HOOFDSTUK XXV.

FAMILIEBANDEN. ORANJE'S VERHEFFING. TWEEDE UNIE VAN BRUSSEL. INTOCHT

VAN MATTHIAS. 1577-1578.

Terwijl wij den Prins dien eersten nacht in het Nassau-paleis zijner

vaderen laten rusten op zijne lauweren, droomende van den schoonen

triomf door hem behaald, misschien ook van de nieuwe zorgen die hem

wachtten, gaan we een oogenblik naar de zijnen terug, die hij in

Holland had achtergelaten.

De brief van Jan van Nassau, in de maand Mei aan den Prins gericht,

met het verzoek om zijn oudste dochter Marie nog een tijdlang bij

zijn oude moeder Juliana te laten, was op den 18en Juni door Oranje

beantwoord. Hij laat door middel van een bode aan Jan zeggen, dat

hij groot verlangen heeft zijn dochter te zien, vooral omdat hij niet

weet hoe zijne zaken zullen loopen. Althans voor een poos verzoekt hij

zijn broer haar te zenden voor enkele zaken, die hij met Marie heeft

te bespreken. Indien zijn zoon Maurits uit Heidelberg is teruggekeerd,

dan zou Oranje wel wenschen dat deze met zijn zuster meekwam. De Prins

hoopt van harte, dat Jan het vertrek van Marie zal kunnen goedkeuren.

Voor korten tijd had Jan daar blijkbaar niet op tegen. In September,

toen de Prins naar Brussel werd ontboden en hij den Staten beloofd had,

dat in zijn afwezigheid graaf van Nassau hem zou vertegenwoordigen,

kwam Jan met drie kinderen van den Prins, Marie, Maurits en Anna aan

en werden zij te Geertruidenberg door Charlotte van Bourbon hartelijk

verwelkomd.

Toen de Prins naar Brussel gegaan was, verliet Charlotte met al hare

kinderen de laatstgenoemde plaats en ging naar Dordrecht. Vandaar

schreef ze tal van brieven aan haar echtgenoot, vol van zorg en vrees

voor zijn gezondheid en leven. Ze smeekte hem toch naar een veiliger

plaats dan Brussel te gaan, een wensch waarmee geheel Holland het

eens was.

Hoe ze hem op de hoogte hield van al de bijzondere

familieaangelegenheden, blijkt wel duidelijk uit de aardige brieven,

welke ze in de eerste dagen van October aan den Prins schreef. Op den

2en October meldt Charlotte hem, dat ze in Dordrecht is aangekomen,

waar ze hun dochtertjes in goede gezondheid heeft aangetroffen. Ze

doet mededeeling van de wijze waarop ze gehuisvest zijn en zegt, dat

de groote kinderen erg hopen, dat hij spoedig terug zal komen. Dit is

ook de wensch van de Landsstaten, zegt zijne vrouw, want zij meenen dat

Oranje even goed en veel veiliger uit Dordrecht raad zou geven. Verder

doet zij hem allerlei vragen omtrent het salaris van den gouverneur

van zijn zoon en herinnert hem, de koningin van Engeland te bedanken

voor al de door haar bewezen diensten.

Twee dagen later schrijft Charlotte over het groote nieuws van de

overgave der stad Breda. Fronsberg en zijn Duitsche troepen, die de

stad voor Don Juan nog steeds in bezit hielden, hadden zich gelukkig

verwijderd. Ze hadden heel wat schade aan het paleis van den Prins

veroorzaakt. De burgers van Breda waren ten hoogste verblijd, dat ze

nu weer onder hun eigen heer kwamen en ze rekenden er zoo zeker op,

dat de Prins en zijne familie daar den winter zouden doorbrengen,

dat er reeds voor een provisie turf gezorgd was. Charlotte vraagt

daarover bericht van haar echtgenoot, erbij vermeldende, dat ze zorgen

zal gereed te zijn om onmiddellijk te vertrekken.

Den 8en October schrijft ze van uit Dordrecht het volgende briefje,

vol zorg over het leven en de gezondheid van den Prins:

"Monseigneur!

Ik zou wel wenschen zeker te zijn, dat gij niet meer zoo

dikwijls buiten uwe woning des avonds gingt eten; de burgers

zijn daarover zeer verstoord (uit vrees dat de Prins zijn

leven te veel zou blootstellen). Ik bid u, toch een weinig

meer zorg te dragen voor hetgeen tot uw behoud kan strekken,

ook zou ik zeer wenschen te weten, of de Staten u niet eenige

uitoefening van godsdienst, hetzij in 't geheim of op een

andere manier hebben veroorloofd, want ik begrijp niet,

Mons., hoe gij zonder dat langer kunt blijven. Ik weet wel,

dat gij er aan denkt, maar het verlangen, dat God steeds meer

en meer uw arbeid zal zegenen, geeft mij de stoutmoedigheid,

u dit woord te schrijven. Ik zou wel willen, dat Mons. eens een

reis naar Breda kon doen, want ik weet niet, of het goed zal

zijn van die dingen te spreken, terwijl gij in Brussel zijt."

In dezelfde dagen meldt Charlotte Oranje de aankomst van zijn broeder

Jan en de ontvangst van 's Prinsen brieven. Zij deelt mede, hoe

verheugd het volk was over die komst en hoe zij en de meisjes met

den graaf hebben gegeten en samen op de gezondheid van den Prins

hebben gedronken. Eensdeels had de komst van Oranje's broeder in

het land wel het doel om aan te dringen op de teruggave der door hem

voorgeschoten gelden, maar vooral was die komst een gevolg van den

wensch van den Prins, zijn broeder Jan als zijn plaatsvervanger te

doen optreden. Charlotte schrijft nog in dien brief over een geschenk,

dat de burgers hem hadden aangeboden, doch ze had liever gezien,

dat al de steden te zamen hem die attentie hadden bewezen. Welk een

innig goede geest er heerschte in den stillen kring met Charlotte

aan het hoofd, blijkt o. a. uit deze woorden van dien brief:

"Wij, uwe dochters en ik, wij zullen trachten zoo geduldig

mogelijk te zijn, hoe moeilijk ons dit ook zal vallen, als uw

broeder weer zal zijn vertrokken, want terwijl hij hier is,

schijnt het ons toe, alsof ook gij niet afwezig zijt. Ik

versterk mij met uwe hoop, Mons., dat de zaken een beteren

loop zullen nemen, al ben ik ook verwonderd, dat het nog niet

gekomen is tot eene beslissing, want het is, dunkt mij, meer

dan tijd; ik meen dat dat kleine oponthoud de goede zaak toch

zal bevorderen... Voor het overige, Mons. heb ik uw groeten

aan onze dochters overgebracht, die zich zeer nederig in uw

goede gunst aanbevolen houden. Wij houden veel van elkaar;

ze hebben allen groote zorg voor de kleintjes. Allen maken

ze het wel. Maurits wordt elken morgen en elken avond door

den chirurgijn behandeld.

Uwe

C. DE BOURBON.

Enkele dagen later schrijft zij nog:

"Ik heb het geschenk ontvangen, dat gij mij van de koningin

hebt gezonden. Ik vind dat heel mooi. Wat de beteekenis van

de hagedis is, men zegt immers dat het een eigenschap van haar

is, een slapend mensch, die bedreigd wordt door eene slang te

worden gebeten, te wekken. Ik denk dat dit op u toepasselijk

is, Monseigneur, die de Staten wekt, opdat zij niet gebeten

worden. God wake door zijn gunst, dat gij hen tegen de slang

kunt behoeden."

Welk een geestvol gezegde van Oranje's derde gemalin omtrent

zijne roeping tegenover Don Juan en de Staten. Al mocht zij geen

rechtstreekschen invloed hebben op zijn staatkunde, door dergelijke

fijne gezegden werkte zij toch heilzaam op den geest van den Prins,

evenals het voor hem, die thans op zulk een zware post was geplaatst,

een weldaad was, te kunnen denken aan de veiligheid van de zijnen

onder de hoede zijner derde vrouw.

Op den 10en October schrijft ze hem, dat ze eerstdaags naar Breda

zal vertrekken en hem daar persoonlijk hoopt te ontmoeten. Ze hoopt

van te voren nog bericht te ontvangen, hoe zij zich in Breda met de

uitoefening van den godsdienst moet gedragen. Daar gekomen, schrijft

zij nog, dat de inachtneming van de artikelen der Pacificatie van

Gent haar het hoofd breekt en dat ze hoopt, dat de Prins zelf spoedig

daarin zal voorzien. Ondertusschen is de predikant Mr. Taffin in

Dordrecht gebleven, totdat de wil van den Prins hem zal worden kenbaar

gemaakt. Hoeveel schade er ook aan het paleis in Breda is veroorzaakt

door de bende van Fronsberg, Charlotte schreef, dat zij het huis in

beter staat had aangetroffen, dan ze had kunnen verwachten. Men was

druk bezig het op te knappen en het een netter aanzien te geven.

Het beeld van de hagedis, waarmee de Prins zoo geestig door Charlotte

werd vergeleken, was door hem van zijn eerste optreden af tegenover

Don Juan daadwerkelijk toegepast. Zulk een hagedis, die de Staten

moest blijven wekken, om te ontkomen aan de beet van de slang, bleef

hij van het eerste oogenblik, dat hij zich in Brussel bevond. Hij

mocht met blij gemoed de toejuichingen der bevolking hebben ingeoogst

op den dag zijner joyeuse entrée; zijn eerste werk moest zijn, den

laatsten listigen zet van Spanje's landvoogd te vernietigen.

Wij zagen hoe Don Juan, ten einde raad, had toegestemd in al de

eischen, die de minderheid der Staten-Generaal hem nog ter elfder

ure had gesteld en hoe een onvoltallige vergadering dier Staten op

den dag van 's Prinsen binnenkomst in Brussel, dat eindverdrag had

goedgekeurd. Oranje's eerste werk moest wezen, dat genomen besluit

te vernietigen en andere voorwaarden aan Don Juan te stellen, waaraan

hij zich zeker wel niet zou onderwerpen.

De vergadering begon met den Prins een hartelijk welkom toe te

roepen en deze antwoordde daarop, dat geen eerzucht, maar liefde

tot het vaderland hem had bewogen hun roepstem op te volgen, dat

hij niet van zins was, eenige verandering in de regeering of den

godsdienst te brengen en alleen begeerde den vrede te bevestigen,

door getrouw het Gentsche verdrag ten uitvoer te brengen. Na die

officieele begroeting volgde aanstonds eene langdurige en heftige

discussie over de voorwaarden, die de Prins meende, dat aan de

artikelen door Don Juan te onderteekenen, moesten worden toegevoegd. De

voorwaarden waren, dat alle beambten, die zich aan Don Juans partij

hadden aangesloten, moesten geschorst worden tot de vergadering der

Staten-Generaal. De graaf van Buren zou zoo spoedig mogelijk uit de

Spaansche gevangenschap moeten worden ontslagen. De koningin van

Engeland wilde men als beschermvrouw van het verdrag inroepen en

de benoeming van den Raad van State zou geschieden, niet door den

landvoogd, maar door de Staten-Generaal.

In alles was de hand van Oranje zichtbaar. Blijkbaar begreep de

Prins, dat Don Juan zich die vernederende voorwaarden niet zou laten

welgevallen; en toen ze hem dan ook werden voorgesteld, overlaadde

hij de gezanten met scheldwoorden en verweet hij hun, dat ze den

Prins hadden ingehaald. Daar alle pogingen tot verzoening mislukten,

meldden de Staten-Generaal op den 8en October aan den landvoogd,

dat ze hem niet meer erkenden en ze verzochten hem naar Luxemburg

terug te gaan. Dit deed Don Juan, maar vandaar schreef hij ook

naar Brussel in zeer oorlogzuchtigen geest. Hij antwoordde, dat hij

bericht had ontvangen van den terugkeer der Spaansche troepen. Toen

werd in Brussel voorgesteld, de onderhandeling af te breken en al

drong de vredespartij nog op bemiddeling aan, de meening van Oranje

zegevierde. Alle kans op eene verzoening met Don Juan was verdwenen

en daarmede was de oorlog weer zoo goed als uitgebroken.

Evenmin als Don Juan op dat oogenblik, waren de Staten tot den oorlog

gereed. Een gedeelte van hen hoopte op steun van Elisabeth, waartoe de

kans in die dagen niet slecht stond en ook Oranje met de zijnen waren

ernstig in de weer, van die zijde geld en hulptroepen te ontvangen. Een

ander gedeelte waaronder Lalaing, de Henegouwsche stadhouder, was

tegen Engelsche inmenging en hoopte op hulp van Frankrijk, zoodat

men van die zijde ook door middel van Margareta van Valois, die nog

altijd in Spa was, voor de belangen van den hertog van Anjou ijverde.

De Prins was hiermede op de hoogte en wist wel, dat men ook Anjou

zocht te winnen uit vrees dat deze Don Juan zou gaan helpen.

Evenmin was het Oranje onbekend gebleven, dat ook een deel der edelen,

vooral op aandrang van Aerschot, zich in het geheim in betrekking

had gesteld met Matthias, aartshertog van Oostenrijk en broeder van

Keizer Rudolf. Oranje keurde dit niet geheel af, mits enkele heeren

van het land hem als zijn raad werden toegevoegd. Aerschot had bij

dezen pretendent eene dubbele bedoeling; vooreerst was het vrees voor

de macht van den Prins, dat hij Matthias gaarne in het land zag, maar

tevens hoopte hij, dat Filips zijn neef zou erkennen als opvolger

van Don Juan, zoodat het land dan toch onder de souvereiniteit van

den koning van Spanje bleef.

De heer van Maelstede werd met eene zending naar Weenen belast,

om in naam van Aerschot en de zijnen de boodschap aan Matthias over

te brengen. Hoe eigenaardig de opdracht ook was welke men hem kwam

aanbieden, nog wel uit naam van een zwakke partij, die het recht

niet bezat zoo iets te doen, het avontuurlijke scheen den jongen

man zoo aan te lokken, dat hij zich maar kort bedacht. Reeds in

den nacht van 3 op 4 October verliet hij vermomd het paleis en

wist zoo Weenen te verlaten; weinige dagen later zien wij hem in

de Nederlanden. Waarschijnlijk was keizer Rudolf niet onbekend met

de onderneming van zijn broer, maar tegenover Filips II deed hij,

alsof hij niets van de zaak wist. Volgens enkelen had Matthias van

de diepen slaap van Rudolf gebruik gemaakt om de kamer, waar ook hij

sliep, te verlaten, maar volgens anderen was Rudolf wakker en bleek

ook dit slechts een voorwendsel.

Den 9en October gaf Aerschot den Staten-Generaal kennis van de

aanstaande komst van Matthias, die reeds op reis was. Die mededeeling

was voor de Staten natuurlijk eene groote verrassing en ook de

Prins, die er den laatsten tijd niets meer van gehoord had, was

onaangenaam door die tijding getroffen. Hij begreep best, dat die

geheele onderhandeling met Matthias was voortgekomen uit den wensch,

zijn invloed tegen te gaan, maar ook hinderde het hem op die wijze

met Filips II op goeden voet te blijven; ten slotte wat zou deze

twintigjarige Duitscher zonder ondervinding, macht of geld in den

oorlog, welke nu weer aanstaande was, kunnen uitrichten? Vooral nu de

Prins eenmaal te Brussel was, zou de plotselinge komst van Matthias den

geest van tegenstand versterken en zijn eigen invloed verzwakken. Wat

zou bovendien Engeland er wel van zeggen?

Verstandig als Oranje was, verzette hij zich echter thans niet meer,

maar wist de Staten te bewegen voorwaarden op te stellen, waaronder

men Matthias als landvoogd zou erkennen. Dat dit niet naar den zin

van Aerschot was, valt te begrijpen, maar de raad van Oranje behield

de overhand.

De nieuwe landvoogd, die inmiddels tot Maastricht genaderd was,

werd verzocht zich tot nader order naar Lier te begeven. Hieraan

gaf hij gehoor, doch verwisselde later Lier met Antwerpen, teneinde

gemakkelijker met Brussel te kunnen onderhandelen.

Ondertusschen was er in de laatste helft van October veel gebeurd,

dat de staat van zaken belangrijk wijzigde. Aerschot mocht in de

meening verkeeren, dat hij door Matthias binnen te halen, Oranje's

invloed kon verminderen, het volk was er ook nog. Wij kunnen ons in

den tegenwoordigen tijd vooral, eene beste voorstelling vormen van

den onweerstaanbaren invloed van democratische bewegingen. Zij zijn

onvermijdelijk in sommige tijdperken, zij beheerschen dan de geheele

maatschappij, de geheele staatkunde.

Zoo was het ook in die dagen in Zuid-Nederland; in de steden breidde

zich met onweerstaanbare kracht de democratische beweging van dag

tot dag uit en dit was niet anders, dan een natuurlijk gevolg van de

tijdsomstandigheden. Sedert de Spaansche furie in Antwerpen en niet

minder sedert Don Juans staatsgreep te Namen, was de burgerij in de

wapens. Men had genoeg geleden van de Spanjaarden, dat was de algemeene

overtuiging en al had men liever den vrede gewenscht dan voortzetting

van den krijg, thans wilden de burgers niet anders dan met de wapens

in de hand den mogelijk terugkeerenden Spanjaard bevechten. Aan de

slooping der kasteelen had de burgerij met wellust deelgenomen. Wie

ooit de bijzonderheden van die slooping van het Vredenburg te Utrecht

heeft gelezen, weet, hoe het volk, mannen en vrouwen beiden, daaraan

deelnamen. De stedelijke besturen werden hier en daar niet vertrouwd,

maar de burgerij noodzaakte ze toe te geven. Daarbij duurde de

stilstand in handel en landbouw voort; dat gold toch belangen,

die het volk in zijn geheel raakten. Men bleef belastingen heffen;

was het wonder, dat ook dit misnoegen verwekte? Er moest verandering

komen. Het volk zelf moest aandeel in het bewind verkrijgen, het

kostte wat het wilde. En zoo was men van zelf--hoe kon het anders,

in de zee der democratie gekomen.

En die denkbeelden gingen nog buiten den godsdienst om; daarover waren

alle burgers, van welk geloof ook, het eens. Doch nu kwam daar nog bij,

dat overal, ook in het Zuiden, het Calvinisme zich een weg baande,

waardoor de democratische strooming zich versterkte.

Daarvan was tot de Pacificatie van Gent in het Zuiden, behalve in

de jaren voor Alva's komst, geen sprake; die Pacificatie gaf echter

den uitgewekenen vrijheid, naar hun land terug te keeren. Voor de

Staten-Generaal, die de vrijheid van godsdienst niet voor alle gewesten

begeerden, maar deze alleen aan Holland en Zeeland zouden toestaan,

was dit een hoogst ergerlijk feit. Over de hernieuwing der plakkaten

werd zelfs gedacht en met Don Juan gecorrespondeerd. Diens verraad gaf

natuurlijk meer ruimte aan de Calvinisten; ook de komst van den Prins

in het land had hun nieuwen moed geschonken. Nu hun geloofsgenoot

de vader des vaderlands uit het Noorden zelf was binnengeroepen,

begeerden ze niet langer alleen vrijheid van geweten, maar ook vrijheid

van godsdienst. Vlaanderen was vooral het middelpunt hunner beweging,

maar ook in Brussel waren de volkshartstochten ontketend; al werkte

daar het Calvinisme minder, de democratie was er even sterk.

Reeds op den 8en October bood eene menigte aanhangers van den

Prins den Staten-Generaal een verzoekschrift aan, waarin deze

hoopten op spoedige besluiten in democratischen, oorlogzuchtigen

en anti-Spaanschen geest. Dit geschiedde namens de achttienmannen,

de hoofden van de negen natiën der gilden.

Deze handelden met zooveel driestheid, dat het niet te verwonderen

was, dat de Staten in hun optreden een inbreuk op hun gezag zagen en

bevreesd werden voor de tirannie van den volkswil. Ook Oranje hield

hun voor, dat ze de overheid gehoorzaamheid schuldig waren, doch

gaf aan den anderen kant aanleiding om te doen denken, dat hem die

volksbeweging niet onaangenaam was. Hij noodigde de achttienmannen

althans aan zijnen disch. Op den 13en October gaf de Prins aan dien

maaltijd te kennen, dat hij op verzoek van de Staten van Holland naar

Antwerpen zou gaan en misschien wel, om aan Charlotte's wensch te

voldoen, naar Breda. Toen hij afscheid van hen nam, smeekten ze hem,

hen toch niet aan hun lot over te laten; hij was hun eenige troost

en toeverlaat. De Prins antwoordde daarop in eene rede, die wel een

half uur duurde en beloofde hun, dat hij de burgers tot den dood

zou bijstaan.

In hooge mate verstond Oranje de kunst, het volk te winnen. In Brussel

steeg in die dagen de vereering van zijn persoon tot afgoderij. De

inwoners bewaakten dag en nacht zijn paleis en waar hij heenging,

overal begeleidde hem het volk. Vrouwen vielen bij zijn voorbijgaan

op de knieën. Een ooggetuige zegt zelfs: "Men vereerde hem, als ware

hij de Godheid zelve."

Het gevolg hiervan was, dat er op den 18en October een request

bij de Staten van Brabant werd ingediend, waarin de begeerte werd

uitgesproken, dat een der voornaamste heeren uit het gewest tot

stadhouder mocht worden gekozen. Met dien eenen werd niemand anders

dan Oranje zelf bedoeld. Als baron van Breda nam hij eene eerste plaats

in onder de Brabantsche ridderschap. Toen dit niet spoedig genoeg tot

resultaat leidde, drongen de achttienmannen en hun geestverwanten de

vergadering binnen en eischten zij eerst van de Staten de benoeming

van Oranje en daarna van de Staten-Generaal, die ook niet waagden

zich tegen den volkswil te verzetten. Bij besluit van 22 October werd

de Prins tot Ruwaard van Brabant verheven. Gelijk we ons herinneren,

was dit een post, reeds jaren vroeger, onder Granvelle, door Oranje

hartstochtelijk begeerd. Het was een titel, die hem grooten invloed

verzekerde op het in Brabant gevestigde bestuur; een soort van

dictatorschap. De Staten-Generaal moesten zwichten voor den eisch

van het volk, dat in dien ruwaard een waarborg zag tegen de intriges,

waardoor het omringd was en ze waren gedwongen, Oranje als zoodanig

te erkennen, natuurlijk zoolang er geen landvoogd zou zijn.

Terwijl men op deze wijze in Brabant den Prins van Oranje verhief

en hij zelf kort na die benoeming naar Antwerpen ging, had er

in Vlaanderen, n.l. te Gent, eene gebeurtenis plaats, die hevige

opschudding verwekte. Daar was sedert den aanvang van October de

hertog van Aerschot in plaats van den graaf van Roeulx, die Don Juans

partij bleef kiezen, tot stadhouder benoemd. Die keuze kon den Prins

niet behagen; hij had tallooze bewijzen van de onbetrouwbaarheid

en de jaloezie van Aerschot ontvangen, doch wijselijk verzette hij

er zich niet tegen. Op den 24en October zou de nieuwe stadhouder in

Vlaanderen plechtig door de Staten ontvangen worden. Doch Gent werd

niet minder dan Brussel in die dagen door een democratische beweging

in beroering gebracht. Van de middeleeuwen af was er een onrustige,

licht ontvlambare geest onder hare burgers geweest en die geest van

Jacob van Artevelde was niet uitgestorven. Bekend is, hoe Karel V zijn

vaderstad had gestraft; de Gentenaars hadden in 1539 hun opstand moeten

boeten met het verlies van al hunne privilegiën. Die terug te krijgen

was thans het doel van volksleiders als Rijhove, tevens lid der Staten

van Vlaanderen, Hembyze, de Grutere, Borluut en Utenhove, die allen

zoowel groote aanhangers van Oranje als Calvinisten waren. Bevreesd

voor den invloed van Aerschot, verdachten ze hem, niet ten onrechte,

Oranje's gezag te willen verzwakken. Althans de Staten van Vlaanderen

brachten een ongunstig advies uit over de verkiezing van Oranje als

ruwaard van Brabant. Rijhove vooral maakte zich zeer bezorgd en uit

vrees zelf te worden verrast, nam hij gesteund door de burgerij,

in den nacht van 29 October, Aerschot en zijn trawanten gevangen.

Het is niet zeker in hoever de Prins de hand in dien aanslag gehad

heeft. Vermoedelijk was het wel naar zijn geest; de staatsgreep

van Sept. 1576 was ook voor een deel zijn werk geweest. Doch wel

beseffende, dat een dergelijke aanslag op Aerschot door den geheelen

adel zeer hoog zou worden opgenomen, wilde hij er persoonlijk buiten

blijven; doch Marnix gaf Rijhove te verstaan, de onderneming te wagen,

zonder den Prins er nader over te spreken.

De verontwaardiging over dit feit was in Brussel groot, evenals de

angst der Staten-Generaal, dat zich zoo iets dergelijks in de hoofdstad

zou herhalen. Doch Gent vond er de gelegenheid door om ongestoord

zijn democratische wenschen te bereiken, zich niet bekommerende om

hooger gezag.

Op het einde van December zullen we den Prins naar Gent zien gaan om er

de orde te herstellen, maar voor zijn vertrek hadden er gebeurtenissen

plaats, welke van groote beteekenis waren ook in het leven van den

Zwijger.

Allereerst had op den 7en dier maand de formeele ontzetting plaats van

Don Juan door de Staten-Generaal. Waarin die Staten ook verschilden,

ze waren het er allen over eens, dat men Filips' broeder niet langer

als landvoogd kon erkennen. Ondubbelzinnig verklaarden dan ook

de Staten, dat Don Juan niet langer als stadhouder, gouverneur en

kapitein-generaal erkend werd, daar hij den vrede had verbroken, die

hij gezworen had te handhaven en dus als een vijand van het vaderland

moest worden aangemerkt. In alle talen werd een rechtvaardiging van

hun gedrag opgesteld, die aan bijna al de souvereinen van Europa werd

gezonden met het verzoek, tevens den gewezen landvoogd den doortocht

van een leger te weigeren.

Ten opzichte van Don Juan had Oranje dus volkomen gezegevierd, maar

van veel grooter beteekenis nog was het succes, dat hij verwierf

door het tot stand komen van de Tweede Unie van Brussel op den 10en

December 1577. Deze acte op dien dag door de 17 gewesten geteekend,

is helaas slechts van voorbijgaande beteekenis geweest, maar het stuk

is merkwaardig, omdat zij uiting geeft aan Oranje's hoogste en meest

edele gedachten.

We herinneren ons, dat in Januari 1577 een Unie van Brussel was

aangenomen, die evenmin als het Eeuwig Edict door den Prins was

goedgekeurd.

De Pacificatie van Gent had de godsdienstquaestie ter beslissing

overgelaten aan een nieuwe Staten-Generaal, doch zonder dat die

Staten-Generaal nog gekozen waren, had men, mede om Don Juan bij zijn

komst in het land te winnen, in die Unie op den voorgrond gesteld:

uitsluitende handhaving van den Roomschen godsdienst. Dat de Staten

van Holland en Zeeland en ook Oranje die Unie hadden verworpen is

begrijpelijk, maar ook talrijke aanhangers van de nieuwe leer konden

haar niet aanvaarden en daaronder waren velen, die teruggekeerd waren

op grond van de voorloopige vergunning van de Pacificatie van Gent.

De Prins begreep, dat die fout zoo spoedig mogelijk moest worden

hersteld. De scherpe tegenstelling tusschen Roomsch en onroomsch moest

worden verzacht, en het staatkundig doel van de bevrediging weder op

den voorgrond gesteld worden.

Bij meer dan een gelegenheid merkten we op, hoe Oranje voor zich zelf

in godsdienstzaken op een zeer hoog verdraagzaam standpunt stond; dit

toonde noch onverschilligheid, noch berekening. Daarvoor zijn zijne

innig godsdienstige uitspraken ons borg. Het was alleen een verheven

zijn boven de vormen, waarin het godsdienstig geloof zich openbaart, en

tevens de erkentenis, dat overal het religieuse schuilen kan. We zagen

dat zijn overgang tot het Calvinisme voor zijn bewustzijn was: een

politieke noodzakelijkheid. Welnu, door middel van de nieuwe Unie van

Brussel, die hij hoopte te doen teekenen tegelijk met de opdracht der

landvoogdij aan Matthias, wilde hij het volk zijn eigen beginsel van

verdraagzaamheid inplanten. Wel stelde de Unie ook de uitbreiding der

privilegiën op den voorgrond, of liever de terugkeer der voorrechten,

die de burgerij ook had voordat die door de Bourgondisch-Oostenrijksche

vorsten waren ingekort; maar de godsdienstige verdraagzaamheid moest

de hoeksteun van het nieuwe staatsgebouw zijn.

Oranje is geruimen tijd bezig geweest met het opstellen dier nieuwe

staatsregeling; reeds den 15en November legde hij daarvan een ontwerp

aan de Staten voor. Volgens dat ontwerp moesten de Roomschen beloven,

dat zij de niet-katholieken tegen alle geweld zouden beschermen en

met rust laten en deze laatsten moesten zweren, dat ze niets zouden

ondernemen tegen den katholieken godsdienst; niemand door woorden

of daden zouden ergeren; geestelijken en leeken in hun goederen en

voorrechten te laten en daarbij niet te duiden, dat hun eenig onrecht

werd aangedaan.

Voor Oranje was die staatsregeling de verwezenlijking zijner innigste

en hoogste gedachten; daarop meende hij, zou alleen een vast verbond

der gewesten kunnen rusten.

Dat er wel verzet schijnt geweest te zijn tegen dit ontwerp, kunnen

wij begrijpen, want een dergelijk mooi staatsstuk waarvan algemeene

verdraagzaamheid de grondslag was, stond inderdaad te hoog voor de

hartstochten van dien tijd.

De pogingen van katholieke zijde gedaan, om ook de eerste Unie van

Brussel en het Eeuwig Edict van kracht te doen blijven, mislukten. Het

zou ook wel dwaas zijn geweest, want in die acten werd in echt

Spaanschen geest, de handhaving van den R. Kath. godsdienst bevolen,

terwijl in de tweede Unie algeheele godsdienstvrijheid en volkomen

verdraagzaamheid op den voorgrond stonden.

Al heeft aan die nieuwe wet de toekomst niet beantwoord, al bleek

het volk tegen de hooge gedachte ervan niet opgewassen, al waren de

Calvinisten en Katholieken te klein, te bekrompen, om die gedachten te

verstaan en toe te passen, de Tweede Unie van Brussel op zich zelf,

is niet alleen de hoogste daad van Oranje's staatkundig leven, maar

is ook een eenig voorbeeld gebleven voor alle tijden en geslachten.

In dezelfde maand December was er ook veel te doen over de vraag,

in welke verhouding de Prins zou staan tot den aanstaanden landvoogd

Matthias. Die vraag hing samen met den Engelschen invloed en met de

hulp door Elisabeth beloofd. Niet ten onrechte beschouwde het Engelsche

hof die benoeming van Matthias als een bewijs van de vijandige

gezindheid van vele edelen tegen Oranje en alleen op voorwaarde,

dat Oranje benoemd werd tot luitenant van Matthias, beloofde Engeland

hulp te verleenen. Wel gaf de Prins te kennen, dat hij die aanstelling

overbodig achtte, indien er slechts een raad van welgezinde mannen

aan Matthias' zijde stond, maar de koningin bleef bij haar eisch.

Ingeval van weigering zou men zich allicht weer tot Anjou om hulp

wenden, want deze bleef steeds een begeerige blik op de Zuidelijke

Nederlanden werpen, terwijl Henegouwen met zijn stadhouder Lalaing

wel geneigd was, Anjou in plaats van Matthias te nemen.

Wederom waren het de zoogenaamde achttienmannen, dus de

vertegenwoordigers der Brusselsche burgerij, die aan het werk gingen.

Door hun alvermogenden invloed was de Raad van State in hun geest

veranderd en nu stelden zij aan de Staten eenvoudig den eisch, dat

Oranje's stadhouderschap over Brabant zou verlengd worden en tevens,

dat de Prins tot Matthias' luitenant zou worden benoemd, wilde men

den Oostenrijkschen aartshertog als landvoogd erkennen.

De Staten stonden versteld over dien eisch. Men had indertijd de

aanstelling van Oranje tot ruwaard van Brabant afgeperst, doch dit

ambt was tijdelijk verleend en zou toch zeker vervallen, wanneer

de landvoogd er was, die in Brussel wonende, toch een stadhouder in

Brabant onnoodig maakte.

De Staten verwierpen den eisch, maar de achttienmannen stelden zich

daarmee niet tevreden en het liep zoover, dat Henegouwen en Artois

zich reeds verzetten tegen die overheersching van de burgerij.

En de Prins? Hij gaf wederom een bewijs, dat hij zijn verheffing

niet zocht, want hij schreef een brief aan de hoofden der burgerij

om hen te matigen in hun plannen. Hij verzocht hun, hem niet meer

charges op te dragen, bij de vele, welke hij reeds bekleedde; ook

wees hij op de tweedracht, welke daardoor zou ontstaan en vroeg hun

zich te onderwerpen aan die Staten, welke in zulke zaken hadden te

beslissen. Ten slotte gaf hij hun te kennen, niet het bestuur over

het leger te willen aanvaarden, daar graaf Lalaing generaal der armee

was en hij den schijn niet op zich wilde laden, inbreuk te maken op

zijn gezag.

Het mocht niet baten. In den vorm gaven de achttienmannen iets toe,

maar het eind van de zaak was, dat op den 8en Januari het besluit werd

genomen, Oranje's stadhouderschap over Brabant te verlengen en hem

aan te stellen als luitenant van Matthias. De Prins was zelf in die

dagen in Gent, waar hij, zooals we zeiden, einde December heengegaan

was. Zijn broer Jan van Nassau vergezelde hem.

Met uitbundig gejuich werd hij de stad ingehaald en de ontvangst had

niet luisterrijker kunnen zijn. De rederijkerskamer "Jezus met de

balsembloem" verwelkomde hem met een tooneelstuk "Judas Maccabeus,"

dat natuurlijk vele toespelingen op den redder Oranje behelsde.

Door zijn invloed beloofden de Staten van Vlaanderen, een grooter

en geregelder aandeel aan de algemeene geldkas te geven, maar in

andere opzichten werkte de Prins, wiens overkomst naar Gent door de

Staten-Generaal gewenscht was, niet in den geest van dit lichaam. Dat

in Gent de invloed der burgerij zeer groot was, bleek wel uit het

stoute stuk van Rijhove, Hembyze en anderen, door de gevangenneming

van Aerschot en de zijnen. Wel was Aerschot weer spoedig op vrije

voeten gesteld, maar de andere heeren bleven nog steeds opgesloten en

de tegenwoordigheid van den Prins had hun vrijlating niet ten gevolge,

zooals de Staten-Generaal hadden gehoopt. Het volk, en voor hen ook

hier de achttienmannen, bleef oppermachtig.

Ze verlangden niet alleen dat Aerschot geen gouverneur zou wezen,

maar wilden ook, dat de nieuwe magistraat van Gent uit de democraten

moest worden gekozen. Ze werd dan ook samengesteld uit de bedrijvers

van de jongste oproerige bewegingen.

Toen de Prins den 18en Januari Gent verliet, waren de heeren nog

gevangen, terwijl de macht geheel in handen was gekomen van de leiders

der onlusten.

Men heeft dit later den Prins wel verweten, maar kan men dat van zijn

vijanden begrijpen, veel is er, zegt Bussemaker, wat ons zachter stemt

in de beoordeeling daarvan. Het was Oranje's doel zoowel staatkundige

als godsdienstige vrijheid te verkrijgen; daarom moest Spanje bestreden

worden. Wilde dit echter succes hebben, dan was vastheid in de leiding

een eerste eisch. Die leiding te geven kon alleen een man met de

bekwaamheden van den Prins; dit werd niet alleen in de Nederlandsche

gewesten, maar ook daarbuiten erkend: in Spanje, Engeland en Frankrijk.

Door naijver en onverdraagzaamheid, doch ook door vrees voor mislukking

van zijne groote plannen, betwistte men hem vooral de hooge plaats, die

hij innam. Alleen bij de massa van het volk vond hij dat vertrouwen,

die hartelijke medewerking en vurigen ijver, die hij bij zijn grootsche

taak zoo zeer van noode had. Hoe begrijpelijk, dat hij dus tegen

die massa niet al te krachtig optrad, want ontstond er verkoeling,

dan kon dit noodlottig worden voor de groote zaak. Was eenmaal de

regeering geregeld en alles op vasten voet gebracht, dan zou de

hartstocht bedaren en de orde vanzelf het geweld vervangen.

Dat deze gedachten ook die van den Prins waren, blijkt wel uit een

brief van hem, geschreven aan den Prévot van St. Bavo, Bucho d'

Aytta de Zuichem.

Over de gevangenen sprekende zegt hij daarin: "Het is ook mijne

bedoeling die heeren gevangenen zacht te behandelen, wel erkennende,

dat gestrengheid op den duur niets dan kwaads kan voortbrengen. Doch

ook moeten allen tevreden gesteld worden; ontevredenheid aan anderen

te geven, door enkelen zacht te behandelen, is evenmin goed."

In de eerste dagen van Januari werd het verdrag met Elisabeth ook

geteekend, waarbij ze een crediet van 100.000 pond verleende en tevens

hulp in manschappen beloofde.

Ook kwam er in die dagen uit Spanje een brief aan de Staten, waarin

Filips behalve volledige amnestie, tal van andere beloften deed,

maar.... handhaving van den waren godsdienst zooals ten tijde van

zijn vader, moest worden verzekerd.

De voorstellen van Filips waren werkelijk nog al mild en hij zelf

verlangde oprecht den vrede in die dagen. Het getij was echter

verloopen en nu na Oranje's komst in Brabant verlangde men meer dan

den eenvoudigen terugkeer tot den toestand ten tijde van Karel V.

Ondertusschen was Matthias steeds in afwachting van het bericht,

dat men hem in Brussel zou ontvangen. Hij bepaalde daartoe eerst den

14en Januari, maar op uitdrukkelijk verlangen van den Prins werd die

blijde intocht tot den 18en verschoven.

Geven we Motley het woord:

"Het was de derde luisterrijke intrede, die Brussel binnen de laatste

negen maanden aanschouwde. Het was ook de schitterendste, want het

scheen alsof de burgerij, in vergoeding voor de onbeduidendheid,

waartoe men den aartshertog veroordeeld had, hem zinnebeeldig tot den

zevenden hemel wilde verheffen. De rederijkerskamers zagen in hem de

schitterendste zon, die ooit den Vlaamschen grond bestraald had.

Een prachtige stoet te paard, met Oranje aan het hoofd, begeleid door

graaf Jan van Nassau, den prins van Chimay en andere grooten, kwam

hem te Vilvoorden tegemoet en bracht hem tot aan de stadspoort. Op

een open veld buiten de stad stond de graaf van Bossu aan het hoofd

der troepen, die ten slotte een spiegelgevecht hielden, dat, om de

woorden van een met de oudheid vervulden tijdgenoot te bezigen, "een

even bloedigen strijd scheen, als op de vlakten van Attika tusschen

hertog Miltiades van Athene en koning Darius had plaats gegrepen."

De stoet trok de Leuvensche poort binnen onder een schitterenden

zegeboog, met onzichtbare speellieden bezet. "Ik geloof dat Orpheus

nooit zoo liefelijk op de harp gespeeld had," zegt dezelfde schrijver,

"noch Apollo op de lier, noch Pan op de fluit, als de stadsspeellieden

nu."

Bij het binnenrijden der poort werd Matthias terstond overgeleverd

aan de oude fabelleer en maakten de burgers en rederijkers zich van

hun doorluchtigen gevangene meester, met het vast besluit om bij zijn

verwelkoming zich zelven te overtreffen.

De vertegenwoordigers der "negen natiën" van Brussel kwamen

hem tegemoet in de Ridderstraat, van een weidschen stoet

vergezeld. Ofschoon het middag was, droegen allen brandende

toortsen. Ofschoon het Januari was, werden de straten met bloemen

bestrooid. De huizen waren met festoenen behangen en schitterend met

zijde en fluweel gestoffeerd. De straten waren vol toeschouwers en met

zegebogen bezet. Op de groote markt, steeds het middelpunt van alle

indrukwekkende schouwspelen, het mochten dan tooneelvertooningen,

steekspelen of terechtstellingen zijn, bereikten de dramatische

voorstellingen hun toppunt. De prachtige gevel van het stadhuis was

met wimpels en banieren versierd; de vensters en uitstekken daar,

zoowel als die der overige schilderachtige gebouwen, welke het

plein insloten, waren met feestelijk getooide vrouwen bezet. Op het

plein had men vierentwintig tooneelen opgeslagen, waar een reeks

van schilderijen werd vertoond door de schoonste meisjes, die men

in de stad had kunnen vinden. Deze waren allen in gewerkte zijde,

kostelijk kunstwerk en goudlaken uitgedost.

De onderwerpen van die levende tafereelen waren, gelijk vanzelf

spreekt, geheel aan de oude godenleer en den heldentijd ontleend,

want de Nederlanders konden niet buiten zinnebeeldige voorstellingen;

nochtans verrieden deze vertooningen, door burgers en ambachtslieden

tot vermaak hunner medeburgers bedacht en uitgevoerd, een grooten trap

van beschaving bij het volk, dat zich op dergelijke wijs vermaken kon.

Al de groepen waren met kunstig overleg gerangschikt. Op het eene

tooneel stond Juno met haar pauw; zij bood Matthias de stad Brussel

aan, die zij fraai gemodelleerd, in de hand hield. Op het andere

tooneel reikte Bybele hem de sleutels, overhandigde de Rede hem een

toom, Hebe een bloemkorfje, Wijsheid een spiegel en twee wetboeken,

Naarstigheid een paar sporen, terwijl Standvastigheid, Grootmoedigheid,

Voorzichtigheid en andere deugden hem met een helm, borstharnas, speer

en schild toerustten. Op andere stellages bood Bellona den landvoogd

verscheidene gewapende manschappen aan, in een bundel saamgebonden

en gaf de Faam hem haar trompet en de Roem haar kroon.

Nog zag men Quintus Curtius, geharnast en te paard, zich in den

gapenden afgrond storten en werden op zes andere tooneelen de

schilderachtigste oogenblikken uit het leven van Scipio den Afrikaan

vertoond. De baardelooze aartshertog had nog geen heldendaad verricht,

behalve zijn vlucht uit Weenen in zijne nachtjapon, maar de eerlijke

Vlamingen vonden er genoegen in zich te verbeelden, dat die twee oude

Romeinen in hem herboren waren. Door hun liefde voor de verdichtselen

en geschiedenissen der oudheid medegesleept, zagen zij in hem een

mytischen held en inderdaad was hij bestemd dit in de Nederlanden

te blijven. Nadat Matthias al deze wonderen aanschouwd had, werd hij

wederom opwaarts naar het hertogelijk paleis geleid, waar hij nog tot

vermoeiens toe, aanspraken en verzen aan te hooren had, tot men hem

eindelijk vergunde, zijn avondmaal te gebruiken en naar bed te gaan.

Intusschen vierden de burgers feest op straat. Overal had men groote

vreugdevuren ontstoken, waaraan het volk "ganzen, varkens, kapoenen,

patrijzen en kuikens" braadde, terwijl men zich onder vroolijk

fluitspel met dansen vermaakte. Plotseling zag men een vreeselijken

draak door de lucht vliegen: het monster zweefde een poos over

de hoofden der jubelende menigte op de groote markt en barstte

toen bulderend uiteen, terwijl het raketten en allerlei vuurwerk

naar wijd en zijd uitzond. Deze nog nieuwe vertooning veroorzaakte

zooveel schrik onder de menigte, dat de meesten het hazenpad kozen,

"alsof duizend soldaten hun op de hielen zaten," terwijl zij in de

grootste verwarring over elkander tuimelden.

Den volgenden dag zonden de Staten eene deputatie naar Matthias om hem

te verzoeken, Oranje aan te stellen tot zijn luitenant-generaal. Dit

was eigenlijk geen verzoek, maar een gedwongen fraaiigheid, want in

dien vorm hadden de Staten berust, om het niet te doen voorkomen,

alsof zij zich door de burgerij de wet lieten stellen. Matthias stemde

toe en den 20en legden beiden hunne ambtseeden af.

"Hun werd," vervolgt Motley, "door de Staten-Generaal een prachtig

gastmaal aangeboden in de groote zaal van het Stadhuis en toen de tafel

afgenomen was, gaf Rhetorica hare laatste en zinrijkste vertooning

door de broeders der vermaarde Kamer: "Maria met den bloemenkrans."

Twee personages--de eene als een deftig burger, de andere als een

geestelijke gekleed, met tabbaart en bef--verschenen op het tooneel,

vlak tegenover de zitplaatsen van Hunne Hoogheden, en droegen een lang

berijmd gesprek voor. De eene der sprekers heette "Verlangend Hart,"

de andere "Gezonde Troost," Gezond Verstand zou beter te pas gekomen

zijn, maar dit was, naar het schijnt, uit het spel gebannen. Nadat er

een lang relaas was opgedreund, nam het spel een einde en Rhetorica

haar afscheid. Het gezelschap was gedurende de lange voorstelling aan

tafel gebleven en thans werd het nagerecht opgedischt, dat uit een

"kostelijk triumphant banket van ingemaakte vruchten en allerlei

suikerwerk" bestond.

In welke stemming de Prins gedurende al die feesten verkeerde,

is moeilijk te zeggen. Ongetwijfeld verheugde hij zich over het

volksgenoegen, in zoover hij er eene uiting in aanschouwde van zijn

vurig verlangen naar onafhankelijkheid van Spanje. Maar kon het

anders, of ook een reeks van moeilijke vragen stelden zich voor

zijn geest. Zijn broeder Jan was met hem in Brussel; die was nu

vast besloten zijn lot met dat zijns broeders in de Nederlanden te

verbinden. Oranje zelf had behoefte aan sympathie, al scheen hij ook

een man, die bovenal op zichzelf vertrouwde. Marnix van St. Aldegonde

en Jan van Nassau waren beiden voor hem onmisbaar, al konden ze met

al hun affecties hem toch niet geheel begrijpen. Want beiden hadden

een godsdienst met een zeer sterke theologische strekking en Oranje's

verdraagzame geest was hun eigenlijk onverklaarbaar; ze zagen dat

aan aan als Laocideesche lauwheid.

De herziene Unie van Brussel en de kort daarop gevolgde intocht

van Oranje als luitenant van Matthias in Brussel, waren zeker de

glansrijkste oogenblikken in de loopbaan van den Prins. Onder het

bestuur in naam van een lid van het Oostenrijksche huis, wiens geboorte

eenige reden aan zijn optreden gaf, waren de teugels der regeering

in zijne handen en was het zijne taak niet alleen de protestantsche

noordelijke gewesten, maar ook de katholieke, zuidelijke te regeeren.

Zou hij slagen in de vervulling dier taak? Zou zijn talent als

staatsman, dat hem zoover gebracht had, niet te kort schieten,

wanneer het aankwam op de toepassing? Zou het hem gelukken, op den

grondslag van de Pacificatie, beide godsdiensten vereenigd te houden

en alle gewesten in eendracht te doen samenwerken in den vernieuwden

oorlog met Spanje? Zou hij het hoofd kunnen bieden aan den geweldigen

strijd, die hem wachtte? Niet alleen had de Paus den aartsketter en

al zijn volgers op één lijn met Turken en heidenen geplaatst en bleef

de hoop op Engeland steeds nog in de lucht zweven, maar bovenal zou

het de vraag zijn, of hij de fanatieke Calvinisten en Katholieken

tot één doel zou kunnen doen samenwerken. We zullen daarop, helaas,

later een ontkennend antwoord moeten geven.

Willem de Zwijger, Prins van Oranje · 第 55 / 80 题