Den and’ren morgen staat Johan

Voor zijne rechters. Heel een drom

Van menschen staat geschaard rondom,

Zoo dicht gedrongen, als ’t maar kan,

Die naar de zaal zijn heengesneld,

Dewijl ’t hier iets bijzonders geldt,

Het leven van een jongen man.—

Er heerscht een stilte, dof en zwaar;

In ernstig zwijgen zitten daar

Al de gezwoor’nen naast elkaâr,

En voor hen zit de rechterschaar;

Iets plechtigs is er, of de baar

Eens dooden in gereedheid waar’.

En als dan de aanklacht wordt gelezen,

Bonst menig hart zoo angstig snel;

Ook harten, niet gewoon te vreezen,

Gevoelen d’ angst op heden wel.

Men vraagt Johan, of hij de daad

Bekent.—„Onschuldig!” zegt hij zacht;

En heel zijn houding teekent kracht

En ernst; hoewel zijn bleek gelaat

En droeve trek toch ook verraadt,

Dat hij de zwaarte van ’t gewicht

Gevoelt, dat op zijn schoud’ren ligt.

Maar als hij ziet, dat van die schaar

Alle oogen op hem zijn gericht,

Zegt hij nog eens, nu luid en klaar,

En met een blik vol hoogen gloed;

„Onschuldig ben ik aan dit bloed!”

En bij die woorden loopt terstond

Daar, onder ’t volk, ’t gefluister rond:

„Die niet! Die heeft het niet gedaan!”

En allen trok ’t verlangen aan,

Dat hij in vrijheid heen mocht gaan.—

Nu komen de getuigen; en

Het tweetal is ook onder hen,

Dat met hem reisde, hier en daar:

De snijder en de metselaar.

De mets’laar roept: „Het is niet waar!

Die hem beticht, is leugenaar;

Er mochten duizend moorden wezen,

Toch zou het wel niet zijn te vreezen,

Dat ooit of immer één er van

Gepleegd zou zijn door dezen man.

Ik ben geboortig van Malchin,

En ken zijne ouders te Gallin.”

De rechter houdt met vragen aan;

Vergeefs; de mets’laar blijft er bij:

„Hij deed het niet en hij moet vrij!”

De mets’laar kon naar buiten gaan.

Niet anders ging het, toen het woord

Daarop den snijder werd gegeven.

Hij moest verklaren, in wat oord

Hij met Johan had omgegaan,

Hoelang zij hier en elders bleven;

En wat door hen dan was gedaan;

Waarom? en hoe?—en zoo al voort.

„Ik weet,” zoo sprak de bult’naar toen,

„Dat hij het niet heeft kunnen doen;

Maar ’k weet ook even goed, wie wel

Het stuk bedreef; mijn vader zag

Den broeder van den smidsgezel

Eens onderweg, op zeek’ren dag”— —

„Houd stil!” riep hem de rechter toe,

„Geef op de vragen, die ik doe,

Uw antwoord, en niets meer. Waarheen

Zijt gij geweest te zaâm? En hoe?”

„Dat,” zei de snijder, „heeft, naar ’k meen,

Hier geen belang; maar van gewicht

Is ’t, dat die smid hier binnensta;

Dan zeg ik hem vlak in ’t gezicht,

Wie ’t moordstuk heeft bedreven,—ja!

Wie dat alleen heeft kunnen plegen.”

„Ik zeg nog eens: daarvan gezwegen!”

Zoo spreekt hem weêr de rechter aan;

„Alleen geantwoord op mijn vragen!”

Maar ja! dat kreeg hij niet gedaan.

„Johan heeft niet die vrouw verslagen!”

Zoo riep de snijder steeds, met kracht,—

Tot hij ook buiten werd gebracht.

Nu kwam, zeer bang en bleek en bevend,

Het weêuwtje binnen, en zij stond

Daar schaamrood, kijkend naar den grond,

En niet dan stott’rend antwoord gevend.

Zij moet verklaren, hoe en waar

Zij ’t eerst in kennis kwam met Snoet,

En wat en wie hij was voor haar.

Tot in het diepst van haar gemoed

Geeft deze naam een schok.—Zij zegt,

Al staam’lend: hij was bij haar knecht,

En diende haar steeds trouw en goed,

Zoo eerlijk steeds en zoo oprecht!—

Nu ziet zij op, maar al het bloed,

Dat haar door ’t warme hartje vloeit,

Stijgt naar omhoog; haar voorhoofd gloeit:

Daar staat Johan haar voor ’t gezicht,

Die ’t oog vol weemoed op haar richt.

Zij slaat haar blikken neêr, en vindt,

Bedeesd, bedremmeld als een kind,

Geen woorden meer. Zij had haar leven

Wel voor den jong’ling willen geven,

Maar voor hem spreken kan zij niet.

Wat men nog vraag’, zij hoort en ziet

Alleen Johan, Johan alleen,

En in verwarring gaat zij heen.

Helaas! bij haar en zijn twee vrinden

Was weinig baat voor hem te vinden.—

Nu komt zijn baas, een ernstig man,

En rustig; en die antwoordt dan

Met kalmen toon op al de vragen:

Hoe zich Johan wel had gedragen;

Wat hij gezien had in die kamer;

Wat hij kon zeggen van dien hamer,

En wat hij zoo van alles wist.

„Ja, heeren! ja! zijn hamer is ’t”—

Dit woord zegt veel; en ieder hart,

Dat vóór hem klopte, beeft met smart

Terug, nu zich dat woord laat hooren;

Er is voor Hanne veel verloren.—

Zijn baas gaat voort: „Zijn hamer is ’t;

Maar die was reeds door hem gemist,

En ook gezocht, een dag te voren.

Dat zullen u al mijn gezellen,

Als gij het navraagt, ook vertellen.”

En nu die ’t werk’lijk ook verklaren,

Nu is het, of een zonnestraal

Komt glinst’ren in de duist’re zaal;

En fluist’rend gaat het door de scharen:

„Hij heeft het dan toch niet gedaan;

Neen, neen! hij heeft geen schuld er aan.”

En toen de rechter verder vroeg,

Of Hanne ook kennis daarvan droeg,

Hoe ’t met die oude was gesteld,

Dat zij veel goed bezat en geld,

Toen sprak zijn baas, maar ’t wou niet recht

Zijn keel uit: „Ja, dat wist hij wel;

Ik zelf had hem dat eens gezegd.”

En door de zaal loopt nu weêr snel

’t Gemompel rond: „Hij wist het!—Dan,—

Ja, dan kan ’t zijn; hij wist daarvan;—

En ’t geld trekt aan;—die arme jongen!”

En neêrgedrukt werd meen’ge ziel,

Die nog zoo even was doordrongen

Van vreugd. En, ach! zooals ’t nu viel,

Was ’t, of de taal juist van zijn vrinden

Hem vaster in het net moest winden,

Of ieder, die vóór hem wou spreken,

Zijn heil en hoop juist af moest breken.

Johan ziet sidd’rend reeds zijn graf,

Want ook de liefde valt hem af.

Maar, wild bruist in zijn jeugdig bloed

Het leven op;—zoo kan ’t niet enden!

En weder krijgt de hope gloed,—

Want nu kan alles zich nog wenden,—

Nu de oude vrouw wordt ingedragen.

Zij kent hem toch: haar kan men ’t vragen.—

Maar, ach! het mensch herkent hem niet,

Zij is verbijsterd en zij ziet

Met zwervend oog en ongewis

Rondom zich henen, waar zij is;

En zakt weêr moê op ’t leger neêr.

„Ik ben het! Kent gij mij niet meer?”

Zoo roept Johan. Haar maag’re hand

Gaat naar haar hals; zij zoekt den band,

En in verwarring en ontzind

Ontlaat zij ’t woord: „Mijn kind! Mijn kind!”

’t Verandert niet; de wolken blijven

Haar donker voor het zielsoog drijven,

En altijd zwarter, altijd dikker

Wordt steeds zijn wolk ook, waar ’t geflikker

Van bliksemen uit neder slaat.

Zijn harte bidt, zijn harte breekt;—

Er is geen God, die tot hem spreekt.

Ontroerd, in drift, onstuimig, laat

Hij zijn gedachten nog eens gaan

Langs de achter hem gelegen baan:

„Wil God mij dan het jonge leven

Nu reeds, nu reeds niet langer geven?

Mag mijne Fiek mij niet behooren?

Mijn liefde, en alles dan verloren!”

Maar, bij dat denken is het hem,

Als klinkt van verre nog een stem:

„Hou moed, hou moed, mijn zoon Johan!”

En ’t harte komt hem weêr in gloed,

En veêrkracht keert in zijn gemoed:—

„Volharden, ja! zoolang ’t maar kan!”

Zoo spreekt hij nu weêr tot zich zelven:

„Al moet ik ’t onderspit ook delven.”

Ja! moog’ dan alles hem verlaten,

Zijn oude moed keert in hem weêr;

Moog’ liefde of vriendschap hem niet baten,

Zinkt menschenmacht hier machtloos neer,—

Er is toch hulp bij God, den Heer!

De Heere God heeft duizend handen,

Waardoor Hij hem uit nood en banden

Kan redden. En, past in Gods plan

De liefde of vriendschap niet, nu, dàn

Kan ’t kwade zelf, ten top gestegen,

De bron nog zijn van heil en zegen.— —

De smidsgezel wordt voorgeleid,

En trotschheid en vermetelheid

Ligt op zijn aangezicht gespreid;

En welke vragen hij ook hoor,

Hij heeft er steeds een leugen voor,—

Den halven ring had hij van Snoet,

Op diens verlangen, aangenomen;

Hij had hem juist,—als iets maar moet!

Bij die Jodin toen uit zien komen;

En Snoet had hem gevraagd, of hij

Dat ding een poosje wou bewaren,

Maar stil voor zijne kameraads,

Om hem voor hunne plagerij

En voor hun dart’le scherts te sparen;

Ze hadden anders zooveel praats,

Wanneer zij wisten, dat hij ’t ding

Van de oude joodsche vrouw ontving.

Hij had dus ingewilligd, maar

Toen weldra Snoet als moordenaar

Genoemd werd, was hij na gaan denken;

Eerst had hij aan de somb’re faam

Nog geen vertrouwen willen schenken;

Maar toen de gansche stad den naam

Van Snoet bleef noemen,—zie! toen had

De schrik hem in de ziel gevat;

Die halve ring was in zijn handen,

Alsof hij gloeiend was, gaan branden;

En toen, schier zonder zelf te weten,

Waarheen hij vloog en wat hij deed,

Had hij den ring naar ’t raam gesmeten.

Toch was ’t een schuld,—die hij beleed,

En gaarn’ beleed,—van niet terstond

De zaak te hebben uitgebracht;

Maar dit was toch óók waar: hij vond

Daarvoor zijn straf reeds in den kerker;

En als de rechtbank nu bedacht,

Dat immers hij in den bewerker

Van ’t misdrijf eenen landgenoot,

Een vriend had, die hem broeder noemde,

Dan was zijn schuld toch minder groot,

Ofschoon hij haar niet gansch verbloemde,

En dan mocht hij vergeving hopen.

Toen wendde hij zich tot Johan:

„Kom! doe uw oog eens helder open,

En kijk me eens in ’t gezicht; en dan,

Kom! neem dan maar een kloek besluit,

Beken het feit;—het komt toch uit;—

En als je ’t eerlijk hebt gezegd,

Gaat licht genade nog voor recht.”—

Nu loopt weêr ’t stil gefluister voort:

„Die kerel spreekt een dapper woord;

En, flink, dat hij zijn kameraad

Niet wou verklikken, schoon ’t hèm in schaadt.”—

En naar Johan ziet ieders blik,

Maar nu met afkeer en met schrik,

En ieder werpt, met wrang gevoel

En diep vergramd op hem den steen.

Alleen de rechters blijven koel;

En uit hun midden rijst er een

Op eenmaal van zijn plaats, en trekt

Het wijde laken weg, waardoor

De legersteê was overdekt;

Van de oude vrouw;—hij zet er voor

Den smidsgezel, en wijst op haar,

En vraagt: „Kent gij die oude, daar?”

Hij staart haar aan, en hij verschrikt,

Maar houdt zich goed nog en hij blikt

Weêr driest in ’t rond, en antwoordt dan:

„Ik ken haar niet: ’k weet niets er van.”

Hij drukt zijn nagels in zijn handen,

En knarst zijns ondanks met zijn tanden:

„Ik ben hier vreemdeling, hoe zou

Ik kennis hebben aan die vrouw?”—

„Zaagt gij haar voor de herberg niet,

Toen ze op de steenen lag, die oude?

En is het niet eenmaal geschied,

Dat zij voor u de handen vouwde,

U smeekend.”— —Bij die vragen liet

Hij op haar éénen blik weêr vallen,

En ’t was hem, of de zaal, met allen,

Die saâm daar waren, draaien ging;

Een bange huivering beving

Zijn hart, en ’t koude, klamme zweet

Stond op zijn voorhoofd. Maar hij deed

Nog ééne poging. „Satan! red

Mij ditmaal nog; er zijn hierbij

Toch geen getuigen tegen mij.”

Dat is zijn laag en vuil gebed.

En ééns nog geeft hem Satan moed,

En giet hem kracht weêr in het bloed.

En nu spreekt hij nog eenmaal weêr:

„Ik ken haar niet!” en heft zijn hand

Ten hoogen, tot den Hemelheer,

En roept met kracht: „Als ’k in dit land

Of ergens elders in mijn leven

Haar zag, mag God een teeken geven:

Ik zweer ’t bij God en bij Gods woord!”

En onbeschaamd ziet hij in ’t rond,

En eensklaps, op dienzelfden stond,

Wordt daar een rauwe stem gehoord:

„Den moord’naar vloek! De moord! De moord!”—

Den voet vooruit, als moest hij voort,

De handen uitgestrekt, of spoken

Verschenen, om hem te bestoken;

Verglaasd van oog, met stopp’lend haar

De lippen kramperig opéén,—

Zoo stond de lage booswicht daar,

Gelijk een aak’lig beeld van steen.

De bliksem was op hem geschoten,

Het rijk der dooden was ontsloten,

En handen zonder vleesch of huid

Verhieven zich, de graven uit,

En wenkten hem. Ontroerd, vervaard,

Heeft hij die stem nog in zijne ooren,

En,—Satan heeft zijn spel verloren:

De moord’naar zijgt verplet ter aard.

„Dat was die stem!” zoo bromt hij uit,

Terwijl zich nauw zijn mond ontsluit:

„Dat is ze! Ik weet, wat zij beduidt!

Laat af! ’k Wil tot bekentenis komen!

Ik heb ’t gedaan!—En ook heb ik

Dien Jood het levenslicht benomen.”—

Zoo was in éénen oogenblik

De waarheid schitterend gewroken;

En toen het somb’re woord van moord

Daar van dien vogel was gehoord,

Toen had de Heere God gesproken.

26.

Kris zit voor ’t venster, en hij praat

Heel levendig met zijn papa.

„Ja,” zegt hij opgetogen, „ja!

We zullen, als ’t niet tegenslaat,

Gelukkig hier vandaan gaan [11], morgen,

En dan is ’t uit met onze zorgen

En nooden, en ons Fieken krijgt...”

Op eenmaal houdt hij op en zwijgt;

’t Is, of daar iemand komt;— —ja wel!

Hij luistert,—’t is zoo!—en heel snel

Vliegt hij van ’t raam af, en hij zet

Zich neder onder Fieken’s bed.

De deur gaat stil en zachtkens open

De bakker komt er ingeslopen.

Hij haalt met spoed een sleutel uit,

Waarmeê hij Fieken’s kist ontsluit;

Werpt iets, wat blinkt en klinkt, daarin,

Sluit weêr de kist, en bromt: „’t is klaar!

Heen wil je? Nu, je krijgt je zin:

Heentrekken zal je ook, zie je?—maar

Den weg zal ik je wijzen;—dáár,

Daarginds, in ’t raadhuis, is een plek,

Waar jij kunt zitten; een vertrek,

Waar stilte en tijd je wordt gegund,

En waar je dus bedenken kunt,

Waarom je mij dorst tegenstaan.”

Hij gaat, en als hij is gegaan,

Komt Kris weêr onder ’t bed vandaan,

En zegt: „Daar heb ’k geen hoogte van!

Wat heeft hij in die kist gesmeten?”

Zijn vader heeft een poos gezeten

Diep in gedachten, en geeft dan

Het antwoord: „’k Wil eens overleggen

Met moeder, wat die wel zal zeggen,

En of die dat verklaren kan,

Althans, er eenig licht in heeft,

Maar dit zeg ik: niet goed kan ’t wezen,

En ’t ergste is voor een elk te vreezen,

Wien Satan zilv’ren lepels geeft.”— —

De burgemeester is aan ’t werk.

Een groot pak acten is gekomen,

En „Keulen” staat er op, als merk,

En als hij ’t heeft uitééngenomen,

Rolt òòk nog een klein pakje er uit.

Hij breekt het lak los, en ontsluit

’t Papier, en vindt een halven ring.

„Hé!” zegt hij, „wat beduidt dat ding?”

Nu neemt hij de acten en vangt aan

Met lezen; diepe frons’len trekken

Zich in zijn voorhoofd, en ze gaan

Al dieper en al vaster staan.

„Is ’t moog’lijk?” roept hij, „dáár te ontdekken,

Wat hier voor jaren is gedaan!”

En weder leest hij verder voort,

En spreekt: „’t Is vreemd! Na zooveel jaren!

En hier een moord en daar een moord!

En juist van hier de moordenaren!

Hij leest ten einde toe, en legt

De kin zich peinzend in de hand,

En denkt zich bijna stomp, en zegt:

„’t Is vreemd! Een wonderbaar verband!

Maar hoe is ’t moog’lijk?—Deze man,

Met wien ik,—hoe ongaarne dan,—

Zoo goed als daag’lijks zaken had,

De rijkste burger van de stad,—

Loopt die zoo lang reeds onvervaard

Hier rond, met zulk een schuld bezwaard?”

Er wordt geklopt.—„Doe open maar!”

De burgemeester ziet, verschrikt,

Dat daar de bakker is, en blikt

Hem aan, alsof ’t een adder waar’,

Die, eer hij ’t wist, reeds giftig beet;

En, blozend, of hij zelf misdeed,

Bedekte hij het actenpak

En stak den ring zich in den zak.—

„Wat wenscht gij?”—„Ja! ik heb een zaak,

Die ’k haast maar liever had gezwegen;

Maar, och! ze komt toch op de spraak,

Wat ’k doe of niet; wie kan daartegen?

Mijn meid gaat uit mijn dienst vertrekken,

En, bij een onderzoek, dat ’k deê,

Moest ’k tot mijn grooten schrik ontdekken.

Ik miste zilv’ren lepels,—twee.

Geef mij, als ’t kan, een dienaar meê,

En laat die in ’t geheim de hoeken

Van hare kleêrkist eens doorzoeken,

Daar in mij de overtuiging leeft,

Dat zij ze mij ontstolen heeft.”

Maar de achtb’re heer heeft zich hersteld:

„Vast! daar dient kennis van genomen,”

Zoo zegt hij; „maar ik zelf zal komen,

En van een raadsheer vergezeld.”— —

Nu, dat gebeurde. En toen ze kwamen,

Toen stonden Fiek en vader Smidt

Verlegen en ontsteld te zamen,

En dachten: „Wat hier achter zit,

Begrijp ik niet; hij heeft gezeid:

Niet heengaan!—en nu de overheid!”

Fiek ziet daarbij haar vader aan,

Zoo angstig en zoo vreemd te moê.

De burgemeester spreekt haar toe:

„Gij hebt uw kist al dichtgedaan,

Maar meisje! die moet nog eens open.”

„Mijn kist? Mijn kist? Maar ’k wil toch hopen,

Dat ik hier niet”— — —en daarop sloot

Zij zich aan vader, bleek van schrik,

En stond daar zoo een oogenblik,

Alsof de bliksem langs haar schoot.

„Wat nu?” zoo vaart haar vader uit,

„Ik weet niet, wat dat hier beduidt!

Wie geeft aan iemand hier het recht,

Om zulke midd’len aan te wenden?

Wie is er, die van haar wat zegt?

Wie is er, die haar naam durft schenden?”

De bakker kan wat in hem spookt,

’t Venijn, dat in hem bruist en kookt,

Niet meer bedwingen, en hij bijt

Den vader toe: „Kom, open maar!

Ik ben mijn zilv’ren lepels kwijt;

En, ’k weet heel goed, die zitten daar!”

„Wat! Lepels?” roept nu Smidt verwoed,

Met beurtelings koud en ziedend bloed.

„Hier, Fiek! je sleutel!” En hij trekt

Den sleutel uit haar zak. „Welaan!

Zoek nu dan maar, of je iets ontdekt,”

Zegt Smidt, en gaat bij ’t venster staan

Met Fiek, en kijkt dan door de ruiten,

Voor de uitkomst niet bevreesd, naar buiten.

En Jochem zit daar voor het glas,

in kijkt nieuwsgierig strak naar binnen,

En roept: „Kom, Krisje, hou je kras!

Nu zal jou groote taak beginnen;

Trek nu één lap eerst van de jas

De kamer in; is dat gemerkt,

Dan zorg je, dat je een tweede stuk

Van uit het hol naar buiten werkt.”—

Inmiddels is men nu al druk

Aan ’t zoeken, en men woelt en wroet

Het klein en schamel beetje goed

Al om en om.—De burgemeester

Ziet steeds den bakker in ’t gezicht

Bij deze hand’ling, en hij leest er

Een blijdschap op, die open ligt,

Ofschoon zij zich te mask’ren tracht.

Ook merkt hij, dat de bakker wacht,

Het oog steeds op één plek gericht.

En, ja! juist op die plek verscheen

Het zilver.—„Hier!” zoo roept er een,

„Hier zijn ze!” En allen staan daar stom;

En vader Smidt ziet haastig om,

En vraagt bestorven: „Zijn ze daar?”

Zijn oogen schieten heen en weêr,

En, ’t hoofd verward, het harte zwaar,

Zinkt hij op ’t bed van Fieken neêr,

En zucht: „Die daad hebt gij begaan!

Kind! hebt gij dat van ons geleerd?”—

En zij, van droefheid overheerd,

Ziet hem zoo bang, zoo smeekend aan

En roept, terwijl zij nederzakt,

En snikkend zijne knieën pakt:

„Neen, vader! ’k heb het niet gedaan!”

En met een blik vol diepe smart

Legt zij zijn hand zich op het hart,

En spreekt: „Leg af dien wreeden waan:

Ik kan voor u en God bestaan!”

Maar ziende op zijn gelaat, als steen

Zoo koud, zoo bleek, wendt zij zich nader

Nu naar den burgemeester heen,

En smeekt: „Och! zeg iets tot mijn vader!

Één woord, mijnheer! één woord alleen!”

Haar oog staat wild, en zwak en zwakker

Slaan hare polsen;—en zij ziet

Verward in ’t rond; zij ziet den bakker,

En gilt: „Weg! Weg! Die kerel niet!”

De burgemeester treedt nu nader

Tot den geschokten, droeven vader,

En troost hem nog, zoo goed hij kan,

En beurt Fiek van den grond, en dan

Geeft hij den oude zijne hand,

Die nu weêr opzit op den rand

Van ’t bed.—„Gij zijt een eerlijk man,”

Zoo spreekt hij vriendelijk hem aan;

„En met uw kind zal ’t ook wel gaan.”

Het arme schaap slaat innig teeder

Haar armen om hem heen, en hij,

Hij fluistert in zich zelv’ daarbij,

En fluistert telkens ’t zelfde weder:

„Neen! neen! zij heeft het niet gedaan!”

En als zij aan zijn boezem rust,

En als, terwijl haar mond hem kust,

Gedurig weêr een heete traan

Op zijne hand valt van haar koon,

Zegt hij op vasten, zeek’ren toon:

„Zij deed het niet! ’t Kan niet bestaan!”

Terwijl de vader zoo in ’t end

Zijn kind weêr in heur waarde erkent,

Heeft nog de assessor rondgevoeld

En in de lappen omgewoeld.

„Zie! ’t is opmerk’lijk!” zegt hij; „zie!

Deez’ lappen hier, en die, en die,

Zijn van een jas;—dat is heel klaar!—

Daar heeft de kraag gezeten,—daar;

Het laken is nog niet gesleten,

Maar is ten deele stukgereten,

Deels van de muizen doorgebeten,

En stoff’rig is ’t;—hoe kreeg zij dit,

En waar vandaan, in haar bezit?

Men vraagt het haar. Zij zegt terstond:

„Ik vond die lappen op den grond.”—

„Op welke plek is dat geweest?”

„Alom; maar bij den schoorsteen ’t meest.”—

De burgemeester ziet haar aan

En twijfelt: „Wil de waarheid zeggen!

Waar kwam hier dan dat goed vandaan?

Wie kwam dat op den vloer hier leggen?”

Maar, zie! de raadsheer heeft al vast

De meeste stukken saâmgepast,

En wijst den kraag ook. „Zulke kragen

Heeft men vóór twintig jaar gedragen,”

Zoo spreekt hij:—„die men heden ziet,

Zijn van de halve grootte niet.”—

De burgemeester staat verslagen

Een bruine jas?— —Voor twintig jaar?— —

Zou ’t moog’lijk zijn?—Maar ’t was toch raar!—

Zou nu nog licht daarover dagen?—

Hij ziet den bakker aan; die staat,

Alsof voor zijn verbijsterde oogen,

Een zwarte wolk wordt opgetogen,

En òm hem alles dwarr’len gaat.

’t Is aak’lig stil. Geen enkel woord

Wordt nu van iemand daar gehoord,

Totdat de burgemeester zegt:

„Laat alles worden neêrgelegd,

Wat in de kist is, op den grond.”

En toen men dat verrichtte, vond

Een dienaar iets, waarbij hij sprak,

Terwijl hij ’t in de hoogte stak:

„Zie hier, mijnheer! een glinst’rend ding!

De helft is ’t van een gouden ring!”

De burgemeester nam het aan.

Hoe is dat toch? Hoe kan ’t bestaan?

Dat stuk lag t’huis toch, bij zijn acten;

Wat wond’ren zijn dan hier geschied?

Hij stond verplet; de handen zakten

Hem neêr bij ’t lijf.—Op eens, daar ziet

Hij licht in die geheimenis:

Dit is de wederhelft gewis!—

Hij vraagt den bakker: „Kent gij niet

Dit stuk?”—Die neemt het in zijn hand,

Maar spreekt, terwijl hij zich vermant:

„Dat heeft zij vast, ik weet niet hoe,

Gestolen; maar ’t komt mij niet toe,”

Nu ondervroeg men Fieken weêr:

„Hoe komt dat ding in uwe kist?”

Haar antwoord was, dat zij ’t niet wist;

Van haar was ’t niet; zij wist niets meer.

Toen zuchtte zij en weende zeer.

Hier werd nu alles duist’re nacht,

Waarin door gissen en door vragen

Geen licht kon worden aangebracht,

Maar nu roept Jochem Krisje zacht,

En spreekt: „Mijn zoon! wil niet vertragen!

’t Is tijd nu! Kom! Aan ’t werk met kracht!”

En Krisje, wakker, vlug en knap,

Sleept uit het hol een bruinen lap.

„Kijk!” roept de raadsheer, „wonderbaar!”

Ziet gij dien bruinen lap weêr daar?

Dat is een and’re; ja, voorwaar!

Want hier, hier liggen bij elkaâr,

Die ’t eerst ons kwamen in de hand;

En niemand onzer is dien kant

Ook uit geweest; en—zie eens!— —weêr

Zoo’n lap daar aan de schoorsteenzij!

Een vogel trekt hem op en neêr.”

Hij loopt en komt er dichter bij,

En bukt, en ziet, dat kleine Kris

Nu met een derden bezig is.

„Kijk!” roept hij, „nòg een! Maar ik vat

Nu niets er van, want ’k zag heel klaar,

Dat deze kleine vogel daar

Hem optrok uit dat muizengat.”—

Verpletterend beroert de schrik

Den bakker in dit oogenblik;

Hij moet zich houden aan den wand,

Hij rilt van koude en klappertandt,

En toch, ten zelfden tijde staat

Het paar’lend zweet hem op ’t gelaat

Geen wolk belet nu meer ’t gezicht,

Op zijne daad; zij treedt in ’t licht,

De burgemeester grijpt hem aan

En vraagt hem: „Wat is hier gedaan?

Weet gij er van, wat dat beduidt?

Spreek op! Wat komt hier onderuit?”

Bang en gejaagd kijkt hij in ’t rond,

En bromt iets binnen in den mond,

En wil de deur uit. „Sta daar, man!

Voegt hem de burgemeester toe;

„Er uit gaan,—neen! daar komt niet van;”

En spreekt dan tot den dienaar: „Doe

Hier aanstonds timmerlieden komen;

De vloer moet worden opgenomen.”—

Ze komen.—„Maakt eens los dien grond!

Het eerst hier, bij dit muizengat.”

Zoo doen de werklui ook terstond;

En één van hen zegt: „’t Schijnt wel, dat

Die planken hier nog wel eens meer

Zijn los geweest.”—Men breekt al weêr,

En zie! toen men iets verder was,

Daar lag een bont en zijden vest,

En daar benevens ook de rest,

De helft nog van een bruine jas.

De burgemeester wendde nu

Zich af en gaf een hand aan Smidt

En zei: „We merken al, hoe ’t zit;

Ik vind geen reden meer, om u

Te houden; gaat naar huis; en dra

Komt, denk ik, Fieken u wel na.—

En gij, kind lief! wees wel te moe;

Uw hand is rein; goed zal ’t u gaan;

Ik zeg u mijn bescherming toe,

En ’k neem in mijnen dienst u aan.”

En na dat goed en vriend’lijk woord

Spreekt hij, met somber, streng gelaat,

Den booswicht toe, die voor hem staat,

En beeft, en de oogen neder slaat:

„U neem ’k in hecht’nis wegens moord!”— —

27.

„Waarheen? Waarheen?”—„Kom meê! kom meê

Een heele pret vandaag, hoezee!

Zit hier dan niet en toef hier niet,

Nu Jochem weêr een doopfeest biedt.”

„’t Is goed; ik ga niet naar de stad;

Wat kil en schraal pleizier is dat!

Op d’eersten Mei, als om ons heen

Alom het groen verschijnt, dan mag

De koekoek, voor mijn part, den dag

Besteden tusschen kalk en steen.”—

„Jij, malle kievit! domme klant!

Ze wonen immers weêr op ’t land,

Weêr aan denzelfden waterzoom,

En in denzelfden wilgeboom,

Waar Hanne toen bij nederlag,

En in den droom zijn Fieken zag.”

„O! dan is ’t goed!—Kom, nachtegaal,

En lijster! ’t is een ruim onthaal,

Dat weêr ons wacht! Kom! alle man!

Wie dansen en wie zingen kan,

Zal heden zeker recht verheugd

Genieten volle lentevreugd.”—

En al de voog’len, rap van leên,

Begeven zich naar Jochem heen,

Die, in zijn schik en weltevreden,

Met schoone, witte boordjes om,

Reeds voor zijn woning is getreden,

En allen toeroept: „Wellekom!”

Zijn mooi bruin rokje is net en glad,

Of ’t aan zijn lijf geschilderd zat;

En ’t geeft hem iets voornaams, zoo goed

Als ’t knikje, waar hij nu meê groet.

„Weest welkom!” spreek hij dan; „maar, vrinden,

’t Is geen gemakkelijk geval:

’k Weet haast geen peters meer te vinden;

Zes is alweder ons getal.”

En alles lacht en alles zingt,

En alles danst en alles springt;

Zelfs de ooievaar,—zoo’n deftig heer!—

Staat in ’t geheel niet op één been,

Maar springt met de and’ren op en neêr,

En huppelt door hun rijen heen,

Ja, op de klaver, groen en malsch,

Danst hij verrukt een Schotsche wals.

En onze lieve Heer ontsluit

Zijn venster en kijkt even uit,

En zegt: „Een zonderling idee!

De philosofen dansen meê,

Met hout’rig been en schralen voet,

Maar toch, die aanblik doet toch goed.”

In ’t end zijn allen mat en moê;

En Jochem blaast zich op, en nu

Spreekt hij aldus zijn gasten toe:

„Mijn vrienden! ’k heb een woord aan u:

Gij meent, dat heden ’t doopfeest is;—

Dat is zoo niet; dat hebt gij mis;

Een ander feest brengt ons bijéén:

We kregen, naam’lijk, ’t minnend paar

Door allen nood en moeite heen;

Ze zijn nu boven elk bezwaar;—

Dat is ons feest vandaag, maar weet,

Dat één,”—hier hield hij even op

En kreeg een blos en boog den kop,—

„Dat een van ons het meeste deed,

Het meeste deed, en ’t meeste ook leed.”—

En allen kijken rond en vragen:

„Is ’t de ooievaar? De nachtegaal?”—

Maar, de oogen schuchter neêrgeslagen,

Spreekt Jochem deez’ bescheiden taal:

„Neen! lieve vrienden!—neen!—ik was ’t,

Ik droeg den allerzwaarsten last,

Ik heb het meest mij uitgesloofd,

En ik heb ze aan elkaâr verloofd.”—

En weêr ziet onze lieve Heer

Glimlachend naar Zijne aarde neêr,

En spreekt dan: „Hoor eens, wat gepoch!

Nu wees maar trotsch op uw gewicht!

De menschen doen ’t wel erger nog:

Heeft soms een dwaas iets goeds verricht,

Doordien ik maakte, dat hij ’t vond,

En met zijn neus er tegen stond,

Dan meent hij, dat hij iets beduidt,

En kakelt eigen knapheid uit!”

Alsnu neemt Jochem weêr het woord,

Maar eer schier iets nog is gehoord,

Verheft de kwikstaart, luid en blij,

’t Geroep: „Zij komt! Zij is nabij!”—

En daar komt Fieken op den weg,

Van achter kreupelhout en heg;

En als zij uittreedt uit het hout,

Omkranst de zon haar als met goud.

Haar donkere oogen teek’nen kracht,

En toch, haar blik is lief en zacht;

Haar leden zijn gevuld en rond,

Rood is haar wang en frisch haar mond.

En als zij blij en welgemoed

Den ouden wilg daar weêr begroet,

Zet zij zich in de schaduw neder,

En ziet dan haar verleden weder.

Voorbij is ’t leed, geheel de wond,

Voorbij is zorg en druk en nood!—

Zij vouwt de handen in haar schoot,

En ziet in ’t lachend landschap rond.

O! als eens iemand zeggen kon,

Dat al haar wenschen, al haar droomen,

Zoo dikwijls in haar opgekomen,

Eens zouden liggen in de zon,

Gelijk daar, vóór haar, beek en boomen!—

Zoo zit ze, en brengt zich alle dingen

Weêr voor den geest, door niets gestoord.

En ’t weefsel der herinneringen,—

Daar werkt de hand der hoop aan voort.

En om haar heen hoort zij het kweelen

Der voog’len met hun orgelkelen;

En boven de and’re tonen uit

Verneemt zij ’t fijn en zoet geluid

Der lijster, die daar vroolijk fluit:

„Hij komt!—Als jong’ling heengetogen,

Treedt hij als man weêr voor uwe oogen,

In zijne min nog onbewogen.

Verblijd u, Fiek! gij wordt zijn bruid.”—

En, ja, daar komt met vaste schreden

Een man de boschlaan uitgetreden,

Met wakk’ren blik en bruin gelaat.

En, als hij de oogen om zich slaat,

Dan zegt hij: „’t Is nog als weleer.”

En, als hij nog wat verder gaat,

Dan zegt hij: „Dit is ’t plekje weêr,

Waar ’k eenmaal mijn gelofte deed;—

Zal ’k trouw zijn aan dien duren eed?”—

Diep in gedachten treedt hij voort

Door ’t vroolijk, vriend’lijk-lachende oord,

Maar merkt op eens een maagdelijn,—

Dat stil het landschap zit te aanschouwen;

Heur handen zijn inééngevouwen,

Heur haar glanst in den zonneschijn.—

Daar trilt op eens door zijn gemoed

Een diepe weemoed, maar zoo zoet:—

Is ’t moog’lijk! Zou dat Fieken zijn?

„Zij is ’t! Zij is ’t!”—„Ik ben’t! Ik ben ’t!”

En, eensklaps tot hem heengewend,

Ligt zijne Fieken, zacht en warm

Van ziel, in zijn gespierden arm;

En zacht en warm omvat hij haar,

En vol van weelde staan ze daar,

Terwijl hij, juichend en verrukt,

Een kus haar op de lippen drukt.

En ook zoo zacht en warm ontschiet

Aan ’t woud het nachtegalenlied;

En ’t is nu, of tot haar en hem

God zelf zich richt met hoorb’re stem:

Kom Hanne! Fieken! Kom bij mij!

Al is het veld zoo groen en blij,

Al schijnt de zon met zooveel pracht,

Voor zùlk een vreugd is dàt nog nacht;

Komt! boven ’t hart verheven!

Ik zelf wil u de bruiloft geven!—

En toen St-Jan gekomen was,

Toen was ’t de bruiloft, hier op aarde.

Blij klonk de vedel en de bas,

Waaraan de klarinet zich paarde,

Voor ’t huis van Snoet was alles vreugd;

De kind’ren waren dol verheugd;

Daar waren al de spruiten saâm

Van Smidt, en tevens Jochem Frahm.

En Gust en and’ren, frisch en kloek;

En ieder kreeg een krentenkoek;

Ze hielden die verrukt omhoog,

En riepen luid en vroolijk uit,

Met hupp’lend hart en tint’lend oog:

„Hoera! Ons Fieken is de bruid!”

En toen de stoet ging naar de kerk,

Was weêr de klarinet aan ’t werk,

En, met de klarinet, de fluit.

En alles drong toen meê naar binnen.

Nu werd het stil: nu zou ’t beginnen.

Daar stond weêr Fieken voor ’t altaar;

Rondom haar stond een dichte schaar;

De zon speelde in haar krullend haar,

En schitterde op haar bloesemkrans

En in haar ziel met zachten glans,

Zoo heerlijk en zoo wonderbaar!

En naast haar staat, zoo flink en frisch,

Hij, die haar één en alles is;

En met een handdruk, trouw en vast,

Belooft hij haar: „Ik draag uw last.”

De leeraar bidt hun zegen toe;

En Hanne’s moeder, vreemd te moe,

Laat tranen vallen uit hare oogen

Op ’t bloementuiltje, dat zij draagt;

En ook de moeder van de maagd

Heeft telkens tranen af te drogen;

En ook de vaders zijn bewogen.

Die van den bruigom zegt: „Vriend Smidt!

Kom mee, kom naar mijn werkplaats mede!

’k Weet niet, wat me in het harte zit:

’t Is vreemd:—is ’t van des leeraars rede?

Of, is het me in het hart zoo raar

Om ’t heil van ’t jong en bloeiend paar?

’t Zijn onze kind’ren toch die twee;

Maar, kom!—kom naar mijn smidse meê.”

Toen ’t jonge paar weer buiten kwam,

Toen trad de koster toe, en nam

Aldus het woord op: „Mijnheer Snoet

En juffrouw Snoet! God moge u beiden

Veel zegen en veel heil bereiden,

Al wat u zoet kan zijn en goed!

Ik ben onnoemelijk verblijd,

Dat gij zoo, na verloop van tijd,

Toch tot elkaâr gekomen zijt!”

Hij keert nu naar Gust Schult zich heen,

En spreekt: „Jij deugniet; geef wel acht!

Wat heeft die twee bijééngebracht?

Dit was het immers, dit alleen:

Dat zij elkander trouw steeds bleven;

Zoek zulk een voorbeeld na te streven!

Maar, och! ’t zal wel niet gaan met jou:

Jij krijgt vast nooit een goede vrouw!”

’t Feest is in gang. „’k Wou wel eens weten,”

Zegt Jochem, daar op ’t dak gezeten

Met Lotje, „of ieder zal vergeten,

Wat diensten door ons zijn gedaan.

Daar mocht wel eenig loon op staan.

Ik ruik een lekk’ren geur van koeken;

Ze mochten òns—” „Och, wat?” spreekt zij,

„Wij moeten geen belooning zoeken:

Verblijd u liever maar, met mij,

Dat Hanne en Fiek elkander vonden,

En nu door ’t huw’lijk zijn verbonden.—

En voorts, aan ’t werk! zoek halm en veder,

Dan bouwen wij te zaam weder

Een nest; maar hier, hier moet het wezen:

Wie hier woont, heeft geen kwaad te vreezen;

Hier drukt geen zorg, hier dreigt geen nood,

Hier vindt vast elk zijn daag’lijksch brood.

En, valt de winter ons soms zuur,

Hier is ons Krisjen onze buur;

Ja, hier rust zegen op ons nest;—

Kom, Jochem! werken!—doe je best.”

En toen het feest was afgedaan,

Stond in de lucht de volle maan;

En goot haar licht op berg en dal:

En uit den groenen nacht der boomen

Werd af en toe het blij geschal

Van ’t nachtegalenlied vernomen,

Dat zong van eenheid tusschen twee,

Van vreugde zonder scheidingswee,

Van stil genot aan eigen haard,

Ja! van een hemel hier op aard.—

Wat neev’lig ieder hart doorzweeft,

En diep in elken boezem leeft,

Maar waar geen taal een woord voor heeft,

Dat vindt vertolking in de taal

Der lied’ren van den nachtegaal.—

En toen de herfsttijd was genaderd,

En ’t koren in de schuur vergaderd,

Toen stond, zeer deftig, stijf en strak,

Vriend ooievaar op Hanne’s dak,

Wat die verschijning daar beduidt?

Wat voert daar toch die langbeen uit?

Hij trekt zijn éénen poot omhoog,—

Dit scherpt, zoo ’t schijnt, voor hem ’t gezicht,—

En, in die houding staande, richt

Hij stil een zeer nieuwsgierig oog

Door ’t zwarte schoorsteengat naar binnen;—

Hij schijnt zich even te bezinnen,

En spreekt dan: „Goed zoo!—Leeft in vreê!

Als weer de lente zal beginnen,

Dan breng ik u iets aardigs meê;

Iets, wat vast allen zal bevallen,

En grootje Snoet het meest van allen.”

AANTEEKENINGEN

[1] Verbastering van Sebastiaan. Op den dag van St. Sebastiaan treedt,

volgens de volksmeening in Mekklenburg, het sap in de takjes.

[2] Hanne is eene wijziging van Johan, en in Nüte schijnt iets

spotachtigs te liggen, een zekere verbinding van klein en belachelijk.

(Vert.)

[3] Ik gebruik het mannelijk geslacht, omdat, zooals later blijkt,

bepaald de mannetjesmuis wordt bedoeld.

Hanne Nüte en de kleine Poedel · 第 10 / 11 段