ORANJE'S WANTROUWEN BEVESTIGD. GEVOLGEN VAN DON JUANS VERRAAD. 1577.

De groote bewerker van de zijde der Staten-Generaal van het Eeuwig

Edict was ongetwijfeld Aerschot. Het wordt dan ook wel de vrede van

Aerschot genoemd, hoewel anderen om den grooten invloed, dien de

priesters er op uitoefenden, dien vrede met den naam van vrede der

priesters betitelden. De Engelsche gezant Wilson schreef Aerschots

aandrang vooral toe aan zijn vrees voor den Prins. De goedkeuring van

dezen had men niet afgewacht en geen wonder dan ook, dat de eerste

vraag, die de Staten in Brussel zich na de teekening van het stuk

afvroegen, deze was: Wat zal Oranje doen?

Ze schreven hem onmiddellijk, om hun handelwijze te verdedigen en

daarmede niet gerust, zonden ze hem twee afgevaardigden, teneinde

hem nader persoonlijk uitlegging te geven van de beweegredenen, die

hen tot het aannemen en onderteekenen geleid hadden. Oranje gaf reeds

den volgenden dag, mede in naam van Holland en Zeeland, antwoord. Hij

erkende de goede bedoelingen der Staten, maar meende, dat hun ijver

misplaatst was. Verschillende gewichtige bezwaren voerde hij aan;

zoo vond hij het verkeerd, dat de Staten-Generaal niet vrij waren

zelf een vergadering bijeen te roepen; ook had men van de gelegenheid

moeten gebruik maken nieuwe privileges te vragen.

De uitzondering, welke gemaakt was omtrent Oranje's oudsten zoon, den

graaf van Buren, achtte hij in strijd met alle recht en billijkheid

en tevens een schending van de Pacificatie. Behalve deze en nog

meer klachten van den Prins, beloofde hij toch, het eeuwig Edict te

teekenen mits enkele voorwaarden vervuld waren. De Staten-Generaal

moesten beloven alle verkeer met Don Juan te verbreken, indien niet de

Spaansche soldaten binnen een bepaalden tijd het land zouden verlaten

hebben. Don Juan zal ook niet erkend worden, voordat ten volle en

in allen deele in de punten is voorzien, die op eenigerlei wijze in

strijd mochten zijn met de privileges, rechten en vrijheden van het

land en met de Pacificatie, volgens welke ieder hersteld moet worden

in zijn bezittingen in Bourgondië zoowel als in de Nederlanden.

Nu was vooral die tweede voorwaarde voor zeer verschillende uitlegging

vatbaar. De handhaving van de Pacificatie en van de privileges had

voor den Prins een geheel andere beteekenis, dan voor de meeste

leden der Staten-Generaal te Brussel. Nauwelijks geloofde hij aan

de belofte, dat de Spaansche troepen zouden vertrekken; maar zelfs

in de onderstelling, dat dit nog gebeurde, geloofde hij niet in de

goede trouw van den koning en van Don Juan omtrent andere bepalingen

der Pacificatie. Zijn wantrouwen was te diep; hij had nu reeds te

lang zooveel bittere ondervinding opgedaan van Filips' kwade trouw,

dan dat hij niet zou meenen dat die koning, als hij de kans slechts

schoon zag, de eerste zou zijn, om de Pacificatie te verbreken.

Wat was Oranje's voortdurend streven geweest? Hij was den strijd

begonnen tegen de willekeur en het absolutisme van den landsheer

en handhaving der privileges was zijn doel geweest. Doch nu was

het gebeurd, dat hij in den loop van die worsteling zijn kloekste,

offervaardigste medestanders gevonden had in de Calvinisten en zoo was

hij de aanvoerder der ketters geworden en schijnbaar de kampvechter

van het Calvinisme. Maar inderdaad reikte zijn blik verder. Oranje was

geen Calvinist; hij miste een hunner hoofdkenmerken van dien tijd,

hun mateloozen ijver en geest van uitsluiting; hij streed niet voor

een secte, maar voor geloofsvrijheid; ook niet voor Holland en Zeeland

alleen, doch voor de staatkundige vrijheid van al de Nederlanden."

Toch wilde hij een anderen toestand als dien onder Karel V, hoe deze

vorst ook door hem om vele persoonlijke eigenschappen werd vereerd,

want deze was toch begonnen met de plakkaten en met de vervolgingen. En

dan--had Karel V niet de citadellen van Utrecht en Gent gebouwd,

om deze steden in zijn bedwang te hebben? Daarom waren er betere

waarborgen tegen willekeur noodig. Verloren privileges moesten

herwonnen, maar ook nieuwe gegeven worden.

Op de vernietiging van die citadellen was dan ook zijn aandacht

gevestigd. Op den 6en Maart zond hij Mansard naar Brussel, om

o. a. daarop ten sterkste aan te dringen, voordat men Don Juan erkende,

want in die kasteelen zag hij een voortdurende bedreiging van het land.

Ook uit den brief in die dagen aan zijn broer Jan geschreven, blijkt

ten duidelijkste, hoe wantrouwend de Prins omtrent den Spanjaard

bleef. Hij bedankt Jan tevens voor de moeite, die hij zich voor

de goede zaak telkens geeft en hoopt spoedig met hem over alles te

kunnen praten.

Don Juan begreep zeer goed, dat het Eeuwig Edict niet veel waarde

voor hem had, zoolang de Prins het niet had geteekend. Hij was

zeer op Oranje's vriendschap gesteld, terwijl hij wel wist, dat

elke poging om Holland en Zeeland te herwinnen en het wereldlijk en

geestelijk gezag te herstellen, zonder hulp van den Prins, op niets

zou uitloopen. "Dit is de stuurman" schreef Don Juan aan Filips,

"die het schip naar zijn welbehagen stuurt. Hij alleen kan het in

den grond boren of redden. De grootste beletselen zouden uit den weg

geruimd zijn, als men hem winnen kon."

Eerst dacht de nieuwe landvoogd er over en Filips was er zeer mee

ingenomen, den Prins voor te stellen, zijn stadhouderschappen op zijn

zoon, den graaf van Buren over te dragen, op voorwaarde, dat Oranje

zelf naar Duitschland zou gaan.

Wat kenden Filips en Don Juan Oranje nog weinig, dat ze daarover nog

een oogenblik gedacht hebben. Ze meenden, en Oranje's vijanden in onzen

tijd doen dat ook nog, dat de Prins bovenal voor zich zelf iets zocht;

ze konden zich blijkbaar geen voorstelling vormen van den nauwen band,

die er tusschen hem en zijn aangenomen vaderland bestond. Het plan

liet Don Juan spoedig varen en in overleg met Aerschot werd besloten

om den Prins door overreding en onderhandeling te winnen.

Dr. Leoninus, die ook vroeger met Oranje in Breda had onderhandeld,

werd er op afgezonden en den 11en Maart door den Prins te Middelburg

in gehoor ontvangen. De toon door Dr. Leoninus aangeslagen, was zoo

zacht en gemoedelijk mogelijk. Plechtig werd verzekerd, dat de Prins

aan Z. M. zulk een dienst zou bewijzen; de belooning zou niet gering

wezen en de toekomst van het huis van Oranje verzekerd zijn. 't Klonk

alles prachtig, doch het voornaamste bleef, want het gezag van den

koning en de Roomsche religie moesten als van ouds in Holland en

Zeeland geëerbiedigd worden.

"Uw naam is er evenzeer veracht en verafschuwd, als die van den

Prins geliefd en vereerd," schreef Don Juan in die dagen aan Filips,

terwijl hij erbij voegde, dat aan Oranje zeer voordeelige voorwaarden

geschonken dienden te worden, om niet alles te verliezen.

Don Juan scheen maar niet te kunnen begrijpen, dat Oranje zich

onafscheidelijk met Holland en Zeeland had verbonden en tot geen

prijs hoegenaamd gezind zou wezen, den vrede van hem te koopen. Oranje

beloofde de zaak ter kennis van de Staten van Holland en Zeeland te

brengen, maar hij zei aan Leoninus, dat hij het lot van Egmond en

Hoorne niet kon vergeten, evenmin de wijze waarop de hertogin van

Parma haar beloften aan de verbonden edelen had gehouden, noch het

gedrag van den koning van Frankrijk tegenover Coligny. De Prins gaf

ten slotte weinig hoop, dat men tot een verstandhouding zou komen,

maar in Dordrecht kon de gezant het antwoord van de Staten van Holland

en Zeeland vernemen.

Don Juan had zulk een resultaat in het minst niet verwacht, maar

hij hoopte, dat de Prins ten slotte zou toegeven, terwijl hij

Filips o. a. schreef: "Ik weet geen ander middel om den ondergang

te voorkomen, dan dezen man te winnen, die zulk een invloed op het

volk heeft."

Dit laatste was volkomen juist en de macht van Oranje werd steeds

grooter, doordat zich ook vele steden in het Noorden bij de Pacificatie

aansloten; alleen Amsterdam en Haarlem bleven zich nog verzetten.

Don Juan sloofde zich inmiddels uit om de gemoederen voor zich

te winnen. De Spaansche troepen moesten weg, maar geld ontbrak;

de landvoogd stortte echter uit eigen middelen 27000 kronen om het

noodige te verkrijgen tot verwijdering der troepen. Op allerlei wijze

toonde hij zijn minzaamheid ten opzichte van de burgers; hij woonde

te Leuven een plechtig feest der schuttersgilden bij en naar het

voorbeeld van keizers en vorsten uit vroeger dagen, nam ook Don Juan

een kruisboog en schaarde zich onder de mededingers. Nog hooger klom

de geestdrift, toen de overwinnaar van Lepanto den vogel nederschoot

en onder algemeenen bijval tot schutterkoning van dat jaar uitgeroepen

werd. Overeenkomstig het gebruik hingen de kapiteins van het gilde

Zijne Hoogheid een gouden papegaai om den hals en volgden zij hem in

statigen optocht naar de hoofdkerk.

Was het moeilijk geweest geld te krijgen voor de terugzending

der troepen, in April vertrokken na uitlevering der wederzijdsche

gevangenen, de Spaansche, Italiaansche en Bourgondische troepen in de

richting van Italië. De voornaamste wensch van de Staten-Generaal was

vervuld en velen waren het met de door Hooft vertaalde dichtregelen

eens, welke luidden:

De Spaanjaards zijn nu dooR: Wat schreit gij Neerlandsch zaat?

Ick kerm, omdat in stee van d'R de T niet staat.

Thans kon de landvoogd zijn intrede in Brussel doen en gehuldigd

worden.

Zij had op den 1en Mei 1577 plaats. Geen moeite was gespaard, haar zoo

schitterend mogelijk te maken. Het volk van Brabant was op het punt

van tooneeleffecten zeer artistiek en er werd dan ook een prachtvol

feest van gemaakt. Een reeks van triumfbogen was langs den weg,

dien de optocht zou afleggen, opgericht. Een wagen bedekt door een

met goud geborduurd kleed en door een paar schimmels getrokken, ging

vooraan. Zij was beladen met den schoonen last van al de vruchten

der aarde. Ook was er een stapel gebroken wapens te zien, om af te

beelden, wat er van de vrede verwacht kon worden. De vensters waren

gevuld met het schoone geslacht, vrouwen en dochters, jongen en ouden,

edelen en burgers, allen sierlijk getooid. Bloemen en kransen werden

den binnenkomenden landvoogd als een groet toegeworpen.

Toen Don Juan de Brabantsche hoofdstad binnenreed, zat de bisschop

van Luik aan zijn eene zijde, de pauselijke gezant aan den anderen

kant; de optocht bestond uit 3000 personen. Passende zinnebeelden

getuigden overal van den ijver der Brabanders om den held van Lepanto

te vereeren, dien zij thans als hun bestuurder erkenden, terwijl ze

hem zoo geruimen tijd aan hun deur hadden laten staan. Drie dagen

later legde de held van den dag den eed op het stadhuis af en daarmede

scheen de Spaansche koning weder in zijn macht hersteld te zijn.

We zouden niet zeggen, dat dit feest den man gold, die de Nederlanden

vergeleek met "een afzichtelijk babel" en een "hel," terwijl hij de

hem omringende personen voor "dronkaards, wijnzakken en schelmen"

uitmaakte.

Daar Oranje, noch de Staten van Holland en Zeeland het Eeuwig Edict

hadden geteekend, namen zij ook geen deel aan de huldigingsfeesten van

Don Juan in Brussel. De Prins bleef echter in alles gemengd en was

in voortdurende correspondentie met de Staten-Generaal en den Raad

van State, ook met Aerschot o.a. over Breda, dat hij overeenkomstig

de Pacificatie, terugvorderde.

Onder al de werkzaamheden in die dagen werd hij door ernstige koorts

aangetast en was genoodzaakt, het bed te houden. Hij schreef daar

althans zijn broeder Jan over en gaf te kennen, dat hij zich te zwak

voelde om hem over zeker onderwerp te schrijven.

Geen broeder ter wereld heeft ooit met zooveel hartelijkheid zwaarder

lasten op zich genomen, als graaf Jan van Nassau voor Oranje. De

kinderen van den Prins waren en bleven hem altijd welkom. Toen hij

zijn eigen zoon naar Siegen zond, gaf hij ook als zijn wensch te

kennen, dat Maurits, 's Prinsen zoon, daarheen zou gaan. En toen

Oranje hem vroeg, hem zijn oudste dochter, Marie, terug te zenden,

richtte Jan een schrijven aan hem, dat ons een allervriendelijkst

beeld van het gezin in Nassau geeft, waarin we nog steeds Juliana,

de moeder, ontmoeten. Hij schreef namelijk het volgende over dat

terugzenden van Marie naar Holland:

"Het zou mij spijten, indien ik dit moest doen, maar ik wil

u toch uw zin geven, als ge het verlangt. Alleen verzoek ik

Uwe Genade niet te denken, dat ze mij tot last is; dat zou ik

erg verdrietig vinden. Indien gij en uw vrouw haar niet missen

kunt, zal ik mij natuurlijk niet verzetten, maar anders laat

haar verblijf bij ons zoo lang mogelijk duren. Het is mij

en mijne huisvrouw een groot genot haar bij ons te hebben

en bovenal voor Mevrouw onze moeder zou het mij spijten,

indien ze moest vertrekken.

Zichtbaar gaat onze moeder achteruit, ze wordt zwak en als

ze alleen is, is zij zeer zwaarmoedig en gedrukt. Het is een

weldaad voor haar, uwe dochter bij zich te hebben, daar zij

het grootste deel van den dag met moeder kan doorbrengen

en Marie is zeer behulpzaam met haar voor te lezen, voor

haar te schrijven, haar te kleeden en voor haar medicijnen

en confituren te zorgen. Onze moeder zal inderdaad hoogst

verdrietig zijn, als ze mijn nicht zal moeten missen en dan

alleen zal moeten zitten, zooals ze dat geruimen tijd moest

doen na den dood van mijne dochter Anna, die zeer aan haar

gehecht was.

Mijne huisvrouw heeft te veel met de kinderen en het huishouden

te doen, zoodat zij slechts een klein deel van den dag in

haar gezelschap kan zijn.

Willem de Zwijger, Prins van Oranje · 第 53 / 80 题