De groote bewerker van de zijde der Staten-Generaal van het Eeuwig
Edict was ongetwijfeld Aerschot. Het wordt dan ook wel de vrede van
Aerschot genoemd, hoewel anderen om den grooten invloed, dien de
priesters er op uitoefenden, dien vrede met den naam van vrede der
priesters betitelden. De Engelsche gezant Wilson schreef Aerschots
aandrang vooral toe aan zijn vrees voor den Prins. De goedkeuring van
dezen had men niet afgewacht en geen wonder dan ook, dat de eerste
vraag, die de Staten in Brussel zich na de teekening van het stuk
afvroegen, deze was: Wat zal Oranje doen?
Ze schreven hem onmiddellijk, om hun handelwijze te verdedigen en
daarmede niet gerust, zonden ze hem twee afgevaardigden, teneinde
hem nader persoonlijk uitlegging te geven van de beweegredenen, die
hen tot het aannemen en onderteekenen geleid hadden. Oranje gaf reeds
den volgenden dag, mede in naam van Holland en Zeeland, antwoord. Hij
erkende de goede bedoelingen der Staten, maar meende, dat hun ijver
misplaatst was. Verschillende gewichtige bezwaren voerde hij aan;
zoo vond hij het verkeerd, dat de Staten-Generaal niet vrij waren
zelf een vergadering bijeen te roepen; ook had men van de gelegenheid
moeten gebruik maken nieuwe privileges te vragen.
De uitzondering, welke gemaakt was omtrent Oranje's oudsten zoon, den
graaf van Buren, achtte hij in strijd met alle recht en billijkheid
en tevens een schending van de Pacificatie. Behalve deze en nog
meer klachten van den Prins, beloofde hij toch, het eeuwig Edict te
teekenen mits enkele voorwaarden vervuld waren. De Staten-Generaal
moesten beloven alle verkeer met Don Juan te verbreken, indien niet de
Spaansche soldaten binnen een bepaalden tijd het land zouden verlaten
hebben. Don Juan zal ook niet erkend worden, voordat ten volle en
in allen deele in de punten is voorzien, die op eenigerlei wijze in
strijd mochten zijn met de privileges, rechten en vrijheden van het
land en met de Pacificatie, volgens welke ieder hersteld moet worden
in zijn bezittingen in Bourgondië zoowel als in de Nederlanden.
Nu was vooral die tweede voorwaarde voor zeer verschillende uitlegging
vatbaar. De handhaving van de Pacificatie en van de privileges had
voor den Prins een geheel andere beteekenis, dan voor de meeste
leden der Staten-Generaal te Brussel. Nauwelijks geloofde hij aan
de belofte, dat de Spaansche troepen zouden vertrekken; maar zelfs
in de onderstelling, dat dit nog gebeurde, geloofde hij niet in de
goede trouw van den koning en van Don Juan omtrent andere bepalingen
der Pacificatie. Zijn wantrouwen was te diep; hij had nu reeds te
lang zooveel bittere ondervinding opgedaan van Filips' kwade trouw,
dan dat hij niet zou meenen dat die koning, als hij de kans slechts
schoon zag, de eerste zou zijn, om de Pacificatie te verbreken.
Wat was Oranje's voortdurend streven geweest? Hij was den strijd
begonnen tegen de willekeur en het absolutisme van den landsheer
en handhaving der privileges was zijn doel geweest. Doch nu was
het gebeurd, dat hij in den loop van die worsteling zijn kloekste,
offervaardigste medestanders gevonden had in de Calvinisten en zoo was
hij de aanvoerder der ketters geworden en schijnbaar de kampvechter
van het Calvinisme. Maar inderdaad reikte zijn blik verder. Oranje was
geen Calvinist; hij miste een hunner hoofdkenmerken van dien tijd,
hun mateloozen ijver en geest van uitsluiting; hij streed niet voor
een secte, maar voor geloofsvrijheid; ook niet voor Holland en Zeeland
alleen, doch voor de staatkundige vrijheid van al de Nederlanden."
Toch wilde hij een anderen toestand als dien onder Karel V, hoe deze
vorst ook door hem om vele persoonlijke eigenschappen werd vereerd,
want deze was toch begonnen met de plakkaten en met de vervolgingen. En
dan--had Karel V niet de citadellen van Utrecht en Gent gebouwd,
om deze steden in zijn bedwang te hebben? Daarom waren er betere
waarborgen tegen willekeur noodig. Verloren privileges moesten
herwonnen, maar ook nieuwe gegeven worden.
Op de vernietiging van die citadellen was dan ook zijn aandacht
gevestigd. Op den 6en Maart zond hij Mansard naar Brussel, om
o. a. daarop ten sterkste aan te dringen, voordat men Don Juan erkende,
want in die kasteelen zag hij een voortdurende bedreiging van het land.
Ook uit den brief in die dagen aan zijn broer Jan geschreven, blijkt
ten duidelijkste, hoe wantrouwend de Prins omtrent den Spanjaard
bleef. Hij bedankt Jan tevens voor de moeite, die hij zich voor
de goede zaak telkens geeft en hoopt spoedig met hem over alles te
kunnen praten.
Don Juan begreep zeer goed, dat het Eeuwig Edict niet veel waarde
voor hem had, zoolang de Prins het niet had geteekend. Hij was
zeer op Oranje's vriendschap gesteld, terwijl hij wel wist, dat
elke poging om Holland en Zeeland te herwinnen en het wereldlijk en
geestelijk gezag te herstellen, zonder hulp van den Prins, op niets
zou uitloopen. "Dit is de stuurman" schreef Don Juan aan Filips,
"die het schip naar zijn welbehagen stuurt. Hij alleen kan het in
den grond boren of redden. De grootste beletselen zouden uit den weg
geruimd zijn, als men hem winnen kon."
Eerst dacht de nieuwe landvoogd er over en Filips was er zeer mee
ingenomen, den Prins voor te stellen, zijn stadhouderschappen op zijn
zoon, den graaf van Buren over te dragen, op voorwaarde, dat Oranje
zelf naar Duitschland zou gaan.
Wat kenden Filips en Don Juan Oranje nog weinig, dat ze daarover nog
een oogenblik gedacht hebben. Ze meenden, en Oranje's vijanden in onzen
tijd doen dat ook nog, dat de Prins bovenal voor zich zelf iets zocht;
ze konden zich blijkbaar geen voorstelling vormen van den nauwen band,
die er tusschen hem en zijn aangenomen vaderland bestond. Het plan
liet Don Juan spoedig varen en in overleg met Aerschot werd besloten
om den Prins door overreding en onderhandeling te winnen.
Dr. Leoninus, die ook vroeger met Oranje in Breda had onderhandeld,
werd er op afgezonden en den 11en Maart door den Prins te Middelburg
in gehoor ontvangen. De toon door Dr. Leoninus aangeslagen, was zoo
zacht en gemoedelijk mogelijk. Plechtig werd verzekerd, dat de Prins
aan Z. M. zulk een dienst zou bewijzen; de belooning zou niet gering
wezen en de toekomst van het huis van Oranje verzekerd zijn. 't Klonk
alles prachtig, doch het voornaamste bleef, want het gezag van den
koning en de Roomsche religie moesten als van ouds in Holland en
Zeeland geëerbiedigd worden.
"Uw naam is er evenzeer veracht en verafschuwd, als die van den
Prins geliefd en vereerd," schreef Don Juan in die dagen aan Filips,
terwijl hij erbij voegde, dat aan Oranje zeer voordeelige voorwaarden
geschonken dienden te worden, om niet alles te verliezen.
Don Juan scheen maar niet te kunnen begrijpen, dat Oranje zich
onafscheidelijk met Holland en Zeeland had verbonden en tot geen
prijs hoegenaamd gezind zou wezen, den vrede van hem te koopen. Oranje
beloofde de zaak ter kennis van de Staten van Holland en Zeeland te
brengen, maar hij zei aan Leoninus, dat hij het lot van Egmond en
Hoorne niet kon vergeten, evenmin de wijze waarop de hertogin van
Parma haar beloften aan de verbonden edelen had gehouden, noch het
gedrag van den koning van Frankrijk tegenover Coligny. De Prins gaf
ten slotte weinig hoop, dat men tot een verstandhouding zou komen,
maar in Dordrecht kon de gezant het antwoord van de Staten van Holland
en Zeeland vernemen.
Don Juan had zulk een resultaat in het minst niet verwacht, maar
hij hoopte, dat de Prins ten slotte zou toegeven, terwijl hij
Filips o. a. schreef: "Ik weet geen ander middel om den ondergang
te voorkomen, dan dezen man te winnen, die zulk een invloed op het
volk heeft."
Dit laatste was volkomen juist en de macht van Oranje werd steeds
grooter, doordat zich ook vele steden in het Noorden bij de Pacificatie
aansloten; alleen Amsterdam en Haarlem bleven zich nog verzetten.
Don Juan sloofde zich inmiddels uit om de gemoederen voor zich
te winnen. De Spaansche troepen moesten weg, maar geld ontbrak;
de landvoogd stortte echter uit eigen middelen 27000 kronen om het
noodige te verkrijgen tot verwijdering der troepen. Op allerlei wijze
toonde hij zijn minzaamheid ten opzichte van de burgers; hij woonde
te Leuven een plechtig feest der schuttersgilden bij en naar het
voorbeeld van keizers en vorsten uit vroeger dagen, nam ook Don Juan
een kruisboog en schaarde zich onder de mededingers. Nog hooger klom
de geestdrift, toen de overwinnaar van Lepanto den vogel nederschoot
en onder algemeenen bijval tot schutterkoning van dat jaar uitgeroepen
werd. Overeenkomstig het gebruik hingen de kapiteins van het gilde
Zijne Hoogheid een gouden papegaai om den hals en volgden zij hem in
statigen optocht naar de hoofdkerk.
Was het moeilijk geweest geld te krijgen voor de terugzending
der troepen, in April vertrokken na uitlevering der wederzijdsche
gevangenen, de Spaansche, Italiaansche en Bourgondische troepen in de
richting van Italië. De voornaamste wensch van de Staten-Generaal was
vervuld en velen waren het met de door Hooft vertaalde dichtregelen
eens, welke luidden:
De Spaanjaards zijn nu dooR: Wat schreit gij Neerlandsch zaat?
Ick kerm, omdat in stee van d'R de T niet staat.
Thans kon de landvoogd zijn intrede in Brussel doen en gehuldigd
worden.
Zij had op den 1en Mei 1577 plaats. Geen moeite was gespaard, haar zoo
schitterend mogelijk te maken. Het volk van Brabant was op het punt
van tooneeleffecten zeer artistiek en er werd dan ook een prachtvol
feest van gemaakt. Een reeks van triumfbogen was langs den weg,
dien de optocht zou afleggen, opgericht. Een wagen bedekt door een
met goud geborduurd kleed en door een paar schimmels getrokken, ging
vooraan. Zij was beladen met den schoonen last van al de vruchten
der aarde. Ook was er een stapel gebroken wapens te zien, om af te
beelden, wat er van de vrede verwacht kon worden. De vensters waren
gevuld met het schoone geslacht, vrouwen en dochters, jongen en ouden,
edelen en burgers, allen sierlijk getooid. Bloemen en kransen werden
den binnenkomenden landvoogd als een groet toegeworpen.
Toen Don Juan de Brabantsche hoofdstad binnenreed, zat de bisschop
van Luik aan zijn eene zijde, de pauselijke gezant aan den anderen
kant; de optocht bestond uit 3000 personen. Passende zinnebeelden
getuigden overal van den ijver der Brabanders om den held van Lepanto
te vereeren, dien zij thans als hun bestuurder erkenden, terwijl ze
hem zoo geruimen tijd aan hun deur hadden laten staan. Drie dagen
later legde de held van den dag den eed op het stadhuis af en daarmede
scheen de Spaansche koning weder in zijn macht hersteld te zijn.
We zouden niet zeggen, dat dit feest den man gold, die de Nederlanden
vergeleek met "een afzichtelijk babel" en een "hel," terwijl hij de
hem omringende personen voor "dronkaards, wijnzakken en schelmen"
uitmaakte.
Daar Oranje, noch de Staten van Holland en Zeeland het Eeuwig Edict
hadden geteekend, namen zij ook geen deel aan de huldigingsfeesten van
Don Juan in Brussel. De Prins bleef echter in alles gemengd en was
in voortdurende correspondentie met de Staten-Generaal en den Raad
van State, ook met Aerschot o.a. over Breda, dat hij overeenkomstig
de Pacificatie, terugvorderde.
Onder al de werkzaamheden in die dagen werd hij door ernstige koorts
aangetast en was genoodzaakt, het bed te houden. Hij schreef daar
althans zijn broeder Jan over en gaf te kennen, dat hij zich te zwak
voelde om hem over zeker onderwerp te schrijven.
Geen broeder ter wereld heeft ooit met zooveel hartelijkheid zwaarder
lasten op zich genomen, als graaf Jan van Nassau voor Oranje. De
kinderen van den Prins waren en bleven hem altijd welkom. Toen hij
zijn eigen zoon naar Siegen zond, gaf hij ook als zijn wensch te
kennen, dat Maurits, 's Prinsen zoon, daarheen zou gaan. En toen
Oranje hem vroeg, hem zijn oudste dochter, Marie, terug te zenden,
richtte Jan een schrijven aan hem, dat ons een allervriendelijkst
beeld van het gezin in Nassau geeft, waarin we nog steeds Juliana,
de moeder, ontmoeten. Hij schreef namelijk het volgende over dat
terugzenden van Marie naar Holland:
"Het zou mij spijten, indien ik dit moest doen, maar ik wil
u toch uw zin geven, als ge het verlangt. Alleen verzoek ik
Uwe Genade niet te denken, dat ze mij tot last is; dat zou ik
erg verdrietig vinden. Indien gij en uw vrouw haar niet missen
kunt, zal ik mij natuurlijk niet verzetten, maar anders laat
haar verblijf bij ons zoo lang mogelijk duren. Het is mij
en mijne huisvrouw een groot genot haar bij ons te hebben
en bovenal voor Mevrouw onze moeder zou het mij spijten,
indien ze moest vertrekken.
Zichtbaar gaat onze moeder achteruit, ze wordt zwak en als
ze alleen is, is zij zeer zwaarmoedig en gedrukt. Het is een
weldaad voor haar, uwe dochter bij zich te hebben, daar zij
het grootste deel van den dag met moeder kan doorbrengen
en Marie is zeer behulpzaam met haar voor te lezen, voor
haar te schrijven, haar te kleeden en voor haar medicijnen
en confituren te zorgen. Onze moeder zal inderdaad hoogst
verdrietig zijn, als ze mijn nicht zal moeten missen en dan
alleen zal moeten zitten, zooals ze dat geruimen tijd moest
doen na den dood van mijne dochter Anna, die zeer aan haar
gehecht was.
Mijne huisvrouw heeft te veel met de kinderen en het huishouden
te doen, zoodat zij slechts een klein deel van den dag in
haar gezelschap kan zijn.