DE HERSTELLER VAN DE ORDE NA DEN BEELDENSTORM. DE NIEUWE
EED. 1566-1567.
Oranje spande zich in Antwerpen met alle macht in, de orde te
herstellen en werkelijk gelukte het hem binnen een kort tijdsverloop,
met medewerking van de Magistraat, vergelijkenderwijze de stad weder
tot rust te brengen. Hij slaagde er in, de vreemde kooplieden, die
gedreigd hadden de stad te zullen verlaten om elders hunne zaken te
hervatten, te overreden in Antwerpen te blijven. Ook besloot hij de
preeken niet te verbieden, maar te zorgen, dat zij rustig gehouden
werden. Zijn voorstel om de stedelijke militaire macht met een paar
honderd man op kosten van de stad te versterken, vond geen goedkeuring
bij de Magistraat.
De Landvoogdes was ondertusschen zeer bevreesd geweest, dat de geheele
stoet van de verzamelde edellieden te St. Truyen weer naar Brussel zou
komen. Door invloed van den Prins, van Duffel uit, werd zij hiervan
bevrijd. Slechts een commissie van twaalf gedeputeerden, gewoonlijk
de twaalf Apostelen genoemd, met Lodewijk van Nassau aan het hoofd,
kwam in Brussel, om het tweede verzoekschrift aan te bieden. Niet
dan met moeite liet de Landvoogdes zich bewegen de gedeputeerden te
ontvangen. Stoute taal lieten zij hooren. Medewerking zouden zij
verleenen om de vrede te helpen bewaren indien werd toegestaan,
dat er geen wraak zou genomen worden over het verledene, dat de
regeering hun toestond zich met de gereformeerden te vereenigen en
hun godsdienstoefeningen zouden worden beschermd, dat Oranje, Egmond
en Hoorne in alle gewichtige zaken zouden worden geraadpleegd en als
de Landvoogdes de Staten-Generaal wilde bijeenroepen.
Het smeekschrift van April was Margareta al te ver gegaan, maar dit
nieuwe verzoekschrift was, zooals zij het zelf uitdrukte "nog veel
wranger van smaak en nog veel harder om te verduwen."
Ten einde over dat verzoekschrift en het antwoord er op te geven te
beraadslagen, riep Margareta tegen den 18en Augustus de Ridders van
het Gulden Vlies en de leden van den Raad van State bijeen; met opzet
nam ze een uitstel van drie weken in de hoop, dat inmiddels antwoord
uit Madrid zou komen op het verzoekschrift van April en haar hoop,
zullen we zien, werd verwezenlijkt.
Ook den Prins schreef ze herhaaldelijk naar Antwerpen om haar toch
in Brussel te komen bijstaan. Daartoe was echter Oranje allesbehalve
gezind, want hij wist, dat de schijnbare kalmte in Antwerpen slechts
aan de oppervlakte lag. De regentes echter weigerde naar zijn bezwaren
te luisteren. Al verzekerde hij, dat zijn vertrek het sein zou wezen
tot onlusten en dat het gevaarlijk was, de opgeruide menigte aan
zich zelf over te laten, zonder een leidsman, dien ze vertrouwde,
toch werd hij telkens dringender naar de hoofdstad ontboden.
De 18de Augustus was toen en is nog een geliefde heilige dag
voor de Vlaamsche stad. Een klein beeldje van de H. Maagd, in de
Antwerpsche Kathedraal bewaard, werd op dien dag gewoonlijk door de
stad gedragen. Het was het feest van den "ommegang."
Kennende het gevaar van samengevloeide menigten, drong de Prins er op
aan, althans zijn vertrek tot na dat feest uit te stellen. Op den 18en
Augustus was hij dus nog in Antwerpen en woonde zelfs als ooggetuige,
voor een venster op het stadhuis, met de Prinses en met Lodewijk den
feestelijken omgang bij.
Toen het kleine beeldje, als naar gewoonte bedekt door de rijke
geschenken, die van tijd tot tijd haar toevloeiden, het heiligdom
verliet, werd het van den kant der menigte, die op een veiligen afstand
volgde, met spotkreten begroet en bij tusschenpoozen, als het rumoer
wat bedaarde, werden de honende woorden vernomen: "Maaike, Maaike, uw
uur heeft geslagen. Het is de laatste maal, dat gij zoo rondgaat. De
stad is u moede geworden."
Er werden enkele steenen geworpen, maar ze beschadigden niets en het
arme onschuldige beeldje, voor de eerste maal oneerbiedig behandeld,
werd veilig en wel in het heiligdom teruggebracht. Gewoonlijk werd
het na den terugkeer van haar omgang bij de westelijke deur van de
Kathedraal geplaatst, om daar nog gelukwenschen en geschenken te
ontvangen. Maar dit jaar waren haar bewakers al blij genoeg, dat ze
haar veilig onder dak hadden teruggebracht, dan dat ze verder gevaar
wilden loopen en het beeldje werd in het koor achter een ijzeren
traliedeur geplaatst.
Daags na de processie, gaf Oranje gehoor aan den oproep der regentes
en ging vroegtijdig naar Brussel, in de hoop, dat het gevaar niet
dreigend zou zijn en toch was hij niet vrij van vrees. Die vrees
bleek spoedig maar al te gegrond.
Voordat hij nog Brussel had bereikt, verzamelde zich een menigte
bij de deur der Kathedraal; het verborgen beeldje werd ontdekt en
het volk begon de kreten van den vorigen dag te herhalen: "Maaike,
Maaike, zijt gij zoo vroeg bevreesd geworden? Zoo spoedig naar uw
bergplaats gebracht? Dacht gij buiten het bereik van kwaadwilligheid
te zijn? Waak, Maaike, waak, uw uur is gekomen!"
De kerk stond open, gelijk toen en gelijk nog de gewoonte is en de
menigte liep in en rond het gebouw even vrij als de toerist van heden.
Een in lompen gehulde kerel kwam op het denkbeeld, om den
preekstoel te beklimmen; hij opende den bijbel en begon spottend
een monnikenpreek na te bootsen. Sommigen van de ooggetuigen waren
verontwaardigd. Maar anderen juichten den man toe en schreeuwden:
"Lang leven de Geuzen!" woorden, die voor een Vlaamschen volkshoop
even natuurlijk begonnen te worden als de Marseillaise voor onze
hedendaagsche oproermakers. Doch die kreet had volstrekt niet altijd
bijzonder het oog op de verbonden edelen.
De volkssympathie was niet geheel met de hervormingsgezinden. De
spotboef, die op den preekstoel was geklommen, werd door enkelen uit
den volkshoop beetgegrepen. Een jonge schipper, die aan den anderen
kant den kansel opklauterde, pakte hem beet en sleurde hem van de
trappen. De twee worstelaars waren ongedeerd, maar er volgde een
algemeene verwarring. Een pistool werd afgeschoten en de schipper in
den arm gewond. Met de grootste moeite slechts slaagden de priesters er
in, de kerk te doen ontruimen en de groote kerkdeuren werden gesloten.
Intusschen was de vroedschap op het stadhuis samen gekomen. De
eenige man, op wien zij gedurende de laatste weken hadden vertrouwd,
was weggegaan en er was geen telegraaf om hem terug te roepen. Ze
zonden hem echter een ijlbode achterna. Den dag brachten ze met
ijdele besprekingen door en eindelijk gingen ze naar huis, zonder
een besluit te hebben genomen, maar in de hoop, dat de nieuwe
morgen rust zou aanbrengen. De volkshoop echter, ziende, dat er geen
maatregelen tegen hun wetteloos gedrag waren genomen, werd hoe langer
hoe stoutmoediger. Toen den volgenden morgen de kerkdeuren werden
geopend, stroomde een woedende menigte binnen en het: "Lang leven de
Geuzen!" weerklonk door het gebouw. Spotkreten en bedreigingen werden
tegen het ongelukkige kleine beeldje geslingerd.
Een arme vrouw, die waskaarsjes verkocht, werd het mikpunt van de
grappen van den volkshoop, hetgeen zij beantwoordde met de plagers
asch en vuilnis naar het hoofd te werpen, misschien getergd, doordat
men haar zeide, dat er geen trek meer voor die koopwaar was en dat
ze haar kraam wel kon opbreken. Ondertusschen werd de kerk al voller
en voller en ontstond er weer een heftig tumult. Toen besloot de
Magistraat gezamenlijk naar de kerk te gaan en te zien, wat haar
plechtige tegenwoordigheid zou uitwerken. Dat was echter olie in
het vuur. Wel werden op voorstel van den Raad alle deuren op een na
gesloten, omdat men hoopte, dat dan de menigte uit dien eenen uitgang
de kerk zou verlaten. Maar ook dit baatte niet; de weerspannigsten
bleven in de kerk en anderen stormden er weder in. Ten einde raad ging
de Magistraat weer naar het stadhuis, om over nieuwe maatregelen te
raadplegen. Maar in dien tijd was de Kathedraal aan de willekeur der
bestormers overgeleverd en het verwoestingswerk ving aan.
Het beeld der H. Maagd was het eerste slachtoffer. Haar glans werd
in de vier hoeken van den wind verstrooid en haar zielloos lichaam
in stukken gehakt. Daarop keerde de woede van het gepeupel zich tot
andere versieringen; beelden, schilderijen, altaren werden zonder
acht te slaan op ouderdom, kunst of kostbaarheid vernield. Voor
middernacht was de prachtig versierde kerk, zooals er in Europa geen
tweede te vinden was, in een ledigen, akeligen romp veranderd. Al de
haat tegen priesterbedrog en Roomsche gebruiken barstte los en zij,
die uit werkelijken godsdienstijver handelden, werden door het gespuis,
dat alleen uit lust in oproer zich bij hen voegde, geholpen.
En daarop toog de menigte van de eene kerk naar de andere; twee
dagen en twee nachten duurde de vernieling. Beelden werden gebroken,
schilderijen vernield, crucifixen afgeslagen, doch alle schrijvers
erkennen, dat er geen plundering plaats had. De gehate voorwerpen,
zelfs die van groote waarde, werden vernield maar niet gestolen. De
vroedschap, onbekwaam om den storm te bedaren, sidderde van ontzetting,
hopende op 's Prinsen terugkomst en vreezende voor hun leven. Doch
hun angst daarvoor was overbodig. Geen persoonlijk geweld van eenigen
aard werd er bedreven; geen enkel mensch werd leed gedaan. Dit was
een sprekende trek gedurende dien geheelen storm van geestdrijverij,
die gedurende de maand Augustus door het land woedde. Beelden werden
vernield, maar menschenlevens overal gespaard.
De tijding bereikte Brussel en bracht de Landvoogdes in de hevigste
ontroering. Waarom Oranje niet onmiddellijk aan den wensch der
Antwerpsche overheid voldeed, om daar terug te keeren, is niet
bekend. Waarschijnlijk was het Margareta, die hem tegenhield. Hij
was volgens haar meening een volkstribuun en tegenover de dreigende
volksmacht wilde zij een beschermer. Margareta begreep natuurlijk
niets van dien beeldenstorm. Het groote beest, het volk, had zijn
horens getoond; het moest worden overwonnen en tot onderwerping
gebracht. Van een mogelijk recht, dat daaraan ten grondslag lag,
had zij geen begrip. Haar voornaamste aandoening echter was vrees
bij de uitbarsting en ze zocht naar elke bescherming, die zich aanbood.
Om 3 uur in den morgen van 22 Augustus werden Egmond, Hoorne, Oranje en
anderen in het paleis geroepen. Het voorplein lag vol kisten en koffers
en de regentes stond gereed, naar Mons te vluchten, waar Aerschot het
bevel voerde. Aremberg, Barlaimont en Noircarmes waren reeds bij de
Landvoogdes, toen de anderen aankwamen. Al hare raadslieden verzetten
zich tegen dit roekeloos plan, dat een algemeenen opstand zou ten
gevolge hebben. Had men de regentes tot vertrek kunnen bewegen,
dan zou het Oranje niets gekost hebben, de teugels van het bewind
te aanvaarden; hij deed niets van dien aard, maar wees integendeel
Margareta op de uiterste dwaasheid van zulk een handelwijze.
De oude president Viglius kwam met de tijding binnen, dat de burgers de
poorten van Brussel hadden gesloten om het vertrek van de regentes te
beletten. Zij overlaadde den armen ouden man met een vloed verwijten;
toch week ze eindelijk voor den aandrang harer raadslieden, als wier
gevangene zij zich nu beschouwde.
Mansfelt werd met het opzicht over de stad belast, terwijl Egmond,
Hoorne en Oranje zich onder hem schaarden. Er liepen dan ook geruchten,
dat de beeldstormers van plan waren, in den nacht van den 24en Augustus
op alle Brusselsche kerken een aanval te doen. De eene paniek volgde op
de andere en de Landvoogdes was met moeite tot bedaren te brengen. Die
angst vermeerderde bij elk bericht, dat uit andere Vlaamsche steden
kwam. In Doornik, Valenciennes, Gent en Mechelen hadden de berichten
uit Antwerpen eveneens een vuur ontstoken. Tevergeefs trachtte men
den hartstocht van den volkshoop te breidelen; de furie van den
beeldenstorm was ontembaar.
Op 25 Augustus werd Margareta tot een gewichtige concessie
gedwongen. Eenige dagen te voren was er van Filips tijding gekomen,
in antwoord op het verzoekschrift van April; het behelsde, dat de
inquisitie kon worden afgeschaft en dat er een gematigd plakkaat
moest worden ontworpen. Dat bericht, hoe nietswaardig ook, daar
Filips terzelfder tijd aan den Paus verzekerde, dat die belofte aan de
Nederlanders hem slechts door den nood was afgedwongen en daarom ijdel
was, dat bericht moest thans dienen om de edelen te bevredigen. Zelfs
beloofde Margareta hun, dat zij bij den koning zou aandringen op het
bijeenroepen der Staten-Generaal, waartoe hij nog geen verlof had
gegeven. Zij erkende met weerzin, dat de hervormingsgezinden haar
te machtig waren geworden en dat zij hun recht om God te dienen
naar hun eigen wensch niet langer veilig kon ontkennen. En daarom
teekende zij ook een verdrag (Accoord), waarbij de vrije prediking
werd toegestaan op plaatsen, waar die tot nu toe reeds bestaan had,
terwijl de Edelen van hun zijde het Compromis beloofden op te heffen.
Die laatste belofte was een groote fout. Welk aandeel Oranje daaraan
gehad heeft, is moeilijk te bepalen, doch zooveel is zeker, dat
Lodewijk van Nassau de bewerker van het verdrag is geweest. Brederode
en Jan van Marnix (Toulouse) keurden het met scherpe woorden af. De
eerste zeide zelfs, dat hij altijd gedacht had "que la seule mort
nous pouroit séparer du Compromis."
Ook een groot deel van het volk beschouwde dit verdrag als verraad
aan de goede zaak gepleegd. De vrije prediking alleen toe te staan op
plaatsen, waar die reeds gehouden werd, stond gelijk met een verbod
en was te duidelijk bewijs, dat Margareta alleen uit vrees en voor
't oogenblik iets toegaf.
Waarschijnlijk is Lodewijk van Nassau evenals zijn broeder, de Prins,
uit vrees voor de uitspattingen van het Calvinisme, tot het sluiten van
dat verdrag gekomen. De vergunning der vrije prediking, waar ze reeds
bestond, scheen in de oogen van het volk, dat daarvan voordeel trok,
een groote stap voorwaarts. Toen dit bekend werd, was de onnadenkende
menigte uitgelaten van vreugde en meende in haar opgewondenheid den
dageraad van een nieuwen dag over land en volk te zien aangebroken.
Op 26 Augustus keerde Oranje naar Antwerpen terug en op den 29en
schreef hij aan Margareta:
"Mevrouw. In deze stad teruggekeerd, heb ik de zaken in groote
verwarring gevonden. Ik zal mijn uiterste best doen om de
onteerde, verwoeste kerken ter eere Gods te herstellen,
overeenkomstig den heiligen wensch van Zijne Majesteit,
van Uwe Hoogheid en van mij zelf.
"Ik heb met van Straalen gesproken zooals Uwe Hoogheid mij
opdroeg, om geld gereed te houden, de bandes d'ordonnance
te betalen."
Oranje vond natuurlijk volop bezigheid in Antwerpen. De geheele stad
zag er uit, alsof er een cycloon over was heengegaan. Het was een
zware taak de orde te herstellen. Buitendien was de positie van den
Prins op dat oogenblik uiterst vreemd.
De verbondenen bleven Margareta's goede trouw verdenken. Zij besloten
gewapende mannen in hun dienst te nemen en Jan van Nassau zelfs had
op zich genomen, Duitsche hulptroepen voor dit doel te lichten.
Oranje kan hiermede niet onbekend geweest zijn. Natuurlijk was het
lichten van troepen om zich te verzetten tegen regeeringsmaatregelen
een revolutionaire daad--maar toch was er zeker nooit een loyaler
rebel dan de Prins. Hij toch liet geen steen ongekeerd, om allen
burgers te geven, wat hun toekwam en publiceerde een ordonnantie,
die onder bedreiging van de doodstraf, de minste stoornis van den
katholieken eeredienst of eenige beleediging van geestelijken verbood
en hij toonde zelfs zijn beslistheid om door te zetten, door drie
beeldenstormers in zijn tegenwoordigheid te doen ophangen.
Hij toonde hoe krachtig hij zich kon beheerschen in het handhaven
van het koninklijk gezag, zoover dit maar eenigszins mogelijk was,
terwijl hij terzelfder tijd duidelijk aan de regentes uiteenzette,
dat de regeering alleen haar eigen zwakheid openbaarde door wetten
te maken, die niet konden worden uitgevoerd en dat er een zekere
vrijheid van godsdienst aan de bevolking moest worden toegestaan. Hij
gaf zijn goedkeuring aan de versterking van het garnizoen in Antwerpen
en elders, maar liet ook geen gelegenheid voorbijgaan, aan te dringen
op een bijeenroeping van de Staten-Generaal.
De brieven van Margareta ademen doorgaans vertrouwen in hem. Op den
1en September verzocht zij hem bij haar te komen, toen zij kwade
geruchten gehoord had van lichtingen der verbondenen in Duitschland,
maar toch was ze angstig, hem te raadplegen. Indien ze geweten had,
dat op den dag vóór zij schreef, de Prins een langen brief aan
Hendrik van Brunswijk had gezonden, om verder verstuurd te worden
aan de Hessische vorsten, den hertog van Cleef en Graaf Schwartzburg,
dan zou ze niet zoo angstig voor zijn raad geweest zijn.
Daarin toch beschrijft hij het wilde spel, dat de godsdienst in
de Nederlanden had gespeeld, daaraan deze woorden toevoegende:
"Wij kunnen wel gissen dat dit gedrag onzen genadigsten Heer, de
Koninklijke Majesteit van Spanje ten zeerste zal mishagen en grieven,
gelijk het inderdaad niet minder ons ontrust en krenkt." Hij zegt
zelfs, dat, als de Spaansche Koning de Inquisitie spoediger uit het
land had gebannen, deze beweging niet zou ontstaan zijn en de oude
Katholieke godsdienst beter zou hebben kunnen gehandhaafd worden.
Zijn woorden zijn als altijd, ook hier zeer oordeelkundig gekozen;
de lezer proeft er uit algemeene liefde tot vrede en orde en een
werkelijke aanhankelijkheid aan het Katholicisme. Hij herhaalt zijne
overtuiging, dat, indien men den Hervormden rustige uitoefening van
hun godsdienst had toegestaan, alles goed zou gegaan zijn. Hij hoopt,
dat Filips nog zal hooren naar rede en dat de toestand zal verbeteren.
Uit dergelijke brieven leert men het karakter van den Prins het best
kennen. Indien dit verraad was, dan was het wel het openhartigst
samenzweren, ooit door een staatsman in praktijk gebracht. Hij was
een Washington gelijk, die elken stap voorwaarts in de oogen der
wereld wenschte te rechtvaardigen.
Lodewijk, die destijds in Breda was en die evenals de Prins de heftige
Calvinisten als gevaarlijke oproermakers beschouwde, was nog steeds
in de weer, de Duitsche vorsten tot hulp te overreden. Hij schreef
daarover zelfs aan zijn broeder te Antwerpen, die, hoe regeeringsgezind
ook, toch ook steeds op de mogelijkheid van gewapend verzet bedacht
bleef.
Volgens Lodewijk zou de overeenkomst, die hij zou aangaan met
George van Holl, den koning wel noodzaken, wat water in zijn wijn
te doen. Lodewijk werd dan ook voor veel gevaarlijker geacht dan
Oranje. De koning verzocht zelfs aan Oranje, Lodewijk voor eenigen
tijd weg te zenden, hetgeen Margareta met aandrang herhaalde. Door
Lodewijks verwijdering hoopten zij den band te zullen verbreken
tusschen de ketters der verschillende landen, doch de Prins weigerde
zijn broeder weg te sturen.
Sir Thomas Gresham, de bekende Londensche koopman, stichter van
de Londensche beurs, die ook groote zaken dreef, had het raadzaam
gevonden, naar die stad terug te keeren, toen hij van den onrustigen
geest, die daar heerschte, hoorde. Op den 8en September schreef hij
vandaar het volgende:
"Den vierden dezer maand, liet de Prins van Oranje mij vragen, met
hem te dineeren. Ik had een hoogst aangenaam onderhoud met hem. Hij
vroeg mij naar de gezondheid van Hare Majesteit (Elisabeth); vertelde
mij alles wat er in de stad plaats had gehad; wat een gevaarlijke taak
hij had te vervullen en hoe hij met de Protestanten een overeenkomst
had gesloten, welke hij mij door den secretaris der stad, Wesembeke
(dezelfde die in Engeland kwam voor den vrijen handel in het koren)
liet voorlezen. Op denzelfden dag werd de overeenkomst op het stadhuis
geproclameerd.
De copie daarvan zend ik U hierin gesloten. Maar bij al wat de Prins
sprak, zeide hij: "De koning zal niet tevreden zijn met hetgeen wij
thans doen," hetgeen mij deed denken, dat die zaak nog lang niet
geëindigd was, maar wel tot grooten rampspoed voeren zou; vooral als
de koning van Spanje de bovenhand krijgt. Ook vroeg hij mij, of ons
volk van plan was, de stad te verlaten. Ik zei hem, dat ik daarvan
niets gehoord had."
Blijkbaar had Oranje dien maaltijd gegeven, om de meening der
Engelschen te weten te komen.
Men kan zich licht voorstellen, hoe angstig de familie van den Prins
op het rustige Dillenburgsche kasteel naar de aankomst der koeriers
uitzag.
Gravin Juliana was nog in leven. De toestand in de Nederlanden, waarbij
een harer zoons aan de zijde der wet en der gevestigde regeering
stond, maar de ander min of meer rebelleerde tegen het gezag, dat zijn
broeder vertegenwoordigde, boezemde aan de moeder grooten angst in.
Einde Augustus 1566 schrijft ze aan Lodewijk o. a.:
".....Met een bezwaard gemoed heb ik gehoord van de gevaren en
moeilijkheden, waarin gij tegenwoordig verkeert. De Heilige
Drieëenheid moge u bewaren en beschermen, opdat gij niets
raadt noch doet dat tegen Gods woord indruischt en dat in
strijd zal zijn met de zaligheid uwer ziel en met de welvaart
van land en luiden.
Laat U niet door menschelijke wijsheid en goede meening
verleiden, maar bid met alle vlijt Uwen hemelschen Vader om
Zijn heiligen geest, dat Hij Uw hart verlichte en gij zijn
goddelijk woord, zooveel in U is, bevordert en niet in strijd
daarmee handelt en het eeuwige meer dan het tijdelijke lief
hebt.... Bidden is hoog noodzakelijk, want de booze geest zal
niet rusten. Daarom bid ik U, hartelijk geliefde zoon, dat
gij in de vreeze Gods leeft, opdat de vijand U niet snellijk
versla. Ach! hoe bezwaard is mijn gemoed, wat groote zorg heb
ik voor U! Wat ik met bidden kan uitrichten, zal door mij niet
gespaard worden. De barmhartige God moge alles tot een zalig
goed einde leiden en hen die het christelijk en goed meenen,
niet verlaten enz."
Ongetwijfeld werden de Nassausche vorsten in hun godsdienst door
staatkundige motieven geleid; niet aldus hun brave moeder. De
godsdienst was leven voor haar en menig innig gebed zond ze omhoog voor
de geliefde, dierbare zonen, die in een vreemd land in de moeilijkste
zaken gewikkeld waren.
In hoever het den Prins gelukte, de orde in Antwerpen te herstellen,
blijkt het best uit zijn brieven aan de Landvoogdes. Reeds 2 September
1566 kon Oranje haar berichten, dat er weder in de groote kerk Notre
Dame gepreekt werd en ook de mis in tegenwoordigheid van een groote
menigte was gecelebreerd.
Hij geeft haar tevens te kennen, dat door hem niets zal worden
nagelaten, den godsdienst overal weder te herstellen overeenkomstig
de bevelen van haar, maar hij vond de oppositie in de stad zelfs
onder menschen van goeden stand zeer sterk.
Twaalf dagen dus na de verwoesting van de Antwerpsche Kathedraal was
de kerk weder voor haar oorspronkelijk doel hersteld en dat alleen
door inspanning van den man, wiens naam later gold als synoniem van
het strijdend Protestantisme. In een later schrijven zegt Oranje,
dat hij met de grootste moeite de beroeringen tot rust heeft gebracht.
De aanhangers van den nieuwen godsdienst zijn zoo talrijk, dat zij
meenen alles in hun macht te hebben. Daarom zendt Oranje bij den
brief een overeenkomst, die hij na eindelooze discussies heeft tot
stand gebracht en die o.a. inhoudt de prediking binnen de muren toe
te staan; hij hoopt, dat de Landvoogdes hare goedkeuring daaraan zal
kunnen verleenen; hij wijst haar op het ontzaglijke aantal van 18 à
20.000, dat buiten de muren der stad het preeken bijwoont en spreekt
de vrees uit, dat bij weigering er nog meer beroering zal komen,
daar er vele landloopers en vagebonden zijn, die zich wel met het
groot aantal werklooze arbeiders zouden kunnen vereenigen.
Oranje hoopt vooral, dat de Landvoogdes de numerieke sterkte van de
hervormden in Antwerpen niet te licht zal schatten.
Margareta was ten zeerste ontevreden over de erkenning der schadelijke
sekten en over de concessies, die hun waren gedaan. Haar brieven zijn
dan ook vol tegenwerpingen over zijn handelwijze, terwijl Oranje's
verontwaardiging steeds grooter werd over haar verwachting, dat hij
het onmogelijke doen zou, op een oogenblik, dat hij reeds verricht
had wat onwaarschijnlijk scheen.
In het begin van September schreef Egmond aan Oranje, toen hij
gereed stond naar zijn gouvernement te vertrekken. Ook Egmond ging
naar Vlaanderen om het Accoord in zijn gouvernement ten uitvoer
te brengen. Dit was voor alle stadhouders een moeilijke taak. "Het
teugelloos gemeen tot zijn plicht te brengen, het beeldstormen te
verhinderen, de bedrijvers der wanorde te straffen, de openbare preek
te bepalen tot die plaatsen, waar ze voor den 23en Augustus werd
gehouden en voor dit alles geen andere middelen, dan goede woorden
te hebben, daar de regeering geen troepen kon missen; het was een
uiterst zware plicht.
Toch slaagden ze er in door hun invloed en den bijstand der gezeten
burgers, maar voor al hun moeite kregen ze weinig dank van de
Landvoogdes, die van haar eigen concessies gruwende, het hun kwalijk
nam, dat ze ter goeder trouw het Accoord naleefden."
Al hield Egmond, de meest katholieke der drie, zich het naast aan
de bedoeling der Landvoogdes, ook hij gevoelde niet vertrouwd te
worden. Egmond klaagt er ook over, dat Margareta op niemand anders haar
vertrouwen schijnt te stellen dan op Barlaimont, Viglius, Assonleville
en mannen van dat slag, met wie ze elken dag vergaderingen houdt,
soms drie uur achtereen. Als reden geeft de Landvoogdes op, dat zij
gewaarschuwd is tegen lichtingen, die in Saksen en Hessen door ons
volk worden voorbereid, maar Egmond kan dat niet gelooven, want dit
zou in strijd zijn met hetgeen de edelen hem hebben verzekerd.
Blijkbaar was de graaf van Egmond minder in het vertrouwen der
verbonden edelen dan Oranje. Deze sloot met overleg zijn oogen voor
hetgeen er gebeurde; de eerste was te eenvoudig om te wantrouwen,
hetgeen niet in het openbaar geschiedde; hij bleef dus in onwetendheid.
De maand September wordt wel als datum vastgesteld, waarop "gedachten
van trouweloosheid" in Oranje begonnen op te komen. Dat er plannen
in hem omgingen van oppositie tegen de onderdrukking van den
vreemden koning en van pogingen om zelfregeering te verkrijgen, is
waarschijnlijk, doch dit alles hield hem ook vroeger reeds bezig. Dit
is daarom des te eigenaardiger, omdat hij juist ook in 1566 alles
aanwendde, om het koninklijk gezag te handhaven. Zeker is het, dat
hij in September, waarschijnlijk na ontvangst van het vermelde briefje
van Egmond, een zekeren Varich naar den graaf toezond om Egmond eens
te polsen over het verzet tegen Filips.
Wilde hij aan den eenen kant het gezag van den koning handhaven,
tegelijkertijd zocht hij echter naar middelen om een ander toevlucht
dan Filips' genade te hebben. Hij droomde van verheffing van het volk,
dat een sterke begeerte naar nationaal bestaan begon te openbaren.
Egmond beschikte over een magnetische kracht, die Oranje miste; er was
in hem een onbeschrijfelijke eigenschap, die persoonlijke bewondering
opwekte. In den oorlog was hij voorspoedig geweest en daarbij werd
Egmond door aandrift, niet door rede beheerscht, twee groote factoren
om een populair held te worden. De warmte, die in Oranje's karakter
slechts langzaam ontstond, was in Egmonds karakter van zelf aanwezig.
De Prins begreep ten volle dit verschil tusschen hen beiden en
gevoelde, dat met hulp van Egmond de zaak gewonnen was; een groot
bezwaar voor het leiderschap van Egmond was er echter en dat was
Egmond zelf. Hij was van harte een loyaal dienaar van Spanje, zooals
Oranje nooit, sedert hij page was, had kunnen zijn. Egmond kon niet
gelooven, dat al de indrukken van zijn onbeduidende reis naar Spanje
valsch waren geweest en zijn brief van 6 September aan Oranje is een
positief bewijs, dat hij niets wist van de pogingen om zich Duitsche
hulp te verzekeren.
Prins Varich, een vertrouwd edelman, broeder van zijn stadhouder in
het kleine vorstendom Oranje, werd daarom naar Egmond gezonden met
instructies, welke het handschrift van Lodewijk verraden, zoodat deze
jonge geestdriftvolle man er waarschijnlijk in geslaagd is zijn meer
voorzichtigen broeder te bewegen, Egmond zijn hand te toonen.
Varich moest de aandacht vestigen op de zeer uitgebreide toerustingen
van den Koning van Spanje, zoodat niet alleen de dissenters maar ook
de Katholieken verdacht werden en het plan van Filips misschien was,
hen geheel onder slavernij te brengen.
Verder moest hij mededeelen, dat Oranje voor zich zelf besloten had
niet in het land te blijven en getuige te zijn van zijn ondergang
en de vernedering van het volk. Indien de graaf en de admiraal
van gelijke meening waren geen tirannieke onderdrukking te dulden,
dan bood Oranje aan, met zijn vrienden de middelen te overleggen om
dat te vermijden. De Staten-Generaal bijeen te roepen zou een goede
zaak zijn, maar nog beter zou het wezen, er geen gras over te laten
groeien, totdat het te laat zou zijn, handelend op te treden. Ten
slotte moest Varich den graaf van de onbillijkheid overtuigen, dat
Eric van Brunswijk met zijn troepen naar Holland was gezonden.
Onmiddellijk na den beeldenstorm was de regeering begonnen troepen aan
te werven, hetgeen des te gemakkelijker ging, omdat er juist in die
dagen aanzienlijke sommen uit Spanje waren gezonden. Reeds in October
kon Margareta op 10.000 man te voet en 3000 ruiters rekenen. Deze
legermacht kwam onder commando van Mansfelt, Meghen en anderen; Oranje
en Egmond werden niet voldoende vertrouwd. De nieuwe troepen kwamen
in de groote steden in bezetting; weigerden deze, zooals Antwerpen en
's-Hertogenbosch, dan werden de troepen in de nabijheid gelegerd.
Niet zoo gemakkelijk ging het, in de stadhouderschappen van Oranje
en Egmond, in Holland en Vlaanderen, bezetting te brengen en toch had
de Landvoogdes zich niet ontzien toe te staan, dat Eric van Brunswijk
zich in Woerden versterkte en dat Gouda 300 waardgelders aannam.
Tegenover de alzoo gewapende regeering stond de nationale partij
machteloos. Geen wonder, dat de stadhouder van Holland daarover zeer
ontstemd was en dat Oranje door middel van Varich, Egmond op het gevaar
liet wijzen, dat Holland langzamerhand geheel versterkt werd. Oranje
was dan ook besloten afstand te doen van zijn stadhouderschappen en
zich vrij te maken van alle verplichtingen, maar zonder den raad van
Egmond en den admiraal wilde hij niets doen.
Oranje vroeg een samenkomst met hem. Egmond antwoordde op deze
boodschap met een kort, koud briefje, dat hij den volgenden Dinsdag te
10 uur Oranje te Dendermonde hoopte te ontmoeten. Met zijn gewoon
optimisme gaf de graaf te kennen, dat hij de verzekering van de
regentes geloofde en Filips zijn toestemming zou geven tot het
bijeenroepen der Staten-Generaal, terwijl hij het erg jammer vond,
dat Brederode en Culemborg zoo ver waren gegaan.
Overeenkomstig de afspraak had de samenkomst op den volgenden Dinsdag
plaats. Ze kan niet lang geduurd hebben, want ze begon nagenoeg 11
uur en was voor het middageten afgeloopen.
Alle edelen beklaagden zich bitter over de regentes en Lodewijk van
Nassau in het bijzonder was zeer gekrenkt over haar mededeeling aan
zijn broeder, dat hij uit het land gebannen zou worden. Hoorne liet
een brief van zijn broeder Montigny lezen, waarin deze de gramschap
van den koning over den beeldenstorm beschreef en Oranje las een brief
voor van den Spaanschen gezant te Parijs, Don Alava aan de hertogin,
waarin de schuld van het oproer aan de drie mannen, Oranje, Egmond
en Hoorne werd geweten en waaruit bleek, dat het Filips' doel was,
op deze drie te gelegener tijd zijn wraak te nemen.
Lodewijk van Nassau beweerde, dat, als de koning een leger naar de
Nederlanden zond om een tirannie te vestigen, de edelen volkomen
in hun recht waren, tegenover de Spanjaards Duitsche huurtroepen te
stellen. Algemeen zag men in, dat Filips valsch spel met hen speelde.
De brief van Don Alava heette onderschept te zijn, maar was hoogst
waarschijnlijk verdicht, om Egmond, die aan de echtheid geloofde, voor
Oranje's plannen te winnen. Toch heeft ook dit niets geholpen. Egmond
bleef weigeren om mede te werken tot afwering van het Spaansche
geweld; hij was de eenige te Dendermonde, die het verzet tegen den
koning afkeurde. Veertien jaar later schreef Oranje in zijn Apologie:
"Indien mijne kameraden en broeders der Orde slechts verkozen
hadden, hun raadgevingen met de mijne te paren in plaats van
hun leven goedkoop te verkoopen, we zouden alle middelen, die
in onze macht waren, hebben aangewend, ons geld en ons bloed
hebben geofferd, om te voorkomen, dat Alva en de Spanjaards
vasten voet in het land verkregen hadden."
De samenkomst te Dendermonde was alzoo een waardig pendant van die te
Hoogstraten. Op beide vergaderingen was het de loyauteit van Egmond,
die zijn vrienden belette, althans een poging te wagen, het land
te redden.
Kort daarop schreef Egmond uit Brussel een brief aan Oranje, waarin
hij hem meedeelde, hoe verontwaardigd Margareta was over den inhoud
van den verdichten brief van don Alava, maar tevens (en dit vooral had
Egmonds oogen moeten doen opengaan), hoe de Landvoogdes hem behandelde
als een man, van wien zij een slechten dunk had.
In den aanvang van October was Antwerpen wederom in een dragelijk
rustigen toestand, ten minste voor het uiterlijke. De noordelijke
gewesten, die reeds geruimen tijd op de aanwezigheid van hun stadhouder
hadden aangedrongen, herhaalden steeds luider die vraag. Om hem over te
halen, gaven ze te kennen, dat de Staten van Holland hadden besloten,
hem een wacht van 36 man te geven. Ook wilden ze hem een geschenk
aanbieden, evenals Vlaanderen dat aan Egmond gedaan had. Ze wilden
hem 55000 ponden geven, maar de Prins meende, dat in die moeilijke
dagen het geld beter kon besteed worden. Toch nam hij een gift voor
zijn uitgaven aan.
Wel vreesde de Prins voor een herhaling van het oproer, als hij
Antwerpen aan de zorg van de overheid overliet, maar hij begreep ook
de billijkheid van het verzoek der Hollanders en gevolgd door zijn
"bande d'ordonnance" uit 260 ruiters bestaande, toog hij op reis
naar Utrecht. Hoogstraten werd Oranje's tijdelijke plaatsvervanger
te Antwerpen.
In het Noorden waren de troebelen eenvoudig een herhaling van die te
Antwerpen. De hervormde sekten wenschten te hooren preeken, de regentes
wilde dit voorkomen en de schending van de kerkgebouwen straffen,
terwijl de Prins den hervormden het voorrecht wilde geven, hun wettig
toegestaan door het Accoord van 25 Augustus. Er was over de nauwkeurige
datums, wanneer er in verschillende plaatsen voor het eerst gepreekt
was, groot geharrewar en de quaestie was niet altijd gemakkelijk te
beslissen, daar de getuigen noodzakelijk er bij geïntresseerd waren.
In Utrecht was de Prins tamelijk voorspoedig in het herstellen van de
orde; daarna ging hij naar Amsterdam. Margareta waarschuwde Oranje,
voordat hij Utrecht verliet, dat binnen de stedelijke grenzen te
Amsterdam geen preeken hoegenaamd mochten worden toegestaan.
De ligging van Amsterdam maakte den toestand daar eenig in
zijn soort. Van alle zijden door kanalen en grachten doorsneden,
stond het verbreken van samenkomsten binnen de stad gelijk met een
uitnoodiging om in het IJ te springen, als de predikers buiten de
stad hun toespraken gingen houden. Oranje was niet blind voor dit
moeilijk vraagstuk en verzocht de hertogin een ander te zenden,
om hare onmogelijke opdracht uit te voeren.
Margareta antwoordde daarop, dat het haar wensch was, dat het preeken
in Amsterdam ophield, daar er vóór het Accoord niet gepreekt werd,
naar zij had vernomen. Alleen buiten de stad, waar wel gepreekt was
op een bepaalde plaats, moest de Prins het in Godsnaam toelaten,
als hij het niet kon verhinderen. Ook verzoekt zij in haar brief,
zoowel in Amsterdam als in de andere plaatsen, waar wanorde werd
aangetroffen op voorbeeldige wijze "de ontwijders en de roovers der
kerken" te straffen.
Al begonnen de brieven van de Landvoogdes aan Oranje steeds met
"mon bon cousin," al eindigden ze altijd met "votre bonne cousine,"
toch bleek uit alles, dat ze eigenlijk den Prins weinig vertrouwde
in het uitvoeren van haar scherpe bevelen.
Reeds het Accoord met de edelen aangegaan, was haar te veel; buiten de
grenzen daarvan te treden, zelfs dan, wanneer de noodzakelijkheid dit
niet anders mogelijk maakte, wekte haar toorn in hooge mate op. Dat
de regeeringspositie van Oranje van dag tot dag moeilijker werd laat
zich hooren, maar toch werd hij door zeer begrijpelijke motieven er
nog steeds toe geleid, zich niet bij de partij van het geweld aan
te sluiten.
Alle kansen om een geregelde gewapende macht samen te stellen tegenover
de naderende Spaansche soldaten, waren verloren. Zelfs het aanvankelijk
in wachtgeld genomen krijgsvolk, door Lodewijk van Nassau aangeworven,
was nog voor den winter van 1566-67 door gebrek aan geld ontbonden;
men had per slot van rekening voor Filips het leger bijeengebracht,
want voor rekening van hem werden die huursoldaten, die het geuzenleger
moesten vormen, overgenomen. Ook weigerde Oranje het opperbevel te
aanvaarden over een leger van de consistoriën. Aan Brederode werd
dit toen opgedragen, doch daar men voor de lente geen ernstigen
aanval wachtte, werd er geen al te groote haast met de maatregelen
gemaakt. De regeering was met haar voorbereiding reeds veel verder
gevorderd en in het midden van December werd tot de belegering van
Valenciennes besloten, dat in het Zuiden der Nederlanden het brandpunt
der hervorming was.
Noircarmes was aan het hoofd van het leger geplaatst, om Valenciennes
ten onder te brengen. De stad werd buiten de wet verklaard. Verschrikt
door dezen onverwachten aanval, liepen de geuzen van het zuiden,
aangespoord door Dathenus, van alle kanten samen, om Valenciennes
en de geloofsbroeders te ontzetten. Doch die ongeregelde massa was
een gemakkelijke prooi voor de troepen der regeering. Noircarmes
overrompelde de hoofdmacht van het geuzenleger en drieduizend man
sneuvelden in een gevecht bij Lannoy.
Welken indruk die verovering op Egmond maakte, is bekend. De zwakke
man liet toen den laatsten stengel los, die hem nog aan de verbondenen
hechtte. Ook hij ontwapende het volk van Vlaanderen, het gewest van
zijn stadhouderschap, schafte zelfs op de meeste plaatsen de openbare
preek af en stelde zich zonder eenig voorbehoud voor de regeering
beschikbaar.
Oranje was tijdens deze jammerlijke eerste nederlaag nog te
Amsterdam. Hier was hij er na eindelooze moeite in geslaagd de orde
te herstellen, zooals die elders was verkregen en einde Januari zond
hij de Landvoogdes een copie van het Accoord met de burgers.
Wel had hij de dissenters verboden gebruik te maken van de kerk
der Minoriten, maar hij meende hun te moeten toestaan, binnen de
stad vergaderingen te houden, tot ze in de lente een gebouw buiten
de wallen hadden gesticht. Godsdienstige buitensporigheden had hij
beteugeld, maar voor godsdienstijver een uitweg gevonden, meenende
dat dit het eenige middel kon zijn om Filips' gezag te handhaven.
Margareta was er in 't geheel niet mee voldaan, dat er eenige
privileges zouden worden toegestaan. Opstand was opstand en moest in
kerk of staat worden overwonnen. Ze berispte dan ook Oranje zoowel
over de liberaliteit van het Accoord als over zijn laksheid tegenover
de bondgenooten. Vooral wantrouwde zij Lodewijk van Nassau. Daarom
schreef Oranje haar op den 20en Januari:
"Wat mijn broeder aangaat, Mevrouw! het is waar, dat hij
den godsdienst, waarin hij is opgevoed en die een andere is
dan de onze, niet verloochent. Maar het kan moeilijk vreemd
gevonden worden, dat ik in spijt daarvan hem bij mij houd,
daar ik van keizer Karels tijd af, altijd Duitsche edellieden
van verschillend geloof in mijn hofhouding heb gehad."
Was Margareta ontevreden over de concessies door den Prins gedaan,
terwijl ze toch zelf haar eigen onmacht om de Vlaamsche oproerige
beweging te kalmeeren, moest inzien, men kan licht begrijpen, dat
haar broeder van zijn verwijder gezichtspunt uit, nog een gestrenger
beoordeelaar van Oranje was.
Naar zijne meening waren de protesteerende geesten van het Noorden
een hoop onrustige, oproerige en goddelooze booswichten. Hij besloot
na eindelooze overwegingen, een nieuwen eed van trouw van elken
koninklijken ambtenaar en dienaar in zijn Nederlandschen dienst te
eischen. Wie deze eedsaflegging weigerde, zou worden aangemerkt als
een verrader.
In December 1566 had Margareta het bevel ontvangen, dezen nieuwen
eed van al de troepen in de gewesten af te nemen. Dienovereenkomstig
beval zij in Januari aan den Prins dien eed aan zijn troepen op
te leggen. Hij antwoordde daarop uit Haarlem, dat hij niet in
staat was, haar bevel op te volgen, daar zijn compagnie reeds was
vertrokken. De hertogin zou gemakkelijk een ander vinden, om de
troepen den vereischten eed te doen afleggen. De tijd scheen hem nog
niet rijp, om zijn werkelijke meening over deze nieuwe regeling uit te
spreken. Hij wendde geen poging aan, zijn manschappen terug te houden
van de opvolging van Filips' gebod, maar gaf toch duidelijk te kennen,
dat hij liever niet als tusschenpersoon daarbij diende.
Toen het Accoord te Amsterdam was geteekend en alles door hem gedaan
was, wat binnen de grenzen zijner macht viel, ging Oranje naar
Antwerpen terug, waar de zaken weder in zulk een toestand gekomen
waren, dat er een sterkere hand dan die van Hoogstraten noodig was. Hij
hield te Breda op, waar de graven van Hoorne, Nieuwenaar, Hoogstraten,
Brederode en verschillende andere verbondenen zijn aankomst afwachtten.
De Landvoogdes, die van het voornemen dezer samenkomst had gehoord,
had wel aan den Prins geschreven, dat zij dit niet goedkeurde, maar
haar brief was te laat gekomen om het te beletten.
Hoe verontwaardigd de edelen waren over den maatregel van een nieuwen
eed in het midden zijner regeering, terwijl alle vereischte vormen
van den eed van getrouwheid aan den koning in den aanvang van diens
regeering geheel en al nagekomen waren, laat zich denken.
Brederode stelde een nieuwe petitie aan de regeering voor; Oranje
keurde die evenmin goed als dat hij ze verhinderde. Het schijnt dat
hij op het oogenblik den toestand van den kranken staat zoo hopeloos
vond, dat hij onverschillig was voor de proef van elk geneesmiddel.
Het nieuwe request was krachtig gesteld; het klaagde over het verbreken
van het Accoord, over het uitvaardigen van daarmee strijdige plakkaten
en over andere onwettigheden. Margareta wilde Brederode zelf niet
ontvangen; een zijner vrienden overhandigde het haar en zij antwoordde
acht dagen later met tegenklachten. Ook zij beschuldigde de tegenpartij
van overtreding van het Accoord en had Brederode met oproer gedreigd,
haar antwoord luidde, dat het onderdanen niet paste, zulk een taal
tegen de overheid te voeren. Nauwelijks was dit antwoord in Brederode's
handen gekomen, of hij begon te Antwerpen krijgstoerustingen, die
Oranje oogluikend toestond.
Met Duitsche vorsten bleef de Prins ook in die dagen in drukke
briefwisseling, terwijl zijn broeder Lodewijk hen persoonlijk bezocht,
om raad en hulp te vragen. Augustus van Saksen schreef Oranje o.a. dat
niemand eigenlijk den Prins kon raden dan de Prins zelf, maar dat
het een goed plan was, als hij de Augsburgsche confessie aannam en de
gereformeerden kon overreden, die insgelijks te omhelzen. En inderdaad,
daartoe deed Oranje in die dagen allerlei pogingen. De Lutheranen en
de Calvinisten wilden zich echter niet vereenigen. Al kwamen er ook in
Antwerpen eenige Luthersche predikanten, om de Calvinisten te bekeeren
(misschien door toedoen van den Prins), hun bekrompen en onverdraagzaam
dogmatisme kon slechts de tweedracht verergeren. Van den preekstoel
werd er alleen hatelijk tegen andersdenkenden geredetwist. De
Lutheranen ontzagen zich niet, de gereformeerden voor ketters en
oproermakers te schelden en als menschen voor te stellen, die in een
goed geordenden staat niet geduld mochten worden.
't Is wel vreemd: Oranje meende, dat het mogelijk zou zijn deze
felle bestrijders van elkaar, te vereenigen! Wel een bewijs, dat
hij in die dagen de beteekenis van den godsdienst nog niet voldoende
begreep en dat hij, alleen om de hulp der Duitschers te verkrijgen,
wilde vereenigen, wat in dien tijd niet bij elkaar te brengen was. De
dagen waren echter niet verre meer, of hij zou dit begrijpen.
Intusschen begon de Landvoogdes de bedoelingen van Oranje te
wantrouwen. Wel was hij machtiger dan iemand anders geweest, om een
schijn van vrede in de steden te herstellen, die door de onstuimigste
beroeringen der verschillende sekten waren verdeeld. Maar wat
hielpen al die pogingen van den Prins voor de rust van het land,
als hij toch weder in het geheim samenwerkte met Brederode, die
openlijk in Antwerpen lichtingen aanwierf, niet voor den dienst des
konings bestemd.
Nog één poging wendde de Prins aan, om door middel van de Duitsche
vorsten invloed op de politiek van de Landvoogdes uit te oefenen. Had
hij op den 7en Januari 1567 een brief aan Willem van Hessen geschreven,
met dringende bede om Duitsche hulp, was er dientengevolge eene vrij
vruchtelooze samenkomst van edelen te Dusseldorf geweest, om over de
Nederlandsche zaken te raadplegen, op den 21en Februari schreef de
Prins weder een langen brief aan denzelfden Willem van Hessen, waarin
hij uitvoerig Margareta's pogingen beschreef, om het Protestantisme
uit te roeien.
Van de regentes was niets te verwachten. Meghen was door en door
papistisch en hij beheerschte geheel en al de hertogin. Hij was de
oorzaak van al de ellende in Brabant, evenals Aremberg in Friesland;
beiden bedoelden alleen de arme Christenen te onderdrukken, onder
voorwendsel van den godsdienst te beschermen. Deze brief kruiste met
een van Willem van Hessen aan Oranje. Daarin deelde hij den Prins mede,
dat de Duitsche vorsten van plan waren, een deputatie naar Margareta
te zenden, om door mondelinge bespreking ten gunste van de Lutherschen
iets uit te werken. Hij waarschuwde Oranje zich tegen de Spanjaards
in acht te nemen, in naam van den ouden landgraaf, die op sterven lag
en zoo er iemand in Europa was, die daarover uit ervaring kon spreken,
dan was het wel Filips van Hessen.
Misschien heeft deze waarschuwing van den ouden Landgraaf wel
medegewerkt tot den beslissenden stap van Oranje, toen hij weigerde den
nieuwen eed af te leggen. Vroeg in Maart herinnerde Margareta hem, dat
de tijd voor alle trouwe vazallen van Spanje gekomen was, om openlijk
voor den dag te komen en zich als zoodanig te toonen. De koning toch
had zijn bevel herhaald, dat iedereen in zijnen dienst, zonder eenige
uitzondering, zijn eed van getrouwheid zou hernieuwen. De regentes
nam als zeker aan, dat de Prins niet aarzelen zou, aan haar verzoek
te voldoen. Geen loyaal man zou onder de bestaande omstandigheden
zijn handteekening kunnen weigeren. Het was eenvoudig herhaling. Dat
was haar gezichtspunt--het was een doodgewone zaak.
Nog denzelfden dag, waarop de Prins den nieuwen eed ter teekening
ontving, zond hij Margareta bericht, dat het hem tot zijn spijt niet
mogelijk was aan het verzoek van de Landvoogdes te voldoen. In zijn
antwoord schrijft hij o. a.: ...."Indien ik nog eens getrouwheid
zweer, dan kon het schijnen, alsof ik mijn vroegere geloften had
verwaarloosd. De vorm van dezen nieuwen eed is daarbij wel eenigszins
vreemd en schijnt van de gedachte uit te gaan, òf dat ik er over denk
mij zelf te onttrekken aan het volbrengen van loyale plichten in
's Konings dienst, òf dat ik meen orders te ontvangen, die ik niet
gewetensvol zou kunnen uitvoeren, daar ik gezworen heb, de voorrechten
der gewesten te beschermen...."
Tevens verzoekt Oranje iemand te zenden om zijn opdracht te kunnen
overnemen.
Verwondert het ons, dat Margareta ontroerd was, toen zij die weigering
van den Prins op hare vraag ontving? Ze had niet opgehouden in de
dagelijksche briefwisseling met haar broeder, hem alle geruchten
betreffende Oranje, mede te deelen en elke regel, dien zij schreef,
ademde wantrouwen. En toch was ze zich levendig bewust, hoe nuttig
de Prins voor haar was geweest en hoe geen ander man een dergelijken
invloed op het volk kon uitoefenen. Het denkbeeld, dat hij zich
onttrok, vervulde haar met grooten angst.
Zij antwoordde Oranje, dat zij niet bij machte was, zijn besluit
aan te nemen, daar zij hem de ambten niet had overgedragen, die hij
vervulde. Ze zou echter den koning inlichten maar hoopte, dat hij
voorloopig zijn bestuur zou blijven uitoefenen op zulk een wijze,
dat hij zich tegenover God en zijn souverein kon verantwoorden en
overeenkomstig zijn eersten eed.
Kort daarna zond ze haar secretaris Berty naar Oranje, die met hem
een persoonlijk onderhoud over dien eed had, doch hun samenkomst
had geenerlei resultaat. Oranje kon en wilde geen eed zweren,
dien hij voor kleingeestig hield, indien hij niet meer behelsde
dan oppervlakkig scheen en dien hij voor gevaarlijk hield, indien
er meer in verborgen lag, dan het oog kon zien. Hij bleef dus bij
zijn voornemen, zijn ambten, die hij van den Spaanschen koning had
verkregen, neder te leggen.
Thans zou men zeggen, dat het oogenblik voor den Prins was gekomen om
zich royaal aan de zijde van het volk te plaatsen of zich aanstonds
geheel terug te trekken. Maar nog bleef Oranje weifelen. Al wordt
alles in aanmerking genomen, om zijn houding te verontschuldigen,
zijn weifeling tot het laatste oogenblik toe en zijn gebrek
aan zelfvertrouwen zijn mede oorzaak geweest van de noodlottige
gebeurtenissen, die het vaderland zoo diep te betreuren had.
Filips II was besluiteloos, maar Oranje was het niet minder. De
besluiteloosheid van den koning van Spanje was de oorzaak, dat Alva
eerst in April 1567 Madrid verliet, terwijl toch de koning onmiddellijk
na den beeldenstorm besloten had tot zijn zending. Had Oranje die
maanden, die daartusschen verliepen (Aug. 1566-Maart 1567) gebruikt,
om hem te voorkomen, de opstand ware georganiseerd en Alva had de
poorten der steden gesloten gevonden. Maar de Prins miste het noodige
vertrouwen op de duurzame kracht der beweging en op zich zelven.
In de laatste maanden van zijn verblijf in de Nederlanden is er dan ook
weinig verheffends in zijn persoonlijkheid. Staatkundige berekening
gaf bij al zijn daden den doorslag. En al zullen wij hem op hoogst
gespannen oogenblikken, die nog volgden, de hulde niet onthouden,
die hem toekwam, toch betreuren we het, dat destijds niet reeds die
hoogere geest in hem leefde, dien we later bij zijn terugkeer in het
vaderland in hem bewonderen.
Margareta had op de terugkomst van den Prins te Antwerpen gerekend,
om krachtiger tegen de vrije prediking op te treden. Hoogstraten,
die Oranje vervangen had tijdens diens afwezigheid in het Noorden,
had wel met oordeel en kracht bestuurd en zelfs in October een oproer
door strenge maatregelen bedwongen, maar of hij de man er naar was,
om den katholieken godsdienst te herstellen ten koste der sekten,
daaraan twijfelde Margareta.
De Landvoogdes bleef op den Prins vertrouwen en nauwelijks was hij
dan ook in de Scheldestad teruggekeerd, of Margareta ving weer aan,
zich beroepende op zijn trouw aan den koning, hem aan te zetten tot het
doen ophouden der prediking binnen de muren der stad. Daar Margareta
zich niet van den Prins wilde ontslaan, ook al had hij den nieuwen eed
geweigerd, totdat de koning daaromtrent zou beslist hebben, was Oranje
wel verplicht, de moeilijke taak te Antwerpen weer op zich te nemen.
Na verschillende samenkomsten met de hervormers, kwamen de Prins,
de magistraat en de graaf van Hoogstraten, die Oranje's coadjuctor
bleef, tot het resultaat, dat de prediking binnen de muren niet zou
kunnen ophouden, tenzij er eenige compensatie aan de sekten gegeven
werd. Op 17 Februari zonden ze een deputatie naar de Landvoogdes
om de zaak met haar te bespreken. De regentes was zeer positief in
haar eischen; zij stond met kracht op de nakoming van de volgende
voorwaarden: Alle predikers moesten aanstonds vertrekken en alle
preeken en godsdienstoefeningen ophouden. De katholieke eeredienst
moest worden hersteld en het bouwen van nieuwe tempels gestaakt worden;
alle burgers moesten den koning gehoorzamen en zich aan zijn geboden
houden. Geen vagebonds of vluchtelingen mochten binnen de stad geduld
worden en alle gewapende mannen in den dienst van de gemeente moesten
gehoorzaamheid aan den koning zweren. Als die voorwaarden vervuld
werden, dan beloofde de regentes den burgers van Antwerpen, dat ze
niet om vroegere daden zouden worden gestraft, tenzij de koning,
door de edelen, de raden en staten geraadpleegd, anders zou bevelen.
In die amnestie was niet één persoon begrepen, die schuldig was aan
beeldstormerij, samenzwering tegen Z. M. enz. Ten overvloede, om alles
nog minder beteekenend te maken, verklaarde ze, dat de beloften in
die artikelen vervat, aan 's konings welbehagen waren onderworpen.
Welk een slag was dit in het aangezicht van alle hervormden, van welke
kleur ze ook waren! Op den 27en Februari verschenen afgevaardigden
van de sekten voor den Prins en vroegen, waarom er geen acht was
geslagen op het verdrag van het voorgaand jaar. Was het wonder dat
er samenscholingen van het volk plaats hadden, dat op zulk een wijze
werd geprikkeld?
Op den 2en Maart verzamelde zich een menigte van 2000 man voor de deur
van 's Prinsen verblijf en eischte de verzekering, dat er geen geweld
zou worden gebezigd, om de preeken te doen ophouden. Toch gingen ze
toen nog zonder rumoer uiteen.
In plaats van zich aan het hoofd dier onstuimige menigte te plaatsen,
dacht Oranje er aan, haar te bedwingen en te ontwapenen, met het
doel den koning het voorwendsel te ontnemen, het land met Spaansche
benden in te trekken. Daarom richtte hij in overleg met Nieuwenaar,
die ook voor Hoorne sprak, Brederode en Hoogstraten nog eens een
brief aan Egmond, zonder wien ze allen te zamen niets vermochten.
En wat stelden ze hem voor? Zouden we het kunnen gelooven, indien de
documenten het niet bewezen? Ze stelden Egmond voor, zich met hen te
verbinden tot het afschaffen van de openbare preek, tot het herstellen
der orde en daardoor tot het weren van de Spaansche troepen, voor wier
komst de aanleiding dan zou zijn weggenomen. Wij gelooven gaarne, dat
het doel van den Prins: het weren der Spaansche soldaten, ernstiger
gemeend werd dan het middel: de vrije prediking af te schaffen. Maar
ondertusschen werd het door hem voorgesteld.
Wel een bewijs hoe weinig Oranje en de zijnen nog wisten wat hun te
doen stond. Terwijl de Protestanten goed en bloed te hunner beschikking
stelden, om de vrije prediking te behouden, stonden zij in beraad
die desnoods met geweld te verhinderen. Toonde Margareta met haar
dwaze eischen den geest des tijds niet te verstaan; die geest, die
strooming werd evenmin begrepen door Oranje. Werd zij gedreven door
den angst voor haar koning of het naderend leger, door hem gezonden;
ook de Prins, voor wien de orde alles was in den staat, werd door
diezelfde vrees tot de wanhopigste en onmogelijkste reactie gebracht,
die wij ons bijna niet van hem kunnen voorstellen. Men mag echter
niet vergeten, dat het doel van dat schrijven was, Egmond te winnen.
Doch Egmond was een royalist pur sang. Hij was dit door afstamming
en traditie, van den aanvang zijner loopbaan af, als overwinnend
generaal van de troepen van zijn meester! Ook hem mishaagde wel het
gedrag van den koning; diens bevelen vielen ook niet in zijn smaak,
maar rebel te worden, de wapens tegen den koning op te nemen, dat kon
hij nog minder verdragen. Van den aanvang af had hij dit geweigerd en
bij die verklaring volhardde hij. Als aristocraat kon hij zich niet
met het volk verbinden tegen zijn souverein; als katholiek wilde
hij zich niet vereenzelvigen met de bestrijders van het gezag der
kerk. Buitendien was er nog een andere factor in het spel, die zijn
houding van die van Oranje deed verschillen. Al zijn eigendommen en
belangen waren op den Nederlandschen grond.
Oranje had zeker ook van zijn recht op zijn vaderlijk erfgoed afstand
gedaan ter wille zijner broeders, maar de Nassau's waren zoo aan
elkander gehecht en zoo loyaal tegenover elkander, dat hij zeker was,
een veilig toevluchtsoord in het ouderlijk huis te vinden. Egmonds
diensten aan Filips bewezen, waren door heel Europa bekend en hij kon
niet gelooven, dat de overwinnaar van St. Quentin en Grevelingen, die
zooveel glans had geworpen op de eerste regeeringsjaren van den vorst,
door Filips verkeerd zou worden beoordeeld. Hij antwoordde daarom
aan de vier edelen, dat hij zich niet met hen wilde verbinden. Hij
vermaande hen te doen, wat ze hem voorstelden: de preek af te schaffen,
het volk te beteugelen en dan nederig den koning te bidden, niet met
zulk een geduchte legermacht in het land te komen. Geen defensief
verbond wilde hij mee sluiten; tot meer dan nederig bidden, mochten
de edelen zich niet verstouten.
Oranje en zijne vrienden wilden nog een poging wagen, Egmond tot
beter inzicht te brengen. Ze noodigden hem tot een gesprek, maar
hij weigerde hen te ontmoeten. Hij vermaande hen zich als getrouwe
vazallen te gedragen. Hij voor zich was besloten, de wijk te nemen
als de koning het land overheerde, maar in geen geval zou hij zijn
meester bestrijden. Dit was zijn laatste woord en daarmee keerde hij
zich voor goed van zijn oude vrienden af.
Egmond legde den nieuwen eed, dien Oranje geweigerd had, af en op
den zelfden dag gaf Brederode de instructies aan de bevelhebbers
zijner troepen.