Een snijder wou een huw’lijk doen;

Maar goed.—Hij zocht, zoo slim, als koen,

Een gravenkind te trouwen.

Hij koos zich eerst een schoon blazoen:

’t Gaf „Schaar en Naald” te aanschouwen.

En in den rand werd mê en blê,

En nog eens blê en weder mê,

En al zoo voort, gelezen;

Dat zou zijn schildspreuk wezen.

En toen hij nu met „Naald en Schaar,”

Zijn schatje voerde naar ’t altaar,

Toen liet al ’t volk zich hooren:

„Die bruigom,—dat is zonneklaar,—

Moet snijder zijn geboren.”

En de een riep lachend mê en blê,

En de ander spottend blê en mê.

En luider steeds en wijder

Weêrklonk ’t: „Die graaf is snijder!”

En toen hij kwam aan ’s keizers hof,

En daar zijn wapen de aandacht trof,

Toen schertsten de edelknapen:

„Die man heeft recht op eer en lof,

Om ’t scherpe van zijn wapen!”

En aanstonds klonk het dáár ook: mê

En blê, en weder mê en blê.

’t Scheen, dat geen mensch kon laten

Het plagen en het blaten.

De keizer zelf lacht om den man,

En houdt den buik zich vast er van,

En proest naar alle zijden;

En roept: „Brengt hier een el, dan kan

Die ridder daarop rijden.”

En weder ging het mê en blê,

Den ganschen kring door: blê en mê.

En ook de bruid,—die wreede!—

Deed nu met de and’ren mede.

Toen ging de nieuwe ridder heen

Van ’t hof, waar hij nooit weer verscheen,

En liet zijn bruid maar zitten;

Maar hoorde steeds bij iedereen

Nog ’t plagen en het vitten.

Doch als een deern soms blê of mê

Hem nariep, en dan mê of blê,

Dan sprak hij: „Dat mijn wrake,

Vermetele! u niet rake!”

Dus, brave snijders! leert hieruit:

Zoekt nooit een gravenkind tot bruid,

En wilt aan ’t hof niet komen;

Want anders wordt door u ’t gefluit

Van meid en knecht vernomen.

Maar, elleridders! als een maagd

Ooit mê of blê te roepen waagt,

Dan moet ge uw gramschap blusschen,

Door dapper haar te kussen.”

„Gij beiden zingt,” spreekt nu Johan,

„Slechts boekentaal; maar ik, ik kan

Je een lied doen hooren, dat met kracht

Je tot het hart spreekt;—geeft goed acht,

En let goed op, wanneer ’t uw tijd

Om met mij in te vallen, is;

Dan klinkt de zang heel schoon, gewis.

Als gij platduitsch van oorsprong zijt,

Verzaakt dan, vrinden! ook in ’t lied

Uwe afkomst en uw maagschap niet.

Ik weet eenen eik, en die staat bij de zee;

Met loover gekroond is zijn hout;

En, spelen de stormen van ’t Noorden er meê,

Hij is toch al duizend jaar oud.

Geen menschenhand

Heeft hem geplant;

Hij spreidt zijne takken wijd uit over ’t land.

Hier heeft hij een knoest en daar heeft hij een kwast;

Geen bijl en geen zaag, die hem schond.

Zijn schors is zoo ruw en zijn hout is zoo vast,

Alsof hij betooverd daar stond.

En welgedaan

Zal hij nog staan.

Als weêr duizend jaren in ’t Niet zijn vergaan.

Eens zag hem de koning, die daar, met zijn vrouw

En dochter, kwam wand’len aan ’t strand;

En riep: „Wat een prachtvolle boom, dien ’k aanschouw!

Hoe ver dekt zijn lommer het land!

Van waar toch kwam

Hier deze stam,

Zoo grootsch en zoo schoon, door de vlucht, die hij nam?”

Toen antwoordde een jonkman hem: „Machtige heer!

Hoe vorscht ge dit alles zoo na?

Gij hebt u daar nooit om bekommerd weleer,

Uw kind niet en ook niet uw gâ.

Door rijke liên

Werd niet gezien,

Dat hier ook een boom stond, en wat die kon biên.

En toch, hij staat groen nu en welig en frisch,

Ofschoon hij maar boeren behoort;

En trotsch zijn we, dat hij ons eigendom is,

Het is: onze taal en ons oord.

Zij wiesen vrij

En bloeien blij;

Maar kunstwerk of vorstengunst kwam er nooit bij.”

Toen reikte de dochter des konings haar hand

Den jonkman, zoo rond en zoo fier,

En sprak: „Steekt de stormwind ooit op in ons land,

Dan zoek ik mijn toevluchtsoord hier:

Wie eigen goed

Zoo kreeg en hoedt,—

Bij dien is men veilig, als ’t noodgetij woedt.”

En toen zijn zingen was aan ’t end,

Toen was ’t, als werd daar iets bewogen;

En toen hij zich had omgewend,

Stond hem de smidsgezel voor de oogen.

Een duivelsche en verglaasde gloed,

Straalde uit zijn blik; en in zijn trekken

Was aak’lig duidelijk te ontdekken

De zondigheid van zijn gemoed;

En haat en valschheid zag men zweven

Om zijne lippen, blauw als lood;

En als een lach daarover schoot,

Dan was ’t een lach, om bij te beven.

Vervallen was hij en vergrijsd,

Een leelijk beeld in vuile lijst.

„Zoo!” riep hij, met een woesten vloek,

Hier is te vinden, wat ik zoek:

Gij zingt hier zoo uit volle borst;

Dan zal ook wel de brandewijn

Niet ver van hier verwijderd zijn;

Geef mij een slok; ’k heb altijd dorst.”

De drie gezellen sprongen op;

De vreugd was weg, ’t genot vergald,

Gelijk, als op een rozeknop

Op eens een gifspin nedervalt.

„Wat is ’t, dat ge u met ons bemoeit?”

Zoo spreekt Johan, in toorn ontgloeid,—

„Ga gij uw weg; laat ons met vrede.”

En beî zijn makkers spraken, mede:

„Laat ons met rust en ga voorbij.”

En met dat woord vertrokken zij.

Maar de and’re riep: „Ik ben toch vrij;

En ’k laat mij hier geen wetten stellen.

Maar, wacht maar, vroolijke gezellen!

Wij spreken nader,—gij en ik!”

Hij ziet hen na met valschen blik,

Gelijk de Nijd, een hel in ’t oog,

’t Geluk gewoon is na te staren.

En, schoon ’t Geluk ook nòg zoo hoog

Van uit het stof is opgevaren,

De Nijd, al is zijn gang niet snel,

Al is hij lam, bereikt het wel,

En zonder deernis of erbarmen

Verworgt hij ’t in zijn knokk’lige armen.

16.

Terug komt weêr de voorjaarstijd.

De leeuw’rik fladdert weêr verblijd,

Zijn lenteliedje zingend, op

’t Geboomte staat weêr vol met knop,

En werpt het laatste gele blad,

Als dekbed over gras en kruid.

De plantjes kijken schuchter uit,

En spreken stil van dit en dat,

Van zomerpret en winterpijn,

En liggen in den zonneschijn

Gezellig in elkanders arm,

En fluist’ren zacht: „Hoe lekker warm!”

En uit het hooge luchtgebied

Trompet de kraan zijn zegelied:

„De lucht is vrij! De lucht is vrij!

Met sneeuw en hagel is ’t voorbij!”

Zijn zwager, de ooievaar, verblijd

Dat nu de schoone kikkertijd

Eerstdaags weer zal gekomen zijn,

Richt zijn van vreugde stralend oog,

Van ’t dak af, naar den groenen Rijn,

En trekt daarbij één poot omhoog.

Maar nu de kraan zich hooren doet,

Nu roept hij klepp’rend: „Wees gegroet,

Mijn waarde zwager! Zie! wij kwamen

Hier schier gelijk; zoo goed als samen.

Maar ik blijf hier een poosje stil,

Omdat ik eens beproeven wil,

Of ’k soms,—ge weet wel,—van Johan

Niet iets te weten komen kan.”

En, als hij dat zoo heeft gezegd,

Vliegt hij heel statig naar beneden,

En daar ontmoet hij nu den specht.

Het wederzien verheugt hen zeer,

En groetenis en vriend’lijkheden

Gaan eerst een wijle heen en weer;—

Daarop spreekt de ooievaar: „Gij zijt

Den ganschen langen wintertijd,

Naar uw gewoonte, hier gebleven;

Gij kunt mij vast wel tijding geven.”

„Van Hanne Nüte?” vraagt de specht;

„O ja: en nog al niet zoo slecht:

Gij ziet die smederij daar wel?

Daar vond hij werk. Zijn medgezel,

De snijder, is hier ook gebleven;

De mets’laar zwierf een tijd lang rond,

Maar onlangs wou het toeval geven,

Dat die óók hier weer arbeid vond.”

„Och!” antwoordt de ooievaar, verstoord:

„Wat gaan ons die twee vreemden aan?

Ik vraag, hoe ’t Hanne al is gegaan,

En of hem Fieken nog bekoort;

En of, sinds ’k weg moest, over zee,

Dus alles goed bleef met die twee.”

„Dat weet ik alles niet zoo recht,”

Is ’t antwoord: „dit slechts weet ik wis,

Dat hij in dienst gekomen is

Bij ’t weêuwtje ginder: en men zegt,

Zij ziet er niet onaardig uit.”

„Een mooie tijding! Wel, verbruid!”

Roept de ooievaar; „nu weet ik niet,

Waarom men jou het toezicht liet

Op Hanne en op zijn minnetrouw;

Je laat hem zitten bij een vrouw,

Een jonge vrouw! Je lijkt wel gek!”

„Ja,” zei toen wrevelig de specht,

„Dat is gemakk’lijk zoo gezegd;

Maar weet, dat ik, sinds jou vertrek,

Veelal ter prooi was aan ’t gebrek;

Ik zocht en tuurde en pikte in ’t rond,

Heel dankbaar, als ’k één kever vond.

Dus, waarlijk! ’k had genoeg te doen

Voor eigen zaken. Maar het hoen

Der weduw heeft mij stil verteld,

Dat zij schier al zijn schreên verzelt;

Zij zit hem immer op de hakken.

Vandaag weêr wil zij koeken bakken,

En brengen die hem in het veld,

Waar hij thans werkt. Niets is te zwaar,

Niets is te veel, te duur voor haar,

Wanneer het hèm maar kan behagen:

Zóó,—hoopt zij,—zal zij eind’lijk slagen.”

En, de ooievaar, weer op één been,

Kijkt langs zijn spitsen snavel heen;—

Zóó krijgt hij, schijnt het, ’t beste licht

Als iets belangrijks dient verricht.

Ook thans is ’t plan zeer gauw gereed.

Hij vraagt den specht, of die ook weet

Het veld, waar Hanne werkt; de specht

Helpt aanstonds hem hierin terecht,

En de ooievaar vliegt voort met spoed,

En vraagt, als hij den spreeuw ontmoet:

„Zeg, vrindje! hebt gij ook misschien

Hier ergens de patrijs gezien?”

„Ja wel.”—„Och, laat haar hier eens komen.”

En nauw heeft de patrijs vernomen,

Dat de ooievaar haar diensten vraagt,

Of ze is er al. En fluistrend draagt

Hij zijn geheimen last haar op;

En zij knikt telkens met den kop,

En wil, natuurlijk, daarmeê zeggen,

„Ik zal uw plan ten uitvoer leggen.”

Hij vliegt weêr naar de dakspits heen,

En staat daar weêr op ’t ééne been.—

’t Is negen uren. Daar ontsluit

Zich ’t huis van ’t weêuwtje. Vlug en slank

En frisch en blozend komt ze er uit;

En, in een doek, als sneeuw, zoo blank,

Draagt zij het goedgevulde bord

Met koeken meê. „Dit zal hem smaken,”

Zoo denkt zij, „en ik zal wel maken,

Dat nu met ons er iets van wordt,—

Maar ’t spreekt van zelf, in deugd en eer;—

Hij is toch, denk ik steeds maar weer,

Hij is toch ook van vleesch en been,

En heeft geen hart van staal of steen.”

Zoo trippelt zij dan voort op straat,

En waar een goot dwars voor haar ligt,

Of waar een modd’rig plasje staat,

Daar tilt bevallig hare hand

Den rok wat op:—een vuile rand

Is onbehaag’lijk voor ’t gezicht.

Maar ook op plekjes, waar het droog

En rein is, waar zij zelv’ niets ziet,

Blijft vaak het rokje toch omhoog;

En ’t nette been valt in het oog;—

Maar dáárom deê ze ’t zeker niet.

Daar klinkt het boven van een dak:

Klak, klak, klak, klak, klak, klak, klak, klak!

Zij kijkt omhoog. „Ha! de ooievaar!

’t Is de eerste, dien ik zie van ’t jaar.

Een gunstig teeken wel misschien;

Ofschoon, het zou nog beter wezen,

Wanneer ’k hem vliegend had gezien;

Want, zoo als ’t nu ging, is te vreezen,—

Althans, zoo zeggen hier de liên,—

Dat heel veel potten zullen breken.

Nu, ik voor mij, ’k lach om dat teeken;

En ik blijf even wèlgemoed.

Wees welkom, langbeen! Wees gegroet!

Wel, vrind! het doet me waarlijk goed,

Dat ik juist nu voor ’t eerst van ’t jaar

Je zie;—kom, goedige ooievaar!

Kom, bouw je nest bij mij op ’t dak.”

Terwijl zij zoo in stilte sprak,

Ging zij nog voort, en verder; maar

Ze dacht er bij: „Kijk! ’t is toch raar;

’t Is raar, en waar toch, dat zoo’n teeken

Je moed en blijdschap in kan spreken.”

Doch, zie! daar staat ze voor een sloot

Wat nu? Naar gindsche brug te gaan,—

Dien afstand vindt zij wel wat groot;

Zij zal maar springen;—ja, komaan!

Dat heeft ze wel eens meer gedaan.

Zij neemt, zoo wat tot aan de knie,

Haar rokken op, en—een, twee, drie— — — —

Brrr! klinkt het plots’ling, en meteen

Vliegt fladd’rend, snorrend langs haar heen

De listige patrijs; haar sprong

Was nu gebroken; en zij lag,

Terwijl een schrik haar hart doordrong,

Op eens in ’t groen en drabbig water,

En met een kletterend geklater

Brak ’t bord in stukken; en zij zag

Haar kleed tot boven toe bemorst,

Zij zag haar koeken als omkorst

Van modder; alles was bedropen,

Of overdekt van ’t zwarte nat;

Zij voelde ’t in haar kousen loopen;

En zij vergat zelfs, ja! vergat

Haar liefde, toen ze in ’t water zat.

Ten laatste was ze er uit gekropen,

En bibb’rend, snuivend stond ze daar,

En zocht nog scherven bij elkaâr,

Alsof ze toch vooral moest weten,

Hoe die eens hadden saâmgezeten,

En zag bedroefd de koeken aan;

En was haar liefde nòg vergeten;

Zóó had haar ’t onheil aangedaan.

Zij gaat naar huis, maar tilt haar kleed

Nu niet meer op, wáár ze in moog’ treden;

Zij laat het liever hangen heden;

Want nu is ’t haar tot schaamte en leed,

Wanneer een mensch haar beenen ziet.

En waar ze weer den ooievaar

Op ’t dak ziet zitten, daar ontschiet

Haar ’t woord: „Verwenschte lepelaar!”

Maar de ooievaar, met spot in ’t oog,

Trekt wederom één been omhoog,—

Zoo doet hij óók, wanneer hij stil

Om iemands dwaasheid lachen wil,—

En roept nu klepp’rend: „Lieve mensch!

Dat ging vandaag niet erg naar wensch;

Dus, laat het daar vooreerst maar bij!

Wat misselijke vrijpartij!”

Nu vliegt hij naar het veld, alwaar

Nog Hanne spit, en denkt: „’k Wil daar

Toch eens gaan zien, of hij nog frisch

En wèl van lijf en zinnen is.”

En Hanne, die hem vliegen ziet,

Slaat vol opmerkzaamheid hem gâ,

De handen kruis’lings op zijn spâ,

En zingt dan ’t oude kinderlied:

„Ooievaartje! langebeen!

Wanneer trek je weder heen?”

En de ooievaar spreekt weltevreden:

„Dat ’s goed: hij denkt nog aan ’t verleden

Der kindsheid, dat is altijd goed;

Hij ziet er uit als melk en bloed,

En vrij en wakker kijkt zijn oog.

Heel goed, Johan! ’t geluk klimt hoog

Voor wie, bij ’t reizen over de aard,

De reinheid van ’t gemoed bewaart.”—

En verder vliegt hij, verder voort,

En zeilt zoo over menig oord,

En waar hij zich te zien geeft, daar

Weêrklinkt het blijde: „De ooievaar!”

En als ook boven ’t dorp Gallin

De kinderen van Smidt hem zien,

Dan halen zij met schel geluid

’t Bekende lied der kind’ren uit:

„Ooievaar! verhoor mijn bede:

Breng me een aardig broêrtje mede!

Ooievaar! doe mijn verlangen

Laat me een aardig zusje ontvangen!”

Zoo bidden die om nieuwen zegen:

En toch, daar zijn er nu al negen!

Het weêuwtje intusschen, toen de dag

Van ’t onheil was voorbijgegaan,

Dacht: „’k Wend nog eens een poging aan;

Geen boom valt met den eersten slag.”

Zij haalt een worst af, heerlijk vet,

En biedt er Hanne van, en zet

Dan naast zijn bord een goed glas wijn,

En zegt: „Dat zal wel bruikbaar zijn;

Kom, Mekklenburger! drink en eet.”

En Hanne?—Nu, dien smaakt het best.

Maar, als een knaap, die niets nog weet,

Zoo zoekt hij, argeloos, daarin

Geen heim’lijk doel, geen diepen zin;

Hij slikt, en denkt niet om de rest.

En, gaat het vrouwtje naar heur kamer,

En spreekt ze vriend’lijk: „Goeden nacht!

En als je droomt, droom zoet en zacht,”—

Dan zegt hij, geeuwend: „Ja, die hamer,

Die maakt een mensch wel moê en mat.”—

Hoe dom, dat hij er niets van vat!—

Vier weken later,—Zondag was ’t—

Kwam weêr iets lekkers uit de kast:

Zij kookte een ketel chocolaad.

Wat nu daarbij?—In pannekoeken,

Zoo dacht zij, was geen heil te zoeken;

Die waren eens een bron van kwaad,

Van ramp geweest en van bedroeven:

Zij wou ’t met wafels nu beproeven.—

Hebt gij daar ooit wel op gelet,

Hoe ferm zoo’n jonge vrouw en net

Dan de ei’ren klutst, het meel beslaat,

Hoe flink het wafelijzer gaat;

Hoe gauw de ronde en lichte voet

Van de een’ naar de and’re zij zich spoedt:

Hierheen! het vuur wordt weêr gevoêrd;

Daarheen! de melk wordt omgeroerd;

’t Gaat alles even rein en knap,

’t Gaat alles even vlug en rap.

Zoo was ’t ook hier. Men zou zoo zeggen,

Een knoop kon ze in haar leden leggen;

Zoo vlug ging alles en zoo licht,

Zoo ras werd been en arm bewogen;

En kolen gloeiden in hare oogen

En op haar blozend aangezicht.

En ’t hartje, dat verborgen zit

Diep onder ’t rein en helder wit

Van haren doek, gloeit ook zoo zeer,

En gaat zoo rust’loos op en neer,

En tikt zoo driftig, op den duur,

Als de oude klok, die ongeveer

Vijf, zes kwartier geeft in een uur.

Maar, was zij daar zoo in de weer

Slechts om ’t gebak en om de melk?

Neen, waarlijk niet!—Dat voelt toch elk.

Dat kon geen vlam in ’t hart haar brengen,

Die haast haar kleêren had doen zengen.

Haar zichtbaar en onzichtbaar werken,

Haar ijv’ren met gejaagden spoed,

Haar bezig zijn met hand en voet,

Haar harteklop, haar oogengloed,

’t Was alles om Johannes Snoet;—

Och! mocht de droomer dat toch merken!

Dien zelfden avond zat Johan

Met haar in ’t tuinhuis aan de tafel.

En nu eens reikt zij hem een wafel,

En dan weer schenkt zij uit de kan

De lekk’re chocolaad hem in.

„Kom, Mekklenburger! heb je zin,

Doe dan je nu eens recht te goed.”

„’t Smaakt heerlijk, heerlijk!” antwoordt Snoet

En drinkt de melk, heel zoet en heet,

En zegt, terwijl hij wafels eet:

„Die kwamen nooit nog in mijn mond;

Van moeder had ’k ze wel gekregen,

Maar vader was er vrees’lijk tegen;

Daar hij gebak maar weelde vond.”

„Dan was je vader toch wel hard.”

„O, zeg dat niet; hij was voor mij

Wel streng, en sloeg mijn rug soms zwart,

En wou niet hebben, dat wij smulden:

Hij kon geen lekkerbekken dulden;

Maar toch heeft niemand, zóó, als hij,

Voor mij gezorgd, en mij bemind.”

Het weêuwtje ziet hem aan, en windt

Verlegen ’t boez’laarsbandjen om

Den vinger heen, en spreekt: „Och, kom!

Zoo zullen er wel meer toch zijn.

’k Moet zeggen, schoon ik daarmeê schijn

Uws vaders eere te vermind’ren

De meeste vaders zijn voor kind’ren

Te hard; zij slaan en zij bezeeren

De stumperds, als die schuldeloos

Wel eens een zoeten mond begeeren.

Neen! ziet ge? daar was ik altoos

Heel anders, o! heel anders van.

Althans, mijn overleden man,— —

Och heer! ’k was toen nog in mijn jeugd,

En ’t was, helaas! een korte vreugd:

Want in de helft van ’t eerste jaar

Was reeds voor ons de scheiding daar,—

Nu, maar, die had ook slechts te wenken,

En ’k zorgde en streefde, om hem te schenken

Wat hij begeerde; ziet gij?—ik,

Ik las zijn wensch al in zijn blik.

Het is nu juist twee jaar geleden,—

Maar ’t staat mij helder voor, als ’t heden,—

Dat hij zoo zei: „Mijn lieve vrouw!

Wil ’k u eens zeggen, wat ik wou?

’k Wou, dat we eens chocolade dronken.”

Heel kort daarna stond ze ingeschonken,

’t Was op dit plekje, en ook dit uur,

En Zondag óók juist. En met vuur

Trok hij mij toen nog op zijn schoot;

Och hemel, ja! wij dronken elk,

Vereend in liefde, ons kopje melk;—

Een week daarna was hij al dood!”

Zij zucht, en weder zucht ze en steent;

Ze wordt recht treurig, en ze weent,

En doet,—zij moest op iets toch steunen,—

Haar hand op Hanne’s schouder leunen.

En hij, hij vindt het ook erg naar,

En zegt, om troost haar toe te deelen,

En eenigszins haar wond te heelen:

„Och, ween maar niet; al valt het zwaar,”

En strijkt haar over ’t gladde haar.—

Och! waar is heden de ooievaar?—

„Ja!” gaat zij voort, „ik gaf mijn man

Een leven als een prins; en ’t kan

Dan ook nog blijken, dunkt me, dat

Hij dit erkend heeft. Wat hij had,

Zijn huis en smidse en schuur en erf,

’t Is alles ’t mijn’. „Wanneer ik sterf,”

Stond in zijn testament geschreven,

„Worde alles aan mijn vrouw gegeven,

En alles vrij van last of schuld.”

Nu, daarin is zijn wensch vervuld.”—

Zij weent daarbij een bitt’ren traan,

En stelt als troosteloos zich aan,

En schuift wat dichter bij den jongen,

Die nu van deernis diep doordrongen,

En, met haar, innig aangedaan,

Haar weder strijkt en streelt op ’t haar.—

Och! was nu de patrijs hier maar!—

„En,” zegt zij, ’t zou nog zijn te dragen;

Maar, dat ik in mijn jonge dagen

Zoo op mij zelv’ sta, zoo alleen,

Dat kan mij wel eens doen versagen.

Waar moet het met mijn toekomst heen?

Wat helpt mij ook dat goed en geld,

Dat ’k u zoo even heb vermeld?

O ja, ’k ging leven van mijn rente,

Als ’k oud was; maar, zoo in mijn lente— —!

En weêr en wederom ontschiet

Een traan haar oog; en Hanne koost

Haar nog eens weder, tot haar troost;

En, overweldigd door ’t verdriet,

Laat ze op zijn borst haar hoofdje zinken,

En Hanne vangt haar in zijn arm,

En Hanne vindt het vrees’lijk warm;—

Misschien van ’t chocolade drinken.—

O, nu, patrijs! nu wordt het tijd,

Dat gij en de ooievaar hier zijt!

En als zij nu naar zijn gezicht

Een blik vol diepen weedom richt,

Bedenkt zoo bij zich zelv’ Johan

Of soms een kus haar troosten kan.

De bengel! Hoe weet hij daarvan?—

En toch, hij buigt zich naar haar mond,

En plooit zijn lippen,— —maar terstond,

Als lichtte daar een bliksemstraal,

Sprong hij nu op, als uit een droom;

En riep: „Hoor! Hoor! De nachtegaal!”

En in den naasten appelboom,

Die vol in bloei staat, prachtig wit,

En heerlijk geurend, ja! daar zit

De nachtegaal, en zingt nu weêr

Wat Hanne al bij een vroeg’ren keer,

Toen hij voor Jochem’s huisdeur lag,

Zoo diep was door de ziel gegaan;

Wat hij zoo goed toen had verstaan,

Toen, op dien droeven afscheidsdag.

Die zang doet zijn gevoel nu aan,

Gelijk de weemoedvolle taal

Eens waldhoorns, die van verre klinkt;

En ’t is, of voor de laatste maal

Hem Fieken groet, en ied’re straal

Van heil en vreugd en hoop verzinkt,

Maar dàn weêr is ’t, of alles blinkt,

En ’t murm’len van een frissche beek

Muziek geeft in een groene streek,

En voortgolft naar een blauw verschiet.

Zoo toovert dat veeltonig lied,

Dat eind’lijk stijgt tot luid geschal,

En dan voor ’t oog in rijken gloed

Den schoonen hemel opendoet,

Dien trouwe min beërven zal.

Wat ieder voelt, maar wat geen taal,

Kan zeggen, zingt de nachtegaal.— —

Daar staat nu Hanne, bang gestemd,

’t Hart door een engen band beklemd.

Wat heeft hij daar toch ondervonden?

En wat gezegd? En wat gedaan?

Hij durft zijn oog niet opwaarts slaan.

’t Is hem, als heeft hij iets geschonden,

Wat heilig hem had moeten zijn;

’t Is hem, als heeft hij, door zijn daden

En woorden, God en mensch verraden

En in zijn ziel dringt diepe pijn.

’t Beeld zijner ouders staat hem voor;

’t Woord van zijn vader treft zijn oor:

„Leg alles, wat je in ’t harte vaart,

Eerst op den gloeiend heeten haard:

En, is al ’t vuil er af gegaan,

Dan frisch en vlug de tang er aan!

En dan, houd vol maar, op den duur,

En smeed je werk in zuiver vuur!”

Welnu, wat in het hart hem kwam,

Dat is nu in de laaie vlam

Geweest van schaamte, rouw en spijt,

En ’t is van alle smet bevrijd.

Nu volgehouden, op den duur!

Nu voortgesmeed in zuiver vuur!

Hij ziet met ernst de weduw aan,

En spreekt: „Ik heb verkeerd gedaan.

’k Zal uit uw dienst naar elders gaan.”

En zij, iets vragends op ’t gezicht,

Als had ze niets van hem verstaan,

Houdt droef op hem haar oog gericht.

„Ik moet,” roept Hanne, „uw woning uit;

’k Heb t’ huis een meisje, dat mijn bruid

Moet worden; ’k mag haar niet vergeten;

Die vogel zong mij in ’t geweten!”

Zijn meesteres verbleekt en weent,

Gepijnigd door zoo diepe grief;

Zij had het goed met hem gemeend,

Zij had den jongen waarlijk lief.

Zij spreekt geen woord, geen enkel woord,

Maar wenkt hem toe: „Ga, ga dan voort!”

En nu Johan ook werk’lijk gaat,

Nu zit zij daar, ten einde raad.

Maar toen hij nog eens ommezag,

Toen werd het anders toch; toen lag

Haar hartstocht overmand, gebroken:

Haar beter ik had weêr gesproken;

Zij vliegt hem aanstonds achterna,

Een blos van schaamte op ’t frisch gelaat,

En spreekt met kalmte: „Nu dan, ga,

Indien ’t uw plicht is, dat gij gaat;

Maar, niet met ongenoegen dan!

Ik wil u mijne vriendschap bieden;

En, zal het ooit of ooit geschieden,

Dat ik u hulp verleenen kan,

Ik doe het vast. Vaarwel, Johan!”

Johan drukt haar de hand en gaat;

En lang, nog, o! zoo lang nog, staat

Het weêuwtje op ’t zelfde plekje, daar,

En kijkt hem na.—Ja! menig jaar

Nog na dien dag van zijn vertrek

Stond zij veelmalen op die plek,

Alwaar ze ’t laatst hem had gegroet,

En voelde een weeke en doffe snaar

Dan trillen in haar vol gemoed,

Zoo bitterzoet, zoo wonderbaar!

Wij, menschenkind’ren, zien de plekken

Wel gaarne weder, waar de gloed

Der vreugd ons harte mocht doortrekken;

Maar ook de plekjes, waar ’t gemoed

Gefolterd werd door tegenspoed,

Of scheiding smarte ons kwam verwekken:

Waar onze ziel eens heeft gebloed,—

Die trekken óók gedurig weder

Ons op hun kerkhofzoden neder.

17.

De nachtegaal was heengegaan,

Nadat hij overtuigd was, dat

Zijn stem hier invloed had gehad,

En dat Johan hem had verstaan.

„Dag, Hanne!” zei hij, „Wees gegroet!”

En tot het weêuwtje: „Houd maar moed!

De tijd maakt heel veel dingen goed.”

En weldra zag hij, dat Johan

Den weg op ging en henentoog;

Maar was er ook getuige van,

Dat, met een echt boosaardig oog,

De slechte smid, die lui daar lag

In ’t dicht struweel, naar Hanne zag,

En fluist’rend sprak: „Ga maar voorbij!

Eens krijg je nog te doen met mij.

Mijn toorn is niet zoo gauw te stillen;

’k Heb steeds nog om die vechtpartij,

Een appeltje met jou te schillen.”

De nachtegaal vliegt, zonder lied,

Een heel eind verder, met het woord:

„Voor zulk een kerel zing ik niet!”

En telkens vliegt hij verder voort,

En waar, aan d’oever van een vliet

Een boschje staat, van blaad’ren dicht,

Of waar een heim’lijk plekje ligt,

Daar stort zijn zoete tooverfluit

De zachtste en schoonste tonen uit;

Maar waar een paartje, stil verrukt,

In liefde elkaâr de handen drukt,

Daar is ’t, alsof hij van die beiden

In eeuwigheid zich niet kan scheiden.

En, juist als bij den ooievaar,

Roept elk: „De nachtegaal is daar!

Nu wordt het hart eerst recht verblijd,

Nu is ’t eerst de echte lentetijd!”

Hanne Nüte en de kleine Poedel · 第 5 / 11 段