem aan tafel met zichtbaren tegenzin, noemde hem
lomperd en beweerde, dat hij met zijn lange bakkebaarden wel wat van
een everzwijn had. Prokofitsj was op zijn manier ook een aristocraat,
evenals Paul.
Het waren de mooiste dagen van het jaar, de eerste dagen van
Juni. Heerlijk weer. Wel was de cholera gesignaleerd, maar de
bewoners van het goevernement waren daaraan gewoon. Bazarof stond 's
morgens vroeg op en doolde twee, drie werst in het rond, niet om te
wandelen, want daar hield hij niet van, maar om planten en insekten
te zoeken. Soms ging Arkadiej met hem mee. Nu en dan ontstond er
verschil van meening tusschen de vrienden en gewoonlijk was Akadiej
de overwonnene, ofschoon hij veel meer sprak dan de ander. Eens,
toen ze lang wegbleven, liep Nikolaas Petrowitsj hun tegemoet. Bij
het boschje hoorde hij hun stemmen. Zij konden hem niet zien.
--Je kent mijn vader niet, zei Akadiej. Nikolaas Petrowitsj stond
onbewegelijk.
--Je vader is een beste man, antwoordde Bazarof, maar hij is rijp
voor de rommelkamer, hij heeft uitgediend, zijn lied is uit.
Nikolaas Petrowitsj luisterde, Arkadiej zweeg. De "uitgediende" bleef
nog eenige oogenblikken, waar hij stond, toen sloop hij huiswaarts.
--Ik let eens op, wat hij zoo al uitvoert, hij leest nu al drie dagen
Poesjkin, zei Bazarof, zeg hem toch eens dat dat kinderachtig is. Hij
is geen jongen meer en moest al dien onzin verbranden. Wie stelt nu
nog belang in romantiek en poëzie? Geef hem een goed boek te lezen.
--Wat bijvoorbeeld? vroeg Arkadiej.
--Begin met "Kracht en Stof" van Büchner.
--Daar heb ik ook al aan gedacht, antwoordde Arkadiej, het boek is
gemakkelijk te begrijpen.
--Zoo is dan ons vonnis geveld, zei Nikolaas Petrowitsj dien avond
tegen zijn broeder, wij zijn rijp voor de prullemand, ons lied is
uit. Bazarof heeft misschien gelijk. Waarom me dat nu zoo spijt, ik
had juist gehoopt, mij enger aan te sluiten bij Arkadiej en nu zie ik,
hoezeer ik ten achter ben, hij heeft mij ingehaald en we begrijpen
elkaar niet meer.
--In hoeverre heeft hij je ingehaald en waarin onderscheidt hij zich
dan zooveel van ons? riep Paul ongeduldig.--Die nihilist heeft hem
dat allemaal in zijn hoofd gepraat. Die sinjeur is onverdragelijk. Ik
ben overtuigd, dat hij met zijn kikvorschen nog niets begrijpt van
natuurkunde.
--Nee, nu vergis je je toch. Intelligent en op de hoogte is hij!
--En die inbeelding, onuitstaanbaar!
--Ingebeeld is hij, dat geef ik toe. Dat schijnt onvermijdelijk. Maar
één ding is me te erg. Ik doe mijn best, met mijn tijd mee te gaan, ik
heb mijn boeren een menschwaardig bestaan verschaft, een pachtsysteem
ingericht, waarom ze me "den roode" noemen in het goevernement,
ik lees, studeer, doe wat ik kan en toch moet nu mijn lied uit
zijn! Onmogelijk is het niet, misschien hebben ze gelijk.
--Hoe zoo?
--Ik zit vandaag Poesjkin te lezen. Ik wil juist met "de Zigeuners"
beginnen. Daar komt Arkadiej zachtjes en als deelnemend aansluipen,
neemt me stil het boek weg en geeft me er een ander, een Duitsch boek,
voor in de plaats. Dan glimlacht hij en gaat, met Poesjkin, heen.
--En wat voor een boek heeft hij je gegeven?
--Hier is het.
En Nikolaas Petrowitsj haalde uit zijn achterzak den negenden druk
van Büchners veelbesproken boek voor den dag.
Paul bladerde er in.
--Hm,... Arkadiej is dus bezig, je op te voeden! Heb je gelezen?
--Ik ben begonnen.
--En...?
--Of ik ben een stomkop, of de schrijver is niet wijs. Maar het zal
wel aan mij liggen.
--Ken je je Duitsch nog?
--Zeker.
Paul draaide het boek in de hand en keek zijn broeder aan. Beiden
zwegen.
--Apropos, zei Nikolaas Petrowitsj, die over iets anders wilde
beginnen. Ik heb een brief van Koliazin.
--Van Mathias Ilitsj?
--Ja. Hij wil het gouvernement inspecteeren. Een man van gewicht. Hij
schrijft, dat hij ons als familie graag bij zich wil zien en noodigt
ons, jou en Arkadiej uit naar de stad.
--Denk je te gaan? vroeg Paul.
--Nee, en jij?
--Ik ook niet. Ik zie er niets in, terwille van zijn mooie oogen
een reis van vijftig werst te ondernemen. Mathieu wil zich in zijn
volle glorie toonen! Laat hij tevreden zijn met den wierook van zijn
ambtenaren. Hij is dus geheimraad! Wat een eer! Als ik in dienst
gebleven was en de keten der ellende langer had gedragen was ik nu
luitenant-generaal. Maar wij zijn immers rommel.
--Ja, broeder. Het wordt tijd onze doodkisten te bestellen en de
armen over de borst te vouwen, zei Nikolaas Petrowitsj zuchtend.
--Wat mij betreft, antwoordde Paul, ik geef me zoo gauw niet over. Ik
wil nog eens vechten met dien fraaien dokter. Reken daarop.
Dat gebeurde nog dienzefden middag bij de thee. Paul was al opgewonden
en slagvaardig in den salon gekomen. Hij wachtte alleen nog het
oogenblik van den aanval af. Maar hij moest lang wachten. Bazarof sprak
als gewoonlijk niet veel in tegenwoordigheid "der oude Kirsanofs",
zooals hij de broeders noemde. Buitendien was hij uit zijn humeur
en dronk de eene kop na de andere in diep stilzwijgen. Paul werd
ongeduldig. Eindelijk deed zich een gelegenheid voor. Men sprak over
een eigenaar uit den omtrek.
--Dat is een idioot, een aristocraat-van-niets, zei Bazarof kalm. Hij
kende hem van Petersburg.
--Veroorloof mij de vraag, wendde Paul zich met sidderende lippen tot
hem, of volgens uw meening de woorden idioot en aristocraat dezelfde
beteekenis hebben.
--Ik heb gezegd aristocraat-van-niets, antwoordde Bazarof en dronk
onverschillig zijn thee.
--Juist, en ik vermoed, dat aristocraat en aristocraat-van-niets
voor u hetzelfde zijn. Ik wensch u te doen opmerken, dat dit voor mij
niet het geval is. Ik meen te mogen zeggen, dat ik beschouwd word als
een liberaal man, die den vooruitgang weet te waardeeren. En ik heb
achting voor de aristocraten, de echte aristocraten. Denkt u maar
eens, aan de Engelsche aristocraten, mijn beste heer (Bazarof keek
hem nu aan). Zij laten niets van hun rechten vallen en eerbiedigen
toch de anderen. Zij eischen op, wat men hun schuldig is en blijven
nooit in gebreke ten opzichte van wat zij anderen schuldig zijn. De
aristocratie was het, die Engeland groot en vrij heeft gemaakt. Zij
is Engelands trouwste steunpilaar.
--Dat is oud nieuws, al zoo vaak gehoord, antwoordde Bazarof, wat
wilt u daarmee zeggen?
--Ik wil daarmee bewijzen, mijn beste heer, dat zonder het gevoel van
eigenwaarde, zonder eerbied voor zich zelf--gevoelens, eigen aan het
wezen der aristocratie--elke solide grondslag voor het bien public
zou ontbreken. De individu, de persoonlijkheid, dat is de hoofdzaak,
mijn beste heer. De persoonlijkheid moet vast staan, als een rots,
want alles rust op deze basis. Ik weet wel, dat u mijn manieren, mijn
kleeding, mijn gewoonten belachelijk vindt. Maar dit alles komt voort
uit de achting, die men zich zelf verschuldigd is, uit plichtsgevoel,
ja mijnheer, uit plichtsgevoel, ik leef hier achteraf in de provincie,
maar daarom verwaarloos ik mijzelf nog niet, ik eerbiedig in mij zelf
den mensch.
--Neemt u me niet kwalijk, Paul Petrowitsj, antwoordde Bazarof,
u zegt, dat u uzelf eerbiedigt en toch zit u daar met over elkaar
geslagen armen. Wat heeft het bien public daaraan? Ook zonder die
achting voor uzelf, zou u niet anders "handelen."
Paul Petrowitsj verbleekte.
--Dat is een heel andere kwestie, antwoordde hij, ik gevoel niet den
minsten lust, u te verklaren, waarom ik hier zit met over elkaar
geslagen armen, zooals u gelieft te zeggen. Ik wilde mij ertoe
bepalen, u eraan te herinneren, dat de aristocratie op een principe
berust en dat alleen niet moreele of onbeteekenende lieden zonder
principes kunnen leven. Ik heb dit reeds mijn neef gezegd, den dag
na zijn aankomst en herhaal het hier nog eens voor u. Is het niet
zoo, Nikolaas?
Nikolaas Petrowitsj knikte toestemmend.
--Aristocratie, liberalisme, principes! herhaalde Bazarof, wat een
overbodige vreemde woorden. Een echte Rus zou ze niet cadeau willen
hebben.
--Wat zou die dan willen volgens uw meening? Volgens u staan wij
buiten de cultuur en haar wetten. Dat is toch wat veel gezegd. De
logica der geschiedenis eischt...
--Wat moeten we met die logica? Die kunnen we best missen.
--Wat?
--U hebt toch ook geen logica noodig, om een boterham te eten, als
u trek hebt. Wat hebben we aan al die abstracties?
Paul hief zijn handen op.
--Wij begrijpen dat niet meer! U beschimpt het Russische volk. Ik
begrijp niet, hoe het mogelijk is, principes, en de wetten der logica
te verloochenen. Waardoor laat u u dan leiden in het leven?
--Ik heb u al gezegd, beste oom, zei Arkadiej, dat wij geen autoriteit
erkennen.
--Onze daden worden alleen beheerscht door de eischen van wat nuttig
is, van wat wij als nuttig beschouwen, zei Bazarof, het schijnt ons
tegenwoordig nuttig te ontkennen en dus ontkennen wij.
--Alles?
--Volstrekt alles.
--Niet alleen kunst, poëzie, maar ook...
--Alles, herhaalde Bazarof met groote kalmte.
Paul keek hem vast in de oogen. Dit antwoord had hij niet
verwacht. Arkadiej werd rood van vreugde.
--Pardon, pardon, zei Nikolaas Petrowitsj, jullie ontkennen alles,
of, liever, jullie breken alles af, maar men moet toch ook opbouwen.
--Dat gaat ons niet aan, eerst moet schoon schip worden gemaakt.
--De toestand van het volk eischt dat, voegde Arkadiej er ernstig
aan toe. We hebben een plicht te vervullen. We hebben niet het recht,
ons over te geven aan de bevrediging van een persoonlijk egoïsme.
Die laatste zinsnede beviel Bazarof niet. Dat rook naar filosofie,
d. i. naar romantiek, want ook de wijsbegeerte noemde hij zoo. Hij
vond het echter niet geschikt, zijn discipel tegen te spreken.
--Nee, nee, riep Paul opgewonden, ik wil niet gelooven, dat jullie een
juiste meening hebt over de Russen, dat jullie de eischen en diepste
wenschen van het volk begrijpt. Neen! Het Russische volk is anders
als u dat voorstelt. Het heeft een heilige vereering voor de traditie,
het is patriarchaal, het kan niet leven zonder geloof...
--Ik zal niet probeeren, u tegen te spreken, antwoordde Bazarof,
ik wil zelfs toegeven, dat u ditmaal gelijk hebt.
--Maar als ik gelijk heb...
--Dan is daarmee nog niets bewezen.
--Volstrekt niets, herhaalde Arkadiej met de zekerheid van een ervaren
schaker, die een gevaarlijken zet van zijn tegenpartij voorziet en
zich daardoor niet laat afschrikken.
--Waarom zou dat niets bewijzen? vroeg Paul verwonderd.--U scheidt
u dus af van uw volk!
--En als dat zoo was? Het gelooft, dat de profeet Elias door den
hemel gaat, wanneer het dondert. Moet ik dit daarom ook gelooven? Maar
buitendien, u zegt, dat het volk Russisch is? Ben ik dan niet Russisch?
--Neen, na al wat u gezegd hebt, bent u geen Rus.
--Mijn grootvader liep achter den ploeg, antwoordde Bazarof trotsch,
vraagt u den eersten den besten van uw boeren, wien hij eerder als
landgenoot erkent, u of mij? U kunt niet eens met hen spreken.
--En u kunt met hem spreken, en veracht hem daarbij.
--Waarom niet, als hij niet beter verdient? U hebt bezwaren tegen mijn
denkbeelden, maar wie zegt u, dat dat moderne grillen zijn? Waarom
kunnen zij niet juist voortkomen uit den geest van dit volk, dat zoo
door u verdedigd wordt?
--Kom, kom. De nihilisten zijn zeker iets noodzakelijks!
--Dat doet er niet toe. Het is niet aan ons, daarover te oordeelen. U
gaat immers ook niet van de meening uit, dat ze zonder beteekenis zijn?
--Heeren, heeren, alstublieft geen persoonlijkheden, riep Nikolaas
Petrowitsj en stond op.
Paul glimlachte, legde zijn broeder de hand op den schouder en duwde
hem weer op zijn stoel.
--Kalm aan, zei hij, ik zal mijzelf niet te buiten gaan juist
doordat ik dat gevoel van eigenwaarde bezit, dat deze heer zoo
bespot... mijnheer de dokter! ging hij voort tot Bazarof:
--U denkt zeker, dat uw standpunt nieuw is. Ten onrechte. Het
materialisme heeft al meer dan eens dienst gedaan en bleek altijd
onbevredigend.
--Alweer een vreemd woord, antwoordde Bazarof. Hij begon zich te
ergeren en zijn gezicht werd koperkleurig.--Voor alles zeg ik, dat
wij niet preeken.
--Wat doet u dan?
--Dat zal ik u zeggen. Eerst hebben wij gesproken over die booswichten
van ambtenaren, dat er geen wegen zijn, geen handel, geen goede
rechtspraak.
--Ja, jullie zijn verklikkers. Ik ben het grootendeels wel eens met
jullie kritiek, maar...
--Verder hebben we begrepen, dat het niets geeft, te praten
over onze schrijnende wonden, want dat loopt toch maar uit op
ordinair doctrinarisme; wij zijn overtuigd, dat onze leiders, onze
"verklikkers", niets behoorlijks presteerden, behalve dwaasheden,
als l'art pour l'art, het idee van de scheppende kracht, die hun zelf
onbewust was, parlementarisme, de noodzakelijkheid van advocaten
enzoovoort, terwijl we aan ons dagelijksch brood moesten denken,
terwijl het zotste bijgeloof ons gezond verstand verstikt, terwijl
al onze naamlooze vennootschappen over den kop gaan, omdat er geen
eerlijke lui te vinden zijn, terwijl de opheffing der lijfeigenschap,
waar de regeering zich zoo druk mee maakt, ten slotte geen goeds
doet, omdat de boer nu zich zelf bestelen kan, naar de kroeg loopt
en vergif zuipt.
--Juist, antwoordde Paul, juist zoo! Dat heb jullie dus allemaal
ontdekt en bent toch niet van plan, iets ernstigs te ondernemen.
--Zeker zijn we dat van plan, begon Bazarof, maar hield plotseling
op, zich zelf verwijtend, dat hij zooveel woorden verspild had aan
dezen aristocraat.
--En jullie schelden dus voorloopig alleen maar!
--Wij schelden ook.
--En dat heet dan nihilisme?
--Ja, dat heet nihilisme, herhaalde Bazarof, maar op zeer uitdagenden
toon.
Paul knipte eenigszins met de oogleden.
--Juist zoo, zei hij met vreemdrustige stem.--Het nihilisme wil dus
alles genezen en jullie zijn onze redders, onze helden. Prachtig! Maar
waarom schimp jullie dan zoo op de anderen die volgens jullie praters
zijn? praat jullie soms niet?
--Als wij ons iets te verwijten hebben, dan is het zeker niet
dit! antwoordde Bazarof tusschen zijn tanden.
--Verbeeldt jullie je dan werkelijk te handelen of ook maar eenige
daad voor te bereiden?
Bazarof zweeg. Paul beefde.
--Hm. Handelen! Omverwerpen! ging hij voort.--Maar hoe kan men
omverwerpen, zonder te weten waartoe?
--Wij werpen omver, omdat wij een kracht zijn, zei Arkadiej pathetisch.
Paul zag hem aan en glimlachte.
--Zeker, een kracht hoeft ook geen rekenschap af te leggen, ging
Arkadiej voort en rekte zich hoog-op.
--Dwaas! riep Paul, niet in staat, zich langer te beheerschen. Als
je tenminste maar rekenschap wilde geven van wat je wilt beweren met
die belachelijke fraze! Dat is toch te gek! Daar is engelengeduld voor
noodig, om dat allemaal te dulden! Kracht! Die hebben de Kalmukken en
de Mongolen ook. Maar wat hebben wij eraan? De beschaving moet ons een
dierbaar bezit zijn. Ja, heertjes, de vruchten der beschaving. En
zeg me niet, dat die vruchten geen waarde hebben. De slechtste
schilder, een barbouilleur, de armzaligste vedelaar, die een paar
kopeken krijgt voor een heelen avond, zijn nuttiger dan jullie, omdat
zij vertegenwoordigers zijn van de beschaving en niet van de brute
kracht der Mongolen. Jullie verbeeldt je, vooruitstrevend te zijn,
maar je hoort thuis in een Kalmukkentent. Kracht! Bedenk toch eens,
heeren van de kracht, dat jullie misschien met zijn vieren bent,
terwijl de anderen bij millioenen te tellen zijn en dat die jullie
niet zullen toestaan, hun heiligst geloof met voeten te treden. Ze
zullen jullie verpletteren!
--Als ze ons verpletteren, dan zal dat wel goed zijn, antwoordde
Bazarof. Maar dat heeft mijn grootmoeder al verteld. Wij zijn veel
talrijker, dan u denkt!
--Hoopt u dan werkelijk, het heele volk te bekeeren?
--U moest weten, dat een kopekekaars voldoende is, om heel Moskou in
brand te steken [8], antwoordde Bazarof.
--Juist. Eerst een bijna satanische overmoed, dan domheid. Kijk nu,
daarmee tracht men de jeugd te verleiden. Daarmee worden de onervaren
gemoederen van zulke jongeren op hol gejaagd. Daar zit er zoo één
voor ons. (Arkadiej keerde zich somber af). En het gif vreet verder
en verder. Ik liet me vertellen, dat onze schilders in Rome geen
voet meer in het Vatikaan zetten. Ze noemen Rafael een stumper,
alleen omdat hij als autoriteit geldt, en toch zijn zij, die hem zoo
noemen, de machteloosheid in persoon! Hun fantazie reikt niet verder
dan het bekende "Jonge meisje aan de bron". En ook dat lijkt nog naar
niets. En zulke menschen worden door jullie gewaardeerd?
--Ik voor mij geef geen kopeke om Rafaël, antwoordde Bazarof. En de
anderen zijn niet veel beter.
--Bravo! Bravo! Hoor je dat, Arkadiej? Zoo drukt men zich tegenwoordig
uit! O, ik begrijp wel, waarom zij zich aan jullie vastklampen. Anders
moesten ze immers zien wat te leeren. Want voor domkoppen willen ze
niet doorgaan. En nu kunnen ze eenvoudig zeggen: 't is immers toch
allemaal onzin. U hebt reden, trotsch te zijn en gelukkig! Eerst
waren jullie stumperds, maar nu zijn jullie nihilisten!
--U schijnt het begrip der persoonlijke waardigheid, waarvan u
zooveel ophef maakte, wel eenigszins te verwaarloozen, antwoordde
Bazarof kalm, terwijl Arkadiej bloosde van verontwaardiging en zijn
voorhoofd fronste.
--We hebben ons te ver laten voeren en ik geloof, dat we beter doen,
hier maar op te houden Ik zou me gewonnen geven, als u me maar éen
enkele instelling in onze maatschappij zoudt kunnen aanwijzen, die
niet met bekwamen spoed en zonder erbarmen afgemaakt moest worden.
--Tallooze zou ik u kunnen noemen, tallooze, riep Paul. Neem
bijvoorbeeld de dorpseenheid.
Een kille glimlach vloog over Bazarofs gezicht.
--Over ons dorpswezen moest u liever eens met uw broeder spreken,
antwoordde hij. Hij weet beter dan ik, wat te zeggen van het
gemeenschapsgevoel der boeren, hun "matigheidsvereenigingen" en
dergelijke grappen meer.
--En de familie, de familie zooals die nog bij het landvolk bestaat!
--Dat is weer een onderwerp, waarop u maar liever niet moest
doorgaan. Volgt u mijn raad, Paul Petrowitsj, en denk daar eens een
paar dagen over na. Zoo dadelijk zult u wel niets weten. Ga eens al
onze standen één voor één na. Intusschen zullen Arkadiej en ik...
--Alles belachelijk maken, viel Paul hem in de rede.
--Neen, wij zullen ons tevreden stellen met het onderzoeken van
kikvorschen. Ga je mee, Arkadiej! Tot ziens, heeren!
De vrienden gingen heen. Paul bleef met zijn broeder alleen, zij
keken elkaar zwijgend aan. Toen begon Paul eindelijk:
--Zoover is het dus al met onze jeugd! Dat zijn onze opvolgers!
--Onze opvolgers! herhaalde Kirsanof en zuchtte diep. Hij had al
dien tijd als op heete kolen gezeten en slechts nu en dan zijn zoon
meewarig aangekeken.
--Weet je, waar me dat alles aan doet denken, broeder? Eens op een
avond had ik woorden met moeder. Nog al heftig. Ze schreeuwde en
wilde niet naar mij luisteren. Eindelijk zei ik: u kunt me niet
begrijpen, wij zijn van twee verschillende generaties! Die woorden
deden haar pijn. Maar ze zei: Wat is daaraan te doen? Het is hard,
maar we moeten het dragen. En zoo komen nu ook onze kinderen zeggen:
jullie bent van een ander geslacht. Slik de pil!
--Je bent te bescheiden, te goed, antwoordde Paul, ik ben overtuigd,
dat wij gelijk hebben en niet de kinderen, al klinkt onze taal een
beetje ouderwetsch en al bezitten wij niet de zelfoverschatting
der jongeren... Buitendien zijn ze zoo onecht. Vraag aan tafel:
wilt u rooden of witten wijn? En ze antwoorden: Ik drink principieel
rooden! en dat met een gewichtigheid, alsof het heil der menschheid
daarvan afhing!
--Wilt u geen thee meer? vroeg Fenitsjka door de half-open deur. Ze
had gedurende de woordenwisseling niet binnen willen komen.
--Nee, neem den samowaar maar weg, antwoordde Nikolaas, stond op en
verliet den salon. Paul zei kort bonsoir en zocht zijn kamer op.