Eens, toen hij nog wat buiten stond,

Nadat hij, om dien man te ontwijken

’t Gelagvertrek was uitgegaan,

Kwam wagg’lend een jodin daar aan;

Oud was ze en scheen haast te bezwijken;

Aamechtig blijft ze een wijle staan,

En grijpt een deurpost. Met een lach

Vol hoon en smaad komt nu de smid,

De dronken woest’ling, voor den dag,

Van uit het raam, waarbij hij zit,

En, met een schor en scherp geluid,

Jouwt hij haar onbarmhartig uit.

En de oude vrouw verneemt die stem

En kijkt naar ’t raam; daar ziet zij hem,

Hem met dat leelijk, boos gezicht,

Dat zij al kent, dat op den duur

Haar voorzweeft, ook in ’t nacht’lijk uur,

Als ze op haar eenzaam leger ligt.

Dat is de ellendeling, wiens beeld

Haar allen zielenvrede ontsteelt,

Dat is de satan, voor wien zij

Eenmaal een voetval heeft gedaan,

Om toch te weten,— — —„ja!” ’t is hij,

Die eens dien doodslag heeft begaan.

Gelijk een spook, een graf ontstijgend,

Richt zij zich voor hem op; en hijgend

En bleek breidt zij haar handen uit,

Die nu van zwakte en woede trillen;

En, op een toon, om van te rillen,

Vervloekt zij, aak’lig schril en luid,

Met alles, wat de menschenspraak

Ooit uitvond, om er vloek en wraak

En helleweeën meê te noemen,

Den snoodaard. Maar bij dat verdoemen,

Door vuur’gen haat haar hart ontlokt,

Vergaat haar laatste kracht, en stokt

Haar oude stem; en, diep geschokt,

Zinkt zij in onmacht neêr, maar toch,

Een vloek zweeft op haar lippen nog.

Johan, die alles heeft gezien,

Schiet toe, om bijstand haar te biên;

En tilt haar hoofd op, en hij legt

Het medelijdend in zijn arm.

Dat ziet de booswicht aan en zegt:

„Hoe heerlijk, jongenlief! hoe warm

En innig rust je schatje daar!

Je bent zoo saâm een aardig paar!”

En hiermeê slaat hij ’t venster dicht.

En Hanne, verontwaardigd, richt

Met luider stem nog ’t woord daarheen:

„Ja, schurk! Mijn arm zal haar beschermen;

Als hier geen mensch zich ging erbarmen,

Er kwam erbarming in een steen!”

Hij brengt haar bij: en nu, hij wacht

Een poosje nog, tot weêr haar kracht

In staat haar stelt, om voort te gaan;

Biedt op zijn arm een steun haar aan,

Terwijl hij vriendelijk en zacht

Haar toespreekt; en zoo gaat hij voort

Tot ze is, daar waar zij t’huis behoort.—

Daar had hij lang reeds, af en aan,

Haar daag’lijks in en uit zien gaan.—

Bij ’t binnentreden klinkt de schreeuw,

Zoo droevig-klagend, somber-zwak,

Hem tegen van den ouden spreeuw:

„Mijn Izaäk! Mijn Izaäk!”

Nu legt hij haar op ’t leger neder,

En aanstonds klinkt het woord daar weder,

Al krijschend, maar volkomen klaar:

„Vloek! Driemaal vloek den moordenaar!”

En de oude slaakt een bang gesteen;

Een huiv’ring siddert door haar leên;

De vogel klaagt en scheldt dan weêr;

En grauw valt de avondscheem’ring neêr,

En schaduwbeelden, op den duur

Steeds zwarter, sluipen langs den muur.

’t Is Hanne nu, of de oude dingen,

Die aan de wanden staan, rondom,

Zich om hem henen samendringen,

Herschapen tot een spokendrom;

’t Is Hanne nu, of voor en na,

Een deksel hier, en daar een lâ

Zich opent, zonder menschenhand,

En of daaruit dan schimmen kijken,

En rits’lend door de kamer strijken,

En zwervend dolen langs den wand,—

Ontstegen aan hun donk’re hoeken,

Om zuchtend eene daad vol schand’

En ongerechtigheid te vloeken.

Maar toch verliest hij niet den moed,

Verzorgt de grijze trouw en goed,

En als zij ’t oog soms opwaarts slaat,

Vraagt hij deelnemend, hoe ’t haar gaat.

Zij beurt ter helft zich op en legt

Haar hand hem op het hoofd, en zegt

Daarbij iets, wat hij niet verstaat;

Het is een taal, die hij niet kent.

Maar na dat vreemde momp’len wendt

Zij andermaal zich heen tot hem,

En spreekt met goed verstaanb’re stem:

„Ja, tand om tand, en oog om oog!

Zoo zeeg’ne God u van omhoog!

Gij stond mij in mijn jammer bij:

De God van Vader Abram zij

Uw schild, en zeeg’ne uw levenslot!

Zoo doe Jehovah-Zebaoth!”—

Nu, zegt zij, kan hij henengaan.

Hij gaat, maar ’t is hem vreemd om ’t hart;

Het is, als grijpt hem duiz’ling aan;

Hij heeft vandaag in menschensmart

Voor ’t eerst een held’ren blik geslagen;

Voor ’t eerst gezien de hel vol plagen,

Waar de een den and’re in nederstoot;

Het is, of een gewicht van lood

Hem drukt op ’t hart, en of zijne oogen

Van zware neev’len zijn omtogen;

Het is, of hij ook zit gesnoerd

Aan ’t koord van zonde en van ellende,

Dat hij zóó vroeger nog niet kende,

En op en neêr wordt meêgevoerd.— —

En sinds dien dag kwam meer en meer

Iets sombers in hem; en wanneer

De rust van d’avond ’t werk verving,

Bezocht hij de oude, telkens weêr,

Om te onderzoeken hoe ’t haar ging,

Hij sprak haar dan vertroostend aan;

Hij haalde water, hakte hout,

En al wat zij, zoo zwak en oud,

Niet kon, dat werd door hem gedaan.

Zoo kwam hij bij haar alle dagen,

En wist toch niet, waarom hij ’t deed;

’t Was meer dan deernis met haar leed;—

Die scheen ze ook niet van hem te vragen;—

’t Was meer ook dan nieuwsgierigheid:

Den sluier, op dien moord gespreid,

Kon zij, zoo min als hij, doen scheuren;—

Toch trok ’t hem aan, met haar te zijn.

En met en nevens haar te treuren,

Met weêrpijn van haar hartepijn.

’t Was of een vreemde tooverkracht

Gedurig weêr hem tot haar bracht.

En als hij daar niet wezen kon,

Dan stond hij dikwijls en verzon,

Of hij toch ’t middel niet kon vinden,

Om van ’t geheim den knoop te ontbinden.

Verloopen was het tweede jaar,

Vertrokken was weêr de ooievaar,

Vertrokken was de nachtegaal,

De lijster en een gansche stoet,

Maar geen had toen voor hem een taal,

Geen had voor hem een vriendschapsgroet.

Geen vogel hoort de werkman zingen,

Die bij den fellen, laaien gloed

De tang hanteert en zwenkt den hamer;

En tot de duist’re jodenkamer

Vermag ook ’t lied niet door te dringen,

Slechts de ooievaar had hem zien staan,

Bij ’t overvliegen van den Rijn,

En was hoofdschuddend voortgegaan,

En had daarbij toen dit gezegd:

„Hoe kunt ge zoo kleinmoedig zijn?

De zaak, die gij zoo overlegt,

Is ònze zaak, en komt terecht.”

Maar ook zijn makkers schudden ’t hoofd:

Hij was gansch anders dan voorheen,

Hij was van vreugd en fleur beroofd,

En leefde voor zich zelv’ alleen.

Zijn arbeid deed hij, als weleer,

Maar ook niets anders, en niets meer;

Geen grap, geen scherts, geen jokkernij:

Dat was voorbij, geheel voorbij

Zij lieten hem een poos begaan,

Maar spoedig ving het plagen aan;

Eerst fiuist’rend nog, maar dra ook luid.

Kwam toen de dart’le spot er uit.

Of hij misschien die oude vrouw

Tot echtvriendin zich kiezen zou,

Of enkel van haar erven wou.

En, was eens Hanne niet er bij,

Dan gaf de booze smidsgezel

Steeds voedsel aan die spotternij.

En in de smederij, zoowel,

Als in de herberg,—allerwegen

Kwam hem geplaag en schimpscheut tegen.

Zijn meester spreekt hem ernstig toe:

„Hoe zijt ge zoo,—ik weet niet hoe,—

Zoo vreemd, zoo anders dan weleer?

Gij waart zoo opgeruimd voorheen,

En hadt ook vreê met iedereen;

Maar dat is nu al lang niet meer;

Hoe kwam daar zoo’n verand’ring in?

Wat hebt gij toch met die Jodin?”

„Niets heb ik met haar,” zegt Johan;

„Niets, wat een ander aangaan kan.

Gij echter, die mij al den tijd,

Dien ’k bij u heb in dienst gestaan,

Een trouwe vriend gebleven zijt,

En immer mij hebt goed gedaan,

Gij zijt bevoegd, er naar te vragen:

Die oude vrouw had zware slagen;

’k Beklaag het arme mensch; dat is ’t.”—

„Arm is zij niet; in kast en kist

Heeft ze,—ieder weet het,—geld en goed

En kostbaarheên in overvloed.

Maar zie toch in, dat zij, gewis,

Voor jou geen goed gezelschap is.

’t Verkeer met haar kan slechts je schaden;

Dus, wees voorzichtig; laat je raden;

Zoek haar niet meer zoo op; men zegt

Veel leelijks en veel laags van haar;

Ga,—dan komt alles weêr terecht,—

Weêr naar de herberg heen, alwaar

Gij de oude en u bekende vrinden

Gedurig weder saâm kunt vinden;

Doe daar weêr vroolijk met hen meê,

En wees geen uil meer bij de kraaien;

Zaai vreugd en gij zult vreugde maaien.”

Wat hem zijn meester hooren deê,

Dat bleef, bij ’t heengaan, in zijn ziel.

Toen hij de werkplaats intrad, viel

Zijn oog wel op den smidsgezel,

Die heimlijk-sluipend, maar toch snel,

Er uit ging; maar dat was wel meer

Gebeurd, en dus ook dezen keer

Dacht daar Johan niet verder aan.

Doch toen hij aan zijn werk wou gaan,

Zocht hij zijn hamer vruchteloos;

Den hamer, dien hij nog altoos

Op ééne plaats leî bij de hand,

En waar een kruis stond ingebrand,

Van acht’ren in den steel. Met wrevel

Rukt hij zich ’t schootsvel af, en zegt;

„Ik zie den hamer niet; en, evel,

Ik heb hem gist’ren hier gelegd;

Nu, goed! Wanneer hier alle zotten

Het eens zijn, om mij te bedotten,

Daar ligt de boêl!”—En hij gaat heen.

Zijn makkers lachen; maar van één

Dier makkers wordt het woord vernomen:

„Snoet! gaat gij Maandag-houden heden?

Wacht even; wij ook zullen komen,

En dan u leeren, wat den leden

Van ’t vak betaamt.” En bij dat woord

Voegt Hanne nog den spreker toe:

„Wij zullen zien,” en hij gaat voort.

Maar onderweg bedenkt hij, hoe

Het was bedoeld. Ja, wel, ’t is waar,

’t Is Maandag juist: en de ambachtslieden

Vergaad’ren heden met elkaâr;

En voor hetgeen daar moet geschieden

Staat in de herberg ook reeds klaar

De kist van ijzer, die den schat

Der akten van het gild bevat.

„Dat komt me intijds nog voor den geest,”

Denkt Hanne; „zou die kerel meenen,

Dat ’k bang ben? Neen, ik ga er henen;

Ik ben nog nooit bestraft geweest

Vanwege ’t gild, en nooit bekeurd;

’k Wil wel eens zien, wat nu gebeurt.”

20.

Hij gaat ter herberg heen. Daar zit

Van ’t smedengild het oudste lid:

Twee meesters nemen plaats daarnevens,

En vier gezellen zetten tevens

Zich aan diezelfde tafel neêr,

In ’t midden van een groote zaal.

En ééns laat de Oudste, en nog een keer,

En nog eens weer, ten derdenmaal,

Den hamer op de tafel vallen,

En richt vervolgens ’t woord tot allen: [7]

„Met uw welnemen, gezellen! stilte!—’t Is heden vier weken geleden, dat

wij voor ’t laatst eene vergadering hebben gehouden. En het is hier bij

’t ambacht het gebruik, dat men, ten minste om de vier weken, in de

herberg samenkomt en rondvrage doet. De meester-gezel zal de kist ter

tafel brengen, overeenkomstig hetgeen bij ’t ambacht gewoon en

gebruikelijk is.”

Die brengt de kist, maar blijft dan staan,

En spreekt Bestuur en Leden aan:

„Met uw welnemen, dat ik van mijne plaats afkome en voorwaarts stappe

op dezen vloer van vader, den waard, en moeder, de waardin, en toetrede

tot de tafel van de goedgunstigste meesters en gezellen.”

Daarop zegt de Oudste: „Dat zij u vergund!”

De jongere gezel laat nu de kist los en spreekt:

„Met uw welnemen, dat ik de kist op de tafel der goedgunstige meesters

en gezellen plaatse. Met uw welnemen heb ik aangevat; met uw welnemen

laat ik los.”

En de Oudste geeft hem te verstaan,

Dat hij nu weêr terug kan gaan,

Ontsluit de kist, en haalt er dan

Dat uit wat noodig wezen kan.

Voorts teekent hij een dubb’len kring:

Één dicht, één met een opening,

Een oop’ning die zijn rechterhand

Met duim en vinger overspant,

Ten teeken, dat hem is gegeven

De bovenhand, en elk behoort

Wat zijn wil voorschrijft, na te leven.

Vervolgens neemt hij weder ’t woord:

„Met uw welnemen, zoo heb ik den gezellenkring geteekend; hij zij groot

of klein, ik overspan hem, en schrijf er de gezellen in, die hier in ’t

werk zijn. Schrijf ik te veel of te weinig, zoo komt er wel een rijk

koopman, die straf en boete voor mij betaalt.”

Nu klopt hij driemaal op de tafel en spreekt:

„Met uw welnemen, zoo heb ik macht en gezag, en trek den gezellenkring

toe!”

En met het krijt, dat vóór hem ligt,

Trekt hij den open cirkel dicht.

„Met uw welnemen, gezellen! stilte!—Ik heb u ingeschreven; is deze of

gene vergeten geworden, die melde zich aan. Maakt u gereed tot het

storten uwer bijdragen.”

En nauw’lijks is dat woord verstaan,

Of al de werkliên treden aan,

En storten, één voor een hun geld.

Nu niemand meer wordt aangemeld,

Nu is ’t de beurt der vreemdelingen.

En de oudste vangt aldus weêr aan:

„’t Is ’t recht der overleveringen,

Waarnaar hier immer is gedaan,

Dat ied’re smid, die veertien dagen

Hier werkt, en langer nog wil blijven,

Zich in ’t genootschap in laat schrijven.

Wilt gij u ook daarnaar gedragen?

Zoo raak dan, vreemd’ling, met uw hand

Den hamer, die mijn vuist omspant.”

En aanstonds wordt, met welbehagen,

Zóó door den vreemd’ling ’t woord verpand.

De oudste.

God geve u vrede en heil, mijn smid!

De vreemdeling.

Mijn smid! de Heer vergelde u dit!

De oudste.

Waar hebt gij rondgedoold, mijn smid!

Uw schoenen zijn van stof gansch wit,

Uw haren zijn verward, uw baard

Steekt zijlings uit gelijk een zwaard.

Die baard, en tevens uw manieren,—

Die zouden zelfs een meester sieren;—

Hebt gij ’t tot meester reeds gebracht?

Of is ’t een graad, dien gij nog wacht?

De vreemdeling.

Mijn smid! ik trek in ’t rond door ’t land.

Gelijk een kreeft doet over ’t zand,

Gelijk een visch doet in de zee,

En ’k win met eer mijn brood daarmeê.

Een meester ben ik niet, maar toch,

’k Denk altijd dezen titel nòg

Te krijgen, zij het ginds of hier.

Een mijl verwijderd van de kringen,

Waar honden over heggen springen, [8]

Daar is men meester met plezier.

De oudste.

Mijn smid! zeg op, hoe moet gij heeten,

Als ge in de herberg binnengaat,

Waar de actenkist geopend staat,

En de gezellen zijn gezeten?

De vreemdeling.

Mijn naam zal Zilvernagel zijn.

Gesproten ben ’k uit edel bloed.

Mijn stam eet goed en drinkt ook goed

Ook ik ben vriend van vleesch en wijn.

’k Heb,—tot op éénen ouden hoed,—

Verteerd, wat mij mijn vader liet.

’t Is waar ook, ja,—mijn smid! ik schiet

Nog in een lach, als ’k denk daaraan;

Ik liet dien hoed als pand eens staan

Ginds, bij een herbergier:—’t zij hij

Er in zijn schik of boos om zij,

Ik los dien stellig nimmer in.

Wilt gij hem lossen? Hebt gij zin?

Dan leg ik gaarne een stuiver bij.

De oudste.

Mijn smid! wat van dien hoed ook zij,

Dien ik voor mij toch niet begeer,

Uw naam van Zilvernagel klinkt

Zeer schoon; en ’t is een naam, die blinkt;

Wij houden zeker dien in eer,

Hoe komt ge er aan? Er voor gezongen?

Of voor gewerkt? Of voor gesprongen?

De vreemdeling.

Mijn smid! o ja, ik kon goed zingen

En, zeker! ik kon ook goed springen;

Maar daarmeê lukte ’t mij nog niet.

Er is veel meer, veel meer geschied,

’k Moest werken, zorgen, zwoegen, loopen.

Om voor mijn werkloon hem te koopen,

En kon hem zóó nog niet behalen;

’k Moest ook met drinkgeld hem betalen.

De oudste.

En in welk land, in welke stad

Hebt gij dat groot geluk gehad?

De vreemdeling.

Te Brambor, [9] waar men veel meer bier

Verwerkt, dan goud en zilver hier.

De oudste.

Mijn smid! geef mij drie namen aan

Van wie,—zoo zijn hier onze wetten,—

Bereid zijn, voor u in te staan.

De vreemdeling.

Hier zijn ze; wil er goed op letten:

Peter smee-’t-ijzer,

Fiksch voor het blok,

Vlug met den balg.

Ik hoop, dat dit voldoende zij:

Of ’k doe, als vierde van de rij,

Er Koenraad Zilvernagel bij.

Nog vroeg hem de Oudste dit en dat;

En bij de hand en zeer gevat

Had steeds de vreemd’ling ’t antwoord klaar.

Als hij zijn bijdraag’ had gegeven

Werd dan zijn naam ook ingeschreven

In ’t boek der broederschap aldaar.—

Vervolgens vangt de rondvraag aan,

Of iemand ook een twistzaak heeft,

Of iemand niet heeft nageleefd

De wet, of tegen ’t vak misdaan.

De Oudste staat op en zegt: Met uw welnemen, gezellen! stilte! ’t Is

heden vier weken geleden, dat wij voor ’t laatst vergaderd waren. Heeft

er in dien tijd iets plaats gehad, wat den een of den ander niet naar

den zin is, zoo moge hij opstaan voor meesters en gezellen en de zaak

in omvraag brengen.

„Het zal hem wel veroorloofd zijn.

Elk breng’ zijn zaken voor den dag.

Gij weet, in ’t huis van vader [10] mag

Elkeen, die bij zijn bier of wijn

Gezeten is met zijn gezellen,

Wat hem op ’t harte ligt, vertellen.

Men heeft in stegen en op straten,

Elkander steeds met vreê te laten;

Geen recht te zoeken onderweg,

En ook daarbuiten niet te praten

Van ’t geen tot dezen kring behoort.

En daarom let op ’t geen ik zeg,

Houdt u daaraan, en zegt het voort:—

Die heden zwijgt, moet blijven zwijgen,

Niet elders,—hier is recht te krijgen.

Al wie iets weet, hij spreke dan;

Wij nemen gaarne er kennis van.

Dit zeg ik eenmaal, andermaal;

Terwijl ik ’t nog eens weêr herhaal;—

En, niemand duide ’t mij ten kwade,

Wanneer ik wijs op boete en straf;

Elk legge zijn getuig’nis af,

En ieder wachte zich voor schade.”

De booze smid nam toen het woord.

Hij wou, zoo sprak hij, wel eens vragen,

Of brandhout hakken, water dragen,

Ook tot het smedenvak behoort,

En of hij is een waardig smid,

Die steeds, in plaats van, blij van zinnen,

’t Verkeer met kameraads te minnen,

Bij oude jodenwijven zit.

En aanstonds sprak ’t gerecht zich uit:

„Zeg ons, wien gij hebt aangeduid,

Naardien de man, die zoo misdoet,

Een dubb’le boete hebben moet.”

Toen wees hij op Johannes Snoet.

Nu zoekt zich Hanne te verweren,

Maar op zijn woord geeft niemand acht;

’t Gerecht en de vergaad’ring lacht;

En ook zijn eigen makkers keeren

Zich tegen hem met grieve en klacht.

En wat Johan ook zeggen moog’,

Hij spreekt geen woord, dat hem bevoordeelt,

Hij wordt verongelijkt, veroordeeld;

En, met verkropte woede in ’t oog,

Legt hij zijn geld, als boete neêr,

En keert naar zijne zitplaats weêr.

En de oudste spreekt: „Als niemand meer

Iets heeft, hoort mij dan aan: wij zullen

De gelden tellen, en alsdan

Ons frisch de bekers laten vullen,

En nemen ons genot er van.

Wij zullen bier ons laten tappen,

Waar mooie meisjes met ons snappen,

En ’t kannedeksel laten klappen.”

Hij telt het geld en sluit de kist. „Zooals ik het slot van onze

gildekist sluit, zoo moet ieder zijn mond sluiten. Met uw welnemen, ik

sluit, krachtens de macht en ’t gezag, mij verleend. Ik steek mijn

zwaard in de scheede. Ik dek mij het hoofd. Met uw welnemen, gezellen,

dekt u!”

De werkzaamheden zijn gedaan;

En ieder vat het drinkglas aan.

En onder ’t luid en blij gejoel

Zit ook Johan. Maar ’t dof gevoel

Van wrok woelt diep in zijn gemoed.

Zijn blik zoekt nog zijn vijand op.

Maar die is weg; en ’t is ook goed;

Want als hij nòg er was geweest,

Dan was hij denk’lijk van dit feest

Vertrokken met bebloeden kop.

Daar zit Johan met bitt’re ziel;

Dat was voor ’t eerst nu in zijn leven,

Dat hij in boete en straf verviel;

En onrecht was aan hem bedreven.—

Rondom hem duurt het joelen voort;

Luidruchtiger wordt steeds de kring,

En een uit de vergadering

Duwt hem een glas toe, met het woord:

„Wij willen uw gezondheid drinken!

Wij willen allen op u klinken,

O, menschenvriend! Johannes Snoet!

Wie ’t glaasjen uitdrinkt, meent het goed!”

Johan wil nu niet laten merken,

Dat hem ’t geval nog grieft en kwelt;

Hij drinkt,—maar hij vergeet de perken,

Die hij zich immer heeft gesteld;

Hij drinkt te veel:—ten laatste gaat

Hij wagg’lend weg, en op den tast;

Hij houdt aan muur en post zich vast,

En komt zoo op de donk’re straat.

Eerst loopt hij voort; dan staat hij stil,

Alsof hij zich bezinnen wil,

Waarheen moet;—als in een droom,

Zoo loopt hij verder; alles draait;

Daar is ’t, of boven hem iets waait:

Hij kijkt omhoog; ja, ’t is een boom.

Wat boom zou daar wel voor hem staan?

Hij grijpt hem vast en kijkt hem aan:

Doch spoedig zakt hij neder, daar,

En voelt zich, o! zoo ziek, zoo naar,—

Maar valt in slaap, en slaapt zoo door,

Tot de allereerste morgengloor

Een schemerschijn door ’t oosten trekt.

Dan wordt hij door den vink gewekt,

Die uit het groen de harde taal

Hem hooren doet: „Sta op, schandaal!

Zeg! wat manier van doen is dat?

Nog slaapt gelukkig heel de stad,

Zoodat geen mensch er nog van weet;

Maar ga naar huis en schaam je wat,

Jij, losbol! over ’t geen je deedt!”

Hij krabbelt overeind; de kou

Jaagt hem een bibb’ring over ’t lijf,

Hij kijkt in ’t rond en denkt: „Hoe zou

Ik aan dit vreemde nachtverblijf

Gekomen zijn? Wat is geschied?”

En nu, zoo peinzend, ja! nu ziet

Hij voor zijn geest den boozen smid,

De herberg, alles. En met smarte,

De scherpe smart der schaamte, in ’t harte,

Gedenkt hij, hoe de smaad hem tartte,

Maar voelt; de grootste schande is dit.

Naar huis! Naar huis!—Verward, ontdaan,

Sluipt hij nu voort, komt eind’lijk aan

Bij zijne werkplaats, en hij ziet,

Terwijl hij ’t slot doet opengaan,

Nog rond, of niemand hem bespiedt:—Goddank!

getuigen zijn er niet.

Maar,—maar,—daar hoort hij toch geluid,

Gesteun, gekerm;—het zet zich uit;—

Of is ’t verbeelding slechts van hem?

Neen! neen! dat is een menschenstem.

Hij treedt terug, en merkt, het klagen

Komt uit de kamer der jodin;

En ruiten zijn daar stukgeslagen.

Wat mag dat zijn?—Hij tuurt er in:

Zou ’t mooglijk wezen? Ziet hij goed?

De oude op den grond! ’t Bed ’t onderst boven!

Nauw kan hij nog zijn oog gelooven;

Hij ’t venster in!—God! daar ligt bloed!

’t Mensch zwemt in bloed; hij tilt terstond

Haar hoofd zorgvuldig van den grond,

Maar weet niet wat hij verder moet.

Hij legt, terwijl zij keer op keer

Verschrikk’lijk kermt, op ’t bed haar neêr;

En wil nu roepen, ’t venster uit,

Om hulp:—daar ziet hij op de straat

Zijn meester, die te kijken staat,

Wat daar geschiedt, wat dat geluid

En dat gestommel toch beduidt.

„Wat is dat toch, dat vreemd misbaar?”

Daar staat Johan, bloed aan zijn handen,

En aan zijn kleêren; en zijn haar

Zit wild en ord’loos door elkaâr;

Zijn lichaam beeft, zijn oogen branden,

En stott’rend bromt hij door de tanden,

Dat ook voor hem de gruweldaad

Een raadsel is; hij had op straat,

Hij had dien nacht op straat gelegen,

Hij was pas ’t venster in gestegen.—

De buurt komt aanstonds op de been;

Men breekt in haast de deuren open,

En: „Moord! Een moord!” roept iedereen.—

Een toon, die aak’lig voort blijft loopen.

Nu vraagt men: wie? dan vraagt men: hoe?

En bij dat al doet, af en toe,

De schorre stem van d’ouden spreeuw

Zich hooren met den woesten schreeuw:

„Moord! Moord! Vervloekte moordenaar!”

En altijd nog staat Hanne daar,

Zijn hand en kleed bevlekt met bloed,

En sprekend, hij weet zelf niet goed,

Hoe en waarvan. Elk ziet hem aan:

„Zou die het zijn? Heeft die ’t gedaan?”

„Neen! die vast niet, die was haar vrind;

Die was haar altijd goed gezind,

Die droeg haar hout en water aan:

Neen! neen! die heeft het niet gedaan.”

„Nu, ja, dat klinkt nu alles goed;

Maar hoe komt hij dan zoo bebloed?

Hoe is hij zoo verward van zinnen?

En hoe kwam hij de kamer binnen?

’t Laat, dunkt mij, zich van zelf verstaan,

Dat hij, geen ander, ’t heeft gedaan.”

Zoo fluisterde en zoo sprak men daar.

Maar toen trad uit de dichte schaar

De baas van Hanne voort en lei

De hand op hem, terwijl hij zei:

„Hem ken ik; en hij deed het niet,

Hij is mijn beste en flinkste knecht;

Die nooit de baan van eer en recht,

Van eerlijkheid en trouw, verliet;

Ook was hij met die vrouw bevrind:

Ik zal hem, wat men moog’ vertellen,

En wie zich tegen hem moog’ stellen,

Beschermen als mijn eigen kind.”

En juist terwijl dit woord zijn mond

Verlaat, zien enk’le lieden rond,

En zoeken nog eens in de kamer,

En vinden—een bebloeden hamer.

„Ziet hier! Ziet hier! die hamer lag

Daar in de bedsteê.” Ieder zag

In spanning nu den hamer aan,

En Hanne’s baas zag in den steel

Het hem bekende teeken staan,—

En de ademtocht stokte in zijn keel,

En ’t harte werd hem aangedaan,

Alsof er ’t onweêr in kwam slaan.

„O God! mijn hamer!” gilt Johan.

„Ja! ’t is zijn hamer! ’t Is zijn hamer!”

Zegt dof en droevig de oude man.

En ijlings gaat het door de kamer:

„Hij is ’t! Hij heeft den moord begaan!

’t Is klaar, dat hij het heeft gedaan!”

Toen riep de spreeuw weêr, zacht en zwak:

„Mijn Izaäk! Mijn Izaäk!”

En ’t was, als stortte dat geluid

In Hanne moed en kracht weêr uit;

Hij hief zijn handen naar omhoog,

En riep met vurig stralend oog:

„Al kleeft aan deze handen bloed,

Zoodat men mij verdenken moet,

Ik ben onschuldig en bezweer

Bij mijne ziel, bij God, den Heer!

Ik heb dit moordwerk niet verricht;

En, ’k weet, al zwijgt de hemel thans,

Eens komt de waarheid toch aan ’t licht,

En doodt den booze met haar glans!”

De heeren van ’t gerechte komen,

En artsen ook. Nu wordt Johan

Terstond in hechtenis genomen.

En de artsen onderzoeken dan

De wonden, d’ oude vrouw geslagen,

En zeggen, als ze hooren vragen,

Of zij nog beter worden kan,

Dat dit nog ver van zeker is,

Maar dat ze, als zij herstelt, gewis,

Altijd zal blijven zwak van hoofd,

Zoo niet van haar verstand beroofd.—

Daarnaast nu in de smederij,

Waar vroeger scherts en jokkernij

Steeds t’huis was, en waar steeds zoo blij

’t Werk van de hand ging,—is ’t nu stil;

De lust van ’t leven is voorbij,

En alles is er dof en kil.

De baas zit in gepeins verloren

In zijn vertrek; maar wat hij doe,

’t Is, of hem niets meer vlotten wil;

Hij is zoo droef, zoo droef te moê.—

O! had hij zóó iets van te voren

Ooit kunnen weten, kunnen gissen.

Hij had het beste willen missen,

Om ’t af te wenden.—„Ach, Johan!

Gij, gij zoo’n gruweldaad begaan!—

Maar, ’t kan niet! Waar geloof ik aan?

En toch,—vanwaar die hamer dan?”

Zoo denkt hij, en, van schrik vervuld,

Roept hij op eens: „’t Is mijne schuld!

Ik heb van ’t vele goed en geld

Dier oude buurvrouw hem verteld!

Heeft dat hem niet den stoot gegeven?

Wierp dat niet in ’t verderf hem neêr?—

Zoo ja, dan heb ik, heel mijn leven,

Geen oogenblik van vrede meer.”

Ook Hanne is eenzaam neêrgezeten,

In hecht’nis, achter stang en slot.

O! huiv’ringwekkend was zijn lot!

’t Was, of zijn hoofd was opgespleten;

’t Was hem zoo vreemd, zoo wee van binnen;

Verwarring sloeg door al zijn zinnen,

En bonzend hamerde iedere ader.

O God! zijn moeder! En zijn vader!

Zijn Fieken! Ach! En hij nu daar!

Och of hij dood, begraven waar!—

En peinzend grabbelt hij in ’t haar:— —

Hoe is dat?—denkt hij,—neen toch!—maar,—

Ja,—uit de herberg kwam hij,—ja!—

En bij dien boom had hij gelegen;

Toen had hij ’t raam in ’t oog gekregen,

Dat wijd geopend stond; daarna

Was hij er met gejaagden spoed,—

Dat wist hij wel nog,—ingegaan,

En had bij de oude vrouw gestaan,

Die op den bodem lag, bebloed.

Maar toen? Wat was er toen geschied?

Veel menschen waren in de kamer,

Waar ook zijn baas zich hooren liet;

Maar heel veel anders wist hij niet.— —

Ja, toch! die hamer,— —’t was zijn hamer;

En daar zat bloed aan;—altijd nog

Ziet hij dat bloed;—hoe kwam dat toch?

Hij slaat nu wild den blik naar boven:

„Mijn God! men zal toch niet gelooven,

Dat ik,”— —hij klopt en maakt misbaar:

„Doe open!”—Klop maar, klop jij maar!

Geen mensch, die acht geeft op je slaan.

„’t Is leugen! ’k heb het niet gedaan!

Ik niet!—Bij God! het is niet waar!”

Men hoort niet, Hanne! klop jij maar.

„Maar, Heer! die leeft hier en daarboven,

Men moet, men moet mij toch gelooven;

Wat waar is, is toch, is toch waar.

Breng Gij de waarheid dan aan ’t licht!”

Ja, Hanne! bid maar! bid jij maar!

De Alziende houdt Zijn lippen dicht.

Ja, bid maar,—doch, de Hemel zwijgt,

’t Kan zijn, dat hij nog deernis krijgt,

Als lang nog uwe ziel van pijn

Gekrompen heeft; dan kan ’t nog zijn;

Licht wordt de waarheid dan nog klaar,—

Maar zit nu, Hanne! zit jij maar!

21.

Hanne Nüte en de kleine Poedel · 第 7 / 11 段