De Zondag komt; en Fieken staat

Gereed, om naar heur dienst te gaan:

Haar tegenspraak heeft niet gebaat.

Vrouw Smidt geeft haar het pakjen aan,

Waarin haar kleêren zijn gedaan,

Wel schamel, en met meen’gen lap

Bezet, maar zind’lijk, net en knap.

En voor de deur der woning zit

In ’t zonneschijntje vader Smidt,

Die nu, terwijl zijn vrouw nog dit

En dat bezorgt, tot Fieken spreekt:

„Ja, meid! Die dag van heengaan breekt

Voor ieder op zijn beurt al aan;

Ik ben zoo ook eens heen gegaan.

Ook ik ging zonder kist of koffer;

’t Pakje in mijn hand was al een offer

Geweest voor vader, niet gering.

En,—’k weet het goed nog,—ik ontving

Toen, bij dat afscheid, deez’ bretel.”

Hij knoopt die los.—„Kijk! zie je wel?

De riem is stevig nog en sterk;

Ze maakten toen recht deeg’lijk werk;

’k Gebruik dat ding reeds al die jaren,

En ook voor allerhande zaken,

Al naar de omstandigheden waren:

’t Heeft voor en na al moeten strekken,

Om iets, wat losbrak, vast te maken,

Om kar of sleê meê voort te trekken,

En om den rug der kleine snaken,

Bij stoute kuren, meê te raken.

’k Deed met dien riem dus heel wat af,

Den man tot eer, die hem mij gaf.

Nu, jou kan ’k geen bretel gaan geven,

Maar treed ik eenmaal uit dit leven,

En is het leer ook dan nog goed,

Dan zal ik onzen Frits haar schenken:

Wat mij nog dikwijls denken doet

Aan mijnen vader,—zie! dat moet

Hem zijnen vader doen gedenken.

Maar Fiek! jou kan ’k niet anders geven

Dan dezen laatsten goeden raad;—

Neem telkens dezen raad te baat;

En volg dien op, geheel uw leven,

Draag hem in ’t harte vroeg en laat;

Hij hebbe steeds, gelijk het leder

Van dezen riem, een taaie kracht;—

Als ge in een laagte zijt gebracht,

Hij trekke u naar de hoogte weder;

En, zet ge uw voet op slechte wegen,

Hij houde intijds u dan nog tegen;—

Hoor nu mijn raad; het is mijn zegen:

Als ge ooit, mijn Fieken! hebt misdaan,

Wil ’t door geen leugens dan verhelen;

Wie liegt, die komt ook licht tot stelen;

Wie op het pad der zonde gaan,

Die loopen op een schuine baan,

Wees nimmer wreev’lig; en als iets

U hindert, ga er niet om morren,

Volhard geduldig; want het knorren

Op lot en leven baat u niets.

En als gij iets gebeuren ziet,

Wat stof tot denken u kan geven,

Onthoud u van ’t gevaarlijk streven

Om ’t rond te kleppen; babbel niet!

Door babb’len is in menig leven

Al heel veel droefs en kwaads geschied.

En nu dit ééne nog er bij,—

Vergeet dat nooit,—verstaat gij mij?”

Hier keek hij duchtig streng haar aan,

En liet, heel zinrijk, zijn bretel

Met drift door zijne handen gaan,

„Onthoud vooral dit ééne wel:

Als je ooit je moeder kwam te onteeren,”— —

Maar verder sprak hij toen niet voort,

En ging in huis. Doch ’t harde woord

Doet Fieken ’t oog naar de aarde keeren,

En recht verdrietig zucht ze en weent.

„Kom!” spreekt nu moeder, „schrei maar niet!

Zoo erg heeft vader ’t niet gemeend;

Je weet, hij houdt veel van je, en liet

Dat blijken steeds door zorg en trouw.

Maar als je slecht je mocht gedragen,

Of over alles komen klagen,

Hier bij ons t’huis, ja wel, dan zou

Je vader boos zijn, en ook ik.

Maar, kom! wees nu maar in je schik.”

Dit woord ging van een kus verzeld.—

„Heb je alles nu? Waar is je geld?

Is ’t in je zak? Maar ’t zit zoo open;

Wacht! ’k zal het in je zakdoek knoopen.

Maar, hoor! geen gekheid daarvoor koopen;

En ’t niet vertoonen; want er loopen

Veel slechte menschen door het land,

En die zijn daad’lijk bij de hand.

Wie laag zich houdt, heeft zelden nood;

Wie praalt, heeft spoedig zelfs geen brood.

Nu, groet ook Fieken Schult van mij.

’k Hoor, zij wordt thans „Zaphie” geheeten;

Maar dat is dwaze hoovaardij;

En jij blijft „Fiek,” dat moet je weten;

Waarom daar zoo’n voornaamheid bij?—

En, wil je voor de Pinksterdagen

Verlof, om hier te komen, vragen,

En heeft de bakker niets er tegen,

Kom dan; maar breng voor de andre negen,

Voor elk, een krentenbroodje mee;

Zoo geeft het weêrzien meer verblijden,

Dan ’t zonder krentenbroodjes deê,—

Hoe graag ze je allen mogen lijden.

En nu, vaarwel, en blijf gezond!”

Zij drukt een kus haar op den mond,—

„En als je goed blijft van gedrag,

En niets van wat je hebt, verkwist,

Dan geef ik je, op St. Michelsdag,

Een mooie, nette kleêrenkist;

Althans, wanneer niet, onverhoopt,

De ganzenteelt ons tegenloopt.

Alzoo, mijn kind! vaarwel nu! ga!”

En Fieken gaat. Zij kijkt haar na,

Terwijl ook vader nog eens groet:

„Dag, lieve Fieken! hou je goed!”— —

En Fieken gaat, en weent nog zacht.

’t Is haar, als doolt zij in een nacht;

Alsof de sterren, zon en maan

Verschoten zijn en uitgegaan.

En toch is alles licht in ’t rond

En blij als in den wordingsstond

Des lichts; ’t is licht, als op dien dag,

Toen God voor ’t eerst Zijn schepping zag,

En over alles lag gespreid

Een glans van stille heerlijkheid.

Zoo treedt zij over bloem en gras,

Bij voog’lenzang en zonneschijn.

Zoo rein en schoon, als Eva was;

Maar toch met een gevoel van pijn,

Alsof zij voor haar gansche leven

Het Paradijs was uitgedreven.

En evenwel, al heeft zij smart,

Er springt een klare, held’re bron

Heel diep in ieder jeugdig hart,

Die al veel leed genezen kon:

De bron der hoop. Die ruischt daar zacht,

Maar toch met wonderbare kracht,

En deint en golft en bruist en wiegelt,

Tot zich er ’t hemelsblauw in spiegelt;

Dan vloeit de stroom steeds verder voort,

Al kronk’lend door een lief’lijk oord,

En al de schoonheid aan zijn zoom,

De frissche bloem, de groene boom,

’t Weêrkaatst zich alles in den vloed,

En alles blinkt in hoogen gloed,

En alles schittert, alles glanst,

En alles jubelt, alles danst;

’t Is in het kabb’lend golfgewemel

Of de aarde danst en ook de hemel,

En ’t hart wordt weêr van droef’nis vrij,

En ’t hart klopt hoog en ruim en blij.

Zoo kan de hoop verkwikken, streelen,

Met moed en levenslust bedeelen,

De diepste zielewonden heelen,

Door hare zoete poëzij.—

Zoo werkte zij op Fieken ook;

En ieder schrikbeeld, ieder spook,

Dat voor haar geest was opgedaagd,

Werd door die toovermacht verjaagd.

En verder liep ze, en liep, totdat

Zij op dat plekje nederzat,

Waar ook Johan gezeten had.

13.

En Jochem kijkt zijn venster uit,

En roept bewonderend: „Wel, verbruid,

Wat is die mooi!—Waar ben je, vrouw?

Kom gauw, kom hier eens even kijken;

Wat is ze mooi! Zoo waar, ik zou

Haar haast met jou gaan vergelijken.”

„Och!” antwoordt Lotje, een beetje kwaad,

„Jij altijd met je gekken praat!

’t Is tijd om iets te doen. Maar wat?

Mij dunkt, vergadering beleggen.

Althans, nu aan de zwaluw zeggen,

Dat zij thans weg moet, naar de stad.”

„Ja,” antwoordt Jochem; „zie je? dat

Is iets wat wij met goed fatsoen

Nu samen mede konden doen;

Wij konden mede stadwaarts gaan,

En leggen daar een huizing aan;

Dan zijn wij altijd haar nabij.

’k Weet aan den muur der bakkerij

Een ouden boom, heel hol en dik;—

Daarheen dus, dunkt me; gij en ik;

De kind’ren niet; die worden groot;

Die kunnen nu zich zelv’ bedruipen,

En zorgen voor hun eigen brood.

Een sidd’ring kan mijn hart bekruipen,

Wanneer ’k me voorstel, dat al ’t kroost,

’t Welk wij al kwamen uit te broeden,

Nog hier was. Waarlijk! ’t is een troost,

Dat eens ’t verplegen en het voeden

Aan ’t eind is. ’k Heb wel liefde; maar,

Dan werd de taak toch al te zwaar.

Dus, heden moeten onze spruiten

Van óns af, en de wereld in;

Wij moeten kalm daartoe besluiten,

En dan ook hand’len in dien zin.”

En nu riep Jochem al de namen

Der kind’ren af; en toen ze kwamen,

Sprak hij recht vaderlijk hun aan:

„Door uwe moeder en door mij

Is voor uw vorming veel gedaan;

Wij stonden u in ’t vliegen bij;

Wij spijsden u; de kunst van eten

Wordt door u meesterlijk verstaan;

Wij leerden u, wat gij moest weten,

Met name, dat gij steeds de kat,

En wouw en zoo, te vreezen hadt;

’k Herhaal die les; blijft haar betrachten,

En voor zulk moord’naarstuig u wachten.

Voorts moet ik dezen raad u geven:

Neemt alles wat gij krijgen kunt;

Grootmoedigheid houdt niet in ’t leven:

En ook het brood, dat niet gegund

U wordt, smaakt lekker en doet goed.

Maar toch, vergeet niet, wat ge ook doet,

En welke streken ge uit moogt voeren,

Dat gij als heeren, niet als boeren,

Dus met iets fijns, steeds hand’len moet.

Vaartwel nu, maar, wat lot u beid’,

Wat stand de toekomst u bereid’,

Verzaakt toch nooit de dankbaarheid.

Dat is een deugd die bij de kind’ren,

Hoe lang ze leven, niet mag mind’ren.

Bedenkt alom dus en altijd,

Dat gij ons ’t leven schuldig zijt,

Dat door ons beiden is gebroed

Twee weken lang,—en veertien dagen

Door ons voor u is zorg gedragen;

Wij hebben u verpleegd, behoed,

En steeds voorzien van kost’lijk voeder

Dus, denkt aan mij en aan uw moeder.

Nu, in òns hart blijft gij ook leven,

Al gaat gij henen uit ons oog.

Houdt even nu den staart omhoog,

Dan zal ik ’t laatst vaarwel u geven.”

Nu doet hij met een hort hen allen,

D’een na den ander, ’t nest uit vallen.

Maar allen vliegen weg. Slechts Kris,

Die niet zoo vlug als de and’ren is,

Ook minder sterk en minder groot,

Valt, bij dien onverwachten stoot,

Gansch hulpeloos in Fiekens schoot.

Zij nam hem zachtjes in haar hand,

Terwijl ze medelijdend sprak:

„Uw vleugeltjes zijn nog te zwak;

Ik zal u met mij nemen; want

De havik maakte u maar van kant,

Wanneer ik hier u liet:—gij zijt

Hier in den omtrek vast geboren;

Gij zult mij, in vervolg van tijd,

Iets van mijn vaderhuis doen hooren.”

Zij neemt hem meê, en zij verheugt

Zich om die mosch met reine vreugd;

’t Is maar een mosch; maar toch een wezen,

Waar zij den kommer van verzoet;—

Dat is de liefde, in haar gemoed

Heel zachtkens, zachtkens opgerezen.

En òm haar hoort ze alomme fluiten:

„Daar gaat zij! Kijkt eens! Komt eens buiten!

Daar gaat zij! Fieken! Kijkt toch, dan!

’t Aanstaande bruidje van Johan.”

De zwaluw scheert steeds op en neêr,

En doopt, bij ’t fladd’ren heen en weêr,

Haar wiekjes telkens in het water,

En roept met blij en luid gesnater:

„Ja, Fieken! Ja, Fieken! de beste zijt gij;

Ja, Fieken! Ja, Fieken! ik blijf u nabij;

’k Ga nest’len bij ’t venster aan ’t huis van den bakker;

En ’s morgens, nog vroeg al, dan maak ik u wakker.”

En moeder Lotje zingt een lied,

Om ’t geen haar liev’ling is geschied:

„Wat is u, mijn Krisje! Wat is u gebeurd?

Mijn Benjamin, die me van ’t hart zijt gescheurd!

Wat zijt gij gevallen, zoo hals over kop!

Maar wij blijven bij u; verlaat u daarop.

Wij bouwen een nest ons in ’t vensterkozijn;

En als we u dan roepen, mijn Krisje! verschijn:

Dan deelen we u spijs meê, o! meer dan genoeg;

Maar pas op de katten en vlieg niet te vroeg.

En wek in het hartje van Fiek goeden moed;

Mijn Krisje! mijn lieveling! hou je maar goed.”

En ’t nachtegaaltje keek nieuwsgierig

Naar Fiek, en wipte en sprong, heel tierig

En opgeruimd, van tak tot tak,—

Haar begeleidend steeds,—en sprak:

„’k Weet een hoekje; ver is ’t niet

Van des bakkers huis;

In zijn tuin; waar ’t beekje vliet

Over ’t kiezelgruis.

Fieken! op dat plekje daar

Vindt gij mij steeds weêr;

’k Zet mij zingend jaar op jaar

In dat hoekje neêr.

Wend u vaak, als de avond dauwt,

En de scheem’ring zachtkens grauwt,

Naar die stille plek;

En wanneer gij soms eens brief

Hebben mocht voor Hanne-lief,

’k Neem dien gaarne voor u meê, als ik weer vertrek.”

En als zij verder gaat, dan dringt

Haar uit het bosch, zoo groen en frisch,

Waar ’t nacht’lijk koel en duister is,

De feestgalm van een talrijk koor

Gepluimde zangers in het oor,

Een koor, dat, o! zoo prachtig zingt.—

O, voog’lenlied! O, statig woud!

Al voelt het hart zich krank of oud,

Al slaakt de boezem zucht bij zucht,

Uw reine klank, uw zuiv’re lucht,

Heeft tooverkracht, die troost en streelt,

De smart verzacht, de wonde heelt.—

En toen in ’t plechtig avonduur

De sterren blonken aan ’t azuur,

Zat Fieken in haar eenzaamheid,

In ’t klein, armoedig kamerkijn,

Dat tot verblijf haar was bereid,

Dicht onder ’t dak. En teêr en fijn

Weêrklinkt in dezen oogenblik,

Op ’t vensterglas een zacht gepik.

Dat doet de zwaluw, die dan zegt:

„Zie! hier heb ik mijn nest gelegd;

Vlij thans u kalm ter ruste neêr;

Ik wek u morgenochtend weêr.”

En Jochem arbeidde in den knoest,

Die hem tot woonsteê worden moest;

En Lotje riep tot Christiaan:

„Mijn kind! gij moet nu slapen gaan;

Rust wel, mijn Krisje! maar ’k verwacht

U morgen weêr aan ’t venster;—dan

Vertelt ge er, hoop ik, mij iets van,

Hoe zij den nacht heeft doorgebracht.”

En buiten zong toen, en nog lang,

De nachtegaal dien zoeten zang:

„De een trekt over berg en dal,

De and’re zit te treuren;

Maar, hoe lang ’t ook duren zal,

Eenmaal zal ’t gebeuren,

Dat die twee weer samen zijn,

Vrij van zorg en hartepijn.

Zielevreugde ligt heel dicht

Bij de zielekwalen:

Als de bergen, schitt’rend licht,

Bij de duist’re dalen.

Werpe dan de macht der smart

Uwe hoop niet neder;

Houd vertrouwen in uw hart,

Want hij komt eens weder!”

14.

Uit de ene streek naar ’t andere oord,

En over bergen en door dalen

Zet Hanne steeds zijn tocht nog voort.

En als hij ’t lied der voog’len hoort,

Houd hij daarbij nog enk’le malen

Zich op,—of hij ’t nog kan verstaan;

Doch sinds hij weet heeft van een maagd,

Die in haar hart zijn beelt’nis draagt,

Is deze kunst voor hem vergaan.

Maar ’t schaadt niet, want in zijn gemoed

Klinkt nu eene and’re stem, en doet

Hem woorden, o! zoo zacht en zoet,—

De woorden liefde en weêrzien,—hooren.

Zijn hart is nu ontwaakt, herboren,

En spreekt met hem den ganschen dag,

En roept hem toe, met elken slag:

„Sla flink er op! Sla flink er op!

Sla ’t ijzer flink en vlug!

Gij liet tehuis een rozeknop,

Een roos vindt ge eens terug!”

Dat was geen zuchten en geen steunen,

Dat was geen kermen en geen kreunen,

Geen blinde hartstocht, en ook niet

Een week en ziekelijk verdriet;

Maar ’t was een frissche levensmoed,

Die ’t harte juichen, juub’len deed:

Het ijzer werd door hem gesmeed

In hoogen lust en reinen gloed;

En waar hij werkte, was hij ras

Gelijk een zoon van ’t huisgezin;

En als hij henenging, dan was

Een sprank van ’t wondervuur der min

In menig hartje stil ontvonkt,

En werd hij lang nog nagelonkt

Door menig meisje, dat dan dacht,

Of ook wel zei, maar zacht, heel zacht:

„Vaarwel, vaarwel op al uw wegen!

God moge u zeeg’nen voor en na!

En,—waart gij ooit of ooit genegen,— — —

’t Kon zijn!— — —ik had dan niets er tegen,

En moeder zei dan óók wel: „Ja!””

Maar toch, de jonkman trok steeds verder,

Gedachtig, dat de eerwaarde herder

Van ’t kleine troepje van Gallin

Hem had gezegd: hij moest niet dralen,

Uit alle streken kennis halen,

En heel veel van de wereld zien.

En,—zou ’t hem al wat moeilijk zijn,

De reis tot Jena uit te strekken,

Hij voelde toch zijn harte trekken

Naar de oevers van den groenen Rijn.

Zoo reist hij voort.—Eens, ’s avonds laat,

Treft hij een paar gezellen aan,

Die ook denzelfden weg uit gaan;—

De een is een snijder, en zijn maat

Een metselaar.—Een korte prop

Is ’t snijdertje; die heeft van voren

Een bult, en óók een achterop,

Die van fatsoen gansch saâm behooren.

De twee gezellen, blij te moê,

Zien onzen Hanne vroolijk aan,

En spreken vriendelijk hem toe,—

Maar in het Hoogduitsch.—En nu gaan

Die drie een herberg in; en daar,

Daar vinden ze ook een kamer klaar;

Wel is er maar één slaapvertrek,

Maar, goed, zij deelen stroo en dek,

Alsof hun vriendschap oud reeds waar’.

En ’s morgens, als ze verder gaan,

Dan spreken vaak de twee gezellen,

Elkander in het platduitsch aan;

En meenen, wat zij zóó vertellen,

Kan toch die vreemd’ling niet verstaan.

Zoo hoort Johan, wat zij verhalen;

Ook hoort hij af en toe, dat zij

Van hèm in scherts en spotternij

Gewagen, maar loopt stil er bij,

En denkt: „Ik zal ’t je wel betalen.”

„Waar,” zegt nu de een, „is hij gebleven?”

„Ik denk,” zegt de ander, „in de stad;

Hij had weêr aan zijn broêr geschreven,

Of die nog niet wat reisgeld had.”

„Die zal wel weig’ren.”—„Neen, die kan,

Beweert hij, hem geen hulp ontzeggen;

Want als hij dat beproefde, dan

Zou hij een boekjen openleggen,

Waarvan zijn broeder zou gaan beven;

Daarom, die moet hem reisgeld geven.”

„Ja!” zegt de mets’laar, „in dien geest

Is, wat hij mij zei, ook geweest.

’t Was, zei hij, immers al te dol:

Zijn broeder zat met zakken vol,

Werd ook door ieder rijk genoemd,

En hij was tot gebrek gedoemd.—

Intusschen staat hij slecht mij aan:

Hij heeft iets leelijks in ’t gezicht,

Een trek, waar, dunkt mij, iets in ligt,

Of hij een gruwel heeft begaan.

Maar hoe kent gij hem, moet ik vragen.”

„Hij is, als ik, ook uit Stemhagen, [4]

Ik ken hem sinds mijn kindsche dagen;

Maar steeds,—zoo lang het mij kan heugen,—

Was hij er een, die nooit wou deugen.

En als ’t nog eenmaal uitkwam, dat...”

Hier zwijgt hij, en met achterdocht,

Bevreesd, of Hanne iets vatten mocht,

Pinkt hij met de oogen. „Och, kom! wat?”

Zegt de and’re, „ga maar door, want hij

Verstaat ons niet; wij spreken vrij.”

„Welnu!” hervat de snijder, „’k wil

U meer nog zeggen. Luister!—maar

Gij houdt de zaak voor ieder stil,

Want als hij immer mocht ontdekken,

Dat ik daar iets van uit liet lekken,

Dan was mijn leven in gevaar.

Zijn broêr en hij, naar ’t geen ’k vernam,

Die hebben eens,—nu lang geleden,—

Een koopman, die uit Keulen kwam,

Ontmoet, en die veel kostbaarheden

En heel veel geld ook, met zich droeg;

Men zegt, het was een Jood;—genoeg,

Die man is onderweg gebleven.

Toen is er links en rechts geschreven;

’t Gerecht bemoeide zich er meê;

Er was vermoeden op die twee;

En beiden hebben lang gezeten.

En de oude moeder van den Jood

Kwam over, en zij wilde weten,

Al jamm’rend om haar bangen nood,

Wat met haar zoon toch was geschied;

Maar wàt zij deed, het baatte niet.

Het tweetal, menigmaal verhoord,

Hield immer vol, bij alle vragen,

Zij wisten van geen Jood of moord;—

En eindlijk werden ze ook ontslagen.

Daarna is de een, de smidsgezel,

Op reis gegaan; toen kwam in jaren

Er geen bericht van hem; maar wel

Wist deze en gene te openbaren,

Die Hamburg had bezocht, dat hij

Daar leefde in ruwe zwelgerij,

En laag en los zijn goed verteerde.

Toen eind’lijk alles weg was, keerde

De kerel naar Stemhagen weêr

En lei bij broêr zijn anker neêr.

Die houdt, wat hij bezit, graag vast,

En had dus beter opgepast;

Hij had zijn geld met zorg bewaard

En ook nog heel wat opgespaard.

Maar toen,—toen was er alle dagen

Veel onrust in de bakkerij,

En werd, bij meen’ge vechtpartij,

Een neus of mond aan bloed geslagen.

Ten laatste werd door d’ arm der wet

De smidsgezel op straat gezet.

Hij zwierf van d’ een naar d’ ander rond;

Nu was hij hier, dan elders weêr,

En wat zijn broeder hem nog zond,

Dat werd steeds weêr door hem terstond

Verkwist;—zoo ging dat op en neer.”

„Zoo?” zegt nu de and’re, „maar die bakker...”

En aanstonds valt de snijder in:

„Die bakker is een sluwe rakker,

Een sluiperd, die je tegenzin

En je afkeer gaande maakt, doordien

Hij niemand durft in de oogen zien.

Ook is hij hard voor de arme liên,

Gunt niemand iets, dan zich alleen,

En schraapt steeds al meer geld bijeen.

De menschen praten van hem veel.

En, is niet alles waar,—een deel

Zal toch wel waar zijn; en wat ik

Met zekerheid u zeggen kan,

Is dit, dat hem een bange schrik

Bevangt, en dat hij beeft er van,

Zoodra hij maar een kievit hoort.—

Eens ging mijn vader naar Gallin,

En liep zoo, stil en eenzaam, voort.

Maar merkte toen, door om te zien,

Dat ook de bakker derwaarts ging.

Toen deden zij de wandeling

Te zamen. Maar zij waren niet

Het bosch uit, of op eenmaal liet

Zich ’t roepen van een kievit hooren,

Die, nu van acht’ren, dan van voren,

Een wijle in hun nabijheid bleef.

De bakker schrikt; een bang gebeef,

Alsof een koorts hem viel op ’t lijf,

Liep door zijn leên; en stram en stijf

Bleef hij daar staan, nu bleek, dan rood,

Totdat in ’t lest hem ’t woord ontschoot:

„Vervloekte plek! Ellendig beest!”

Toen liep hij voort met snellen pas.

Mijn vader was verschrikt geweest,

In ’t eerst; maar toen dat over was,

En toen hij, om dat laf versagen,

Den bakker spottend was gaan plagen,

Had die een blik op hem geslagen,—

Uit oogen, kil en strak als glas,—

Een blik, die hem door ’t harte ging,

Zoo scherp en snijdend als een kling;

En die in zijn herinnering

Nooit opkwam weêr, of hij gevoelde,

Dat bange schrik in ’t hart hem woelde,

En hem een huivering beving.”—

Zoo spraken onderweg die twee,

En Hanne liep onschuldig meê,

En werd door hen ook niet verdacht.—

Maar toen de zon de volle kracht

Bereikt had van haar middagtijd,

En ’t drietal onder ’t looverdak

Der eiken zich had neêrgevlijd,—

Elk met zijn hoofd op eigen pak,—

Toen zweefde op eens een dichte schaar

Van ooievaren daar omhoog,

Die hooger steeds en hooger vloog;

En Hanne werd ze ’t eerst gewaar,

En riep in ’t platduitsch, onbedacht:

„Kijk! kijk! daar komen de eibers aan!”—

„Wat? Had ik dat van jou verwacht?”

Riep nu de snijder, gansch ontdaan.

„Jij kent platduitsch;—je hebt verstaan

Misschien, wel alles, woord voor woord.”

„Jij hebt,” roept de and’re, „ons uitgehoord;

Verspieder!—maar ik zal je leeren!”

Hij houdt de vuist hem voor ’t gezicht.

„Pas op!” zegt Hanne, „want niet licht

Wordt op mijn neus een klap gericht,

Dien niet mijn hand terug doet keeren.

Ik weet nu alles; ’t was je plan,

Met mij je eens aardig te vermaken,

Met mij te spelen eerst, en dan

Mij ook eens aan den zak te raken,

En voorts om mijn onnooz’len zin

Mij uit te lachen;—maar je ziet,

Dat gaat nog zoo gemakk’lijk niet;

Je waart te dom; je liept er in.

Als ik dien boozen smidsgezel

Wat hier verteld is, weêr vertel,

Dan zal je er geen mooi weêr op krijgen.”

De mets’laar schold, de snijder bad,

En Hanne sprak: „Nu, ik zal zwijgen;

Ik ken den bakker en den smid;

’k Heb ook eens iets met hen gehad.

Maar nu, onthoudt dan nu ook dit:

Ik laat den draak niet met mij steken;

En als gij weêr zoo iets verzint,

En weêr zoo’n laffen streek begint,

Dan zullen wij wel nader spreken.”

Toen gaven zij elkaâr de hand,

En waren sedert saâmverbonden

En trokken samen door het land,

En bleven, waar zij arbeid vonden;

En als zij dien niet vinden konden

Dan reisden ze weêr verder voort;

En onderweg werd uit drie monden

Dan ’t luid en lustig lied gehoord:

Die ’t reizen kent, vraagt, blij van zin,

Wat toch tehuis beduidt

Al waait de wind de mouwen in,

Hij waait er ook weêr uit.

Wij trekken voort met drie of twee,

Van de eene in de and’re streek;

En wil de laars niet heel meer meê,

Dan maar met lossen steek!

De meisjes zien ons glurend aan,

Om ’t hoekje van den tuin.

Steeds moge ’t haar gezegend gaan,

Die meisjes, blond of bruin.

Wat lieflijke oogjes, zwart of blauw!

Wat roosjes op ’t gelaat!

Ik neem er zeker een tot vrouw,

Als ’t reizen niet meer gaat.

Kom, moeder! [5] geef wat wijn voor geld

En voor een vriend’lijk woord,

Wij hebben thans ons aangemeld,

Maar morgen zijn wij voort.

En kwel ons niet met taai gezeur,

Al borgt gij ons eens wat;

Schrijf ’t niet op uwe kamerdeur,

Maar in het schoorsteengat.

Vandaag is ’t in de beurs heel naar,

Maar morgen weêr heel goed:

Zoo trekken wij van hier naar daar,

Altijd met frisschen moed.

15.

Toen ’t rits’len van den najaarswind

Langs ’t stoppelveld zich voortbewoog,

Toen lagen blij en eensgezind

De drie in ’t gras; hun zwervend oog

Keek naar de bergen en de boomen,

Die d’ouden, groenen Rijn omzoomen;

En hun gemengde lied’ren rezen,—

Nu eens van dien en dan van dezen,—

Frisch in de morgenlucht omhoog,

Vervloeiend in d’azuren boog.

En of daarbij het eene lied

Op ’t and’re past, dat deert hen niet:

Elk zingt maar wat hem ’t best bevalt,

Maar zingt van harte, en daardoor schalt

Die toon daar rond, zoo rein en blij,

Die dàn slechts klinkt, als ’t hart nog vrij

Zich voelt, en vol van poëzij,

En die in onze laat’re dagen

Alleen nog in eene echo leeft,

Maar, óók nog zóó, ons kan behagen,

Ook zóó, nog zooveel zoetheid heeft.

De lust is ’t, die zich uiten moet,

Wanneer des Heeren majesteit,

Des Heeren stille heerlijkheid,

Zich in een hart gevoelen doet,

Dat vroolijk, jeugdig nog en frisch,

En door geen zorg gebroken is.

Dan vraagt men niet,—als ’t dor gemoed,—

Wat beter klinkt, wat minder goed,

Wat meer, wat min gepast zou zijn;

Dan is daarbinnen zonneschijn,

Die zich zoo lang niet op laat sluiten;

Wat in de ziel is, moet naar buiten,

En of het past er bij, of niet,

Aan ’t volle hart ontwelt een lied.—

De metselaarsgezel, die één

Gezang in zijn geheugen had,

Maar ook slechts één en anders geen,

Had steeds voor zich genoeg aan dat.

Hij zong het zacht, wanneer de smart

Zich had gelegerd in zijn hart;

En luid en hoog, wanneer de vreugd

Hem met haar bloemen had verheugd;

Bij zijn gelach, bij zijn geween,

Zong hij steeds dat, en anders geen:

„Weemoed is ’t, die mij door ’t harte beeft,

Daar mijn schat, het schoone, lieve kind,

Door mijn ziel zoo rein en warm bemind,

Hare trouw, helaas! gebroken heeft.

Hare tanden waren wit als krijt,

Wit als krijt, ja! en op ied’re koon

Bloeide een roos,—o! wonder-, wonderschoon;

En ik had mijn leven haar gewijd!

Na den dag, toen zij haar trouw verbrak,

Lag ik neêr een ganschen langen nacht,

Altijd wakker, daar ik overdacht,

Welk een doorn mij in het harte stak.

Vaar dan wèl, gij, ongetrouwe maagd!

Ik ga henen over berg en dal.

Als uw oog niet meer me aanschouwen zal,

Kan ’t wel zijn, dat gij ’t u nog beklaagt.

En als eens de tijding zich verbreidt,

Dat ik rust in ’t verre, verre land,

Roerloos rust in ’t kille, dorre zand,

Kan ’t wel zijn, dat gij er nog om schreit.”

„Nu,” zegt de snijder, „slecht is ’t niet;

Maar ’k vind het toch zoo’n treurig lied;

Het klinkt zoo droef, zoo somber zacht;

’t Klinkt als de doffe en schorre horen,

Van d’ ouden wachter op den toren,

Bij valen, grauwen najaarsnacht.

En als ik niet de volle pracht

Gezien had van je roode wangen,

Dan had mij vast de vrees bevangen,

Dat je al naar ’t kerkhof werdt gebracht.

Neen, vrind! als je anders niet kunt geven,

Hou verder dan je mond maar toe;

Er moet in ’t zingen lust en leven

En gloed zijn. Hoor, hoe ik dat doe.

Hanne Nüte en de kleine Poedel · 第 4 / 11 段