De nachtegaal kiest zijn kwartier,

Waar hij verleden jaar al was.

De kleine Fiek woont immers hier.

Dus hier het nest gebouwd!—Alras

Ziet hij bekenden in dat oord:

’t Is Jochem met zijn gemalin;

Die hupp’len tusschen de erwten voort,

En nemen ’t noodige er van in.

„Hier zijn wij goed in ons gedoente,”

Zegt Jochem; „’k hou van jonge groente.”

De nachtegaal brengt hun een groet:

„Hoe is het, vrinden? Gaat het goed?”

„Wij houden steeds, gelijk gij ziet,”

Is Jochem’s antwoord, „’t hoofd nog boven.”

„Och ja,” zegt Lot, maar veel verdriet,—

Gij zoudt het bijna niet gelooven,

Zeer veel verdriet was weêr ons deel.

Men zaam’le ’s zomers nòg zooveel,

De winter brengt toch steeds weêr nood;

Wij stierven haast den hongerdood.

En daarbij plaagde mij de jicht,

Zoodat ’k geen lid haast kon bewegen;

Doch nu, dat is een groote zegen,

Staat weêr de tuindisch aangericht;

Wij vinden telkens nu ons maal,

En komen weêr op ons verhaal;

Maar toch blijft altijd zorg ons hind’ren:

Wij hebben weder ’t nest vol kind’ren.”

„Alweder?” vraagt de nachtegaal.

„Och ja! Alweder! En ditmaal

Zijn zes door ons weêr uitgebroed;

Ik weet niet, waar dat henen moet.”

„Maar, lieve Lotje! denk toch,” sprak

Nu Jochem, „is er niet een Macht,

Die steeds den raven voedsel bracht,

En ook ons, musschen, op het dak?

’t Is waar, ja! kind’ren zijn een last;

Maar, als men op hun vorming past,

En hen van dankbaarheid vervult,

Betalen ze op hun beurt hun schuld

Aan de ouders. Zie! ons beider leven

Zijn wij verplicht aan onzen Kris,

Die altijd nog gedachtig is

De lessen, die ’k hem heb gegeven.

Hij woont nog steeds bij Fieken in.

Welnu, vol vromen kinderzin,

Heeft hij voor de ouders, hem zoo waard,

Zich ’t eten uit den mond gespaard;

En wat hij spaarde, wierp hij uit

Door ’t scheurtje van een vensterruit.”

„’t Is waar,” zei Lotje, „hij is goed,

Hij heeft ons liefderijk gevoed:

Hij is de beste van ons kroost.

De rest is van ons heengegaan

En bood ons nimmer hulp of troost;

Maar Krisje heeft zijn plicht gedaan.”

„Dat ’s mooi,” hervat de nachtegaal.

„Maar, lieve vrinden! och, verhaal

Me eens, een van beiden, hoe het gaat

Met Fieken.”—„’t Ging haar eerst heel kwaad,”

Zei Lot; „in ’t eerste halve jaar

Werd zij niet lief behandeld; zwaar

Viel haar ook ’t vele werken; maar

Nu heeft ze ’t beter; ja, wel let

De bakker schier op ied’ren tred,

Dien zij maar doet; maar toch, ’t is net,

Of hij nu meer toch om haar geeft.

’t Moet al gebeurd zijn,—want dat heeft

Ons Krisje ons wel eens aangebracht,—

Dat hij des avonds, ja! bij nacht,

Op hare deur kwam tikken.”—„Wat!”

Roept nu de nachtegaal; „en dat

Vertel je, of ’t niets bijzonders waar’!

Je lijkt wel een krankzinnig paar!

En, Jochem! jij,—ja, waarlijk! jij

Krabt niet om niet je kop hierbij;—

Jij, die de wereld toch zoo kent,

Jij laat dat toe! En van zoo’n vent!

Jij, die zoo ridderlijk vaak snoeft,

Dat de onschuld, die een schut behoeft,

Op jou kan reek’nen, zit hier stil!

Jij ziet niet, dat die lage bakker

Haar onheil zoekt, en dat de rakker

Het lieve kind verleiden wil?”

„’t Is waar,” zegt Lotje, „de ooievaar

Zei ’t óók al; en ik óók al; maar

Dan lachte Jochem om dat blijk

Van mijn bekomm’ring; want, niet waar?

De vrouw krijgt altijd ongelijk.”

„Hm! hm!” zegt Jochem, „’t is wel raar,

Dat ik daarin geen doorzicht had;

’t Kan zijn, dat jijlui ’t beter vat;

Wats,—nu je ’t zegt,—ja, ’t is zoo; hij

Vervolgt haar met zijn vleierij,

Maar altijd ruw en lomp en plat.

Nog gist’ren deed hij zoo.”—„En zij?”

Vroeg nu de nachtegaal.—„Zij stiet,

Toen hij wou streelen om haar kin,

Hem van zich af; dus, ’t lukte niet;

Haar blik had angst en afkeer in,

Gelijk òns oog, wanneer een lid

Van ’t kattenras nabij ons zit.”

„Derhalve blijkt uit dit verhaal,”

Zoo antwoordt nu de nachtegaal,

„Dat waakzaamheid hier noodig is;

’k Beveel u die zeer ernstig aan;

Pas op dus; goed uw plicht gedaan!—

Ik ga eens praten nu bij Kris.”

Toen vloog hij weg, en weldra kwam

Hij, met zacht fladd’rend wiekgeruisch,

Aan d’achtermuur van ’t bakkershuis,

Waar hij een plaats voor ’t venster nam,

En riep toen met een zoet geluid

Den braven, kleinen Kris er uit:

„Kom, Krisje! mijn jongen, zoo lief mij en dier!

Kom buiten! Ik ben het; je peetoom is hier.

Kom bij me! Vertel me van dit en van dat;

Kom, Krisje! mijn jongen! dan geef ik je wat.

En Krisje komt, maar bevend, ach!

En zoo vermagerd, zoo armoedig,

Dat peetoom schrikte, toen hij ’t zag,

„Wel, kind! wat scheelt je?” vroeg hij goedig,

„Wat zie je bleek! En zoo bedrukt!

En heel je staart is uitgerukt!”

„Dat deed onze oude grijze kat,

Die haast mij opgevreten had,”

Zoo zuchtte Kris.—„Wel, wel! Wel, wel!”

Is ’t antwoord, „Kris! wat is dat naar!”

„Ja, oom!” hervat hij, „mijn gestel

Is ondermijnd; en ’k voel heel klaar,

Dat ik ’t niet lang meer maken kan.”

„Maar, jongenlief! ik schrik er van;

Kom meê wat, in den zonneschijn;

Daar zou je, dunkt me, beter zijn.”

„Neen, oom! ik ga van hier niet heen;

Want dan is Fieken zoo alleen.

Zij heeft altijd aan mij gedacht,

En me altijd spijs en drank gebracht;

Zij is zoo lief voor me, en zoo zacht.

’k Hou veel van Fieken, innig veel.”

„Ja, Kris! dat ’s goed; maar als ’t je deel

Moest worden, om eens door de kat,”— —

„Die heeft me toch al beet gehad;

En als me die eens weder vat

Ja! opeet,—wat beteekent dat?

Och, ik voor mij, ben ’t leven zat.

Intusschen, neen! dat vrees ik niet;

Ginds is,—ik weet niet, of gij ’t ziet,—

Daar, in dien hoek, een muizengat;

Daar sluip ik in, wanneer ’k iets hoor,

En blijf daarin, zoolang mijn oor

Beweging waarneemt, die verdacht

Mij is.”—„Maar, jongen! ieder uur,

Daar, in dat hol, zoo doorgebracht,

Moet dan wel eind’loos zijn van duur.”

„Neen, tòch niet. Al te nauw is ’t niet;

Integendeel, ’t is ruim en wijd;

En ’k vind daarbinnen, meest altijd,

Iets, wat mij veel genoegen biedt.

Gij weet niet, wat ik daar al vond:

Een jas, mooi bruin; een vest heel bont;

Den jaszak kruip ik dikwijls in,

Als ’t koud is; en die is mij zóó

Een nest, volkomen naar mijn zin.

En in den zak van ’t vestjen,—o!

Daar vond ik eens een prachtig ding:

Een mooien, halven gouden ring,

Waar ’k menigmalen nog meê speel.”

Wanneer ik mij somtijds verveel.”

„Wat,” roept de nachtegaal, „is dit?

Als daar maar niet wat achter zit!

Kris-lief! verkondigd deze zaken

Vooral niet,—hoor je?—van de daken;

Houd dicht je mond! Houd dicht je mond!

Dat is een stuk, dat ik terstond

Aan d’ooievaar bekend moet maken,

En aan den kievit. Maar vertel

Jij ’t niemand, hoor! Nu, Kris, vaarwel!

Groet Fieken van me, en zeg, dat ik

Eens zingen kom, en van Johan

De groetenis haar brengen kan;

Dan is zij zeker in haar schik.”— —

De Junimaand is aangebroken:

En Lotje en Jochem letten goed,

Gelijk ze hadden afgesproken,

Op alles, wat de bakker doet.

„Mij dunkt,” zei Jochem op een keer,

„Ik moet vandaag met haar naar ’t veld;

Ze is daar zoo ver, en onverzeld;

Ze moet gaan hooien.”—„Nooit is ’t meer

Dan heden noodig, dat gij ziet,

Wat daar met onze Fiek geschiedt,”

Zegt Lotje. En Fieken,—’t was nog vroeg,—

Ging uit, naar buiten; en zij droeg

De rijf en ook wat eten meê.

Toen ze in de stad nog was, toen deê

Vrind Jochem, die haar trouw bleef volgen,

Al hupp’lend over goot en dak,

Niet anders, dan zeer fel verbolgen,

Zich uiten: „Zie! zoo’n schobbejak!

Zoo’n deeg-aap, die wel zou gelooven,

Dat niemand hem een kool kan stoven!”

En als daarna Fiek door het veld

Haar weg neemt, langs het groene koren,

Doet Jochem zich daar weder hooren,

En knort en gromt nog steeds en scheldt,

Op alle menschen, Jood en Christen,

En vraagt, verstoord, of zij niet wisten,

Dat, wie ooit Fiek mocht willen deren,

Het heel onzacht gauw af zou leeren:

Hun Fieken is ’t; dus niemand doe

Haar kwaad; zij laten dat niet toe.

Gekomen op ’t bestemde land,

Neemt Fiek met vlijt haar werk ter hand.

De lange en dichte zwaden wendt

Zij om, van ’t een’ naar ’t andere end;

En waar geen dauw het land meer net,

Strooit zij de hoopjes uit elkaâr.

Terwijl zich Jochem nederzet

Hoog in een wilgeboom, van waar

Hij heel den weg kan overzien.

Intusschen zoekt hij, of die plek

Geen wormpje of rups hem heeft te biên,

En hapt in ’t rond met gragen bek,

Nu naar een vlieg, dan naar een mug.

Maar dikwijls zijn ze hem te vlug;

En,—moog’ hij nu en dan iets vangen,

Toch heeft hij niet veel smaak er van:

Zijn hart blijft over Fieken hangen

En voelt zich kwetsen, voelt zich prangen,

Wanneer hij denkt aan ’s bakkers plan,

Dat hij vermoedt.—Daar komt hij, daar!

En nauw wordt Jochem hem gewaar,

Of ’t gaat, van toorn, zóó in hem branden,

Dat hij in staat zou zijn geweest

Een moord te plegen, onbevreesd,

Ja! zelfs den duivel aan te randen.

En nu juist snort, met dof gebrom,

Een bij rondom hem, om en om.

Hap! zegt hij, en hij pakt het dier:

„Wat heb jij zoo te brommen hier?”

Het arme beest maakt veel misbaar,

En bidt en smeekt: „Och, laat mij maar,

Laat mij, grootmoedig, maar in ’t leven,

En wil mijn euveldaad vergeven!

Och, lieve Jochem! laat mij gaan!

’k Heb u toch nimmer kwaad gedaan.”

„Kanalje! zwijg me daarvan stil!

Brom jij niet, rekel! op den duur,

Als ik in ’t rustig middaguur

Somtijds een beetje slapen wil?”

„Och, lieve Jochem! Och ontferm

U over mij, en uit mijn zwerm

Zal zeker niemand u meer storen.”

„Welnu, ik wil uw beê verhooren,”

Zegt Jochem, „mits gij heden doet,

Wat ik u zeg.” En Jochem fluistert;

De bij, vol dankb’re vreugde, luistert,

En antwoordt eindelijk: „’t Is goed!”

De bakker nadert. Fieken ziet

Hem komen; maar zij slaat ook heden,

Als immer, de oogen naar beneden:

Hem in ’t gezicht zien, durft zij niet.

Maar hij is minzaam, en hij prijst

Haar vlijt en arbeid, en hij zegt,

Dat zij hem grooten dienst bewijst;

Door haar komt eerst zijn hooi terecht;

Zij is zoo’n fiksche, lieve meid,

En hij heeft, uit erkent’lijkheid,—

Wanneer ze een korten tijd nog wacht,—

Een hooger loon haar toegedacht,

Vervolgens wordt hij vroolijk, aardig,

Maar, zóó gemeen en zóó onwaardig,

Dat Jochem gruwt en walgt er van,

En langer ook niet zwijgen kan.

„Jou smeerpoes!” roept hij, „laat dat staan,

En tast het schuld’loos kind niet aan!”

En zij,—wat zij daarbij gevoelt?

’t Is, of een koorts haar pols doorwoelt;

De schaamte schiet een blos haar aan;

Zij weet niet, waar zij ’t oog zal slaan;

Ontsteld, verlegen, staat ze daar,— —

Och! was nu Hanne Nüte er maar!— —

De lage kerel wordt hoe langer

Zoo driester; zij wordt immer banger;

Zij voelt, hoewel ze van den praat,

Door hem geuit, geen woord verstaat,

Dat onder schertsen, als hij doet,

Een groote zonde schuilen moet,

Gelijk een adder, fel van beet,

Zich schuilhoudt onder ’t bloemtapeet,

Zij wil ontvluchten, maar terstond

Grijpt hij haar aan, en houdt haar vast,

En wil haar kussen op den mond.

En Jochem roept: „Gemeene hond!

Kom, bij! ’t Is tijd; nu opgepast!

En nu mijn last voltrokken,—kom!

Daar komt de bij,—Zom, zom, zom, zom;—

De bakker heeft schier eer hij ’t weet,

In zijnen neus den steek al beet,

Springt achteruit, en hem vergaat

De lust tot kussen.—„Kameraad!”

Roept Jochem van zijn wilgetak,

„Hoe smaakt je dat pikant gebak?”

18.

De herfst,—de trektijd,—is weêr daar.

De nachtegaal heeft d’ooievaar

De vreemde ontdekking reeds gemeld,

Die Krisje deed; maar of hij al

Bij iedereen voor wijsgeer geldt,

In dit zoo zonderling geval,

Komt, hoe hij peinst, voor zijn gezicht

Geen licht, geen enkel straaltje licht.

Ten laatste dunkt het beiden goed,

De zaak den kievit voor te leggen:

Misschien kan die er meer van zeggen.

En weldra vliegen zij met spoed

Naar d’omtrek van Gallin, alwaar

De kievit, als verleden jaar,

Nog woont bij ’t bosch. En de ooievaar

Neemt, bij hunne aankomst, ’t eerst het woord:

„Dag, vrind!—Wij zijn met iets verlegen;

Gij woont zoo lang reeds in dit oord,

En zijt, zoo dachten wij, genegen

Niet enkel, maar ook wel in staat,

Ons voort te helpen.” En nu gaat

Hij verder heel de zaak vertellen.

De kievit voelt een killen schrik

Daarbij langs al zijn leden snellen.

Springt op, en roept vol vuur: „Ja, ik,

Ik weet daar, waarlijk, alles van:

Ik zag het, dat zij daar den man

Vermoordden: ’k zag ook voor mijne oogen

Zijn jas en vest hem uitgetogen;

Vervolgens zag ik óók nog, dat

Zij ’t lijk met aarde en ruigte en blad

Bedekten, bij die wilgen, dáár:

Bruin was de jas; het vest was bont;

De bakker bond ze bij elkaâr!

Dat is wel ’t goed, dat Krisje vond!”

„Ja!” roept de nachtegaal, „bepaald!

Na ’t geen gij daar ons hebt verhaald,

Is zonder twijfel dit dat goed;—

En, dat juist Kris dat vinden moet!”

„Stil!” zegt nu de ooievaar, „weest stil!”

En zet zich peinzend op één been;—

Als hij door neev’len staren wil,

Dan kijkt hij zóó er ’t best door heen;—

„Laat mij een wijle hier alleen!”

Ten laatste is hij gereed, en vat

Een, naar ’t hem voorkomt, wijs besluit.

Hij slaat nu fluks zijn wieken uit

En vliegt naar ’t water heen. Daar zat

De kikker weêr op ’t plompen-blad.

En langbeen sprak: „Zoo! goeden morgen!

Mijn vriend! och, kom wat naderbij.”

„Ik dank je; ’k hoop er voor te zorgen,

Dit niet te doen,” zegt de and’re; „gij

Kunt nooit me iets zeggen of iets vragen,

Dat eenigszins mij kan behagen.”

„Wat? ’k Ben zeer gunstig u gezind.”

„Nu,” zegt de kikker, „wie een vrind

Ooit in verzoeking brengt, doet kwaad;

’k Zal hier wel naar u luist’ren; laat

Mij hooren, wat gij hebt.”—„Voorwaar!

Hij is niet dom,” denkt de ooievaar.

„Maar goed; hij is een volgend jaar

Al weêr veel vetter nog dan nu.”

„Hoor!” zoo vervolgt hij dan, „’k wil u

Gaarn’ laten zitten, waar gij zit;

Wat ik verlang, is enkel dit:

Kunt gij me ook zeggen, waar de muis

Zich heeft gevestigd metterwoon?”

„Ja wel; die houdt daarginder huis.

Daar op de hoogte, in ’t klavergras.”

„Welnu, dan is het goed, mijn zoon!

Alleen de mededeeling was

Dat, wat ik wenschte. Nu, ik zeg

U thans vaarwel; ik ga weêr weg.

Houd u maar goed, en leef gezond,

En word intusschen vet en rond;

Ik krijg u dan toch in mijn mond,

En dan zal ’t lekker zijn.”—„Jou, hond!”

Zegt nu de kikker, boos; en ras

Plomt hij naar onder in den plas.

En de ooievaar ging nu terstond

Den berg op, om de muis te zoeken,

En keek in reten en in hoeken,

Totdat hij werkelijk hem [6] vond.

Hij grijpt hem, en spreekt zóó hem aan:

„Ha, ha, kanalje! dat ’s jou werk,

Niet waar? om zoo op roof te gaan;

Jij eet je dik en vet en sterk

Aan ’t geen volstrekt niet jou behoort;

Noem jij dat zeed’lijk?—Spreek geen woord,

Of aanstonds daal je, tot je straf,

Zieltogend in mijn slokdarm af.”

De muis smeekt jamm’rend om genade,

En spreekt: „Ja, heer! ’k heb kwaad gedaan;

Maar, och! mijn kind’ren en mijn gade,

Die zetten daag’lijks weêr mij aan;

En ’k denk dan al;—ik, arme ziel,—

Wat juist zoo voor mijn huisdeur viel,

Dat zal ’k maar pakken. O, ’t is zeker,

Ik doe niet goed; ’k ben wetverbreker;

Maar gij zijt heer, en ik ben knecht,—

Och, oefen toch genadig recht!”

„Nu, ditmaal zal ik ’t nog vergeven;

Maar, voor die redding van uw leven,

Zult gij ook doen, wat ik u zeg:

Gij trekt uit dezen omtrek weg,

En gaat met dochters, vrouw en zonen,

Je weet wel, bij dien bakker wonen,

Waar Fiek, de kleine Poedel, dient.

Daar woont ook Kris, haar jonge vriend;

En wat die Kris je zeggen zal,

Dat doe je, altijd en overal.

Daar is een gat, en in dat gat,

Daar ligt een jas en nòg al wat,

Daar ga je wonen; en hoe dàn

Te doen, daar hoor je later van.

Maar Krisje mag daar ook verblijven,

Je zult hem nooit daaruit verdrijven;

Je zult ook Fiek nooit schrik verwekken,

Niet kruipen in haar bed, of ’k zal,

Dat zeg ik je ernstig, eens voor al

Je ’t vel dan over de ooren trekken.

Dus, oude schelm! Houd woord! Sta pal!”

En de ooivaar vliegt nu omhoog;

De muis ziet met deemoedig oog

Hem na, en vouwt de handen saâm,

En zucht: „Welnu in ’s hemels naam!

In naam ook van den ooievaar!

Ik zal dan maar gaan wonen daar.

’t Beviel mij anders hier ook best;

’k Had hier een kostlijk winternest;

En ’t is al weêr een heele last,

Met vrouw en kindren op te breken;

Maar, wil dat eens zoo’n hoogen gast

Dan moet men maar niet tegenspreken;

En, bovendien, een bakkershuis

Is nog zoo slecht niet voor een muis.”

Hij piept zijn volkje ras bijéén;

En dra trekt de familie heen.

En, zie! op ’t pad, waarlangs zij gaan,

Zien zij toevallig Fieken staan.

Alleen en treurig stond die daar,

Al turend naar den ooivaar,

Die juist daar over kwam gevlogen;

En tranen stonden in haar oogen;

Want Fieken had,—juist ook vandaag,—

Gallin bezocht; zij wou zoo graag

Haar ouders een en ander zeggen.

En met hen saâm eens overleggen.

’t Was Zondag, maar haar vader zat

Niet t’ huis; die was juist uitgegaan,

Voor wien hij veldwerk had gedaan.

Maar moeder stond het zeer goed aan,

Dat Fieken kwam: dat gaf haar stof,

Om recht naar hartelust te praten,

Van koe en zwijn, van huis en hof;

Niets, niets werd onvermeld gelaten.

Maar ’t meiske kon niet langer meer

Nu zwijgen, en zij ging het wagen

Aan moeder haren nood te klagen.—

Maar, ach! daar trof ze geen mooi weêr.

Want moeder zei: ze had geen plan,

Haar zondagmiddag te besteden

Aan ’t luist’ren naar die malligheden,

Die kinderachtigheid; en dan:

Zoo iets kwam overal wel voor;

Fiek maakte er te veel leven van;

En zij behoefde ook geen gehoor

Te leenen aan ’t geen leelijk was;

En, ’t kussen kwam wel niet te pas;

Maar had zij dan nog niet haar handen,

Wanneer haar iemand aan wou randen?

„Och, kind! een mensch komt nooit terecht

Wanneer hij zich niet weet te voegen,

En aanstonds klaagt van naar en slecht.

Al geeft die dienst je geen genoegen.

Je moet er blijven; laat je raân!

Hoe zou ’t ook voor de wereld staan,

Indien ’t bericht hier rond moest gaan:

Fiek is al uit haar dienst vandaan?

Wie nam je ook dan terstond weer aan?

Neen! gist’ren sprak me nog vrouw Snoet

Van haar Johan; die maakt het goed:

Die maakt het zóó, dat, waar gebeurt,

Dat hij vertrekt, men hem betreurt,

En nooit vertrekt hij, of ’t moet zijn,

Dat elders meer weêr valt te leeren;—

Hij is op heden aan den Rijn;—

Zie! zulk een wandel moet men eeren;

En zoo moet gij ook doen, altijd.

Maar, staak nu dat benauwd gekrijt,

Want blijven moet gij, waar ge zijt.”

Dat was de troost, dien moeder gaf.

En Fieken trok verdrietig af;

En toen ze, op weg, genaderd was

Aan ’t plekje, waar eens in het gras

Johan lag,—zag op eens haar oog

Den ooievaar, die hoog, heel hoog,

Zich, lustig zwevend, voortbewoog,

En aan den lichten slag der schachten

Van dien zoo vrijen ooievaar

Verbond het arme kind gedachten,

Die pijnlijk waren, droef en zwaar:

Gij kunt uw vleug’len strekken,

Vrij, over zee en land;

O! kon ik met u trekken,

Ver, ver van smaad en schand’!

Omlaag hier, drukken grieven

Op ’t arme hart, zoo zwaar;

Kon ik de lucht doorklieven,

Als gij, lieve ooievaar!

Wie liefde in zijn gedachten

En hart draagt, diep en stil,

Moet maar geduldig wachten,

Of ’t beter worden wil.

O! groet toch duizendmalen

Mijn Hannes, aan den Rijn!

Want, naar ik hoor verhalen,

Daar ergens moet hij zijn.

O! kon ik u verzellen!

Als gij, gevleugeld zijn!

En immer verder snellen

Tot aan den groenen Rijn!

19.

Bij Keulen ligt, aan d’oeverrand

Des Rijns, een steenblok in het zand;

En daarop zit, in diepen rouw,

Van dag tot dag een Joodsche vrouw.

Vol rimpels in haar oud gezicht;

Het matte hoofd naar de aard gericht,

En aan haar holle en donkere oogen,

Beschaûwd door witte wenkbrauwbogen,

Ontschiet een somber flikk’rend licht.

Steeds tuurt zij naar het oosten heen,

Met diep gezucht en stil geween;

Zij weent haar handen nat, die krom

En lam zijn, door den ouderdom.

Dáár toog hij heen, haar eenig kind,

Haar zoon, door haar zoozeer bemind,

Haar Izaäk, zoo sterk en schoon,

Haar levensvreugd, haar moederkroon!

Hier, bij dien steen, op deze plek,

Hier was de plaats van zijn vertrek;

Hier had zij hem voor ’t laatst gekust,

Hier ’t laatst vaarwel hem toegesproken;

Hier had zij ook den ring gebroken,

Waarvan de helft nog, met een band

Omstrikt, op haren boezem rust,

En de and’re helft— —in moord’naars hand!

Hier zit ze nu al jaar en dag,

En klaagt haar eind’loos wee en ach;

Bij winterkoû en zomergloed

Blijft steeds één wond in haar gemoed.

En, gaat zij huiswaarts, vol verdriet

Lispt dan haar stem: „Hij kwam nog niet;”

En, legt zij op haar bed zich neder,

Dan zegt ze: „Morgen ga ik weder.”

Geen mensch is bij haar. De oude weêuw

Heeft slechts één huisgenoot: een spreeuw,

Die langs haar heen en weder sluipt

En onder kast en kisten kruipt.

Dat dier had,—’t was al lang geleden,—

Zich laten vangen, en men had

Hem toen den tongriem losgesneden.

Wat hij nu dikwijls hoorde, dat

Herhaalde hij. Zoo riep hij ’t woord

Zeer dikwijls uit: „De moord! de moord!

En klaagde ook somtijds, dof en zwak:

„Mijn Izaäk! Mijn Izaäk!”

En riep dan weer, met luid misbaar:

„Vloek! Driemaal vloek den moordenaar!”

Dat beest is alles, wat zij heeft,

En wat die vogel hooren laat,

Is echo, die steeds wedergeeft

Wat haar door ’t hoofd en ’t harte gaat.—

En, naast haar stille en somb’re kamer

Hanteert Johan den grooten hamer,

Met ruime borst en forschen arm,

En werkt zich lustig moe en warm.

Het zwaarste werk is steeds voor hem;

En komt er iets, wat niemand kan,

Dan hoort men dra des meesters stem:

„Gaat weg maar, jelui!” Roept Johan!

Doch in de werkplaats niet alleen

Was hij geacht; maar evenzeer

Ook in de herberg; steeds, wanneer

Daar Hanne was, was iedereen

Recht goed geluimd; men hield er vreê;

Hij deelde aan allen vreugde meê.

Alleen als de oude smidsgezel,

Die booswicht, zich daarbij bevond,

Dan voelde zich zijn hart niet wèl,

Dan wou geen liedjen uit zijn mond.

Hanne Nüte en de kleine Poedel · 第 6 / 11 段