Heeft in de tuinhaag veel gezongen,
En bij dien zang is menigmaal
Iets zoets in Fieken’s hart gedrongen.
Maar nu is weêr de trektijd daar,
En spreekt hij tot den ooievaar:
„Vaarwel! deez’ late tijd in ’t jaar
Is koud; vaarwel, mijn vriend! ik ga
Naar ’t warme land van Afrika!”
„Ik kom u eerstdaags achterna,”
Is ’t antwoord;—„’k vind geen adders meer,
Geen kikkers ook; en, keer op keer
Met muizenvleesch mijn maal te doen,
Dat brengt mijn maag uit haar fatsoen.
Vaarwel! Maar welke weg zal ’t zijn,
Dien ge uitgaat?—„Ik ga langs den Rijn.”—
„Zoo doe ik ook; dat komt heel goed;
’k Denk, dat ’k u daar nog wel ontmoet.”
De nachtegaal vliegt op, en trekt
Al verder, over land en meer;
En als hij ’t Rijnland heeft ontdekt,
Strijkt hij een weinig lager neêr,
En ziet daar twee gezellen wand’len,—
Een mets’laar en een snijder was ’t;—
Nieuwsgierig is de kleine gast,
En wat die beiden daar verhand’len,
Dat wil hij weten. „Neen!” zegt de een,
„’k Zeg, dat hij ’t niet gedaan heeft; neen!
’k Mag beed’len, al mijn levensdagen,
Als hij zoozeer zich kon verlagen.”—
„Wie niet gedaan? Wat niet?” zoo sprak
De nachtegaal in stilte, en vloog
Al luist’rend meê, van tak tot tak.—
„Al werd mijn bochel eens zoo hoog!”
Zei toen de snijder, gansch in gloed:
„Ook ik hou vol: in zoo’n gemoed
Als dat van onzen Hanne Snoet
Wordt nooit een moordplan uitgebroed.”—
„Wat is dat hier? Versta ik ’t goed?”
Denkt nu de nachtegaal, ontsteld;
„Een moordgeschiedenis! En geldt
Dat Hanne? Maar hoe kan ’t bestaan?”
Maar nu,—daar komt een rijtuig aan;
Een aardig vrouwtje, knap en frisch,
En met twee oogen vol van geest,
Zit op de bank daarin. Zij is
Eens Hanne’s meesteres geweest.
Zij houdt bij de gezellen stil,
Daar ze ook iets naders weten wil,
En vraagt hun: „Spreekt gij niet van Snoet?
Dat meen ik wel. Kon ’t u behagen.
Zoo komt dan bij mij in den wagen,
Als gij denzelfden weg op moet.”
En door vertellen en door vragen,
Blijkt nu weldra, dat alle drie
Van Hanne gaan getuigen, die
Weêr voor zal komen,—„Neen!” zegt zij,
Wat mij de krant ook late lezen,
Hij is het niet; hij kan ’t niet wezen;
Hij was zoo trouw; zoo goed was hij!
’k Wil huis en goed en smederij
En alles daar wel om verwedden;
Maar, ’k moet den Mekklenburger redden!”
En toen zij zoo dan, verder door,
Den weg op reden samen,—hoor!
Daar trof op eens een lied hun oor,
De nachtegaal verhief dat lied;
Maar ’t was zijn lenteliedje niet,
Dat voor een mensch een blij verschiet
Van levenslust en liefde ontsluit;
Hij haalde een and’ren zangtoon uit;
Een echo was het, zacht en teêr,
Die vroeg’re dagen nog eens weêr
Terug deed komen voor den geest;
„Hoor, vrouwtje lief! ik ben ’t geweest,
Die Hanne van u, door mijn zang,
Verwijderde; o! toen was ’t u bang;
Toen viel uw lot u vrees’lijk zwaar;
Maar toch was ’t goed zoo;—is ’t niet waar
Dat werd u later immers klaar,
Dat hij niet blijven mocht bij u.
De booze stond is weggedreven,
Die anders onheil had gegeven;
En zoo is ’t beter toch; want nu,
Nu drong de reine menschenmin
U zacht, maar diep ten boezem in;—
God zegene u! Nu is het goed.
God zeeg’ne u, om uw rein gemoed!”— —
Nu vliegt hij verder, en hij ziet
Den spreeuw. „Goên avond! Kunt gij niet
Mij zeggen, wat hier is geschied?”
Zoo vraagt hij dezen. Die vertelt,
Wat door zijn oom hem is gemeld,
En wat de menschen zoo al zeggen.
„’k Denk, dat op morgen de ooievaar
Wel hier zal zijn; ’t is ’t beste maar,
Dan met uw oom eens te overleggen,”—
Zoo spreekt de nachtegaal; „dan kan— —”
„Ja,” valt de spreeuw nu in, „maar, man!
Mijn oom moet willen; dikwijls wil
Hij zich niet uiten; houdt zich stil,
Of heeft de zonderlinge gril,
Van met der menschen taal te praten.
Maar, kom! de plek is mij bekend,
Waarheen hij dag aan dag zich wendt;
’t Kan zijn, dat hij zich uit wil laten.”
Zij gaan dan. In een nauwe gang,
Vlak naast de kamer der jodin,
Daar zit hij, mat en dof van zin.
Hij ziet hen komen; droef en bang
Blikt hij hen aan, terwijl hij stil
Zich aan hun oog onttrekken wil.
Maar als zijn neef vol vriend’lijkheid
Hem toespreekt en hem streelt en vleit,
En hij dus niet wel zwijgen kan,
Vertelt het oude beest hun dan:
De vrouw, ja, leefde nog, maar had
’t Verstand verloren, en zij zat
Steeds met haar handen om te woelen,
En àl maar op de plek te voelen,
Waar eens een halve gouden ring
Haar op den blooten boezem hing;
Die ring, al jaren daar verscholen,
Was door den moord’naar haar ontstolen.
Zoo sprak hij, en daartusschen in
Wierp hij gedurig dezen zin,—
Wild, of hij zelf verbijsterd waar:—
„Vloek! driemaal vloek den moordenaar!”
Terwijl nu zoo de spreeuw vertelt,
Is ’t jonge vrouwtje, vergezeld
Van snijder en van metselaar,
Ook in die buurt gekomen, daar,
Zij zijn bij Hanne’s baas en staan
Met hem in ’t voorhuis bij elkaâr.
Een mansgestalte komt daar aan,
Vervallen, mager, arm en naar.
Hij strompelt langzaam voort; hij strijkt
Langs ’t huisje der jodin en kijkt
In ’t rond, of hem ook iemand ziet.—
Een drang, die hem geen vrede liet,
Dreef telkens naar de plek hem heen,
Alwaar de gruwel was geschied;
En toch, het was hem, of er een
Daar telkens dreigend hem verscheen,
En toeriep: „Gij ontkomt mij niet!”—
Hij staat en staart, gejaagd en bang,
Het venster in.—„De moord! De moord!”
Zoo wordt op schrillen toon gehoord,
Van achter uit de nauwe gang.
Dat is die stem, dat is dat woord!
Dat joeg hem in dien nacht ook voort,
Toen hij zijn gruwel had verricht.
Hij staat, alsof een bliksemschicht
Hem raak’lings is voorbijgegaan;
Hij strekt de handen voor zich heen,
En roept: „Wat wilt gij? Laat toch staan
’k Nam niets u af,—dan dit alleen.”
Nu klinkt iets tegen ’t venster aan,
En dan op straat iets, op een steen.
„Neem weg! Neem weg! Meer heb ik niet!”
Zoo gilt hij angstig, en hij schiet
Terug,—verwild’ring op ’t gelaat,—
En ijlt dan door de stille straat,
Terwijl hij steeds nog ’t krijschen hoort:
„Vloek! Driemaal vloek! De moord! De moord!”—
Het viertal staat een heele poos
Bewegingloos en ademloos,
Tot eindelijk de snijder zegt:
Hij is ’t,— —de booze, dronken knecht!
Hij is de dader!”—En zij komen
Nu aanstonds alle vier naar buiten,
Ze hebben, alle vier, vernomen,
Dat daar iets rinkelde op de ruiten,
En zoeken samen ijvr’ig rond,
„Hier ergens viel het op den grond.”
Ja! zie! het jonge weêuwtje vindt
Een halven vingerring van goud,
Gebonden aan een zijden lint.
En als zij ’t in de hoogte houdt,
Dat lint, waar deze ring aan hing,
Dan kijkt van uit de gang daarop
De nachtegaal, en schudt zijn kop,
En zegt: „’t Is vreemd! Een halve ring!
En kleine Kris heeft net zoo’n ding.
Wat kan daar toch wel achter steken?
Nu, eerstdaags komt hier Langbeen aan;
Dien moet ik daar eens over spreken.
Dag, oom! dag spreeuw!—’k moet verder gaan.”
Hij vliegt in ’t bosch, en zegt: „Goddank!
Hier is geen jammer en—geen stank!
De stad zou nooit een woonplaats zijn,
Geschikt voor mij en mijns gelijken.”— —
De week daarop, komt aan den Rijn
Heer Langbeen werk’lijk nederstrijken.
De nachtegaal had hem zien zweven,
Hem en de zwaluw; en hij had
Geroepen: „Wacht jelui eens even!
Wacht even! Ik geloof haast, dat
Gij zonder mij op reis zoudt gaan!”
En toen was de ooievaar gedaald.
De nachtegaal alzoo verhaalt
Hem alles, van ’t begin af aan,
Wat daar in ’t huisje der jodin
Gebeurd is; en hij vlecht er in,
Dat juist den laatstverloopen nacht
De smid in hecht’nis is gebracht,
Maar dat hij alles loochent, wat
Men hem ten laste legt, en dat
Men daardoor, tot nog toe, geen vat
Op hem kon krijgen;—voorts nog dit,
Dat Hanne ook nog gevangen zit,
En dat de spreeuw, op gist’ren nog,
Bij hem door ’t venster had gestaard;
Dat hij erg was verbleekt, maar toch
Er rustig uitzag en bedaard.
En nu besluit de nachtegaal
Met deze vraag zijn lang verhaal;
„Wat nu te doen?”—„Een naar geval!”
Zegt de and’re; „ik moet me zeer bedroeven
Om Hanne; hij zou hulp behoeven;
Dat voel ik wel; maar met dat al,
Ik kan hier toch niet langer toeven:
Geen kikker springt hier op of neêr;
Voor jou is ’t ook de tijd niet meer.
Maar, wacht,—de zwaluw! Kom eens hier,
Jij, zwaluw! ’t Is me een groot plezier,
Wanneer je met ons op den duur
Wilt reizen; maar voor jou is ’t niet
Noodzaak’lijk, zie je? de natuur
Verleende jou bijzond’re gaven:
Jij kruipt in ’t najaar maar in ’t riet,
Jij kunt je zelfs in ’t slijk begraven,
En,—naakt het schoone jaargetij,
Dan kom je gansch en al weêr bij.
Vlieg jij nu naar de bakkerij,
Groet Jochem vriendelijk van mij,
Vertel hem van den halven ring.
En zeg hem, dat het net zoo’n ding,
Precies zóó, als dat andere is,
Dat in ’t bezit is van zijn Kris.
Zeg ook, dat als dáár iets geschiedt,
Hij van hetgeen ’k hem zeggen liet,
Dan altijd naar bevind van zaken,
En met verstand gebruik moet maken;
Zeg tevens, dat ik hem gebied,
Geen handen in den schoot te leggen:
Waarbij gij eind’lijk nog kunt zeggen,
Dat ’k hier ter plaatse drie vertrouwden,
Specht, mees en d’ouden spreeuw er bij,
Een oogje zal in ’t zeil doen houden,
Opdat ons niets te wijten zij.
24.
De zwaluw ijlt met haren last
Naar Jochem. Die gaat juist te gast
In ’t oogstveld. Op een schoof gezeten,
Is hij met smaak en lust aan ’t eten.
Hij luistert stil met vollen krop,
En schudt zoo nu en dan zijn kop,
Totdat zij alles heeft verteld.
Maar dan, dan wordt hij boos en scheldt:
„Zoo’n domkop! Zich te laten pakken,
En achter ’t slot te laten plakken!
’t Is om te springen uit je vel!
Ik heb van deze zaak al wèl.
En denkt die ooievaar, dat ik
Niets heb te doen, dan zulke zaken,
Die krom zijn, weder recht te maken?
’k Ben met die taak niet in mijn schik.
Elk heeft genoeg aan eigen nood:
’k Bracht twee dozijntjes kind’ren groot,
Dit jaar; en daarbij maakt ook Lot
Mij met haar drukte ’t hoofd nog zot;
Ik moet gestaâg op Fieken letten,
En naar den bakker zien, daarbij;
Zie! zooveel wenschen, zooveel wetten,
Vermoeien en vervelen mij.”
Terwijl ze zoo nog spreken, zien
Zij iemand naad’ren. Wie zou ’t wezen?
De bakker. Hij gaat naar Gallin.
IJskoude blijdschap is te lezen
Op ’t leelijk bol en bleek gezicht,
Gelijk die op het wezen ligt
Des winters, als zijn hand het groen
Vernielt van veld en van plantsoen.
„’k Zie wel, daar broeit een onheil,” spreekt
Nu Jochem; „ga eens met mij meê;
’k Wil weten, wat daarachter steekt.”
En aanstonds volgen hem die twee.
De bakker komt in ’t dorp. Hij doet
Smidt’s huis niet aan, maar vraagt naar Snoet.
En Snoet komt uit zijn smederij.
De bakker maakt nu een begin,
En leidt, wat hij wil zeggen, in,
En heeft daar heel veel omhaal bij:
Hij kwam belangeloos, maar dacht,
Niet goed was ’t, dat hier werd gezwegen;
Hij had vandaag een brief gekregen,
Die hem een droeve tijding bracht;
Een brief uit Keulen, aan den Rijn,
Van zijnen broeder, die aldaar
Verblijf hield: en die schreef: ’t scheen waar,
Ja! ’t scheen maar al te waar te zijn,
Dat daar iets aak’ligs was geschied.
„O God! wat is ’t? Is Hanne krank?”
Roept moeder Snoet. „Neen, neen! dat niet.”
„O zoo! Dat niet! Nu, God zij dank!
Ik dacht aan erge tijding; en— — —”
„Ja! ’t is ook erg; daar kunt ge op aan;
’t Is de ergste tijding, die ik ken;
Want wat uw jongen heeft gedaan,
Komt vast op ’t leven hem te staan.”
„Heer in den Hemel! spreek toch man!
Wat is er dan? Wat deed hij dan?”
Zoo roept zij uit, terwijl de schrik
Door ’t hart haar spookt en door den blik.
„O God! mijn kind!” Zoo gilt zij weêr,
En zakt daarbij doodsbleek ter neêr
In haren stoel.—„Maar, spreekt toch voort!”
Zoo roept nu Snoet den bakker toe,
Die daarop antwoordt, woord voor woord,
Opdat het goed zijn werking doe:
„Welnu,—uw zoon,—die zit,—voor moord.”—
De moeder slaakt een kreet van smart,
En krimpt en kromt zich als een worm;
En vader zwijgt, maar in zijn hart
Ontwaakt een woedend-felle storm:
Hij kijkt den vent strak in ’t gezicht,
Waarop, nu hij er goed in ziet,
Eene, o! zoo helsche vreugde ligt,
Die als een vlam hem tegenschiet.
Nu vliegt hij op, en schreeuwt: „Gij zijt,
Gij zelf, al eens om moord gevat,
Maar Satan heeft je toen bevrijd;
En moet ik nu van jou hier dát
Vernemen, wat mijn kind bekladt,
En voor mijn arme, brave vrouw
En doodsteek is?—Er uit met jou!”
En, als dat woord zijn mond verlaat,
Smijt hij d’ellend’ling op de straat,
Nu troost hij zijne vrouw en zegt:
„Bedaar, bedaar! we doen niet recht
Met aan dien kerel ons te storen;
’t Zijn leugens, die hij ons deed hooren;
We moesten voor ons kind ons schamen,
Als we iets er van voor waarheid namen.”
Zoo spreekt hij met zijn vrouw in d’ arm.
Intusschen komt er groot alarm
Voor ’t huis: de bakker is verwoed;
En zijn onstuimig schelden doet
De dorpsjeugd om hem henen staan,
Veel vrouwen ook de straat op gaan,
Nieuwsgierig, wat daar zal gebeuren,
Terwijl de mans het gadeslaan,
Uitkijkend over de onderdeuren.
Juist komt ook vader Smidt daar aan;
Hij komt, van zijne vrouw verzeld,
Terug van d’ arbeid op het veld;
En gaat, door dat rumoer voorbij,
Zich niet bekreunend, wat het zij.
Maar zijne weêrhelft is zoo niet;
Die vraagt: „Wat is hier toch geschied?”
Waarop de bakker een verhaal
Haar doet, doorspekt met vloekentaal,
Dat haar doet roepen: „Hoor je dit?
Man! Kind’ren! Hanne Nüte zit!”
„Och, babbelpraat!” bromt vader Smidt.
Toch komt de gansche buurt bijéén,
En dringt zich om den bakker heen,
En vraagt: „Hij zit?—Waarom?—Hoe dan?
Een moord’naar? Hij? Johan?—Johan!”
En ieder zegt, dat dit niet kan.
„Hij liegt!” zegt Doortje Bung, „die vent!
De jongen staat voor knap bekend.”
„Hij liegt!” roept ook de wever Frahm;
„Hij liegt!” zoo roepen ze al te zaâm.
En spoedig gaat, van mond tot mond,
Het somber, dof gemompel rond:
Een moord? Er was, voor jaar en dag,
Een moord gepleegd; en goed zou ’t wezen,
Als elk maar op zich zelven zag;
En wie dat stuk beging, voor dezen,
Die zou ’t voor zich wel weten;—maar
Geen uit hun dorp was tot zoo’n daad
Van duiv’lenlaagheid ooit in staat;
Geen uit hun dorp was moordenaar.—
De bakker beeft van angst en schrik.
En in dienzelfden oogenblik
Verheft Kris Snoer,—een jong soldaat,
Maar met verlof terug,—zijn stem:
„Weg met dien kerel! Weg met hem!”
De hartstocht klimt, en bijna slaat
De troep tot daad’lijkheden over.
Maar zie! van achter ’t kerkhofloover
Kwam kalm en stil een grijsaard aan,
Wiens komst schier allen fluist’ren deê:
„Stil, jongens! stil! de dominé!”
En hij bleef voor die schare staan,
En vroeg: „Wat brengt u hier zoo saâm?”
Toen trad vooruit de wever Frahm,
En sprak: „Een woord van dezen man,
Maar dat geen waarheid wezen kan.”
En hij vertelde kort en ras
Wat tijding daar van Hanne was.
En de oude man keek stil naar de aarde,
En hoorde zwijgend naar ’t bericht;
En toen hij in de hoogte staarde,
Toen lag er op zijn aangezicht
Een waas van droefheid uitgespreid,
Als had hij zelf een kind verloren,
En hij hervatte: „Wilt mij hooren!
Geen leugens heeft die man verbreid;
Laat hem met rust, want hij heeft recht:
Johan zit werk’lijk in den kerker.
En wordt beschuldigd, als bewerker
Van daden,—God! zoo gruw’lijk slecht!
’t Is van ’t gerecht mij aangezegd.
Toch zij het ver, zeer ver van mij,
Dat ik hem schuldig keure; hij
Was mij bekend reeds in zijn jeugd;
’k Heb toen, en later, mij verheugd
In zijn zoo braaf en rein gemoed;
En ’k meen, dat wie zóó is, zóó goed,
Niet eensklaps zulk een misdaad doet;
En,—ligt de waarheid nog in ’t duister,
Eens treedt zij op in al haar luister.
Maar gaat nu huiswaarts, kind’ren! gaat!
En bidt God, als gij voor Hem staat,
In ’t heiligdom der eenzaamheid,
Dat Hij dien ouders troost bereid’,
Door hen van angst en schrik te ontheffen;
Want, licht’lijk kunt gij dit beseffen:
Vooral die ouders lijden zwaar.”
Nu gaan ze zachtkens uit elkaâr.
Alleen vrouw Smidt gaat niet, want haar
Spreekt vriendelijk nog de grijsaard aan:
„Wilt gij met mij naar binnen gaan,
Bij Snoet? Want raadzaam dunkt het mij,
Dat vrouwenhulp aanwezig zij.”
Zoo doet zij nu; terwijl haar man,
Met al de diepe en reine smart
Van ’t medelijden in het hart,
Zich neerzet voor het huis. Hij kan
Daar hooren wat er wordt gezegd.
In ’t eerst verstaat hij wel niet recht
Nog alles, wat de grijsaard spreekt;
Maar ’t wordt al klaarder. En nu breekt
De vrouw in jamm’rend weenen uit,
En roept met aak’lig klaaggeluid:
„Johan!—Arm kind!—Mijn zoon!—Johan!”
Vertroostend spreekt nu de oude man
Haar toe, maar, ach! haar zielewond
Gevoelt daar geen verzachting van;
Te diep, te heftig is haar smart:
Het troostwoord valt voorbij haar hart,
Gansch vrucht’loos op den kouden grond.
En als hij eind’lijk ronduit zegt,
Dat, door een schrijven van ’t gerecht,
Onloochenbaar en zeker is,
Dat Hanne zit in hechtenis,
Ontstaat in huis daar een gekrijt,
Dat Smidt het hart als openrijt.
Snoet zelf heeft zich nog niet geuit,
Maar barst nu los met kracht en luid:
„’t Is niet! Hij heeft het niet gedaan!
Mijn kind kan niet zoo’n daad begaan!
Mijn kind kan niet om geld of goed
Zijn hand bezoedelen met bloed;
En, welke rechters dat beweren,
En wat getuigen dat bezweren,
’k Zeg, dat het laster wezen moet!”
Hij gaat naar buiten en ziet rond,
Verward, of hij in vreemde streken,
En niet voor eigen smidse stond;
Treedt weêr naar binnen, zonder spreken,
En kijkt verbijsterd, laag en hoog
In ’t rond, als heeft hij iets verloren;
Daar valt zijn schootsvel hem in ’t oog;
Werktuig’lijk smijt hij langs zijne ooren
’t Ding achter zich.—„’t Is vuile logen!
’t Is logen, wat ze ook zeggen mogen!”
Nu treedt hij weêr naar ’t zwart fornuis
En roert in ’t smeulend kolengruis,
En spreekt: „Toe, jongen! maak wat voort!”—
Daar is geen jongen, die hem hoort.
Maar nu komt zachtkens Smidt naar binnen
En trekt den balg. En, stomp van zinnen,
Laat meester Snoet met woest geweld,
Waarbij de slag steeds wordt versneld,
Den hamer op het ijzer vallen;
Een stroom van vonken spat er uit,
En ’t zwaar en donderend geluid
Doet alles rink’len, dreunen, knallen;
Weêr legt hij ’t ijzer in het vuur,
En peinst en mijmert op den duur,
En leunt op zijne tang, en zegt:
„Hier was ’t; hier heb ik mijne handen
Hem zegenend op ’t hoofd gelegd.”
Weêr doet hij ’t vuur nog feller branden,
Weêr trekt hij ’t ijzer van den haard:
„’t Is logen!” roept hij, „niets dan logen!”
En weder wordt met wilde vaart
De hamer op en neêr bewogen,
Totdat den ouden man op ’t lest
Geen kracht meer in de spieren rest;
En hij inéén zijgt.—Bang te moê
Doet Smidt de deur een weinig toe,
En Snoet, diep, diep bewogen, slaat
Zich beide handen voor ’t gelaat,
En tranen bigg’len langs zijn koon.
„Mijn kind!—Johan!—Mijn kind!—Mijn zoon!—
Ach! ’k weet wel, dat het leugens zijn,
Maar toch,—o God! wat zielepijn!
Och! dat ik dit nog moest beleven!
Had God mij maar den dood gegeven!”
En Smidt, met sprakelooze smart
Diep in zijn trouw en eerlijk hart,
Kijkt voor zich neêr, en treedt dan aan,
Blijft naast den droeven vader staan,
En legt zijn hand, vereelt van binnen,
Hem op den schouder. „Houd uw zinnen
Bijéén! De waarheid zal het winnen!”—
„Die ure moge spoedig slaan!”
Zegt Snoet, die weêr is opgestaan;
En kalm veegt hij den laatsten traan
Zich uit het oog. „Weg met die tranen!”
Zoo roept hij; „neen! geen mensch mag wanen,
Dat ik kan twijf’len aan mijn kind.
Mijn kind is niet zoo boos gezind.
Mijn zoon! uw vader blijft u trouw!”
En nu, nu houdt hij op met weenen,
Maar mompelt somber voor zich henen:
„Och, lieve God! mijn oude vrouw!”
25.
Op ’t steenblok aan den groenen Rijn,
Bij Keulen, waar die joodsche vrouw
Placht neêr te zitten met haar rouw,
En waar, met bitt’re zielepijn,
Zij, onder zuchten en geklag,
Gedurig naar het oosten zag,—
Daar zit de spreeuw met mees en specht
Van avond samen. En nu zegt
De mees: „Zal ’t morgen uitspraak wezen?”
„Ja!” zegt de spreeuw, „en anders zou
’t Ook, naar mijn oom zegt, zijn te vreezen,
Dat bij de rechtbank de arme vrouw
Niets meer kon doen; haar kracht vliedt heen;
’t Mensch is niets meer dan vel en been;
En men begeert haar te vertoonen
Johan en dan den boozen knecht.”
„Dat zal de moeite toch niet loonen,”
Hervatten nu èn mees èn specht;
„Ze is zóó verward, dat, wat zij zegt,
Geen licht zal geven aan ’t gerecht.”
„Och!” zegt de spreeuw, „dat weet men niet;
Want somtijds is het wel geschied,
Dat men de zaak van lieverleê
Ontdekte en in het eind ’t geweten
Den moordenaar bekennen deê,
Wanneer hij zag, wat, naar ik meen,
Corpus delicti wordt geheeten.”
„Neen!” spreekt de specht nu, „vrienden! neen.
Dat geeft niet; maar een duchtig pak
Van rottingslagen op het jak
Gaf zeker, dunkt mij, beter baat.”
De spreeuw hernam: „Dat ’s malle praat;
Ze weten zonder dat wel raad.
Ik zal je zeggen, hoe ’k dit weet:
Een sierlijk lid van ons geslacht,—
Een, die kanarievogel heet,—
En aan een raadsheer toebehoort,
Wordt somtijds buitenshuis gebracht;
En ik had de eer, al menig woord
Met hem te wiss’len, als zijn tijd
Dat toeliet;—nu, die is heel gaar,
Is, wat men noemt, van zessen klaar,
En goed in alles ingewijd.
En die zei mij: „De zaak komt uit;
Daar ben ’k moreel van overtuigd;—
Weet jullie wat moreel beduidt?—
Je zult het zien, de kerel buigt
Op morgen voor ’t ontwaakt geweten;
Johan heeft lang genoeg gezeten,
Maar nu is dan toch ook in ’t end
De zaak in ’t stadium getreden,—
Is jullie soms de zin bekend
Van stadium?”—„Neen!” spreekt de specht.
„Die advocaten-fraaiigheden,
Daar kan ik gansch niet meê terecht.”
„Wel, stadium en dan moreel,
Bij overtuiging, zegt zooveel,
Als dat de zaak zoo goed als klaar is,”
Herneemt de spreeuw; „en als dat waar is,
En alles neemt een goeden keer,
Dan heeft Johan zijn vrijheid weêr.”—
„Maar, stel eens even, dat die vent
Halsstarrig blijft en niet bekent.”—
„Och, wat! ze zullen ’t hem wel leeren.”—
„Maar, als ’t niet lukt?”—„Ja, zie je, dan—
Dan zullen wij ons moeten weren;
Want als we ’t niet doen, aan Johan
Geen bijstand biên, en de ooievaar
Krijgt daar, in ’t voorjaar, kennis van,
Hij vreet ons op met huid en haar.
Maar, ’k moet toch nog met oom eens spreken.”—
„Kom, wat zal die? Het is gebleken,
Dat hij half gek is; laat hem maar
Met rust, hem, met zijn vreemde streken.”
En hiermeê gaan zij van elkaâr.—