Ook de moeder, hoewel zwak, had begin April nog aan haar zoon
geschreven dat, al wenschte zij met al haar kracht herstel van vrede,
dit geen vrede moest zijn, die de arme Christenen in kommer en zorg
liet. Ja zelfs over Don Juan schreef ze hem deze woorden: "De Satan
kleedt zich in een schapenvacht, maar zal weldra een verscheurende
wolf zijn, waardoor de Christenen in groote droefheid zullen komen. In
weerwil van het aangenaam voorkomen van den schoonen en minzamen
Prins van Oostenrijk en zijn onbekrompen aanbiedingen, moet men den
verleider schuwen en het oor voor hem sluiten."
Te midden van den overstelpenden arbeid van Oranje op politiek
gebied, die wel in staat zou zijn geweest, hem zijn gemoedsrust te
ontrooven, moet het ook een weldaad voor hem geweest zijn, zulke
innig vriendelijke gedachten uit zijn geboorteplaats te vernemen. Het
doet ons zelfs weldadig aan, op dat vriendelijk tafereel te staren,
dat Graaf Jan hier aan zijn broeder beschrijft. Want hoe hoog ook
onze eerbied steeds moge stijgen voor het reuzengenie van Oranje,
hoe heerlijk ook voor onzen blik diens machtige geest zweeft boven
de bruisende wateren van staatkundige plannen en doeleinden, hier,
waar een beroep wordt gedaan op zijn kinderhart, om ter wille van
zijn verzwakkende moeder zijn dochter nog te blijven afstaan, daar
hooren we ook het hart kloppen van dien grooten geest en ook dit
doet ons wonder goed; we komen voor een wijle zelf tot verademing,
te midden van het vermoeiend verhaal zijner inspanning en werkzaamheid.
Niettegenstaande de luisterrijke blijde inkomst van Don Juan in
Brussel, gevoelde hij zich zelf toch alles behalve op zijn gemak. De
brieven, die hij naar Spanje schreef, waren geheel in strijd met zijn
vriendelijke houding, die hij tegenover de Nederlanders aannam. Nu
moet erkend worden, dat zijn positie ook lang niet benijdenswaardig
was. Naar het Noorden gekomen, in de hoop uitvoering te geven aan
zijn ridderlijk plan, Maria Stuart te gaan verlossen, zag hij zich
niet alleen in dien geheimen wensch geheel gedwarsboomd, maar hij
kende ook de gezindheid van het volk tegenover hem en vreesde niet
ten onrechte voor samenzweringen tegen zijn leven.
Hij wist, hoe Oranje door de bevolking van Brussel vereerd werd
en hij, die alleen op oorlogsroem hoopte, zag zich niet alleen
van alle soldaten beroofd, maar was verplicht de landvoogd te
zijn van een volk, dat hem eenvoudig de wetten stelde. Herhaalde
aanzoeken aan Filips, om ontslagen te worden van de landvoogdij,
met de opmerking, dat Margareta van Parma of een andere vrouw hier
beter op hare plaats zou zijn, werden door den koning geweigerd
of niet beantwoord. En nauwelijks was hij zoo plechtig ingehaald,
of de Staten-Generaal kwamen met een zestal nieuwe eischen tot hem,
die hij moest inwilligen, doch die hem hoe langer hoe meer de handen
bonden. Toch bleef hij aanvankelijk inschikkelijk en toegeeflijk en
begreep hij, allereerst met Oranje tot een schikking te moeten komen,
wilde er iets goeds door hem worden gedaan.
Wel was een zending van Leoninus in Maart naar Dordrecht, waar de
Prins zich toen ophield, even vruchteloos afgeloopen als diens bezoek
te Middelburg, maar de Staten-Generaal en Don Juan namen het besluit,
nog een poging aan te wenden, om Oranje te winnen.
In het midden van Mei gingen van de zijde van Don Juan de
volgende commissarissen naar Geertruidenberg: Aerschot, Hierges,
Willerval en Meetkercke, om met Leoninus en Gaspar Schets van
Grobbendonck, die reeds vooruit waren gezonden, de Staten-Generaal
te vertegenwoordigen. Van 's Prinsen zijde waren er behalve Oranje
zelf, Marnix, van Zuylen van Nijevelt, van der Myle, Coninck en
Vosbergen. Het voornaamste punt der besprekingen was, of Oranje het
Eeuwig Edict zou aannemen. De Prins beweerde echter, dat hij het
onmogelijk kon teekenen, omdat het Edict zich grondde op de Unie van
Brussel en deze Unie in strijd was met de bepalingen der Pacificatie.
"Over welk punt," vroeg Schets van Grobbendonck, "beklaagt gij u in het
bijzonder en in welk opzicht is de Gentsche Pacificatie geschonden?"
Op die vraag brak de Prins in een stroom van verwijten los. Hij wees
op zijn zoon, die in den vreemde werd gevangen gehouden; op zijn
Bredasche goederen, die men hem onthield; op de schending van oude
rechten en handvesten; op de verfoeilijke plakkaten, die naar het
heette geschorst, maar in werkelijkheid in volle kracht waren enz.
"Gij verwijt mij wantrouwen!" riep Oranje uit, "maar zoolang de
kasteelen van Antwerpen, Gent, Namen en zooveel anderen nog overeind
staan, zijt gij het, die blijken geeft, hoe weinig vertrouwen gij
hebt op eene duurzame en minnelijke schikking."
"En wat," vroeg de afgevaardigde, "wat is het punt dat u het naast
aan het hart ligt? Wat verlangt Uwe Excellentie het meest? Door welke
middelen kan de regeering u volkomen genoegdoening geven?"
"Ik wensch," gaf Oranje eenvoudig ten antwoord, "dat de Gentsche
Pacificatie in allen deele ten uitvoer wordt gebracht. Als gij het
algemeen welzijn des lands op het oog hebt, dan is het goed en dank
ik u. Zoo niet, dan is het vruchteloos eenig aanbod te doen, want ik
bedoel 's lands belang en niet het mijne."
Later zei de Prins, dat als de Staten-Generaal bijeengekomen zouden
zijn, de tijd eerst was aangebroken om de artikelen voor te stellen,
welke tot wederzijdsche zekerheid noodig waren.
Ook vroeg men den Prins welke waarborgen hij gaf tot nakoming der
Pacificatie.
"Wij zijn niet verplicht die waarborgen te geven," gaf hij ten
antwoord. "De Pacificatie is zelf een waarborg, want ze is eene
voorloopige schikking door beide partijen te onderhouden, totdat de
vergadering der Staten zal beslist hebben."
En toen een der afgevaardigden het vermoeden uitsprak dat de Prins,
na alles teruggekregen te hebben, den oorlog zou verklaren, gaf hij
ten antwoord:
"Den oorlog? Zijt ge daar bevreesd voor? Wij zijn maar een handvol
volks, een worm, vergeleken bij den koning van Spanje. Bovendien zijt
gij vijftien provinciën tegen twee, wat hebt ge dus te vreezen?"
"Maar," drong Schets aan, "belooft gij eerlijk, u aan alles te
onderwerpen, wat de Staten-Generaal zullen verordenen, ook ten opzichte
van den godsdienst?"
"Dat kan ik niet beloven," zei Oranje, "want gij hebt de Pacificatie
reeds geschonden, door zonder onze toestemming met Don Juan eene
overeenkomst aan te gaan en hem als landvoogd te erkennen."
"Gij zijt dus niet van zins, de beslissing der Staten aan te
nemen?" hernam Schets.
"Dat zeg ik niet; mogelijk wel, mogelijk niet; wij zijn niet meer in
ons geheel," antwoordde Oranje weer.
"Maar wij willen u in uw geheel brengen," zei Schets.
"Dat kunt gij niet," hernam de Prins, "want gij hebt de Pacificatie
geheel verscheurd. Wij hebben daarom van de Staten niets anders te
verwachten, dan kort en goed veroordeeld te worden."
Schets herhaalde nog eens de vraag, of de Prins niet voornemens was
zich op het gebied van den godsdienst aan de Staten te onderwerpen
en Oranje gaf het stellige antwoord:
"Neen! Zeker niet. Om u de waarheid te zeggen, wij zien, dat uw doel
is, ons uit te roeien en wij willen ons niet laten uitroeien." En
of Aerschot al suste: "Kom, kom! er is niemand, die dat wenscht," de
Prins bleef bij hetgeen hij gezegd had. We behoeven niet te zeggen,
dat de conferentie waarvan een trouw verslag is bewaard gebleven,
tot geen resultaten leidde. De Prins zou zich zelf niet geweest zijn,
indien hij zich had laten overreden tot het teekenen van het Eeuwig
Edict, dat zoovele nadeelige consequenties voor hem en voor Holland
en Zeeland in zich bevatte.
Merkwaardig is ook de brief, welke de Prins zelf in die dagen aan
Don Juan schreef. Oranje dankt o. a. Don Juan, dat hij hem zoo humaan
en zoo vol zorg den weg wil wijzen tot een rustig, zeker en eerlijk
leven, maar hij voegt daaraan deze ironische woorden toe: "waarin
voor u het hoogste geluk van dit sterfelijk leven schijnt te bestaan."
Waarschijnlijk had Don Juan hem wederom nieuwe beloften gedaan,
voor den Prins persoonlijk voordeelig.
Die woorden zijn op zich zelf genoeg, om alle verdachtmaking van den
edelen Oranje, waarmee hij nog tot heden vervolgd wordt, te niet te
doen. Geen rustig, gemakkelijk, weelderig leven begeerde de Prins
ooit; zijn geluk hing van geheel andere dingen, dan van uiterlijke
welvaart en rust af. Voor hem, die Oranje zulke aanbiedingen durfde
doen, mocht wellicht "le comble du bonheur" daarin zijn gelegen, voor
den Prins was geen geluk denkbaar, dan met de gewesten, die hem als
een vader liefhadden. Hij heeft er nooit aan gedacht zijn lot van dat
van Holland en Zeeland te scheiden--hij zou zich geen rust en geluk
kunnen voorstellen zonder dat hij, in den heftigsten strijd desnoods
voor de zijnen, den grond voor hun geluk en welvaart had gevonden.
Was zijn geheele brief aan Don Juan een meesterstuk van wantrouwende
en toch wellevende politiek, ook uit dat oogpunt is zijn schrijven
aan Schets van Grobbendonck merkwaardig. Deze beschuldigt den Prins,
dat hij zoo wantrouwend is, waarop Oranje antwoordt, dat evenals er
tusschen ware vrienden een goed vertrouwen moet bestaan, er tusschen
vijanden niets dan wantrouwen kan zijn. Wil men dat wegnemen, dan
moet de vijandschap, de oorzaak van het wantrouwen, ophouden. Welnu,
gaat de Prins voort, wij hebben een Pacificatie gemaakt niet minder
plechtig als heilzaam voor geheel het land. En wat zien we nu? Gij
lieden zijt van uw kant vol wantrouwen, want niet één punt ervan
brengt ge in vervulling; ge schendt haar dagelijks en doet alsof zij
nooit gemaakt, noch bezworen is.
Men ziet, dat men elkaar van wantrouwen beschuldigde, doch als men geen
bevooroordeelde meening omtrent den Zwijger is toegedaan, kan het niet
anders dan duidelijk zijn, dat het wantrouwen van den Prins in Don
Juan billijker grond had dan het wantrouwen van de Staten-Generaal
in den Prins, met wien de Pacificatie was gesloten, in de zekere
verwachting, dat al hare voorwaarden zouden worden opgevolgd.
Waar aldus het wantrouwen van beide zijden bleef bestaan, was de
kans op vernieuwing van den krijg zeer groot; beiden Don Juan en
Oranje waren daar op bedacht. Deze had daartoe dringend hulp noodig,
maar de vraag was waar die te vinden. Van Frankrijk was thans niets
te verwachten, want de hertog van Anjou had zich in den aanvang
van 1577 zelfs aan het hoofd der katholieken geplaatst en werd
hun aanvoerder tegen de Hugenoten! Met Engeland was de verhouding
echter beter; raadslieden in de omgeving van Elisabeth bepleitten
hare tusschenkomst voor Oranje en deze kwam de vorstin tegemoet in
geschillen over handelszaken.
Oranje's echtgenoote, Charlotte, had het leven aan eene tweede dochter
geschonken, die de Prins den naam van Elisabeth gaf. Toen nu Sidney, op
zijn terugreis uit Duitschland, waar hij namens de Engelsche koningin,
den nieuwen Keizer Rudolf was gaan begroeten, door Nederland kwam,
kreeg Sidney van Elisabeth in opdracht naar Oranje te gaan. Hij
moest den Prins niet alleen gelukwenschen met de geboorte van zijne
dochter, maar tevens als peet in naam van Elisabeth de doopplechtigheid
bijwonen. De Prins, hiermee zeer vereerd, maakte van deze ongezochte
gelegenheid gebruik om de zaak der Nederlanden bij de koningin aan te
bevelen. Hij droeg Sidney op, de vorstin voor te stellen een geheim
verbond met hem te sluiten. De havens van Holland en Zeeland en hunne
vloot zouden in elken oorlog van Elisabeth met Frankrijk of Spanje,
tot haar beschikking zijn; van haar kant zou ze jaarlijks geldelijke
hulp geven, terwijl haar onderdanen alle verkeer met de Spanjaarden
moest worden verboden en deze zich in Engelsche havens niet meer van
benoodigdheden mochten voorzien. De Prins waarschuwde Elisabeth ook
voor de plannen van Don Juan, welke zich mede tot Engeland uitstrekten.
Tegelijkertijd deed Wilson, Elisabeths agent te Brussel, haar ook
waarschuwen voor Don Juan op de hoede te zijn.
In een schrijven van Wilson aan Walsingham geeft hij berichten
over den gespannen toestand in de Nederlanden en daarin raadt hij
ook onderhandelingen te beginnen. Daarna vertelt Wilson nog van de
aanstaande komst van de Koningin van Navarre, Margareta van Valois
te Spa en hij hecht aan dat bezoek groote politieke beteekenis, al
gaat hij wat ver, het te vergelijken met de komst van haar moeder te
Bayonne, kort voor den Bartholomeusnacht.
Het zal later blijken, hoe goed Wilson op de hoogte was.
Reeds aanstonds na den vruchteloozen afloop van de bijeenkomst te
Geertruidenberg, schreef Don Juan aan den koning, dat volgens zijn
zienswijze de bevrediging der Nederlanden niet tot stand zou komen,
tenzij men weer den weg der zachtmoedigheid verliet en den oorlog
hervatte. Zijn raad was dan ook, de Spaansche soldaten onmiddellijk
weer terug te zenden. Dat was gemakkelijker gezegd dan gedaan,
want die soldaten waren ondertusschen ver van het land verwijderd
en Don Juan gevoelde zich in Brussel, zonder gewapende macht ter
zijner beschikking, niet meer veilig. De volksbeweging voor den
Prins nam in de hoofdstad toe, trots al de pogingen van Don Juan
om populair te worden. Berichten van aanslagen tegen zijn leven,
bereikten hem. De adel in het Zuiden bleef dubbelzinnig in zijn
houding; zij behoorde meerendeels tot hen, die zooals de Prins van
Oranje het uitdrukte, "tusschen twee wateren zochten te zwemmen." Het
Statenleger bleef nog bestaan en zijn gevoel van onmacht en wantrouwen
was zoo beklemmend, dat hij den 11en Juni Brussel verliet en zich naar
Mechelen verplaatste. Doch deze stad zou hem ook niet lang binnen hare
muren zien. Hij had andere plannen. Magareta van Valois ging naar Spa,
zoogenaamd voor haar gezondheid om er de baden te gebruiken, inderdaad
met de bedoeling, daar aanhangers te werven voor een nieuw optreden
van haar broeder, den hertog van Anjou. Deze vrouw daar te ontmoeten
en een schitterende ontvangst te bereiden, werd het voorwendsel van
Don Juan, ook Mechelen te verlaten en naar Namen te gaan, waar hij
zich bij verrassing meester ging maken van het kasteel.
't Was wel een zeer eigenaardige ontmoeting tusschen de geslepen
Magareta van Valois en Don Juan. Deze was meer dan ooit door de St
Bartholomeus-bruid bekoord, maar hij besefte volstrekt niet, dat haar
ware doel niet haar gezondheid betrof, maar wel de ondergeschikten
van Don Juan om te koopen en zijn gezag te ondermijnen. En Don Juan
zelf? Zijn hoofdbedoeling was niet de koningin het hof te maken,
neen, haar tegenwoordigheid moest juist dienen om zijn werkelijke
plannen te bedekken.
Toen Magareta in de richting van Luik verder was gereisd, bracht Don
Juan zijn plannen ten uitvoer.
Op den 24en Juli ging hij op de jacht en begeleid door Barlaimont
en zijn vier zonen, overrompelde hij den kasteelbewaarder Froymont,
wierp hem met zijn soldaten de poort uit en vestigde er zich met
de zijnen. Hij verklaarde toen, dat dit de eerste dag was van zijn
regeering, dat hij tot dien tijd toe niets had gehad dan een ijdelen
titel en dat hij genoodzaakt was voor zijn eigen veiligheid dien
maatregel te nemen. Hij zond aan de Staten en stadhouders bericht,
dat hij alle artikelen van de Pacificatie wilde uitvoeren, maar voor
zich zelf eischte: een lijfwacht, den eed van gehoorzaamheid van de
stadhouders en het krijgsvolk aan hem en niet aan den Staten-Generaal;
verwijdering van alle verdachte personen als Marnix e.a. en krijg tegen
den Prins, zoo deze weigerde te onderhandelen. Het moest volgens Don
Juan worden: voor of tegen Oranje. Tegelijkertijd trachtte hij meester
te worden van de citadel te Antwerpen, doch die poging mislukte en
ook met andere vestingen, die hij wilde veroveren, gelukte hem dit
niet beter.
Don Juans daad, hoe roekeloos ook, was niet onbegrijpelijk. Eer
verwondert het ons, dat deze trotsche ridder, die met zulke
hooggespannen verwachtingen naar het Noorden kwam, zich nog maanden
lang al de vernederingen heeft laten welgevallen, en tot zulk een daad
niet eerder de toevlucht nam. Doch hoe begrijpelijk ook, de daad zelf
bevestigde volkomen het wantrouwen van den Prins; zij rechtvaardigde
in de oogen van het gansche land den argwaan van Oranje. Al had hij
zelf ook mede het wantrouwen gevoed, van het oogenblik af, dat Don Juan
zich in zijn ware natuur deed kennen, rees zijn grootste tegenstander
steeds meer in de schatting van het geheele volk. Don Juans aanslag
op Namen werd de aanleiding tot de verheffing van den Prins.
Eenige dagen voor de verrassing van Namen, was Marnix namens den
Prins belast geweest, aan de Staten mededeeling te doen van zekere
in Frankrijk onderschepte brieven, waaruit de booze voornemens van
Don Juan ontmaskerd werden. "Alleen te vuur en te zwaard," had hij
den koning geschreven, konden de zaken hersteld worden, daar zachte
geneesmiddelen niet hadden gebaat. Het land werd met slavernij en
algemeenen ondergang bedreigd.
De Staten waren dus voldoende gewaarschuwd en de overrompeling
van Namen konden zij als het begin van de uitvoering zijner plannen
beschouwen. Bovendien, wat beteekende zijne verzekering, dat hij zich
aan de Pacificatie zou houden, indien toch de vrede niet werd bewaard
en Oranje moest worden bestreden. Juist de vrede was het hoofddoel
van het verdrag te Gent, waarnaar het zuiden niet minder verlangde
dan het Noorden. Geen wonder dan ook dat de Staten-Generaal zich
na den aanslag van Don Juan aanstonds met den Prins in betrekking
stelden. Deze had den 2en Augustus aan de Staten geschreven om zich
tegen den laster van den landvoogd te verdedigen, maar hem tevens te
doen voelen, dat de manier, waarop de citadel te Namen was genomen,
een duidelijke inbreuk was op den vrede, zoodat zij niets meer aan
hun landvoogd verplicht waren.
Don Juan zat, nu hij eenmaal het masker had afgeworpen, ook niet
stil. Aerschot, de man, die door geen der partijen vertrouwd werd,
ontnam hij het bevel over Antwerpen en droeg dit aan Treslong
op, een onvoorwaardelijk royalist. Verder trachtte hij Duitsche
huurtroepen naar Antwerpen te zenden, hetgeen echter mislukte, daar
de stad ze weigerde binnen te laten. Treslong kon het niet lang op de
citadel uithouden en daar vond men de geheime correspondentie van den
landvoogd, die de valschheid van al zijn verklaringen aan de Staten
openbaarde. De stad bleef echter bang voor de Duitsche huurtroepen
binnen zijn wallen.
Toen echter Admiraal Haultain, een van 's Prinsen commandanten,
de Schelde kwam opvaren, vluchtten de troepen, van schrik bevangen,
de stad uit naar Bergen op Zoom, waar ze de wapenen neerlegden en
naar Breda, waar ze het nog twee maanden uithielden. Hun kapitein
Fronsberg zond aan Don Juan een bode om instructies en deze beloofde
binnen 6 weken hulp. Dit antwoord viel echter in handen van den
Prins. Door middel van een verdichten brief, waarin Don Juan meldde,
dat hij geen hulp kon geven, stond het garnizoen tegen zijn leider op
en gaf hem met de geheele stad en met al hun wapenen aan de Staten
over; Breda opende de poorten voor de troepen van den Prins onder
Hohenlohe. Hetzij het werkelijk door middel van deze krijgslist
geschiedde, hetzij op andere wijze, 't voornaamste was dat op den
4en October 1577 de Duitsche voetknechten aftrokken en Hohenlohe nog
denzelfden dag, onder uitbundig vreugdebetoon, de stad binnentrok. Van
April 1567 af was de stad in handen der Spanjaarden geweest; nu, ruim
tien jaar later was de Prins vrij in zijn eigen stad terug te keeren.
Niet alleen in Breda, maar in verscheidene andere plaatsen van het
Noorden geraakte de bevolking in beweging ten gevolge van den aanslag
op Namen. Men riep van alle zijden om den Prins. Op het oogenblik
van den aanslag hield hij zich in Noord-Holland op, waar het herstel
der dijken zijn tegenwoordigheid had vereischt. Overal werd hij met
luide kreten van toejuiching begroet. "Vader Willem is gekomen,"
riep het volk elkander blijde tegen en waar hij werd ingeroepen,
daar oordeelde hij het ook het best, heen te gaan.
Onder de gouvernementen van den Prins, die groote behoefte aan
zijn persoonlijk optreden toonden, behoorde in de eerste plaats
Utrecht. Daar was sedert Februari 1577, toen de Spaansche bezetting
het kasteel had verlaten, nog steeds de vraag onopgelost gebleven,
wie er het stadhouderschap zou bekleeden. De meerderheid der bevolking
stond den Prins voor, maar er was ook een candidaat, die vooral door
de geestelijkheid gewenscht werd. Het gelukte ten slotte, de Staten
van Utrecht te bewegen, dat ze zich onder het bestuur van Oranje
zouden stellen. Toch bleven de onderhandelingen over de satisfactie
nog voortduren. Onderwijl werd het Utrechtsche kasteel onder het
gejuich en de medewerking der bevolking geslecht. Na den aanslag
van Don Juan echter werd de volksbeweging in de stad voor den Prins
zoo sterk, dat de hoplieden en de burgers van de Staten eischten,
den Prins als stadhouder te ontvangen.
Op den 18en Augustus kwam Oranje een feestelijk bezoek aan de stad
brengen. Er scheen reden te bestaan, hem een lijfwacht voor zijn
persoonlijke veiligheid aan te bieden, daar er vele Spaanschgezinden in
de stad waren. Doch de Prins toonde, gedragen door de welkomstgroeten
der bevolking geenerlei vrees; hij weigerde die lijfwacht en reed
aan de zijde van Charlotte de stad door te midden der juichkreten.
Een paar treffende voorvallen deden zich op dien tocht door
Utrecht voor. Eerst werd de Prins plotseling door een hard
voorwerp getroffen. Charlotte, meenende, dat er een schot op haar
geliefden echtgenoot was gelost, riep in haar doodsangst: "Wij zijn
verraden." Oranje ontdekte spoedig, dat het niets dan een prop was
uit een der kanonnen, die hem begroetten. "Het is heelemaal niets,"
met die woorden kalmeerde hij de Prinses en het opgewonden volk en
verzekerde hen, dat hij geheel ongedeerd was.
En dat was niet het eenig ongeval, dat er plaats had; een van
ernstiger aard zou nog volgen. Men verdrong zich overal aan de
vensters, om den Prins in 't voorbijgaan te zien; een jong meisje,
9 jaar oud, het dochtertje van een apotheker, leunde voorover en
werd op den grond geworpen, vlak voor de paarden, die het rijtuig
van den Prins trokken. Het was te laat, om ze tegen te houden. Het
arme kind kwam onder de hoeven der paarden terecht en stierf bijna
onmiddellijk. Oranje sprong uit de koets, nam zelf het verbrijzelde
lichaampje op, droeg het bij de troostelooze ouders binnen en sprak
hun eenige woorden van deelneming toe. Indien die twee voorvallen
werkelijk gebeurd zijn (en er is geen reden om dat te betwijfelen),
dan oefenden ze waarschijnlijk meer invloed uit om aanhangers van
Oranje te winnen, dan folio's argumenten zouden hebben kunnen doen.
Feitelijk als stadhouder erkend en gehuldigd, duurde het echter nog
tot October, eer de Staten-Generaal en de Raad van State daarin
toestemden. Men vreesde maar al te zeer voor de toeneming van
Oranje's macht.
In het Zuiden ontstond in verschillende plaatsen eveneens groote
beweging; vooral in Gent, Antwerpen en Brussel. In de laatste stad
vertoefde Marnix, die met Théron en Heze niets verzuimde, om het
volk aan te sporen, den Prins van Oranje te doen roepen. Deze bleef
voorloopig in Holland en schreef o. a. in Augustus een eigenhandigen
brief aan Marnix, waarin hij hem dankt voor al zijn goede diensten
aan de publieke zaak bewezen en vooral voor zijn pogingen, om de
Staten te overtuigen, dat de Prins in al zijn daden door zijn ijver
voor het algemeen welzijn beheerscht was.
Hij geeft verder zijn vreugde te kennen over het afbreken van de
citadel te Antwerpen en hoopt dat men daarmee door zal gaan. Aan het
slot van zijn schrijven geeft hij te kennen, dat het goed zal zijn Don
Juan van alle proviandeering, inzonderheid van koren af te sluiten,
want, zegt de Prins: "Laat men bedenken, dat elke dag een maand is;
ik zie overal de bewijzen, dat Don Juan al zijn krachten vergaderen
wil en dat hij een tweede waagstuk gaat ondernemen, gelijk gij lezen
kunt uit nevensgaanden brief van Mad. de Bailleu."
Inderdaad, Oranje gaf nauwkeurig acht op den tijd en wachtte den
loop der dingen af, zonder dien naar zijn wensch te willen dwingen;
hij bleef rustig in Holland. Had hij voor den aanslag op Namen alles
gedaan, wat hij kon, om het wantrouwen tegen Don Juan op te wekken,
nu dit door de feiten zelf was bevestigd, kon hij gerust den loop
der zaken, zonder zich op den voorgrond te plaatsen, afwachten. Hij
wilde zich voor geen prijs ter wereld aan het Zuiden opdringen; zelf
zouden ze tot hem in nood de toevlucht moeten nemen. Hij begreep
zeer goed, dat Don Juan zijn eigen graf had gedolven; de ontdekking
van zijn brieven in de citadel van Antwerpen had zelfs de harten van
hen, die hem zoogenaamd ondersteunden, verkoeld, terwijl de drukke
correspondentie tusschen hem en de Staten niet in staat was, hem
het vroegere vertrouwen terug te geven. Van de citadel te Namen uit
drong hij o. a. met kracht aan op zijn recht, om de afgevaardigden
van de Staten-Generaal te kiezen. Zijn bedoeling was, mannen als
Marnix te weren. De Staten antwoordden, dat zoo iets door geen van
zijn voorgangers ooit was gevraagd. Don Juan zag zich dan ook spoedig
genoodzaakt, zijn toon te matigen. Het geheele land stond tegenover
hem en de troepen, die hij terug ontboden had, waren nog niet eens op
den terugweg. Filips zelf keurde eerst zijn handelingen ten sterkste af
en verbood in den beginne, dat de troepen zouden teruggaan. Tegenover
zulk een wanhopigen landvoogd moest wel van dag tot dag de invloed
van Oranje rijzen. Dat beseften de Staten-Generaal ook wel en toch
trachtten zij zich nog eerst aan die noodzakelijkheid te onttrekken. Ze
zochten tijd te winnen en vleiden zich nog een poos, steun van den
Prins te zullen ontvangen, zonder hem het bestuur over hunne zaken
te geven. Doch die berekeningen, waarbij zeer vele persoonlijke
consideraties in het spel waren, vielen eindelijk in duigen.
De Prins nam, gelijk wij zeiden, een afwachtende houding aan. Toch
lag het in den aard der zaak, dat hij door middel van Marnix, zijn
vertegenwoordiger, met de Staten-Generaal te Brussel in contact
bleef. Hij liet in dezelfde maand Augustus door zijn vertrouwden
vriend en vertegenwoordiger verschillende punten in zijn naam aan de
Staten-Generaal voorstellen. Nu Don Juan zich niet meer zou kunnen
rechtvaardigen en evenmin zijn zaak goed maken, al zou hij dat ook
beproeven, raadde de Prins den Staten-Generaal, brieven te zenden naar
den Duitschen keizer en verschillende prinsen en graven van het rijk,
om hen van alles op de hoogte te brengen en hen van de billijkheid
hunner zaak te overtuigen. Oranje verwachtte goede uitwerking hiervan
en meende, dat de vorsten bereid zouden zijn, hulp en ondersteuning
te schenken.
Ook wekt hij de Staten op, het wantrouwen in den Prins te laten varen,
niet te denken, dat hij verandering in den godsdienst zou willen maken
en toch vooral te gelooven, dat de Prins alleen het gemeenschappelijk
heil op het oog heeft, n.l. den vijand te keer te gaan. En Oranje
waarschuwt voor Amsterdam, dat hem nog altijd niet wil erkennen,
neen integendeel met Don Juan heult. Over Amsterdam sprekende, zegt
hij hard, maar niet onverdiend: "als zij konden zwemmen en het volk
verdronk, ze zouden het rustig aanzien."
Ondertusschen begaf de Prins zich met het oog op de dingen, die
komen konden en die hij wel voorzag, dat ook gebeuren zouden, naar
Geertruidenberg, teneinde des te eerder bij de hand te zijn, als zijn
hulp werd ingeroepen. Aan Courteville, die van wege de Staten tot hem
kwam, gaf hij te kennen, dat alleen oorlog tegen den vreemdeling en
eendrachtig handelen, het geneesmiddel tot behoud is. Verder geeft
hij den Staten tal van dingen in overweging, welke naar zijn meening
moeten geschieden, o.a. teruggave van vele steden als Breda, den
Bosch, Roermond, Kampen, Deventer enz; een gezantschap naar Elisabeth;
heffing van geld, lichting van troepen enz.
De Staten dankten hem voor zijn raad en deelden hun vreugde mede,
dat hij te Geertruidenberg was gekomen, teneinde bij de hand te zijn,
als de verdediging van de gemeenschappelijke zaak noodig was.
De hoop op hulp van Elisabeth scheen thans gegrond. Zij zelf scheen,
na het verraad van Don Juan, bang voor zijn plannen en zond in
plaats van Wilson, William Davison, den beslisten tegenstander van
Spanje, als gezant naar Brussel. Hij kreeg last om in het openbaar
de verzekering te geven van Elisabeths geneigdheid tot bemiddeling,
doch onder de hand bij de "goede patriotten" het wantrouwen tegen
Don Juan aan te blazen en de inroeping van Oranje te bevorderen. Het
duurde nog tot het begin van 1578, eer Engeland werkelijk hulp zond.
Nog altijd was er in de Staten-Generaal een minderheid, die meer met
vrees, dan met hoop de overkomst van Oranje tegemoet zag. Zij had
gestemd tegen de slooping van de citadel te Antwerpen en het kasteel
van Gent en zij hoopte steeds den oorlog te vermijden en met Don Juan
als beschermer van het katholieke geloof en den wettigen landvoogd,
vrede te kunnen sluiten. In de eerste dagen van September kwamen er
allerlei onrustbarende tijdingen in Brussel over Don Juans toerustingen
en de hulp, die hij van den hertog van Guise te wachten had.
De burgerij kwam daardoor in heftige beroering en met meer aandrang dan
vroeger, riep deze nu om Oranje. De Prins werd als de eenige beschouwd,
die getoond had de Spanjaarden het hoofd te kunnen bieden. Verschil
in godsdienst mocht die komst niet beletten, want voor 't grootste
gedeelte waren de Brusselsche burgers katholiek. De geheele stad
telde niet meer dan 800 Calvinisten. Maar hetzij dan Calvinistisch
of Katholiek, de Prins van Oranje alleen was in staat de orde te
herstellen en den Spanjaard te keer te gaan.
Onder dien aandrang van het volk, viel op den 6en September het besluit
der Staten-Generaal om den Prins in te roepen. Een commissie werd
aangewezen, hem persoonlijk dit verzoek over te brengen. Onnoodig
is het te zeggen dat die commissie een willig oor vond bij Oranje;
hij gaf haar de verzekering, alles in het werk te zullen stellen,
om, zelfs met opoffering van bloed en leven, het vaderland te behouden.
In het adres van de commissie was tevens gevraagd, of de Prins de
uitoefening van den katholieken godsdienst ook in Holland en Zeeland
zou toestaan, maar daarop gaf hij ten antwoord, dat dit niet in de
Pacificatie stond, maar door hem in overleg met de Staten zou worden
overdacht. Zijn plichten tegenover Holland en Zeeland noodzaakten
hem niets te doen, zonder toestemming van de Staten. Hij beloofde
plechtig, dat door hem noch door Holland en Zeeland eenige aanval op
den katholieken godsdienst in andere gewesten zou gedaan worden.
Wel zag men Oranje in Holland en Zeeland, waar hij nu vijf jaren
achtereen had gewoond en gewerkt, waar zijn populariteit met den dag
was gestegen en waar men hem als den vader des vaderlands beschouwde,
slechts noode vertrekken. Bekommering en angst maken zich meester
niet alleen van zijne edele vrouw Charlotte van Bourbon, maar ook van
tallooze regenten en mannen uit het volk, bij de gedachte, dat hun
leider hen ging verlaten. Doch de Prins mocht niet anders handelen,
dat begrepen ze ook zelve wel. De Staten in Gouda verzameld, gaven
hun goedkeuring; eerstdaags verwachtten ze Graaf Jan van Nassau, 's
Prinsen broeder, uit Dillenburg, die hem tijdelijk zou vervangen. Den
18en September ging Oranje naar Antwerpen.
Nog werd er een laatste poging aangewend door de minderheid
der Staten-Generaal, om de komst van Oranje in Brussel tegen te
houden. Gaspar Schets en de bisschop van Brugge waren de overbrengers
van een ultimatum aan den landvoogd, waardoor men meende, den oorlog
nog te kunnen vermijden. Van Don Juan werd geëischt: ontruiming van
Namen, ontbinding van het leger, dat hij bezig was te verzamelen; zijn
vertrek naar Luxemburg, totdat de koning een anderen landvoogd benoemd
had, of overdracht der regeering aan den Raad van State. Wanhopig
over het stilzwijgen van Filips II, stemde Don Juan in al de
vernederende voorwaarden toe. De gezanten kwamen uit Namen terug
en op 23 September keurde een onvoltallige vergadering dit verdrag,
aan Don Juan afgeperst, goed.
Doch op dienzelfden 23en September verscheen de Prins in Brussel. Een
commissie uit de Staten-Generaal was hem in Antwerpen komen begroeten
en had hem sterk aangeraden, zijn reis naar de hoofdstad voort te
zetten. Het gaan daarheen was een ware triomftocht.
In drie barges werd Oranje en zijn gevolg langs het kanaal van
Antwerpen naar Brussel gebracht. Driehonderd gewapende Antwerpenaren
begeleidden den stoet. De gewapende burgerij, 26 vendels, 4000 man
sterk, wachtte hem op aan de poorten der stad. Aan de landingsplaats
werd hij verwelkomd door Aerschot en tal van edelen, waarna de optocht
aanving door de rijk versierde stad. De tien-jarige oorlog had den
Vlamingen den lust in zinnebeelden en allegorieën bij zulk een feest
niet benomen. De straten waren met groen versierd en met tapijten
bedekt. Eerebogen en allerlei versieringen vertolkten de vreugde der
bevolking; de eerewijn werd "den hersteller en verdediger der vrijheid
van het vaderland" aangeboden en daarop werd hij geleid naar zijn
eigen paleis, naar het paleis zijner vaderen, dat thans hersteld was,
om den balling zoo eervol mogelijk te ontvangen.
Hoe moet het hart van den Prins op dien dag geklopt hebben, toen hij
Brussel na tien-jarige afwezigheid weerom zag en daar ontvangen werd
als een souverein. Wat was er in dien tijd niet over zijn hoofd en hart
heengegaan. Toen vluchtende voor de naderende komst van Alva en thans
ingehaald en verwelkomd als de redder des lands. Wat hij in die dagen
had gewenscht en hem bij de Pacificatie van Gent was toegezegd, scheen
thans bereikt: de Nederlanden tegen Spanje en zijn landvoogd vereenigd.
Had hij Brussel moeten vaarwel zeggen in 1567, te recht bevreesd voor
de wraak van een landvoogd, nu was er een andere landvoogd die wel
eenige maanden geleden ook in Brussel was ingehaald, maar die thans
als het ware gevlucht was voor hem of liever voor den vrijheidsgeest,
die het geheele volk bezielde.
Thans waren al de teleurstellingen vergeten, die hem in de jaren
van het Zuiden ten deel waren gevallen; ook die gesloten poorten der
steden, die hem noch in 1568, noch in 1572 wilden ontvangen. Eindelijk
was het volk aan zich zelf teruggegeven; zijn oogen waren opengegaan
voor de redding, die hij kon aanbrengen. O glorievolle dag, die 23e
September 1577, toen de ketter en de rebel, toen de balling en de door
de wet veroordeelde en verdrevene als redder des lands werd ingehaald,
op grond van zijn grooten en welverdienden naam, dien hij zich in
het Noorden van het land had verworven.
De vader des vaderlands scheen zijn ideaal: het vereenigd Noord en
Zuid, te hebben verwezenlijkt.
Zou de eerste nacht, nadat Aerschot met hem den avondmaaltijd gebruikt
had in het oude paleis der Nassau's, zonder eenigen angstigen droom
zijn voorbijgegaan? Wij weten het niet, maar de volgende hoofdstukken
zullen ons bewijzen, dat er althans reden genoeg voor hem bestond
een onrustigen nacht door te maken.