Intusschen woonde reeds de muis,

Met zijne vrouw, in ’t bakkershuis.

Hij had, op last van d’ooievaar,

Zich aangemeld bij Krisje, aldaar,

En toen die niet heel vriend’lijk was,

Had hij zoo ernstig en zoo kras

Zich op ’t bevel, hem voorgeschreven,

Beroepen, dat dan toch in ’t end

In ’t hol, aan Krisje alleen bekend,

Hem vrije toegang werd gegeven.

De muis, verzeld van zijn gezin,

Trok vroolijk die verblijfplaats in.

„Kijk!” sprak hij, „’t is hier waarlijk lief;

Een mooie plek en vol gerief;

Alleenlijk zou ik nog begeeren

’t Getal der deuren te vermeêren;

Kom, moeder! met me aan ’t werk gegaan!

Kom, kindren! ook je best gedaan!”

Nu, dat was koren op hun molen,

En onder muur en vloer verscholen,

Ging de familie fluks aan ’t knagen,

Aan ’t breken, krabben, schrappen, zagen:

Een tweede deur kwam in den vloer,

En, om den wille van het voêr,

Nog twee ook op den korenzolder.

Ze werkten flink; het steengruis rolde er

Al links en rechts door naar beneên.

En Krisje dacht: „Waar moet dat heen?

Ik woonde vroeger hier alleen,

Maar nu, zoo’n troep hier bij elkaâr;

Mij dunkt, dat geeft nog al bezwaar.”

De winter komt. Maar de oude muizen,

En ook de jongen, die daar huizen,

Zijn al zoo menigmaal verheugd

Door ’t zoet genot van oudervreugd,

Dat lang reeds de familiekring

Den omvang van een staat ontving,

Maar die van rooven samenhing.

En de oude muis, ’t hoofd van den stam,

Was daar bestuurder, en hij nam,

Tot meer gezag en waardigheid,

Een titel aan van „Majesteit,”

Het goed, door Krisjen eens beheerd,

Werd nu door hem geannexeerd;

En als de dag gezonken was,

En Kris zat in de bruine jas,

Dan werd hij dra door jong en oud

Daaruit, en uit het gat verdreven;

Dan zat hij daar, dan was hij koud,

En onder ’t huiv’ren en het beven,

Verlangde hij naar ’t lenteweêr.

En ’s morgens vroeg kwam, keer op keer,

Zijn vader door de vensterruiten,

En riep: „Och, Krisje, kom eens hier!

Uw lieve vader staat hierbuiten:

Wij hebben weêr geen brood, geen zier;

Geef mij een stukje, door dien kier;

Want dankbaarheid is eere en sier

Der kind’ren: wil die deugd betrachten,

Wanneer uwe ouders bijstand wachten.”

„Ach!” zei dan droef de kleine Kris,

„’k Erken, dat dit betaam’lijk is;

Maar vaderlief! hoe wil ik geven?

Zelf weet ik niet, waar ’k van moet leven:

Dat muizentuig hier, in den grond,

Neemt mij het brood ook uit den mond.”

En dan riep Jochem, gansch verwoed:

„Dat rooversvolk! Dat dievengoed!

Maar, wacht! is eens de lente daar,

Dan zien wij weer den ooievaar,

Die zal de rekels duchtig nijpen,

Die zich aan and’rer goed vergrijpen.”

Maar heden hielp dat niet. Het ras

Der muizen stelde driest zich aan,

Of ’t liev’ling van den hemel was,

En zorgeloos zijn gang kon gaan.

Ze leefden lui, ze maakten pret,

En sliepen warm in Krisje’s bed;

Maar Jochem en zijn arme vrouw

Bedreigde schier de hongerdood;

En kleine Kris had ook zoo’n nood,

En leed zoo bitter van de kou.

Eens zat hij erg zich te vervelen,

O! had hij thans dien halven ring!

Dat was zoo’n mooi en glinst’rend ding,

Zoo aardig, om er mee te spelen.

Hij sluipt nu naar het muizengat,

En tuurt, en, zie! wat treft hij dat!

Geen is er t’huis. Hij kruipt in ’t hol,

En spoedig brengt hij, vreugdevol,

Den halven ring er uit, en zit

Er mee te spelen.—„Wat is dit?”

Zoo hoort hij nu door vader muis,

Die in dien tusschentijd weêr t’huis

Gekomen is, zich vragen.—„Och!”

Zegt Kris verstoord, „bemoei je toch

Niet met mijn zaken; ’t is mijn ring.”

„Jou ring? Heb ’k ooit zoo iets gehoord?

Hier, zeg ik! toe! geef hier dat ding.”

Maar Krisje maakt er zich mee voort,

Vliegt op en zet er zich meê neêr

Op Fieken’s kist. En Fieken komt.

De muis keert naar zijn schuilplaats weêr,

Maar ziet Kris nog eens aan, en bromt:

„Als zij maar eerst is weggegaan,

Dan zal ik jou wel nader spreken.”

En Fiek, ontstemd en aangedaan,

En vol, alsof haar hart zal breken,

Zegt weenend,—maar het zacht geluid

Nog smorend van haar bang geween:—

„Neen! ’k houd het langer hier niet uit;

Ik moet, ’k moet naar mijne ouders heen.”

Ze ontsluit de kist, krijgt haar japon,—

Haar eenige, die heeten kon

Een voegzaam kleed;—en, kleine Kris,

Die weder opgevlogen is,

Werpt, eer zij ’t deksel vallen doet,

Den ring de kist in, tusschen ’t goed.

„Zie zoo! ’k Wil wel aan Fiek hem geven;

Maar aan de muis nooit van mijn leven!”

Zoo zegt hij bij zich zelven; maar,

Dat hij hem had geworpen daar,

En dat de ring toen naar beneden,

Tot op den bodem, was gegleden,

Daarvan werd Fieken niets gewaar.

Alzoo, zij sloot toen weêr haar kist,

Terwijl ze van dien ring niet wist,

En ging,—’t was Zondag,—naar Gallin,

Om haar familie weêr te zien.—

„Kijk!” roept vrouw Smidt, „mijn droom komt uit!

Zeg niet, dat droomen niets beduidt!

Heb ik van nacht niet liggen droomen,

Dat Fieken kwam?—Nu zie ’k haar komen!—

Maar, meidlief! zeg, wat scheelt er aan?

’t Gezicht moet niet zoo droevig staan.”

Smidt zelf heeft ’t werk op zij gelegd,

En komt nu ook er bij, en zegt,

Terwijl hij haar in de oogen ziet:

„Wat is het, Fiek? Je huilt toch niet?”

„Neen, vader! maar bedrukt, bevreesd,

Ben ’k al dien tijd al weêr geweest:

De bakker wil geen rust mij laten,

En ’k vind zoo iets in al zijn praten...”

Hier stamelt ze, en een bloedkleur slaat

Daarbij op eens haar door ’t gelaat.

„Kom, Fiek! spreek voort!” zegt nu haar vader,

Zijn voorhoofd fronsend; „kom! je ziet,

Ik wacht er op; verklaar je nader.”

„Och!” spreekt zij, „’t is mijn schuld toch niet;

Maar nog van morgen klopte hij

Aan mijne deur, en riep hij mij.

Ik kwam, en wou aan d’arbeid gaan;

Hij zei: ik moest dat laten staan;

Hij wou geen bezem in mijn hand

Meer zien, zoo zei hij; dat was schand’;

Voor mij was ’t schande, zei hij, want

Als ik ook wilde wat hij wou,

Dan kon ’k bevelen daar als vrouw.”

Zij sloeg de hand zich voor ’t gezicht.

„Welnu,” roept moeder, „Fiek! wellicht”— —

„Stil, vrouw!” zegt Smidt: „zwijg stil; aan mij

Is ’t woord; dus eerst spreek ik, dan jij.

Nu, kind! wat verder?”—„Wel, hij nam

Mij meê naar binnen; toen ’k daar kwam,

Ontsloot hij voor mijn oog een kast,

Waarin veel geld lag opgetast,

Verschrikk’lijk veel; hij zei: dat geld,

En huis en erf en tuin en veld,

Dat werd op éénmaal alles mijn,

Indien ik zijne vrouw wou zijn.”

„En toen? Wat was jou antwoord toen?”

„Ik zei hem, dat hij wél zou doen,

Wanneer hij mij met vrede liet;

Dat deed hij toen ook; maar daarbij

Sprak hij de woorden: „weiger vrij,

Eenmaal behoort ge toch aan mij,

Hoor, Fieken! jij ontgaat mij niet;

Ik zal eens bij je vader komen.”

En als nu Smidt dit heeft vernomen,

Ziet hij zijn dochter aan, maar zwijgt,

En zet zich neder, en hij krijgt

Zijn werk weer. Maar zijn vrouw bevroedt,—

Zij kent haar echtgenoot zoo goed,—

Dat zij nu verder ’t woord doen moet;

Daar heeft zij lang reeds op gewacht:

Nu is zij dan ook in haar kracht:

„Wel, wat ben jij een domme meid!

Daar zit je voor ons en je schreit;

De domste ben je van den troep!

Als ’k onze Riek of Heintje roep,

Die zóóveel jonger zijn, en ’k vraag,

Of zij ’t niet hadden aangenomen,

’k Wed, dat ze zeggen: „Nou! wat graag!”

Hoe kan ’t jou in je hersens komen,

Om zóó iets, zóó iets, af te slaan?

Of denk je, dat ze twee, drie keeren,

Met bakkershuizen voor je staan,

En vragen: wilt ge er nu soms aan?—

Gelijk wij koffie presenteeren?—

Je moet terug, op staanden voet;

En maken je verzuim weêr goed;

Niet preutsch zijn, en niet mal verlegen,

Maar zeggen: „’k Ben er gansch niet tegen,

En dat ik zoo niet daad’lijk sprak,

Dat kwam doordien ’t me aan moed ontbrak;”

En zeggen, dat ik zelf nog heden

Je na zal komen,—maar, ’t is waar,

Voor uitstel is volstrekt geen reden,”—

En aanstonds heeft ze bij elkaâr

Haar kap en doek;—„zie zoo; ’k ben klaar!”

„Neen! jij blijft t’huis,” zegt nu de man;

„’k Moet toch naar ’t bosch nog; dus, ik kan

Een eind haar brengen.”—Kort en goed,

Hij haalt zijn jas af en zijn hoed

En kleedt zich daarmeê op, en doet

Vervolgens ook zijn wanten aan:

„Kom, Fieken! ik zal met je gaan.”

Zoo gaan die beiden samen voort,

Hij spreekt tot haar geen enkel woord,

Totdat ze komen dicht bij ’t bosch;

Daar laat hij toch een woordje los,

En spreekt op zijn bedaarde wijs:

„Kijk, Fiek! daar staat mijn bezemrijs;

De boschbaas heeft mij toegestaan

Het daar te plaatsen. Nu, vaarwel,

Mijn kind! Dat God u vergezell’!”

En Fieken kijkt hem treurig aan.

„Neen, lieve kind! ’k ben niet in staat,

Te helpen thans; de nood is groot;

Wij teren van ons laatste brood.

Maar neem mijn raad in acht, en laat

Je van den duivel niet verstrikken;

Dan zal zich alles nog wel schikken.

In elk geval, en hoe het ga,

Gij hebt toch niet te zeggen: „ja!”—

Hij uit nog eens zijn afscheidsgroet,

Terwijl hij zijne hand, bewogen,

Op haren schouder rusten doet:

„Dag, Fieken! hou mijn raad voor oogen;

Verdraag, wees sterk, houd moed, blijft goed!”

22.

Ook hier was heen het tweede jaar,

En nachtegaal en ooievaar

En ook al de and’ren keerden weêr,

Ze streken vaak bij Jochem neêr.

En vonden altijd groot vermaak

Bij hem. Maar somtijds was ’t een zaak

Van ernst, die zij daar zoo, te zamen

Vergaderd, in behand’ling namen.—

Zoo liet eens de ooievaar hen hooren,

Dat hij Johan, nog kort te voren,

Gezien had in een smederij

Te Keulen aan den groenen Rijn;

„Maar,” voegde hij er zuchtend bij,

„Het mocht met hem wel anders zijn.”

Hij had van Hanne altijd gedacht,

Dat veel meer wakkerheid en kracht

Hem eigen was; maar, neen! geen vuur,

Geen lust, geen blijheid zat er in;

Voor omgang had hij ook geen zin;

Alleen bezocht hij op den duur

Een bes, en nog wel een Jodin;

En van den spreeuw, hun wel bekend,

Lag de oom daar t’ huis, maar deze had

Voor zich ook de overtuiging, dat

De zaak zoo nooit een gunstig end

Kon krijgen.—Nu van Lotje ’t woord:

„Met Fieken staat het ook al slecht;

En duurt dat op die wijze voort,

Dan komt er nooit iets van terecht.

De bakker maakt haar ’t hoofd op hol,

Althans, dat poogt hij meer en meer;

En Krisje zegt: houdt hij dat vol,

Dan stort zij in ’t verderf ter neêr.”

„’t Is waar,” zegt Jochem, „’t arme wicht

Zit droef in haar vertrekje neêr;

Het hartzeer ligt haar op ’t gezicht,

De liefde doet haar boezem zeer.

Ja, was mijn Kris gelijk weleer,

Gezond, dan kon zijn zingen, spelen

Haar lust en vreugde mededeelen,

Maar die is ook in droeven staat;

En, meester langbeen!—word niet kwaad,—

Maar dat is uwe schuld: gij laat

Daar dat gemeene volk der muizen

Met mijnen jongen samen huizen,

Die telkens weder hem verjagen,

En in de barre winterdagen

Hem lieten bibb’ren;—zelfs de jas,

Die hij in ’t hol gevonden had,

Die hem zoo vaak een toevlucht was,

En waar hij dan zoo warm in zat,

Behielden zij.”—En de ooievaar

Hernam: „Ja, Jochem! ’t is wel waar,

De muis, en zoo zijn heel geslacht,

Is onbeschoft en ruw; maar, wacht!

Ik zal hem zijne les eens lezen.”

„Daar zal gelegenheid voor wezen,”

Zegt Lotje, „juist op heden; want

Hij ging van morgen naar het land,

Om zich een weinigje op te frisschen.

De kikker had hem daar verzocht;

Hij deed met vrouw en kroost den tocht;

Gij vindt hem daar; dat kan niet missen.”

„Waar dan?”—„Hierachter, bij de sloot,”—

En aanstonds stapt de purperpoot

Er statig heen. En als hij dan

Daar nadert tot den waterkant,

Dan schrikt er heel ’t gezelschap van;

En, door hun zielangst overmand,

Vlucht al wat muis heet, klein en groot,

En springt de kikker in zijn sloot.

Maar vader muis kan ’t niet ontkomen,

Hij voelt zich in den nek genomen,

Hij wordt geslingerd met geweld,

En hoort,—voorbeeldeloos ontsteld,—

Zijn vele zonden opgeteld.

Hij smeekt, zoodat de gansche weî

Weêrgalmt van ’t roerend angstgeschrei:

„Genade! spaar mij! spaar mijn leven!”

„Wees stil dan,” antwoordt de ooievaar,

„’k Wil u een blijk van gunst nog geven,

Schoon gij die lang verbeurd hebt, maar

Doe dan ook, wat ik u gebied;

Versta me wel; want, doet ge ’t niet,

’k Ben met de bakkerskat bevrind,

Die heb ’k één woord maar in te fluist’ren,

Dan vreet ze u op, met vrouw en kind!

Pas op dus; en, nu moet gij luist’ren:

Ik heb gemerkt, dat kleine Kris

Van jullie troep afkeerig is;

Hij wil dus niet meer met je leven;

Maar hij verlangt, dat hem de jas,

Die vroeger steeds zijn slaapsteê was,—

Zijn eigendom,—word’ weêrgegeven.”

„Maar,” roept de muis, „dat is te dol!

Die jas kan nooit door ’t gat van ’t hol.”

„Wanneer ’t niet kan in zijn geheel,

Dan maar bij stukken, deel voor deel.

Zijn eigendom moet hij bekomen,

’t Zij, dat je ’t spijtig geeft of graag;

Krijg ik je nog eens bij den kraag,

Dan kun je ’t allerergste schromen.”

Nu laat hij dan den zondaar gaan,

En vliegt terug.—En op den weg

Komt wand’lend onze bakker aan.

En, hoor! uit boom en struik en heg

Weêrklinkt der voog’len luid geschal:

„Kijk! Kijk! daar loopt hij! Kijk! hij zal

Ons Fieken zich ter vrouw gaan vragen;

Hoe durft zoo’n leelijkerd het wagen?

Zoo’n bleeke gistklomp! Is hij mal?

Ons Fieken te streelen,

Van liefde te kweelen,

Met lonkjes te spelen,—

Wat haalt hij toch uit?

Zij wordt niemand anders dan Hanne tot bruid!”

„En de onze! roept de koekoek luid;

Terwijl de duif zich hooren doet:

„Kous op den kop! Kous op den kop!

Dat is het, wat hij hebben moet!”

De bakker geeft geen acht daarop,

En verder loopt hij;—naar Gallin;

Naar Fieken’s ouders. Hij wil zien,

Of hij die niet bepraten kan.

Hij vindt vrouw Smidt alleen; haar man

Is uit; hij doet heel mooi zijn woord,

Een woord dat zij met vreugde hoort,

Terwijl zij nu en dan eens zegt:

„O ja!”—„Natuurlijk!”—„Dat is recht,”

Ook voegde ze er bescheiden bij:

Haar Fiek was goed; haar man en zij,

Ze hadden dat altijd gezeid:

En, leed zij aan neêrslachtigheid,

Nu, in de laatste dagen,—dat

Kwam zeker dat de gansche zaak

Voor haar iets vreemds, iets treffends had.

„Maar ziet ge? als ik er werk van maak,”

Zoo ging ze voort, „dan zal ’t wel gaan;

Ziedaar, ik bied terstond mij aan,

Om u naar huis te vergezellen;

En dan zal ik ’t haar wel vertellen.”—

Zoo deed zij nu ook, en begon,

Wat voor den bakker pleiten kon,

Bij Fiek wijdloopig uit te meten:

Hij was in goeden doen gezeten;

Had huis en hof, veel goed en geld;

Al, waar haar hart op was gesteld,

Dat kon ze hebben; bovendien

Kon ze ook haar ouders hulpe biên,

Dat die eens op hun hooge jaren

Ook veilig en geborgen waren.—

Maar Fiek zei: „Vraag niet, of ik wil;

Ik kan niet.” En zij weende stil.

„Wat?” riep nu driftig en verstoord

Haar moeder;—„Heb ik wèl gehoord?

Je kunt niet; ’k heb ’t wel eens gegist,

Of jij ’t niet met een ander wist;

Ik heb ’t je vader ook gezegd.”

„Neen moeder! neen! dat is niet recht!

Maar, ’k weet niet”—en daar vloog meteen

Een rilling door haar leden heen,—

„’k Ben bang, ik gril voor dezen man;

Neen, moeder! neen! geloof me! ik kan

Uw zin niet volgen; neen! hij heeft

Voor mij iets, waar mijn hart van beeft.”

En weder houdt haar moeder aan,

En geeft haar weder te verstaan,

Dat zij dan toch voor haar en vader,—

Wie had zij op de wereld nader?—

Een steun kon zijn, hun oudermin

Vergelden kon: die kinderzin

Hield toch ook altijd zegen in,

En Fieken liet met bleeke lippen,

En zonder zucht en zonder traan,

Kalm, maar toch innig aangedaan,

Zich dit als laatste woord ontglippen:

„Als vader ’t óók wil, neem ik ’t aan—

Nu moet vrouw Smidt dus huiswaarts gaan,

Zij gaat; zij ziet een buurvrouw loopen;

En ’t zwijgen wordt haar vrees’lijk zwaar;

Te zwaar, te zwaar;—haar mond moet open;

Ze zei: ’t lag aan haar man nog maar,

En dan kon Fiek den bakker krijgen;

Doch ’t beste was, vooreerst te zwijgen.—

Maar, nauw komt Smidt daarginder aan,

Om van zijn werk naar huis te gaan,

Of hem vertelt de gansche straat,

Dat zijne Fiek op trouwen staat;

En meester Zuur houdt ook hem staande,

En spreekt heel deftig: „Mij aangaande,

Ik hoorde met genoegen, heden,

Dat Fiek in ’t huw’lijk zal gaan treden.

Heb ik ’t niet immer u gezegd?

Die deern komt nog eens goed terecht.

De bakker is een deftig man,

En die het heel goed stellen kan;

En als nu de bedrevenheid

Van Fiek nog wat wordt uitgebreid

In zaken van het huisbeleid,

Wat groeit er dan een vrouwtje van!

In waarheid, ’k geef er, voor mijn part,

Mijn zegen op, met heel mijn hart.”

„’t Is nog zoo ver niet,” is nu ’t woord

Van Smidt; hij loopt verdrietig voort,

En treedt zijn need’rig stulpjen in.

Zijn vrouw maakt daad’lijk een begin

Met heel de zaak hem voor te stellen,

Van Fiekens onwil te vertellen,

En zoo al voort. Hij hoort er naar,

Maar antwoordt niet. En, als hij daar

Gezeten heeft een heele poos,

Zoo min of meer besluiteloos,

Dan zet hij, zonder iets te zeggen,

Voor deur, op zijne bank, zich neêr,

Om nog eens weêr, en nog eens weêr,

Goed met zich zelven te overleggen.—

Dicht bij hem was een troepje saâm

Van kind’ren,—allen nog maar klein,—

Zijn Lodewijk, en Riekje en Hein,

En Gustaaf Schult en Jochem Frahm;

Die praatten, zooals kind’ren.

„Wij eten morgen ’t gele hoen,”

Zei Jochem, vol van hoovaardij;

„Dat mooie gele!—en gort er bij!”

„Wij niet;—aardappels eten wij,”

Zei Heintje Smidt, „als ied’ren dag.”

„Ja,” zei toen Gustaaf, met gezag,

„Jijlui bent arm; en dus, dat moet;

Maar wij doen ons aan worst te goed.”

„Jawel,” hernam de kleine Riek,

„Maar als mijn groote zuster, Fiek,

Getrouwd is, zijn wij uit den nood;

Dan eten we altijd krentenbrood.”

„Krijg ik dan ook een stukje er van?”

Vraagt Jochem. „Neen!” zegt Heintje, „dan

Pas ik wel op, dat ’k jou niet roep;

Jij geeft ons ook geen kippensoep.”

„Ja! krentenbrood!” roept Lodewijk,

„Dat’s dan voor ons; dan zijn wij rijk!”

En Smidt, die dat heeft aangehoord.

Staat op, en spreekt het somber woord:

„Dat brood, waarnaar die kleinen snakken,

Daar zijn dan tranen in gebakken;

De tranen van mijn liefste kind!”

Hij gaat naar binnen. Weêr begint

Zijn vrouw de zaak hem aan te preeken,

Maar hoort dan ’t antwoord, streng en hard:

„’k Wil daar niet meer van hooren spreken;

Heb jij geen deernis met haar smart?

Wil jij aan eigen vleesch en bloed

Je zoo bezondigen? En moet

Haar onheil ons tot heil verstrekken?

Neen! uit dien dienst zal zij vertrekken.

’k Wil niets meer van dat huw’lijk weten;

’k Begeer geen brood der zonde te eten.”—

En Smidt, toen de and’re dag verscheen,

Ging stadwaarts, naar den bakker, heen,

En zei hem toen rondborstig aan,

Dat Fieken uit zijn dienst zou gaan;

Op Maartensdag. De groote reden,

Zoo voegde hij beleefd er bij,

Was enkel en alleen, dat zij

Maar niet besluiten kon te treden

In ’t voorstel, haar door hem gedaan;

Doch, zag de bakker liever heden

Haar heengaan,—zij kon met hem gaan.

„Neen!” zei de bakker, „vóór den tijd

Ben ’k liever hare hulp niet kwijt.”

Toen wendde hij met wrok en spijt

Zich af, en vlammen schoot zijn oog;

Terwijl hij voor zich henen spoog,

Alsof hij gif had ingeslikt.

En nog eens ommeziende, blikt

Hij vol haat naar Fieken’s vader,

En bromt: „Wacht, vrind! jou spreek ik nader.”

Smidt troost nu zijne Fiek; en, o!

Wat hij haar zegt, verruimt haar zoo;

Zijn harde hand, met eelt bedekt,

Is nu zoo zacht, als ooit voor dezen,

Nu zij haar harte komt genezen,

Doordien zij uit dat harte trekt

Den splinter, die haar zoo deed lijden;

En bron van ’t allergrootst verblijden

Is haar de boodschap, dat zij al

Op Maartensdag vertrekken zal.

Een vreugdevuur, niet uit te blusschen,

Rijst bij dat woord in haar gemoed;

Zij had den man,—wat was hij goed!—

Wel hand en voeten willen kussen.

Nu laat haar vader haar alleen;

Zij snelt naar haar vertrekje heen,

En zendt, voor d’omkeer in haar lot,

Een hart’lijk dankgebed tot God.

En Krisje springt haar op den rug,

Zoo blij, zoo dartel en zoo vlug,

Als was hij ook om haar verheugd,

Als deelde hij in hare vreugd.

„Ja!” sprak ze, „spoedig is ’t gedaan,

Lief diertje! en jij zult met me gaan;

Dan is het toch voorbij, Goddank!

Met onze moeite en ons verdriet.”—

Zij keert zich om. Maar nu,— —daar ziet

Ze iets liggen, daar, op deze plank;— —

Een lap;—bruin goed;—’t is laken;—maar

’t Behoort haar niet;—hoe komt dat daar?

’t Is vrucht’loos, dat ze raadt en gist;

Maar, wegdoen, daar heeft niemand aan;

Ze werpt den lap dus in haar kist.

Doch nauw’lijks is zij opgestaan,

Den and’ren morgen vroeg, of daar

Ligt weêr zoo’n lap;—’t is wonderbaar!

Zij neemt hem met zich, laat hem zien,

Maar niemand weet te zeggen, wien

Dat ding behoort. De bakker spot,

Vol bitterheid: „Wel, vuile tod!

Mij dunkt, een prul, als dit is, moet

Behooren bij jou eigen goed:

Bij zulk een tod past zulk een vod.”

Zij hoort dat, zonder iets te zeggen,

En gaat dien lap bij d’and’re leggen.

Maar bijna ied’ren morgen vond

Zij zulke lappen op den grond.

Zij legde, zonder meer te spreken,

Ze bij elkaâr: zij kon er wat

Van maken, als ze er veel van had,

Al was het maar een lappendeken.

23.

Hanne Nüte en de kleine Poedel · 第 8 / 11 段