X.

Zoo verliepen twee weken. Het leven der menschen op Marjino ging

eentonig voort. Arkadiej leefde als sybariet, Bazarof werkte. Men

was gewoon geraakt aan zijn kort-aangebonden woord. Fenitsjka had

zooveel vertrouwen in hem gekregen, dat ze hem eens in den nacht

liet wekken, toen Mitia krampen had. Bazarof kwam, bleef twee uren,

lachte, gaapte beurtelings en hielp het kind. Alleen Paul haatte en

verachtte Bazarof uit het diepst van zijn hart; in zijn oogen was

hij onbeschaamd, aanmatigend cynicus, een plebejer, die hem, Paul

Kirsanof, weinig eer bewees en misschien wel de vermetelheid had,

hem te minachten; zijn broeder Nikolaas was eigenlijk een weinig

bang voor den nihilist en betwijfelde, of hij wel een goeden invloed

had op Arkadiej. Maar hij hoorde hem met genoegen aan en was gaarne

tegenwoordig bij zijn chemische en physische experimenten. Bazarof had

een microscoop meegebracht en kon daarmee urenlang bezig zijn. Ook de

bedienden hadden zich aan hem gewend, ofschoon hij hen vrijwel uit

de hoogte behandelde. Ze zagen meer een gelijke, dan een "heer" in

hem. Doeniasja giegelde graag met hem en knipoogde dan veelbeteekenend,

als ze langs hem kwam. Peter, ingebeeld en dom, met een altijd erg

bezorgd gezicht, dat toch vriendelijk stond, terwijl hij ook schrijven

kon en netjes voor den dag kwam, begon te glimlachen, zoodra Bazarof

een vriendelijkheid tegen hem zei. De jongste bedienden liepen hem

na als honden. De oude Prokofitsj was de eenige, die niet van hem

hield. Hij bediende hem aan tafel met zichtbaren tegenzin, noemde hem

lomperd en beweerde, dat hij met zijn lange bakkebaarden wel wat van

een everzwijn had. Prokofitsj was op zijn manier ook een aristocraat,

evenals Paul.

Het waren de mooiste dagen van het jaar, de eerste dagen van

Juni. Heerlijk weer. Wel was de cholera gesignaleerd, maar de

bewoners van het goevernement waren daaraan gewoon. Bazarof stond 's

morgens vroeg op en doolde twee, drie werst in het rond, niet om te

wandelen, want daar hield hij niet van, maar om planten en insekten

te zoeken. Soms ging Arkadiej met hem mee. Nu en dan ontstond er

verschil van meening tusschen de vrienden en gewoonlijk was Akadiej

de overwonnene, ofschoon hij veel meer sprak dan de ander. Eens,

toen ze lang wegbleven, liep Nikolaas Petrowitsj hun tegemoet. Bij

het boschje hoorde hij hun stemmen. Zij konden hem niet zien.

--Je kent mijn vader niet, zei Akadiej. Nikolaas Petrowitsj stond

onbewegelijk.

--Je vader is een beste man, antwoordde Bazarof, maar hij is rijp

voor de rommelkamer, hij heeft uitgediend, zijn lied is uit.

Nikolaas Petrowitsj luisterde, Arkadiej zweeg. De "uitgediende" bleef

nog eenige oogenblikken, waar hij stond, toen sloop hij huiswaarts.

--Ik let eens op, wat hij zoo al uitvoert, hij leest nu al drie dagen

Poesjkin, zei Bazarof, zeg hem toch eens dat dat kinderachtig is. Hij

is geen jongen meer en moest al dien onzin verbranden. Wie stelt nu

nog belang in romantiek en poëzie? Geef hem een goed boek te lezen.

--Wat bijvoorbeeld? vroeg Arkadiej.

--Begin met "Kracht en Stof" van Büchner.

--Daar heb ik ook al aan gedacht, antwoordde Arkadiej, het boek is

gemakkelijk te begrijpen.

--Zoo is dan ons vonnis geveld, zei Nikolaas Petrowitsj dien avond

tegen zijn broeder, wij zijn rijp voor de prullemand, ons lied is

uit. Bazarof heeft misschien gelijk. Waarom me dat nu zoo spijt, ik

had juist gehoopt, mij enger aan te sluiten bij Arkadiej en nu zie ik,

hoezeer ik ten achter ben, hij heeft mij ingehaald en we begrijpen

elkaar niet meer.

--In hoeverre heeft hij je ingehaald en waarin onderscheidt hij zich

dan zooveel van ons? riep Paul ongeduldig.--Die nihilist heeft hem

dat allemaal in zijn hoofd gepraat. Die sinjeur is onverdragelijk. Ik

ben overtuigd, dat hij met zijn kikvorschen nog niets begrijpt van

natuurkunde.

--Nee, nu vergis je je toch. Intelligent en op de hoogte is hij!

--En die inbeelding, onuitstaanbaar!

--Ingebeeld is hij, dat geef ik toe. Dat schijnt onvermijdelijk. Maar

één ding is me te erg. Ik doe mijn best, met mijn tijd mee te gaan, ik

heb mijn boeren een menschwaardig bestaan verschaft, een pachtsysteem

ingericht, waarom ze me "den roode" noemen in het goevernement,

ik lees, studeer, doe wat ik kan en toch moet nu mijn lied uit

zijn! Onmogelijk is het niet, misschien hebben ze gelijk.

--Hoe zoo?

--Ik zit vandaag Poesjkin te lezen. Ik wil juist met "de Zigeuners"

beginnen. Daar komt Arkadiej zachtjes en als deelnemend aansluipen,

neemt me stil het boek weg en geeft me er een ander, een Duitsch boek,

voor in de plaats. Dan glimlacht hij en gaat, met Poesjkin, heen.

--En wat voor een boek heeft hij je gegeven?

--Hier is het.

En Nikolaas Petrowitsj haalde uit zijn achterzak den negenden druk

van Büchners veelbesproken boek voor den dag.

Paul bladerde er in.

--Hm,... Arkadiej is dus bezig, je op te voeden! Heb je gelezen?

--Ik ben begonnen.

--En...?

--Of ik ben een stomkop, of de schrijver is niet wijs. Maar het zal

wel aan mij liggen.

--Ken je je Duitsch nog?

--Zeker.

Paul draaide het boek in de hand en keek zijn broeder aan. Beiden

zwegen.

--Apropos, zei Nikolaas Petrowitsj, die over iets anders wilde

beginnen. Ik heb een brief van Koliazin.

--Van Mathias Ilitsj?

--Ja. Hij wil het gouvernement inspecteeren. Een man van gewicht. Hij

schrijft, dat hij ons als familie graag bij zich wil zien en noodigt

ons, jou en Arkadiej uit naar de stad.

--Denk je te gaan? vroeg Paul.

--Nee, en jij?

--Ik ook niet. Ik zie er niets in, terwille van zijn mooie oogen

een reis van vijftig werst te ondernemen. Mathieu wil zich in zijn

volle glorie toonen! Laat hij tevreden zijn met den wierook van zijn

ambtenaren. Hij is dus geheimraad! Wat een eer! Als ik in dienst

gebleven was en de keten der ellende langer had gedragen was ik nu

luitenant-generaal. Maar wij zijn immers rommel.

--Ja, broeder. Het wordt tijd onze doodkisten te bestellen en de

armen over de borst te vouwen, zei Nikolaas Petrowitsj zuchtend.

--Wat mij betreft, antwoordde Paul, ik geef me zoo gauw niet over. Ik

wil nog eens vechten met dien fraaien dokter. Reken daarop.

Dat gebeurde nog dienzefden middag bij de thee. Paul was al opgewonden

en slagvaardig in den salon gekomen. Hij wachtte alleen nog het

oogenblik van den aanval af. Maar hij moest lang wachten. Bazarof sprak

als gewoonlijk niet veel in tegenwoordigheid "der oude Kirsanofs",

zooals hij de broeders noemde. Buitendien was hij uit zijn humeur

en dronk de eene kop na de andere in diep stilzwijgen. Paul werd

ongeduldig. Eindelijk deed zich een gelegenheid voor. Men sprak over

een eigenaar uit den omtrek.

--Dat is een idioot, een aristocraat-van-niets, zei Bazarof kalm. Hij

kende hem van Petersburg.

--Veroorloof mij de vraag, wendde Paul zich met sidderende lippen tot

hem, of volgens uw meening de woorden idioot en aristocraat dezelfde

beteekenis hebben.

--Ik heb gezegd aristocraat-van-niets, antwoordde Bazarof en dronk

onverschillig zijn thee.

--Juist, en ik vermoed, dat aristocraat en aristocraat-van-niets

voor u hetzelfde zijn. Ik wensch u te doen opmerken, dat dit voor mij

niet het geval is. Ik meen te mogen zeggen, dat ik beschouwd word als

een liberaal man, die den vooruitgang weet te waardeeren. En ik heb

achting voor de aristocraten, de echte aristocraten. Denkt u maar

eens, aan de Engelsche aristocraten, mijn beste heer (Bazarof keek

hem nu aan). Zij laten niets van hun rechten vallen en eerbiedigen

toch de anderen. Zij eischen op, wat men hun schuldig is en blijven

nooit in gebreke ten opzichte van wat zij anderen schuldig zijn. De

aristocratie was het, die Engeland groot en vrij heeft gemaakt. Zij

is Engelands trouwste steunpilaar.

--Dat is oud nieuws, al zoo vaak gehoord, antwoordde Bazarof, wat

wilt u daarmee zeggen?

--Ik wil daarmee bewijzen, mijn beste heer, dat zonder het gevoel van

eigenwaarde, zonder eerbied voor zich zelf--gevoelens, eigen aan het

wezen der aristocratie--elke solide grondslag voor het bien public

zou ontbreken. De individu, de persoonlijkheid, dat is de hoofdzaak,

mijn beste heer. De persoonlijkheid moet vast staan, als een rots,

want alles rust op deze basis. Ik weet wel, dat u mijn manieren, mijn

kleeding, mijn gewoonten belachelijk vindt. Maar dit alles komt voort

uit de achting, die men zich zelf verschuldigd is, uit plichtsgevoel,

ja mijnheer, uit plichtsgevoel, ik leef hier achteraf in de provincie,

maar daarom verwaarloos ik mijzelf nog niet, ik eerbiedig in mij zelf

den mensch.

--Neemt u me niet kwalijk, Paul Petrowitsj, antwoordde Bazarof,

u zegt, dat u uzelf eerbiedigt en toch zit u daar met over elkaar

geslagen armen. Wat heeft het bien public daaraan? Ook zonder die

achting voor uzelf, zou u niet anders "handelen."

Paul Petrowitsj verbleekte.

--Dat is een heel andere kwestie, antwoordde hij, ik gevoel niet den

minsten lust, u te verklaren, waarom ik hier zit met over elkaar

geslagen armen, zooals u gelieft te zeggen. Ik wilde mij ertoe

bepalen, u eraan te herinneren, dat de aristocratie op een principe

berust en dat alleen niet moreele of onbeteekenende lieden zonder

principes kunnen leven. Ik heb dit reeds mijn neef gezegd, den dag

na zijn aankomst en herhaal het hier nog eens voor u. Is het niet

zoo, Nikolaas?

Nikolaas Petrowitsj knikte toestemmend.

--Aristocratie, liberalisme, principes! herhaalde Bazarof, wat een

overbodige vreemde woorden. Een echte Rus zou ze niet cadeau willen

hebben.

--Wat zou die dan willen volgens uw meening? Volgens u staan wij

buiten de cultuur en haar wetten. Dat is toch wat veel gezegd. De

logica der geschiedenis eischt...

--Wat moeten we met die logica? Die kunnen we best missen.

--Wat?

--U hebt toch ook geen logica noodig, om een boterham te eten, als

u trek hebt. Wat hebben we aan al die abstracties?

Paul hief zijn handen op.

--Wij begrijpen dat niet meer! U beschimpt het Russische volk. Ik

begrijp niet, hoe het mogelijk is, principes, en de wetten der logica

te verloochenen. Waardoor laat u u dan leiden in het leven?

--Ik heb u al gezegd, beste oom, zei Arkadiej, dat wij geen autoriteit

erkennen.

--Onze daden worden alleen beheerscht door de eischen van wat nuttig

is, van wat wij als nuttig beschouwen, zei Bazarof, het schijnt ons

tegenwoordig nuttig te ontkennen en dus ontkennen wij.

--Alles?

--Volstrekt alles.

--Niet alleen kunst, poëzie, maar ook...

--Alles, herhaalde Bazarof met groote kalmte.

Paul keek hem vast in de oogen. Dit antwoord had hij niet

verwacht. Arkadiej werd rood van vreugde.

--Pardon, pardon, zei Nikolaas Petrowitsj, jullie ontkennen alles,

of, liever, jullie breken alles af, maar men moet toch ook opbouwen.

--Dat gaat ons niet aan, eerst moet schoon schip worden gemaakt.

--De toestand van het volk eischt dat, voegde Arkadiej er ernstig

aan toe. We hebben een plicht te vervullen. We hebben niet het recht,

ons over te geven aan de bevrediging van een persoonlijk egoïsme.

Die laatste zinsnede beviel Bazarof niet. Dat rook naar filosofie,

d. i. naar romantiek, want ook de wijsbegeerte noemde hij zoo. Hij

vond het echter niet geschikt, zijn discipel tegen te spreken.

--Nee, nee, riep Paul opgewonden, ik wil niet gelooven, dat jullie een

juiste meening hebt over de Russen, dat jullie de eischen en diepste

wenschen van het volk begrijpt. Neen! Het Russische volk is anders

als u dat voorstelt. Het heeft een heilige vereering voor de traditie,

het is patriarchaal, het kan niet leven zonder geloof...

--Ik zal niet probeeren, u tegen te spreken, antwoordde Bazarof,

ik wil zelfs toegeven, dat u ditmaal gelijk hebt.

--Maar als ik gelijk heb...

--Dan is daarmee nog niets bewezen.

--Volstrekt niets, herhaalde Arkadiej met de zekerheid van een ervaren

schaker, die een gevaarlijken zet van zijn tegenpartij voorziet en

zich daardoor niet laat afschrikken.

--Waarom zou dat niets bewijzen? vroeg Paul verwonderd.--U scheidt

u dus af van uw volk!

--En als dat zoo was? Het gelooft, dat de profeet Elias door den

hemel gaat, wanneer het dondert. Moet ik dit daarom ook gelooven? Maar

buitendien, u zegt, dat het volk Russisch is? Ben ik dan niet Russisch?

--Neen, na al wat u gezegd hebt, bent u geen Rus.

--Mijn grootvader liep achter den ploeg, antwoordde Bazarof trotsch,

vraagt u den eersten den besten van uw boeren, wien hij eerder als

landgenoot erkent, u of mij? U kunt niet eens met hen spreken.

--En u kunt met hem spreken, en veracht hem daarbij.

--Waarom niet, als hij niet beter verdient? U hebt bezwaren tegen mijn

denkbeelden, maar wie zegt u, dat dat moderne grillen zijn? Waarom

kunnen zij niet juist voortkomen uit den geest van dit volk, dat zoo

door u verdedigd wordt?

--Kom, kom. De nihilisten zijn zeker iets noodzakelijks!

--Dat doet er niet toe. Het is niet aan ons, daarover te oordeelen. U

gaat immers ook niet van de meening uit, dat ze zonder beteekenis zijn?

--Heeren, heeren, alstublieft geen persoonlijkheden, riep Nikolaas

Petrowitsj en stond op.

Paul glimlachte, legde zijn broeder de hand op den schouder en duwde

hem weer op zijn stoel.

--Kalm aan, zei hij, ik zal mijzelf niet te buiten gaan juist

doordat ik dat gevoel van eigenwaarde bezit, dat deze heer zoo

bespot... mijnheer de dokter! ging hij voort tot Bazarof:

--U denkt zeker, dat uw standpunt nieuw is. Ten onrechte. Het

materialisme heeft al meer dan eens dienst gedaan en bleek altijd

onbevredigend.

--Alweer een vreemd woord, antwoordde Bazarof. Hij begon zich te

ergeren en zijn gezicht werd koperkleurig.--Voor alles zeg ik, dat

wij niet preeken.

--Wat doet u dan?

--Dat zal ik u zeggen. Eerst hebben wij gesproken over die booswichten

van ambtenaren, dat er geen wegen zijn, geen handel, geen goede

rechtspraak.

--Ja, jullie zijn verklikkers. Ik ben het grootendeels wel eens met

jullie kritiek, maar...

--Verder hebben we begrepen, dat het niets geeft, te praten

over onze schrijnende wonden, want dat loopt toch maar uit op

ordinair doctrinarisme; wij zijn overtuigd, dat onze leiders, onze

"verklikkers", niets behoorlijks presteerden, behalve dwaasheden,

als l'art pour l'art, het idee van de scheppende kracht, die hun zelf

onbewust was, parlementarisme, de noodzakelijkheid van advocaten

enzoovoort, terwijl we aan ons dagelijksch brood moesten denken,

terwijl het zotste bijgeloof ons gezond verstand verstikt, terwijl

al onze naamlooze vennootschappen over den kop gaan, omdat er geen

eerlijke lui te vinden zijn, terwijl de opheffing der lijfeigenschap,

waar de regeering zich zoo druk mee maakt, ten slotte geen goeds

doet, omdat de boer nu zich zelf bestelen kan, naar de kroeg loopt

en vergif zuipt.

--Juist, antwoordde Paul, juist zoo! Dat heb jullie dus allemaal

ontdekt en bent toch niet van plan, iets ernstigs te ondernemen.

--Zeker zijn we dat van plan, begon Bazarof, maar hield plotseling

op, zich zelf verwijtend, dat hij zooveel woorden verspild had aan

dezen aristocraat.

--En jullie schelden dus voorloopig alleen maar!

--Wij schelden ook.

--En dat heet dan nihilisme?

--Ja, dat heet nihilisme, herhaalde Bazarof, maar op zeer uitdagenden

toon.

Paul knipte eenigszins met de oogleden.

--Juist zoo, zei hij met vreemdrustige stem.--Het nihilisme wil dus

alles genezen en jullie zijn onze redders, onze helden. Prachtig! Maar

waarom schimp jullie dan zoo op de anderen die volgens jullie praters

zijn? praat jullie soms niet?

--Als wij ons iets te verwijten hebben, dan is het zeker niet

dit! antwoordde Bazarof tusschen zijn tanden.

--Verbeeldt jullie je dan werkelijk te handelen of ook maar eenige

daad voor te bereiden?

Bazarof zweeg. Paul beefde.

--Hm. Handelen! Omverwerpen! ging hij voort.--Maar hoe kan men

omverwerpen, zonder te weten waartoe?

--Wij werpen omver, omdat wij een kracht zijn, zei Arkadiej pathetisch.

Paul zag hem aan en glimlachte.

--Zeker, een kracht hoeft ook geen rekenschap af te leggen, ging

Arkadiej voort en rekte zich hoog-op.

--Dwaas! riep Paul, niet in staat, zich langer te beheerschen. Als

je tenminste maar rekenschap wilde geven van wat je wilt beweren met

die belachelijke fraze! Dat is toch te gek! Daar is engelengeduld voor

noodig, om dat allemaal te dulden! Kracht! Die hebben de Kalmukken en

de Mongolen ook. Maar wat hebben wij eraan? De beschaving moet ons een

dierbaar bezit zijn. Ja, heertjes, de vruchten der beschaving. En

zeg me niet, dat die vruchten geen waarde hebben. De slechtste

schilder, een barbouilleur, de armzaligste vedelaar, die een paar

kopeken krijgt voor een heelen avond, zijn nuttiger dan jullie, omdat

zij vertegenwoordigers zijn van de beschaving en niet van de brute

kracht der Mongolen. Jullie verbeeldt je, vooruitstrevend te zijn,

maar je hoort thuis in een Kalmukkentent. Kracht! Bedenk toch eens,

heeren van de kracht, dat jullie misschien met zijn vieren bent,

terwijl de anderen bij millioenen te tellen zijn en dat die jullie

niet zullen toestaan, hun heiligst geloof met voeten te treden. Ze

zullen jullie verpletteren!

--Als ze ons verpletteren, dan zal dat wel goed zijn, antwoordde

Bazarof. Maar dat heeft mijn grootmoeder al verteld. Wij zijn veel

talrijker, dan u denkt!

--Hoopt u dan werkelijk, het heele volk te bekeeren?

--U moest weten, dat een kopekekaars voldoende is, om heel Moskou in

brand te steken [8], antwoordde Bazarof.

--Juist. Eerst een bijna satanische overmoed, dan domheid. Kijk nu,

daarmee tracht men de jeugd te verleiden. Daarmee worden de onervaren

gemoederen van zulke jongeren op hol gejaagd. Daar zit er zoo één

voor ons. (Arkadiej keerde zich somber af). En het gif vreet verder

en verder. Ik liet me vertellen, dat onze schilders in Rome geen

voet meer in het Vatikaan zetten. Ze noemen Rafael een stumper,

alleen omdat hij als autoriteit geldt, en toch zijn zij, die hem zoo

noemen, de machteloosheid in persoon! Hun fantazie reikt niet verder

dan het bekende "Jonge meisje aan de bron". En ook dat lijkt nog naar

niets. En zulke menschen worden door jullie gewaardeerd?

--Ik voor mij geef geen kopeke om Rafaël, antwoordde Bazarof. En de

anderen zijn niet veel beter.

--Bravo! Bravo! Hoor je dat, Arkadiej? Zoo drukt men zich tegenwoordig

uit! O, ik begrijp wel, waarom zij zich aan jullie vastklampen. Anders

moesten ze immers zien wat te leeren. Want voor domkoppen willen ze

niet doorgaan. En nu kunnen ze eenvoudig zeggen: 't is immers toch

allemaal onzin. U hebt reden, trotsch te zijn en gelukkig! Eerst

waren jullie stumperds, maar nu zijn jullie nihilisten!

--U schijnt het begrip der persoonlijke waardigheid, waarvan u

zooveel ophef maakte, wel eenigszins te verwaarloozen, antwoordde

Bazarof kalm, terwijl Arkadiej bloosde van verontwaardiging en zijn

voorhoofd fronste.

--We hebben ons te ver laten voeren en ik geloof, dat we beter doen,

hier maar op te houden Ik zou me gewonnen geven, als u me maar éen

enkele instelling in onze maatschappij zoudt kunnen aanwijzen, die

niet met bekwamen spoed en zonder erbarmen afgemaakt moest worden.

--Tallooze zou ik u kunnen noemen, tallooze, riep Paul. Neem

bijvoorbeeld de dorpseenheid.

Een kille glimlach vloog over Bazarofs gezicht.

--Over ons dorpswezen moest u liever eens met uw broeder spreken,

antwoordde hij. Hij weet beter dan ik, wat te zeggen van het

gemeenschapsgevoel der boeren, hun "matigheidsvereenigingen" en

dergelijke grappen meer.

--En de familie, de familie zooals die nog bij het landvolk bestaat!

--Dat is weer een onderwerp, waarop u maar liever niet moest

doorgaan. Volgt u mijn raad, Paul Petrowitsj, en denk daar eens een

paar dagen over na. Zoo dadelijk zult u wel niets weten. Ga eens al

onze standen één voor één na. Intusschen zullen Arkadiej en ik...

--Alles belachelijk maken, viel Paul hem in de rede.

--Neen, wij zullen ons tevreden stellen met het onderzoeken van

kikvorschen. Ga je mee, Arkadiej! Tot ziens, heeren!

De vrienden gingen heen. Paul bleef met zijn broeder alleen, zij

keken elkaar zwijgend aan. Toen begon Paul eindelijk:

--Zoover is het dus al met onze jeugd! Dat zijn onze opvolgers!

--Onze opvolgers! herhaalde Kirsanof en zuchtte diep. Hij had al

dien tijd als op heete kolen gezeten en slechts nu en dan zijn zoon

meewarig aangekeken.

--Weet je, waar me dat alles aan doet denken, broeder? Eens op een

avond had ik woorden met moeder. Nog al heftig. Ze schreeuwde en

wilde niet naar mij luisteren. Eindelijk zei ik: u kunt me niet

begrijpen, wij zijn van twee verschillende generaties! Die woorden

deden haar pijn. Maar ze zei: Wat is daaraan te doen? Het is hard,

maar we moeten het dragen. En zoo komen nu ook onze kinderen zeggen:

jullie bent van een ander geslacht. Slik de pil!

--Je bent te bescheiden, te goed, antwoordde Paul, ik ben overtuigd,

dat wij gelijk hebben en niet de kinderen, al klinkt onze taal een

beetje ouderwetsch en al bezitten wij niet de zelfoverschatting

der jongeren... Buitendien zijn ze zoo onecht. Vraag aan tafel:

wilt u rooden of witten wijn? En ze antwoorden: Ik drink principieel

rooden! en dat met een gewichtigheid, alsof het heil der menschheid

daarvan afhing!

--Wilt u geen thee meer? vroeg Fenitsjka door de half-open deur. Ze

had gedurende de woordenwisseling niet binnen willen komen.

--Nee, neem den samowaar maar weg, antwoordde Nikolaas, stond op en

verliet den salon. Paul zei kort bonsoir en zocht zijn kamer op.

Vaders en Zonen · 第 18 / 38 题