Dien avond, in den maneschijn,

Kwam Hanne in ’t stadje Stavenhagen,

En dacht, hij moest vóór alles vragen,

Waar daar voor hem logies mocht zijn.

Men wijst hem dan een herberg aan

Hij gaat er binnen, en blijft staan

In ’t zijvertrek, en roept: „Mag ’k weten,

Is dit hier ’t smeden-logement?”

Maar niemand, die zich tot hem wendt.

„Is heer noch vrouw, hoe die mag heeten,

Is niemand hier? Geen zoon of knecht?”

Maar niemand, die daar iets op zegt.

„Nu,” spreekt hij, „als geen mensch mij hoort,

Dan richt ik tot de banken ’t woord,

En tot de tafel; of die dan

Mij en mijn ransel kunnen wachten,

En of ik hier ook mag vernachten,

En morgen verder reizen kan.”

En met één worp, heel flink en vlug,

Gooit hij zijn ransel van den rug,

En gaat weêr bij de deurpost staan,

En vangt nog eens met vragen aan.

„Zijn soms ook and’re smeden hier?”

En nu bewoog zich toch een gast

Die in een hoek zat; schoof zijn bier

Een eind terug; en, met een zwier,

En een’ge stappen! zeer onvast,

Kwam hij van zijne zitplaats af.

Een smid, maar zonder arbeid, was ’t

Die nu de vraag tot antwoord gaf:

„Met uw verlof, van waar zijt gij?”

En ging zoo voort, en vroeg daarbij,

Waar Hanne had in dienst gestaan,

Wanneer hij was van huis gegaan,

En wat hij zoo al had gedaan.

En Hanne noemt hem dorp en land,

Van waar hij komt, en geeft bescheid,

Beleefd, maar flink en bij de hand,

Op elke vraag, hem voorgeleid.

Nu vraagt de dronken smidsgezel:

„Zijt gij de zoon ook van een smid?”

Johan zegt: „Waarom vraagt gij dit?

Maar, als gij ’t weten wilt, ja wel;

Dat ben ik. Wat ik weet en kan,

Daar heeft mijn vader de eere van.

En stond soms iemand in den waan,

Dat zulk een leer niet goed kan gaan,

Dat ik te zwak behandeld ben,

Dien wil ik toonen, wat ik ken

Van ’t vak;—en wie dan lust nog heeft

Tot spot, dien zal ’k voldoening vragen,

Die kan iets voelen van de slagen,

Waar vader onderricht in geeft.”

De smidsgezel, wiens lodd’rig oog

Een vuur’ge nevel overtoog,

Van ’t bier en van den brandewijn,

En die daarbij,—óók niet heel fijn,—

Wat pruimtabak ten bodem spoog,

Werd boos en honend. Van zijn kant

Kreeg Hanne een kitt’ling in de hand;

En ’t was hem, of, in moed en kracht,

Die ééne dag, die was verstreken,—

Er was zooveel gebeurd dien dag!—

Hem jaren verder had gebracht.

En als nu de and’re smaad gaat spreken

Van Hanne’s ouders, valt een slag

Hem op den neus, waarbij zijne ooren

’t Gedreun van honderd klokken hooren,

En al de sterren van de transen

Hem voor zijne oogen staan te dansen.

Toch houdt hij zich nog op de been.

Nu komen and’ren om hen heen,

En roepen: „Toe maar, dapp’re smeden!

Maar naar den regel!” En Johan

Schreeuwt wild: „Ja wel, daar houd ik heden,

Daar hou ’k in alle dingen van:

Steeds naar den regel,—zonder streken!”

En de andere, achteruit geweken,

Rolt op den grond. „Zeg! wil je zwijgen?”

Roept Hanne. „Of wil je meer nog krijgen?”

„’k Wil vrede,” is nu zijn antwoord, „vrede!”

Hij richt zich op; Johan helpt mede;

En beiden zetten zich den hoed

Weêr op; en de beschonk’ne doet

Zich hooren: „Smid! ik wil je vragen,

Of ’t jou, als mij, ook kan behagen,

Verzoend te zijn?”—„Ja,” zegt Johan,

Maar goed en naar den regel dan.”

De smidsgezel kijkt om zich heen,

En vraagt dan: „Is er uwer geen,

Die iets er tegen heeft, dat wij

Verzoenen?” Allen vallen bij.

En hij voegt dit nog daaraan toe:

„Als we ooit elkander weêr ontmoeten,

Dat wij elkaâr als vrienden groeten,

En niemand meer verwijten doe.”

„Dàt afslaan ware zonde en schand’!”

Zegt Hanne, en reikt de vriendschapshand—

Toen nu ’t verbond gesloten was,

Moest, zei men, daar een borrel bij.

Maar Hanne sprak: „Neen, niet voor mij!

Ik drink dat goed niet;” en het glas

Schoof hij dan ook terstond op zij,

En riep: „Hei, moeder! kom eens hier;

Geef liever mij een glaasje bier.”

De herbergierster keek hem aan,

Alsof zij meer hem had gezien,

En vroeg: „Is ’t moog’lijk? Kan ’t bestaan?

Zijt gij niet Snoet, en uit Gallin?”

„Ja,” antwoordt Hanne. „Wel, mijn kind!

Je vader was een goede vrind

Van mijn nu overleden man;

Je moeder ken ik ook sinds jaren;

En ik getuig er gaarne van,

Dat ze altijd brave menschen waren.”

Nu wenkt zij Hanne mee te gaan,

En als ze in haar vertrekje staan,

Ziet zij met strakken ernst hem aan,

En spreekt: „Wat is dat? Vechten? Slaan?

Gij zijt er veel te knap toe, gij,

Om met een kerel, zooals hij,

Een strijd te hebben;—echt gemeen

Is die gezel; en ’t is alleen

Het geld zijns broeders, dat hem nog

Voor spinhuis of gevang’nis spaarde.

Daarom, mijn jongen! schaam u toch,

En heb wat meer gevoel van waarde.”

„Ja moeder!” antwoordt nu Johan,

„’t Is iets, wat ik niet helpen kan.

’k Was nauw’lijks in uw huis getreden,

Of hij kwam op mij af, en ging

Met lagen spot en lastering

En onbeschofte geestigheden

Mijne ouders smaden; en ofschoon

’k Slechts logen vond in al zijn hoon,

Toch scheen ’t mij toe, dat hij hen kende.

Welnu, dat duldde ik niet, en ’k wendde

Een middeltje aan van tucht. Wie ooit

Wil doen, als hij, zal ’t zelfde krijgen;

Bij zulken schimp zal ’k nimmer zwijgen;

Zoo waar ik leef, ik duld dien nooit.”

„Nu, als het zóó is,” antwoordt zij,

„Dan heeft hij zijn pak slaag verdiend.

Maar toch, ik raad u aan, mijn vriend!

Ontwijk dien kerel; hoor naar mij.

Hij en zijn broêr zijn beiden slecht;

Ze zijn bekend, ook bij ’t gerecht;

Ook mompelt men,—ik weet het niet,—

Maar dat een moord eens is geschied,

Voor jaar en dag, diep in het woud,

Alleen door ’t oog van God aanschouwd.

Maar dit is zeker: na dat feit

Zonk deze hier in dierlijkheid,

En evenzeer is dit gewis,

Dat nu zijn broêr, die bakker is,

En op de markt daarginder woont,

Als man van midd’len zich vertoont.”

„Is dat zijn broeder?” zegt Johan,

„Dan vat ik alles nu er van:

De vent heeft vast zich willen wreken,

Omdat ik eens dien broêr van hem

Heb uitgeveegd, nog al met klem,

En flink langs de ooren heb gestreken.”

En nu vertelde hij ’t geval.

„Zoo, zoo? Ja wel: ’k begrijp het al,”

Zei toen de vrouw; „maar nog een keer

Moet ik u tot uw bestwil raden:

Bemoei u met die soort niet meer;

Zij kunnen niets doen, dan u schaden.

Maar, kom, mijn jongen! ga nu mee.”

Zij gaat naar boven met Johan,

En wijst hem daar een legersteê,

Waar hij dien nacht in slapen kan.

„Hier wensch ik, dat ge u neêr zult leggen:

Want niemand zal ooit mogen zeggen,

Dat in mijn huis de zoon van Snoet

Op stroo moest liggen. Slaap nu goed,

En wacht u voor dat laag gebroed.”

En toen Johan op ’t leger lag,

Herdacht hij nog eens weêr den dag.

Wat was er veel dien dag geschied!

Een dag van blijdschap en verdriet

Toen moeders liefde en vaders hand

Hem losmaakte uit den vroeg’ren band

En vrij en frank hem trekken liet,

Toen greep de wereld woest hem aan,

Woest, als een zee, wier wilde baren

Nu schuimend in de hoogte varen,

Dan dwarr’lend naar de diepte gaan.

Geen moeder is hem meer nabij.

Geen vader staat meer aan zijn zij.

Maar zachtkens vloeide een nieuwe min,

Tot hier hem vreemd, zijn boezem in;

En tevens viel de haat hem aan.

Toen zong de wereld in zijne ooren:

„Wat vroeger was, dat is verloren,

De kindsheid is voorbijgegaan.

Ik ben een groot betooverd slot,

En wien ik eenmaal binnenliet,

Die is geen heer meer van zijn lot;

Ik heb hem, en ’k ontsla hem niet;

Wie eens hier is, gaat niet licht voort;

Wie met mij ’t welkom heeft gedronken,

Die is aan mij als vastgeklonken;

Ook gij, Johan! ook gij behoort

Voortaan aan mij; span thans uw krachten,

Blijf nu maar streven, wenschen, trachten,

Of gij misschien het tooverwoord

Kunt vinden, dat van mijne poort

De sterke grendels kan verkrachten.”

Nu wordt het Hanne bang en naar;

Een zweetdrup hangt aan ieder haar;

En velerlei gedachten dringen

Zich in zijn hersens op elkaâr;

En kikkers kwaken, vogels zingen,—

’t Is in zijn hoofd een vreemd misbaar.

En ’t meest wordt hij beangstigd dàn,

Als hij zich vraagt: ben ik de man,

Die ’t groote woord ontdekken moet,—

Waarbij dat slot zich opendoet?—

„Slaap in, Johan! daar zijn er toch,

Die ’t vonden; slaap nu in, mijn kind!”

Zoo hoort hij, en nog eens, en nog;

’t Is, of de ruischende avondwind

Uit moeders mond dien groet hem bracht;—

En rustig sliep hij dòòr, dien nacht.

11.

’t Zal feest bij Jochem zijn vandaag;

’t Zal doopfeest zijn. Reeds staat hij daar

Voor zijne huisdeur kant en klaar,

Met gladden rok en schoonen kraag.

Nu drentelt hij eens op en neêr,

Een deuntje fluitend, en dan weêr

Kijkt hij eens binnen, of zijn vrouw

Haast in gereedheid wezen zou.

„Maakt voort wat, Lotje! of ge zijt

Niet klaar, als onze gasten komen.”

„Geen nood;—wij hebben nog wel tijd;

Leer toch dat ongeduld betoomen.

Als ’k eerst mijn haar heb opgestoken,

Dan zal ik daad’lijk koffie koken.”

En Jochem kijkt nu weêr eens buiten,

En staat een poosje weêr te fluiten,

Maar ziet dan weêr naar binnen; en

Hij spreekt: Misschien wel gist gij al,

Waarnaar ik zeer nieuwsgierig ben?

’k Meen, of hij zelf hier komen zal.”

„Wie?” vraagt zijn vrouw. „Welnu, komaan!

Mij dunkt, gij zult mij wel verstaan,

’k Wil toch eens naar den berg daar gaan;

Wellicht is hij daar in ’t gezicht.”

Maar, als hij weerkomt, zegt hij: „Neen!

Hem zag ik niet; ik zag alleen

De rietmosch, onze waarde nicht.”

„Dat dacht ik wel,” roept Lotje; „zij,

Zij is er steeds het eerste bij;

’t Is naar genoeg; zij is zoo druk

En babbelt me mijn ooren stuk.”

De rietmosch komt; en, ver nog weg,

Roept ze al: „Wel lieve neef, ik zeg,

Dat gaat hier vlug. Er is zoo’n feest

Hier in de maand van Maart geweest,

En nu al weer! Nu, dat kan gaan!

En wie zal nu als peter staan?

Maar, kom! ’k wil Lot mijn hulpe bieden.

Dag, nicht!—Wie wacht je? Welke lieden

Heb je uitgenoodigd dezen keer?

Is ’t goed, als ik wat broodjes smeer?

En wie zal doopen?—Laatst, bij mij

Was ’t doom’né Raaf, zooals je weet,

En Hop was daar als koster bij.

En bij de goudvinksvrouw, daar deed

Het doom’né Kraai; en ’k meen wel, dat

Hij koster Ekster bij zich had.”

„Wel, schepsel!” zei toen Lotje, „jij

Weet bijster goed, hoe alles is;

Maar als je soms gelooft, dat wij

Het als de goudvink zullen doen,

Dan, moet ik zeggen, heb je ’t mis;

Wij zijn gesteld op ons fatsoen.

Hier komt hij zelf;—omdat de man

Wel weet, wat hij hier wachten kan;

Beschaafde lui, daar houdt hij van.”

„Wat?” zegt nu nicht, geheel en al

Verbaasd, door ’t geen zij heeft vernomen;

„De consistoriaalraad zal

Dus zelf hier op het doopfeest komen?”

„Ja wel,” zegt Jochem, „in persoon

Zal hij de plechtigheid hier leiden;

En zanger Haan geeft ons den toon,

Als wij tot zingen ons bereiden.

En peters zullen de ooievaar,

De nachtegaal en kievit zijn.

Eerst had ik plan ook nog een paar

Van hoogen adel op ’t festijn

Te nooden, zooals uil en wouw

En havik; maar mijn lieve vrouw

Vond toch wel wat bezwaar daarin.

Wie weet niet, dat de nachtegaal

Zeer democratisch is van zin?

Dus, dat zou op ons plechtig maal

Allicht den vrede kunnen storen;

Personen, die niet saâm behooren,

Moet men niet brengen bij elkaâr;

’k Mag anders de adellijken wel,

Vooral de dames, zie je?—maar,

Ze hebben soms een vreemd gestel,

En dikwijls kan ’t niet veilig heeten,

Met deze lieden kersen te eten.”

„Ja,” antwoordt nicht, „maar toch, er is

Zoo iets voornaams in, en”— —„Wel wis!”

Zegt Jochem, „dat’s volkomen waar;

Maar, naar ik meen, heeft de ooievaar

Ook iets voornaams; en evenzeer

De gans; dus, nicht! wat wil je meer?”

„Die doet niet onder voor de besten,”

Roept Lotje nu, „die heeft zoo veel

Voornaamheid dat je al met een deel

Een matig varken vet zou mesten.”

Terwijl zij nog zoo redeneeren,

Komt de ooievaar, die, lief en goed

En minzaam, uit de hoogte groet;

Vervolgens, in hun mooiste kleêren,

De lijster en de nachtegaal,

De vink en koekoek; en, benevens

Den specht, de spreeuw en zwaluw; tevens

Verschenen tot het feest’lijk maal

De leeuw’rik, putter en patrijs,

En ook de kievit;—daarna kwamen

De kwikstaart met den ekster samen,

En meer nog;—elk op zijne wijs

Heel netjes uitgedost, in ’t grijs,

In ’t rood, in ’t geel, in ’t groen, in ’t blauw,

In ’t wit, in ’t zwart, in ’t bruin, in ’t grauw.

Alleen ontbrak de goudvinksvrouw;

’t Was Lotje’s vaste wil geweest,

Dat die niet komen zou op ’t feest.—

Nu zetten allen in een kring

Zich neer; en Lotje toont nu dezen,

En dan weer genen lieveling;

En al haar kroost wordt luid geprezen.

De rietmosch acht zich nu verplicht

Verklaringen daarbij te geven,

Alsmede een duid’lijk overzicht

Van àl de kind’ren, èn die leven,

Èn die al dood zijn. En daarna

Treedt Jochem in den kring. Zijn wezen

Geeft als in ied’ren trek te lezen

Één woord;—het schoone woord „papa”.

En al de gasten opgetogen,

Bezweren,—zeldzaam eensgezind,—

Met luider stem, bij ieder kind:

„Net Jochem! Net zijn neus en oogen!”

En de ooievaar staat op één been;—

Zoo schijnt hij ’t best te kunnen kijken,—

En ziet zoo langs zijn snavel heen,

En zegt heel deftig: „Waarlijk! ja!

’t Is waar, volkomen waar, papa!

Gij ziet uw beeld in allen prijken.”

En nu wil Jochem, zijn waardij

Van vader zich bewust, iets zeggen,

’t Verschijnsel nader uit gaan leggen,—

Maar kwikstaart roept: „Hij komt daar! hij!

Hij zelf;—kijk, kijk! dat is toch aardig.”

En allen nemen nu een waardig

En deftig, ernstig wezen aan.

De consistoriaalraad komt;

Men noemt hem den kalkoenschen haan:—

Zijn beenen eenigszins gekromd,

Hoogrood zijn nog al vol gelaat,

Zijn haren glad, eenvoudig vroom,

En ’t zwart en wijdgeplooid gewaad

Net afgepoetst van kraag tot zoom.

Aan zijne linkerzijde gaat

De gans, die hem heel veel doet hooren

Van haar verdiensten op ’t gebied

Der kerk, en telkens naar hem ziet

Als om te ontdekken, of hem niet

Zoo’n lief’lijke ijver zou bekoren.

Welnu, hij is ook zeer voldaan.—

Terwijl de twee zoo samengaan,

Is hooge vroomheid hun van voren

Heel klaar en duid’lijk aan te zien;

Van achteren zoo niet misschien.

Ten minste, dit zei zanger haan,

Die meêkwam,—maar hij achteraan,—

Dat zij, van achteren bekeken,

Wel iet of wat hoogmoedig leken.

„Maar,” sprak hij, „och! wat raakt het mij?

De wereld heeft graag zand in de oogen;

Welnu, zij worde dan bedrogen;

Maar, hoofdzaak is, daar blijf ik bij,

Dat men zich steeds behoorlijk voedt.”

Nu wendt hij zich tot zijne vrouw,

Die, hem tot eere en vreugd, heel trouw

Tien kuikentjes heeft uitgebroed:

„Vrouw! luister! Al het jonge goed

Moet paar aan paar hier vóór ons gaan,

En stemmig de oogen nederslaan;

En buig ook gij uw hoofd naar de aarde,

Zooals de gans nu; maar, mijn waarde!

Als ’t eten vóór ons klaar zal staan,

Dan val je maar recht dapper aan!”

En toen zij bij ’t gezelschap kwamen,

Toen groette, vol van welgevallen,

De consistoriaalraad allen;

Zelfs enk’len bij hun eigen namen.

Slechts vink en putter groet hij niet,

Want die beschouwt hij niet als vrinden

Ook kan hij geen behagen vinden

Zoo min in nachtegaal als lijster,

Omdat hij deze lui niet bijster

Getrouw bij zich ter kerke ziet.

Maar nu de gans! Wat vroom gemoed!

Wat reine blik! Hoe suikerzoet!

Gelijk een lichtstraal uit een wolk,

Zoo rust die blik op al dat volk,

Op al die slechten en verloor’nen;

Want zij behoort tot de uitverkoor’nen.

Zij zet met opzet nu zich neêr

Naast lijster en naast nachtegaal,

En trekt een zucht, met diepen haal,

Haar boezem uit, en nog eens weêr.

En zanger haan?—Ja zanger haan

Heeft als die and’re twee gedaan;

Hij is, verzeld van zijn gezin,

Het feestgezelschap ingetreden,

Het vroom gezicht, en zelfs zijn schreden,

Daar lag iets waardigs, plechtigs in.

Zijn oogen stonden streng en strak:

Maar lief zag hij ’t patrijsjen aan,

Een volle nicht van hem, en sprak:

„Och, nicht! wil ietwat verdergaan;

Dan kunnen hier mijn kind’ren staan.”

Als nu al de and’ren zijn gezeten,

Verheft zich de kalkoensche haan,

En vangt dan zijne toespraak aan,

’k Meen, uit Kronieken of Profeten.

Vervolgens wenscht hij nu te weten,

Hoe al de kind’ren moeten heeten.

Nu, daar had Jochem aan gedacht.—

Hij had een edel, fijn geslacht,

En meende daarom, eêl en fijn

Moest dan ook elk der namen zijn.

Dus: Oscar, Arthur, Boudewijn,

Had hij gekozen voor zijn zoons.

Melania en Olga kwamen

Hem daarbij voor als meisjesnamen,

Waar iets voornaams in lag en schoons.

Wat roept met donderend geluid

De consistoriaalraad uit:

„Zijn we in een Turksch of Heidensch land?

Of sloeg de waanzin je in ’t verstand?

Zal ik daartoe mijn hulpe bieden?

Zijn dat nu namen? Nimmer sprak

Van zulke namen de almanak!

Neen, Jochem! dat kan niet geschieden;

Dat bracht ook zeker onheil voort.”

En in ’t gezelschap bromde de een:

„Nu, zóó iets heb ik nooit gehoord.”

En de ander lispt: „Dat is door geen

Verstandig mensch ooit nog beweerd.”

Maar de ooievaar,—op ’t ééne’ been,—

Spreekt luid: „Ik heb al heel veel jaren

In wijsbegeerte gestudeerd;

En ’k zeg u, de philosophie....”

„Ik bid u, wil mijne ooren sparen!”

Zoo antwoordt nu de spreker, die

Daarbij heel rood wordt in ’t gezicht.

De gans het oog omhoog gericht,

Slaat zuchtende haar handen samen.

En and’ren anders weêr ontsticht,

Beweerden: al die troeb’len kwamen

Alleen ook door die gekke namen.

En nu, hoe liep dat eind’lijk af?

Dat Jochem and’re namen gaf,

Gansch and’re namen nu, dan die

Hij toch zoo edel vond en fijn

Melania werd Annemie;

Kris kwam in plaats van Boudewijn.

En zoo zou ’t ook met de and’ren zijn.

De doop is uit. Het feestmaal wacht.

Nu komt de haan eerst in zijn kracht,

Hij wenkt en pinkt en wijst en lokt,

Zijn vrouwtje komt en kloekt en klokt,

En ’t kroost, met neêrgebogen kop,

Vult zich den kinderlijken krop.

De gans, die met haar zondaarsmin,

Ook sterken lust voor koffie paart,

Drinkt zoet en zacht de teugjes in

Reeds van het derde kopje, en staart

Met wellust in het bruine nat,

Dat zij zoo lekker vindt, en dat,

Zoo zegt zij, alle kwade sappen

Weldadig uitdrijft uit het lijf,

En iemand gansch’lijk op kan knappen.

Soms gunt zij, maar heel stroef en stijf,

Aan wie zij naast zich ziet gezeten,

Een woordje; maar de nachtegaal

En lijster zwijgen, want zij weten

Geen weg in haar verheven taal.

Of neen, zij zwijgen niet, maar spreken

Heel stil: „’k Verlang naar ’t eind van ’t maal;

Want gasten van die soort verbreken

De vreugd van ’t feestelijkst onthaal.”

En allen, die niet volop aten,

Gevoelden samen, dat ze daar

Bijzonder akelig en naar,

En ongemeen vervelend zaten.

Maar de ekster en de rietmosch samen

Verhandelden zoo druk, zoo veel,

Dat bijna likdoorns in hun keel

En op hun tong en lippen kwamen.

Ten laatste neemt nu Jochem ’t woord,

Nadat hij eerst zijn das en boord

Heeft recht getrokken en een poos

Zich in de handen heeft staan wrijven:

„Geliefde vriendenschaar! Altoos

Zal ’t mij een zeldzame eere blijven,

Dat ’k u hier zien mocht; u vooral,

Eerwaarde heer!—en nu, ik wil

Niet vreezen, dat ’k u hind’ren zal,

Wanneer ik...” Hier hield Jochem stil;

Hij was den draad der toespraak kwijt.

Maar Lotje kwam en sprak: „Gij kunt

Nog wel eens op een ander tijd

Zoo’n toespraak houden. Maar, vergunt

’t Gezelschap mij eens even ’t woord,

Dan wil ik wel eens iets vertellen,

En ’k heb daarbij iets voor te stellen.

Nu dan, geachte vrienden, hoort!

Eens heeft de kleine Poedel mij

Gered uit zwaren angst en nood;

Zij toonde een ziel, zoo goed, als groot;

En ’k ben haar dankbaar. Nu is zij

Ontvlamd in laaien liefdegloed

Voor Hanne Nüte, of, beter, Snoet.

En ’k vraag u thans, wie hem en haar

Voor ramp wil hoeden en gevaar,

En meê wil werken, om die beiden

Geluk en zegen te bereiden,

En ze eens te maken tot een paar.”

Toen klonk op eens één enk’le schreeuw:

„Wij allen!” Daarop zei de spreeuw

Nog in ’t bijzonder: „Ja, dat moet!”

En voorts de kwartel: „Zoo is ’t goed!”

En toen de koekoek, vink en specht

En kievit: „Zeker! dat is recht!”

En nachtegaal en lijster zingen:

„Ja wel! Wij hoeden de gelieven,

Wij helpen hen in alle dingen,

Bezorgen hunne minnebrieven,

En dragen tevens kus en groet

Van hem naar haar, van haar naar hem.”

„Wat?” roept nu met een barsche stem,

De consistoriaalraad. „Moet

Dat zóó hier gaan?—Zoo rood, als bloed,

Is dit gezelschap!—Anders niet

Dan democraten, jacobijnen!

En wat hier een verbond wil schijnen

Is samenzwering. Ziet toch, ziet,

Met hoeveel wijsheid onze wet,

De staatswet, is inééngezet,

Die zooveel mogelijk ’t vermeêren

Der menschenmassa zoekt te keeren.

Met reden. Want een groot getal

Van menschen met en bij elkaâr,

Dat brengt het zekerst tot den val.

En ook, wat wordt er van een paar,

Dat zoo maar luchtig trouwen zal?

Eerst dan, wanneer de zeed’lijkheid

Van twee verloofden tal van jaren

Zich rein en zuiver bleef bewaren,

Eerst dan kan de echtelijke stand

Iets zijn, dat zegen hun bereidt

En heil aan ’t lieve vaderland.

Wat denkt gij? Dat ’k die jonge menschen

Zal helpen? Enkel hier maar om,

Dat zij zoo gaarne zouden wenschen

Te trouwen?—Neen! neen! niet zoo dom,

Niet zoo lichtzinnig zal ik wezen.

En,—allen, die hier samen zijt!

Gij hebt mijn toornigheid te vreezen,

Als gij aan zulk een zaak u wijdt;

Als gij niet ied’ren vriendschapsband,

Die u aan dezen Jochem bindt,

In wien ik nu een booswicht vind,

Terstond verscheurd met vaste hand.”

Hij draait zich om en hij vertrekt,

Den staart al pronkend uitgestrekt.

En nu de gans? Die krijgt een schrik,

Een schok, als drong er in haar vleesch

Op eens een diepe speldeprik.

„Wat?” roept zij, van ontroering heesch:

„Is ’t hier te doen om minnarij?

Foei! foei! daar blijf ik ook niet bij!—

Wacht, waarde vriend! ik ga met u.”

En zanger haan?—Ja, die moet nu,

Dat kan niet anders, ook vertrekken,

En duidt dit vrouw en kind’ren aan.

En de ekster en de rietmosch wekken

Elkaâr ook op, om heen te gaan;

Want, zeggen zij, nu gaan ze ontdekken,

Dat ze op onreinen bodem staan:

Ook kon een strafgericht hen slaan.

Zij rollen ’t breiwerk dus inéén,

En heel voornaam gaan beiden heen.

„Laat gaan maar!” roept nu zeer verheugd

De wachtelkoning. „Want de vreugd

Zal nu eerst recht zich kunnen uiten.”

„Die spellebrekers!” knort de vink.

En Jochem zegt: „Kom, Lotje, flink!

Breng eens wat fijnen wijn naar buiten,

En ook wat lekk’ren worst er bij.

Dan zal ’t eerst feest zijn, en dan zullen

De vrinden hier gezellig smullen,

En klinken samen, vrij en blij.”

En nu begint het zingen;—allen

Doen de oude, lieve liedjes schallen,

Die ze altijd zongen in hun jeugd,

Wanneer hun ’t harte was verheugd.

„Nachtegaal! ik zie je drinken

Uit het beekje, frisch en klaar,

En ik hoor je zangen klinken,

Honigzoet en wonderbaar.”

„Mijn liefste! Tusschen u en mij

Zijn bergen en zijn dalen;

Maar waar gij zijt, daar ruischt u toe

Het lied der nachtegalen.”

„Koekoek! zeg me eens even.

Als je ’t zeggen kunt,

Hoeveel jaren leven

Mij nog zijn gegund.”

„Zeg, kievit! waar blijf ik? Bij braamstruik en vlier;

Daar zing ik, daar spring ik, daar heb ik pleizier.”

Zoo vloeiden en zoo klonken daar

Veel blijde deuntjes door elkaâr.

Toen trok de waardige ooievaar

Recht vergenoegd één poot omhoog,—

’t Schijnt, dat het denken beter gaat,

En hij meer heeft aan oor en oog,

Wanneer hij in die houding staat,—

En zegt: „Nu voel ’k geen dwangbuis meer,

Nu kom ik tot mij zelven weêr,

Nu ongestoord mijn harte smaakt

De vreugd, waarop het is gemaakt.”—

Het zonlicht straalt en ’t koeltje stoeit

Met bloem en blad; ’t gebloemte bloeit,

En ’t vogelvolkje kweelt en zingt

Een lied, dat schel ten hemel dringt,

En ’t is alom, of God, de Heer,

Naar de aarde ziet, van boven neêr,

En roept: „Zing op en nog eens weêr!”

En alles, wat op de aarde leeft,

Met moeite kruipt of lustig zweeft,

Voelt, dat Gods vriend’lijk aangezicht

Heel ’t landschap toelacht en verlicht.

Maar— —plots’ling slaat Hij ’t venster dicht

En wendt van de aard Zijn oogblik af.

Die zooveel vroolijkheid haar gaf.

De donk’re wolken trekken woest

Langs ’t hemelvlak; de stormwind hoest

En steunt en gromt met zwaar gezucht,

En roeit zich op zijn zwarte vlucht,

Als somber nachtspook, door de lucht.

En, waar hij soms een wijle zwijgt,

Als een, die van vermoeidheid hijgt,

Daar barst hij plotseling weêr uit;

En, dreunend als ’t bazuingeluid

Van d’oordeelsdag, zoo hol en sterk,

Vliegt hij langs ’t veld en door het zwerk;

De bliksem schiet met wilde vaart;

Aan alle zijden neêr op de aard;

De donder rolt met dof geknal

Langs weide en woud en berg en dal,

Als stem des Heeren Zebaoth,

Die roept: „Ik ben een ijv’rig God!”

De voog’len, eerst zoo blij, beteug’len

Hun lust, terwijl zij hunne vleug’len

Deemoedig laten nederhangen,

Door bange ontsteltenis bevangen.

En,—tusschen ’t hout in staat een man,

Die ook het woord des Heeren hoort,

Dat krachtig en ontzettend woord;

En hij verschrikt en beeft er van;—

Maar toch verhardt hij zijn gemoed.

Zijn hand roofde eens des naasten goed,

Een hand, besmet met menschenbloed.

Nu wendt zijn strak en bleek gezicht,

Zoo stout, en toch zoo bang metéén,

Gedurig naar de plek zich heen,

Alwaar ’t verslagen offer ligt.

En telkens schiet de bliksem weêr

Juist op die plek al sissend neêr.

De musch roept uit: „Daar staat hij! Dáár!

De bakker is ’t,—die moordenaar!”

De kievit geeft zich op, omhoog,

En òm hem fladd’rend in een boog,

Vervult zij ’t luchtruim met den kreet:

„Een doodslag, waar ook ik van weet!”

„Verwenscht gedierte!” roept verstoord

De moordenaar; „voort! maak u voort!

Wat wilt gij? Wie aanschouwde mij?

Alleen de duivel was er bij.”

„Neen!” riep toen weêr der voog’len stem,

„Wij zagen ook, o moordenaar!

Uw doodslag en het lijk van hem:

Dáár ligt dat lijk! Daaronder! Dáár!”

De bakker werpt nu met een steen

En vloekt: „Vliegt naar den Satan heen!”

En, nauw ontglipt dit woord zijn mond,

Of weder schiet de bliksem rond.

De rijzige eik, die, vol van pracht,

Eene eeuw trotseerde door zijn kracht,

Valt, als een riet geknakt in ’t zand;

Terwijl des Heeren sterke hand

De teek’nen Zijner majesteit,

Maar ook van Zijne toornigheid,

Met vuur in rots en boomstam brandt.

De moordenaar zinkt duiz’lend neêr,

Maar ziet weêr op, verheft zich weêr,

En ijlt dan voort, voort, uit dit oord,

Door nacht en storm, voort! immer voort!

Het onweêr brult nog steeds door ’t woud;

De voog’len krijschen om hem heen,—

En ’t dringt hem als door merg en been:—

„Ja! in den hemel is er Een,

Die ook uw gruwel heeft aanschouwd.”

12.

„Ja,” zegt vrouw Smidt, „mijn lieve kind,

’k Heb maar twee kleintjes nu; ik vind,

Daar kan ons Doortje wel voor waken;

In tuinwerk en in and’re zaken

Biedt Kris mij hulp; en Fritsje hoedt

De schapen bij de boeren hier.

Daarom, ik kan op die manier

Jou nu ontberen; dus je moet

Gaan dienen.”—„O ja, moeder! goed,”

Zucht Fieken; „’k wil wel dienen gaan;

Als ’t maar niet ver is hier vandaan.”

„Neen, in de stad. De bakker kwam,

Hier gist’ren; en je vader nam

Toen met den voorslag, die hij deed,

Genoegen. Dus, mijn kind, je weet,

Bij wien je nu in dienst zult gaan.

Godspenning heeft hij ook gegeven.

Hier is het geld, hier! neem dan aan!”

Maar Fieken slaat op eens aan ’t beven,

En roept met bange en droeve stem:

„Ach, moeder, moeder! niet naar hem!

’k Wil alles doen, wat gij gebiedt,

Maar stuur mij niet naar dezen man!

Zaagt gij dan die gejaagdheid niet?

Die onrust in zijn oog? En dan,

Hoe krijschend was zijn stem!—O, neen!—

Zend mij naar dezen man niet heen!

Zoo leelijk! Ik verschrikte er van.

De dominé heeft mij gezegd;

Zoo’n soort van mensch is zeker slecht.

Nog in mijn droom heeft hij van nacht

Me in vreeselijken angst gebracht.”

En zacht, maar toch met kracht en klem,

Smeekt zij weêr telkens: Niet naar hem!”

„Wat?” is het antwoord, „kind! je maakt

Je een angst, die spoedig zal bedaren.

Is dat iets, om zoo uit te varen?

’t Is, of je ’t onweêr heeft geraakt!

Kom, kom! wat kinderpraat is dat?

Jou tast nog de herinn’ring aan

Van toen je bij de ganzen zat,

En toen hij boos was en wou slaan.

Denk daar niet om; dat is voorbij;

En wees verstandig; hoor naar mij.”—

En Poedel zucht en Poedel schreit;

En moeder gromt wel: „Kwaje meid!”

Maar voelt toch ook, Fiek is haar kind,

Dat zij met hart en ziel bemint.

Wat helpt dat echter? Arme menschen,—

’t Zij, dat ze ’t wenschen of niet wenschen,—

Die kunnen wel niet anders, dan

Hun kind’ren in de wereld zenden.

Zij hebben vaak veel leed daarvan;

Zij doen het vaak met bloedend hart.

O! als de rijken van die smart

Ook maar een klein gedeelte kenden,

Er iets van voelden, hoe het grieft,

Wanneer men wegstoot wat men lieft,

Ze zouden tot zoo’n kind zich wenden,

Om ’t aan te nemen en te hoeden,

Om ’t voort te helpen, op te voeden,

En denken, bij dat droevig lot:

Dat kind is ook een kind van God.—

Hanne Nüte en de kleine Poedel · 第 3 / 11 段