DE SLAG VAN AUSTRUWEEL. ORANJE EN HET OPROER IN ANTWERPEN. VERTREK
VAN DEN PRINS. 1567.
Wat in den aanvang van 1566 mogelijk was geweest, indien de gedachte
van Nicolaas de Hames was verwezenlijkt, doch wat toen door den
tegenstand van Oranje en de andere grooten niet geschied was, dat
werd thans, nu de zaak der verbondenen veel wanhopiger stond, ter
elfde ure nog beproefd.
Alleen wanhoop kon op dat oogenblik nog tot zulk een waagstuk drijven,
want overal in het land was de regeering sedert veel machtiger
geworden, terwijl de legerbenden van Alva het land naderden. Toch
werd het nog beproefd en eere den mannen, die de proef met hun dood
hebben bezegeld en door hun offer een bezielend voorbeeld gaven
voor het verzet, dat enkele jaren later met het schoonste succes zou
bekroond worden.
Als legerhoofd trad Hendrik van Brederode op en de meeste
oprichters van het compromis der Edelen werden bevelhebbers zijner
troepen. Nicolaas de Hames was er niet bij; deze was reeds sedert
eenige maanden naar Duitschland verwijderd en op zeer ongunstige
wijze door Margareta aan den keizer afgeschilderd. Na Brederode was
Jan van Marnix, heer van Toulouse de opperste veldheer, terwijl zijn
broer St. Aldegonde de functie van thesaurier-generaal bekleedde. Op
naam van "Brederode en die van de nieuwe religie" werd in en buiten
Antwerpen krijgsvolk aangeworven en dat Oranje zich daartegen niet
verzette blijkt wel uit het feit, dat sommige werfofficieren er
durfden bijvoegen: "Op last van den Prins van Oranje."
Een boekje in die dagen verspreid, kon als manifest van den opstand
gelden; in het bijzonder bevatte het eene aansporing tot de grooten en
edelen, niet langer te weifelen, maar vastberaden het eenige middel
aan te grijpen, dat nog redden kon, n. l. eendrachtige bestrijding
der regeering. Men begreep zeer goed, wat men van den Spaanschen
koning te vreezen had en tevens dat ze hun goed en leven, dat zij
nu op het spel gingen zetten, toch reeds verbeurd hadden. Zij, de
gereformeerden, wisten het wel, maar de "Heilige Raad," zooals het
boekje werd genoemd, overtuigde slechts hen, die reeds overtuigd waren,
niet echter de grooten, die bleven weifelen.... totdat het te laat was.
De verbondenen hoopten allereerst Antwerpen meester te worden, teneinde
deze stad tot het middelpunt hunner onderneming te maken; zij rekenden
tevens op den bijval van niet minder dan 52 Noord-Nederlandsche
steden. Daar ze meester waren van Deventer en Maastricht, kon de uit
Duitschland verwachte hulp over de bruggen van Maas en IJsel komen,
terwijl de bezetting van Zeeland, hetgeen ze niet moeilijk achtten, hen
in de gelegenheid zou stellen met Fransche en Engelsche geloofsgenooten
in gemeenschap te komen.
Antonie van Bombergen maakte zich bij verrassing van 's Hertogenbosch
meester en trachtte ook daar krijgsvolk te werven op naam van Oranje
en Hoogstraten. Wel verbood Oranje verdere lichtingen, maar hij kan
niet onbekend zijn geweest met het feit, dat zijn bevel niet werd
gehoorzaamd.
Het krijgsvolk, dat zich aanmeldde, was echter onvoldoende geoefend
en aan wapenen ontbrak het geheel, vooral ook doordat Mechelen, waar
de arsenalen zich bevonden, door de regeering was bemachtigd. Deze
liet de opstandelingen niet den tijd tot organisatie, doch tastte
nu ook door. Utrecht werd door Meghen verrast en ook Amsterdam liep
gevaar, maar deze stad bleef door de komst van Brederode voor de
geuzen behouden. In plaats van Brederode, die de troepen bij Vianen en
Antwerpen zonder hoofd had moeten achterlaten, kwam de jonge Toulouse,
een edel en moedig man, geen veldheer, maar een geleerde.
Zijn aanslag op Walcheren mislukte en daarop verschanste hij zich bij
het dorp Austruweel in het gezicht van Antwerpen, in de hoop dat de
Prins zich eindelijk voor hen verklaren zou. Die hoop bleek ijdel.
De regeering zat inmiddels niet stil en geholpen helaas door den
ouden veldheersblik van Egmond, die zijn troepen uit Vlaanderen
had aangeboden tegen het geuzenleger, dat een sterke stelling had
ingenomen, werd Filips van Lannoy, heer van Beauvoir, tegen Toulouse
afgezonden. Waarschijnlijk vertrouwde Margareta haar raadsman niet
zoozeer, om hem zelf met het commando te belasten.
Op den 12en Maart ontmoette Beauvoir de troepen van Toulouse
bij Austruweel. Deze was daardoor geheel verrast; ja hij meende
eerst nog dat het de Duitsche hulptroepen waren, waarop zoolang
was gehoopt. Geen gevecht, maar een ware slachting was het gevolg;
de meeste geuzen sneuvelden of werden in de Schelde gejaagd; van de
3000 krijgsknechten onder Toulouse ontkwam er bijna geen een, al waren
de overwinnaars slechts ten getale van 800 man. Ook de arme Toulouse
zelf kwam strijdend om en werd in honderd stukken neergehouwen.
Dit was het droevig einde van de eerste poging van den
Nederlandschen opstand.
Welken indruk die gebeurtenissen op de Calvinisten maakten en hoe de
houding van den Prins daarbij was, blijkt uit de volgende beschrijving:
"Ondertusschen verlangden de Antwerpsche Calvinisten, toen zij
van hunne bolwerken het vuur van Austruweel en de ongenadige
behandeling van de arme Toulousianen zagen, zich met hen in den slag
te vereenigen. Zij haastten zich naar de marktplaats, gemeenlijk
genoemd Place de Meir, waar in een oogwenk 1300 à 1500 man waren
verzameld. Sommigen waren gewapend met puntige hamers, maliekolven
en oude wapens, anderen met werpspietsen en slagzwaarden. Bij dezen
voegde zich een corps muitelingen, ongeveer 4000 man sterk, op dezelfde
manier uitgerust....
"De Prins van Oranje, over deze plotselinge beweging ontzet, riep de
acht compagnieën katholieke soldaten en achtenswaardige burgers, die
hij in de maand September had ingeschreven, te zamen. Hij liet deze
in het stadhuis en op plaatsen aan de markt grenzende, postvatten,
ten einde de muitzieken en de hervormden, die samenspanden om de
stad te plunderen, in bedwang te houden. Daarop ging hij, vergezeld
door Hoogstraten en van Straalen, burgemeester van Antwerpen, naar de
Place de Meir om te weten te komen, wat die woeste menigte verlangde.
"Ze werden met beleedigingen begroet. Oranje werd een vuile verrader
genoemd, een dienaar van den Paus, een beambte van den Anti-Christ. Met
dergelijke liefelijke woorden zooals de Hugenoten gewoon waren naar
hun vijanden te slingeren, werd de Prins overvallen. Daarop begonnen
zij als krankzinnigen te roepen, dat zij den dood van hun gesneuvelde
broeders, die door de Katholieken zoo wreed waren gemassacreerd, wilden
wreken en bevalen den Prins gebiedend, dat hij de poorten moest openen
of anders zouden zij ze afbreken. Toen hij daarmede langer wachtte,
dan hun beviel, ijlden ze naar de naastbijzijnde poorten, maakten ze
met hun maliekolven open, ten einde hun plan te gaan uitvoeren, geen
acht slaande op de waarschuwing van den Prins, dat ze niet in staat
waren met goed toegeruste soldaten te vechten en dat Toulouse en zijn
troepen, die voor hun oogen waren vernietigd, hun tot waarschuwing
konden dienen. Eindelijk ziende, dat zijn vermaning niets uitwerkte,
keerde de Prins naar de Place de Meir terug.
"Nu moet men niet vergeten dat Beauvoir, vóór de nederlaag
van Toulouse, gewaarschuwd was, dat de Antwerpsche sektarissen
zich verzamelden om hem aan te vallen... Daarom beval hij al de
gevangenen ter dood te brengen ten getale van ongeveer 300, uit
vrees, dat deze hem soms een poets zouden spelen. Dat was zeker
een zeer onmenschelijke daad, maar misschien op dat oogenblik
een militaire noodzakelijkheid. Daarop trok hij naar de stad, vast
besloten de Evangelische muiters, die zich wilden wreken op den dood
hunner kameraads, te straffen... Toen deze echter Beauvoir met zijn
overwinnende troepen, die de lucht vervulden met de geluiden van
krijgstrompet en trommelslag, zagen naderen, was hun drift bekoeld
en kalm gingen ze naar de Place de Meir, om den raad van den Prins
van Oranje op te volgen, dien ze daareven zoo verachtelijk hadden
verworpen.
"Beauvoir bleef eenigen tijd in slagorde op hen wachten, maar toen
hij zag, dat ze niet het minste verlangen hadden, zijn uitdaging
te beantwoorden, plaatste hij de standaards van den ongelukkigen
Toulouse tot een bespotting op den hoek van de haven, liet die daar
een poos staan en ging toen, met roem overdekt en met buit beladen,
met zijn soldaten naar Brussel.
"Het scheen, alsof de Calvinisten van spijt zouden barsten, want
ze zwoeren, dat de Antwerpsche papisten niet lang over hun ongeluk
zouden lachen. Den nacht bracht de menigte gewapend op de Place de Meir
door, onophoudelijk roepende: "Vivent les gueux." Vroeg in den ochtend
haalden ze 17 stukken geschut uit het arsenaal, want ze vertrouwden de
magistraat niet en daarop gingen ze als waanzinnigen van kerk tot kerk,
van klooster tot klooster, plunderend en roovend al wat zij vonden,
terwijl ze priesters en geestelijken, vooral de Minoriten, die in
slechten dunk stonden, kwalijk bejegenden. Daarop stonden ze gereed de
rijke woningen te gaan plunderen, met het plan allen, die niet tot hun
geloof behoorden, te verjagen en de stad onder hun macht te brengen.
"Ze haatten de Lutherschen nog meer dan de Katholieken; die noemden ze
"halve-papisten," "erger dan papisten" en ze wilden geen woord ten
gunste van de Anabaptisten hooren, hoewel zij (altijd volgens Pontus
Payen) kinderen van den duivel waren niet minder dan deze.
"Waarschijnlijk zouden ze geslaagd zijn in hun verderfelijke
oogmerken, als de Prins van Oranje dit niet door zijn voorzichtige
zorg had voorkomen. Hij, die de bloeddorstige natuur der Calvinisten
haatte, besloot hun stoutheid met sterke hand te keeren. Hij nam
daarom de voornaamste Spaansche, Italiaansche, Engelsche en Duitsche
kooplieden in vertrouwen en ook de dekens van alle gilden, die niet
tot de opstandelingen behoorden. Daarop verzamelde hij de gewapende
Katholieken en Lutheranen; hij overreedde hen een verbond te sluiten
en tezamen pogingen in het werk te stellen om de buitensporigheden
van die sektarissen te beteugelen, die geboren schenen, om de wereld
in beroering en alles in wanorde en verwarring te brengen.
De Lutherschen waren daartoe volkomen bereid. Ze hadden dikwijls van
te voren zulk een verbond aan de Katholieken voorgesteld, met wie ze
in goede verstandhouding gedurende de troebelen geleefd hadden. De
Prins beval toen, dat de groote klok geluid werd en op een andere
marktplaats, geheel afgezonderd van de Place de Meir, verzamelden zich
de Katholieken en Lutheranen. Deze bestonden enkel uit deftige lieden,
rijke kooplui en achtenswaardige burgers, terwijl de anderen slechts
uit schorriemorrie bestonden, voor 't grootste deel vreemdelingen,
vluchtelingen, bankroetiers en minder volk, aangevoerd door een
ellendigen galgevogel, met name Hermans.
"Zeker, er waren ook in de stad vele rijke kooplieden, die den
godsdienst van Calvijn beleden, doch die vermengden zich niet openlijk
met het gepeupel, al ondersteunden zij ze misschien in het geheim. Er
bestond dus gelegenheid, de stad van slecht bloed te zuiveren,
maar de Calvinisten, de ongelijkheid van den strijd erkennende,
zonden hunne predikanten naar den Prins, om voorwaarden te maken en
ze boden aan, zich aan zijn besluiten te onderwerpen. Oranje willigde
dit in en bedaarde den toorn der Katholieken en Lutheranen, die er
eindelijk in toestemden het verbond te teekenen, dat de Prins met
de Consistories had gemaakt en die beloofden, zich aan den inhoud
daarvan te houden. Zoo werd het oproer zonder bloedvergieten gestild,
geheel tegen de algemeene verwachting in.
"De Prins wordt om dit optreden door velen hoogelijk geprezen; men gaat
zelfs zoover, dat men hem alle eer geeft, de stad tegen plundering
en bloedvergieten door zijne tegenwoordigheid te hebben bewaard. Men
beweert, dat door hem het leven der Katholieken is gespaard, die
zonder de tijdelijke hulp der Lutheranen in het uiterste gevaar zouden
verkeerd hebben.
"Wat mij aangaat, (zoo eindigt de katholieke royalistische schrijver),
ik zou niet gaarne de eer, die den Prins in die zaak toekomt,
ontkennen; maar toch komt het mij voor, dat de Calvinisten meer reden
van dankbaarheid hadden, dan de Katholieken en de Lutheranen; want het
Compromis dat hij maakte, was geheel in het voordeel van de zwakste
partij, die op het punt stond voor haar heiligschennis en diefstallen,
die ze begaan hadden, een waardige straf te ontvangen."
Ziedaar het verhaal, verteld door een katholiek schrijver, die bijna
tijdgenoot dier gebeurtenis was, doch die Margareta doet voorkomen als
een voorbeeldige regentes, wie de belangen harer kerk bovenal ter harte
gingen. Natuurlijk moet dus dit verhaal als zoodanig beoordeeld worden.
De overeenkomst, waartoe de verschillende sekten zich verbonden, was
de volgende: De stadssleutels bleven in de handen van den Prins en van
Hoogstraten. Burgers en soldaten samen moesten verantwoordelijk blijven
voor den algemeenen vrede; de burgers benoemden de kapiteins, wier
keuze door den Prins moest worden goedgekeurd; 1200 burgers moesten
de poorten bewaken en de stad werd in districten verdeeld. Binnen de
wallen kon de overheid geen gewapend volk toestaan, noch eenig soort
van garnizoen, zonder toestemming der gemeente. De burgers moesten
den eed afleggen aan den koning, de stad en het volk, met behoud der
privileges, inzonderheid van dat der Joyeuse entrée. Het verdrag van
1566, betreffende de beide godsdiensten, bleef onaangetast.
De eerste vorm van deze overkomst werd door het volk niet
aangenomen. Op den volgenden dag kwamen er vijftien additioneele
artikelen bij, o.a. bepalende, dat de conventie van den 27en moest
worden in stand gehouden, totdat de koning en de staten het punt
van den godsdienst hadden toegestaan. De stadssleutels moesten
onmiddellijk aan Oranje en Hoogstraten gegeven worden, die, indien ze
het noodzakelijk achtten, 400 ruiters mochten lichten en gewapende
schepen in de Schelde konden opstellen. Al de inwoners zonder
uitzondering moesten bijdragen aan de uitgaven, die de algemeene
verdediging eischten; op de bolwerken zouden kanonnen worden geplaatst
en de gouverneurs moesten het geschut controleeren. Op den 15en Maart
stemden de Calvinisten er in toe, deze artikelen te onderteekenen.
Er is geen twijfel aan, of door deze conventie werd een bloedbad
voorkomen, zoo vreeselijk als Parijs ooit gezien heeft; de stad werd
door het vergelijk beveiligd en tot rust gebracht en aan Oranje
komt ten volle de eer van deze heilrijke uitkomst toe. Hij bewees
op dat gespannen oogenblik, te midden van tallooze sekten, die
elkander ten bloede toe haatten, een staatsman van groote wijsheid
te zijn. Men moge terecht zijn weifelen en zijn besluiteloosheid in
1566 en 1567 betreuren; te midden van zulk een oproerige stad, waar
de meest booze plannen werden gekoesterd, de rust hersteld te hebben,
is het beste pleidooi voor zijn helder inzicht, ik zeg niet in den
tijdgeest, maar in de eischen van het oogenblik. En die geest van
staatsmanswijsheid is hem ook later, toen hij gelouterd in het land
wederkeerde, bijgebleven en toen aan het gansche land, gelijk thans
Antwerpen, ten goede gekomen. Oranje moet den dood van Toulouse,
den jongen geleerde en van zijn 3000 man, diep betreurd hebben, maar
hij behield zijne kalmte en bestuurde te midden van de gevaarlijkste
samenscholingen met den besten uitslag de oproerige stad.
Op den morgen van den 15en Maart werden de troepen, door de stad
geworven, op de Place de Meir verzameld. Oranje, Hoogstraten, de
stedelijke overheid en een honderdtal ruiters reden naar de markt,
allen met roode sjerpen om hun wapenrusting, het embleem door hen,
die de orde wilden handhaven, aangenomen.
De menigte Calvinisten stond met toornige blikken aan het eene
eind van de plaats. Oranje beval, dat de artikels van het vergelijk
overluid zouden worden gelezen en toen hield hij een korte toespraak,
waarin hij, met het noodlottig voorbeeld van Toulouse en zijn
ongeoefende vrijwilligers tegenover ervaren soldaten voor oogen,
het volk waarschuwde tegen het garnizoen, dat onder het gezag der
stad stond, om toch geen ijdele pogingen aan te wenden, nog meer
concessies te verkrijgen. Hij eindigde zijn toespraak met de woorden:
"Leve de koning!" Na een oogenblik stilzwijgen herhaalde de menigte
dien kreet en de rust was hersteld.
Twee weken was het bijna geleden, sedert Margareta den Prins om
vernieuwing van den eed van getrouwheid had gevraagd en een weigerend
antwoord van hem had ontvangen, terwijl hij afstand deed van al zijn
bedieningen. Hij was echter niet van zijn dienst ontheven, zoodat hij,
overeenkomstig het officieel gebruik, nog gebonden was, toe te zien,
dat de dienst volgens den wil des konings vervuld werd.
Wat hij zou gedaan hebben, als Toulouse, in plaats van Beauvoir,
overwinnaar was geweest, kan niet worden bepaald. Maar in den
staat van zaken, zooals die op het oogenblik was, stelde hij zijn
verplichting tegenover Filips hooger, dan het feit, dat hij reeds
afstand had gedaan, hetgeen zeker op dat oogenblik het beste was,
dat hij kon doen. De Landvoogdes, wel verplicht den Prins te prijzen
met zijn succesvol optreden, was toch ontevreden met het resultaat
en zij meende dat Oranje voor het volk had ondergedaan. Haar goed-
of afkeuring was echter een zaak van de grootste onverschilligheid
voor hem.
Aan een Duitsch vorst, waarschijnlijk Willem van Hessen schreef hij
den 17en Maart het verhaal over het voorgevallene te Antwerpen. Hij
vermeldt in dien brief, dat het alleen met de grootste inspanning en
met gevaar voor zijn leven gelukt is de Calvinisten te overmeesteren en
de eer der stad te handhaven. Veel dank zal hij er niet mee inoogsten,
dat begrijpt hij, maar "God en alle eerlijke lieden zullen onze
daden erkennen."
Ook zegt de Prins nog in hetzelfde schrijven, dat hij reden heeft God
te danken, nu hij aan zulk een groot gevaar is ontkomen en dat hij zich
zelf door de genade Gods kan beschouwen als een nieuw geborene. Hoe
hij geheel gered zal worden, weet hij nog niet, maar op God en op de
gebeden zijner vrienden vertrouwt hij.
Zonder twijfel hebben wij het recht deze woorden aan te merken als
een uiting van het ontwaakte religieuse leven van den Prins, want
ook elders laat hij niet na den naam van God te noemen en zich en de
zijnen in zijn hoede aan te bevelen. De angstige dagen in Antwerpen
doorleefd, schijnen zijn hart te hebben geopend voor het godsdienstig
gevoel, dat zich hier in innige dankbaarheid, diepe afhankelijkheid
en hartelijk vertrouwen uit.
Zijn besluit om het land te verlaten had hij reeds vroeger genomen,
maar thans besefte hij ten volle, dat hij weg moest gaan en aan Willem
van Hessen schrijft hij dan ook, hoe onmogelijk het voor hem was na
Alva's komst te blijven.
Hoewel Margareta, zooals we zagen, lang niet voldaan was met Oranje,
verzuimde zij toch niet, pogingen in het werk te stellen, hem in de
Nederlanden te houden.
Ze zond nog eenmaal haar secretaris Berty met het voorstel, indien hij
bleef weigeren, den nieuwen eed af te leggen, een samenkomst te hebben
met zijn vroegere medeleden van den Raad van State, zooals Aerschot,
Barlaimont, Egmond en Mansfelt. Deze samenkomst had wel plaats te
Willebroek bij Mechelen met Egmond en Mansfelt, doch succes had deze
bespreking niet. De Prins bleef bij zijn wensch, te worden ontlast
van al zijn ambten en bedieningen, zoowel van die welke de Koning,
als van die welke de Landvoogdes hem had opgedragen. Hij wilde zich
eerst naar Breda, dan naar Duitschland terugtrekken en beloofde de
nederige vazal van den koning te blijven.
Margareta zegt in haar brief aan Filips, dat ze aan zijn laatste
verklaring niet veel waarde hecht.
Het was de laatste maal, dat Oranje en Egmond samen waren. Een
Calvinist, die zich in den schoorsteen van de audiëntiezaal had
verborgen, deelde omtrent deze ontmoeting het volgende mede: Toen alles
van weerszijden was gezegd en de graaf volhardde bij zijn voornemen,
zijn lot met dat van zijn land te blijven deelen en de Prins vast
bij zijn besluit bleef, het Nederlandsche stof van zijn voeten af te
schudden, zei de eerste: "Vaarwel, Prins zonder Staten!" en Oranje
antwoordde: "Vaarwel, graaf zonder hoofd!", waarop ze elkander
omhelsden en vertrokken. Een ander verhaalt, dat Oranje zou gezegd
hebben: "Mijn neef, de Spanjaarden zullen de Nederlanden binnentreden,
maar ik verzeker u, uw hoofd zal hun tot brug dienen."
Hoewel deze berichten geen geschiedkundigen grondslag hebben, stemmen
alle schrijvers toe, dat Oranje en Egmond elkander omhelsden en
droevig scheidden.
Zeker heeft nooit een verrader en--van het Spaansche gezichtspunt uit
was Oranje dit ongetwijfeld--met dergelijke overwegingen als Willem
van Nassau het land verlaten, dat hij besloten had uit de macht
van een tiran te bevrijden. De edelen vertrokken dienzelfden dag na
het middagmaal en Oranje keerde naar Antwerpen terug om de laatste,
voorbereidende maatregelen te nemen, voor hij de gewesten verliet. In
de Brabants hoofdstad echter durfde hij den voet niet zetten.
Op den 10en April schreef hij aan Filips een brief, waarin de Prins
zijn optreden in Antwerpen en Holland rechtvaardigt; hij deelt den
koning mede, hoe hij in de eerstgenoemde stad bij zijn terugkeer het
oproer heeft bedwongen.
Wat den eed aangaat, waarover de hertogin van Parma hem heeft
geschreven, deelt de Prins den koning zelf mede, dat hij dien
geweigerd heeft af te leggen, reden waarom hij zijn ambten en
bedieningen nederlegt. Hij eindigt met de verzekering zijner trouw,
loyauteit en gehoorzaamheid aan den koning.
Mocht iemand de herhaalde getuigenis van zijn trouw en loyauteit
aan den koning overdreven vinden, hij bedenke, dat de briefstijl
dergelijke uitingen eischte, waardoor alleen een plichtmatige vorm
werd nagekomen. Nemen we dat in aanmerking, dan is er geen eerlijker
overgang van loyauteit tot rebellie denkbaar dan die, waarvan deze
brief getuigenis geeft. Zelfs de 50.000 florijnen, die de Staten van
Holland hem wilden vereeren als een geschenk voor het dempen van het
oproer, weigerde hij, hoe goed hem dat geld ook bij al zijn schulden
zou te pas gekomen zijn. Aan Filips schrijft Oranje, dat hij den
nieuwen eed uit beginsel niet kan afleggen en daarom van de Staten
van Holland het geschenk niet wil aanvaarden voor zijn persoonlijk
gebruik, daar hij eerstdaags geen stadhouder meer zal wezen.
Het vertrek van den Prins wordt op verschillende wijzen
uitgelegd. Zelfs beweert men, dat hij na den slag bij Austruweel en
onder den indruk van de jongste berichten van Lodewijk van Nassau, nu
er op geenerlei hulp uit Duitschland te rekenen viel, erover gedacht
heeft zich met den koning van Spanje te verzoenen en dat nog wel door
middel van Granvelle. 't Is waarlijk nog al eigenaardig, dat men dit
van hem beweert en men moet den Zwijger al erg naïef vinden, wanneer
men meent, dat deze verzoening, stel het geval, kon bereikt worden
door tusschenkomst van den man, die zijn gansche vernedering aan den
Prins had te wijten. Die geheele verzoening echter was een fictie,
want wat zou anders de herhaalde weigering van den eed af te leggen,
beteekend hebben.
Ook zegt men, dat de Prins vluchtte uit vrees. Dat hij van nature
bang was wordt echter evenmin door iets bevestigd. Van angstvalligheid
was toch zeker geen sprake in Antwerpen van 14-16 Maart! Zijn vlucht
was integendeel het gevolg van een lang beraamd plan, dat hij slechts
noode vervulde en waartoe hij eerst, door de omstandigheden gedrongen,
overging.
Bevreemdend blijft alleen het slot van zijn brief aan den koning, want
Oranje wist zeer goed, dat hij in Duitschland gevlucht, niet de trouwe
gehoorzame vazal des konings zou kunnen blijven. En toch beweert hij,
dat hij met Gods hulp in trouw en gehoorzaamheid hoopte te volharden,
zoodat Z. M. er ten volle mee tevreden zou zijn.
Men moet echter niet vergeten, dat hij nog geruimen tijd ook na zijn
terugkeer in het land is blijven voortgaan, in naam des konings op te
treden en dat zijn opstand tegen de Spaansche macht alleen bedoelde
vrijmaking van het geweld, waarmede hij zelfs den kwaad ingelichten
vorst een dienst hoopte te bewijzen tot het behoud van zijne
Nederlanden. De gedachte daaraan kon ons nog meer dan de briefstijl
en de vorm verzoenen met Oranje's krachtige betuiging van trouw en
loyauteit in dien laatsten brief voor zijn vertrek aan Filips II.
Den 11en April verliet de Prins Antwerpen en ging naar Breda, met
het plan, ook die stad zoo spoedig mogelijk, na orde op zijn zaken
gesteld te hebben, te verlaten. Tien à elf dagen vertoefde hij er nog,
wel een bewijs, dat angst niet het motief was van zijn vlucht. Wat
daar gedurende dien tijd plaats had, is onvolledig bekend. Aangaande
een paar zaken zijn we slechts met zekerheid ingelicht. Hij ondervond
allereerst van den kant zijner vrouw een hoogst onaangenaam verzet
tegen het vertrek naar Duitschland.
Anna's kleine, onbeduidende, zelfzuchtige natuur was de oorzaak, dat
ze de betrekking, waarin haar echtgenoot tot zijn vorst stond niet kon
begrijpen. Zij was zeker Protestant, maar ze vond het in het geheel
niet noodzakelijk voor haar man, de zaak van een onbeduidend volk te
omhelzen, zoodat hij verplicht werd, zijn positie, zoo hoog in rang en
macht, te verlaten en zijn privaat eigendom in de waagschaal te stellen
door met een jongeren broeder op een ver afgelegen, geïsoleerd Duitsch
kasteel de toevlucht te nemen, ver verwijderd van alle gemakken, die
in Brabant te verkrijgen waren. De zaken zouden allen terecht komen
als hij slechts een weinig diplomatie wilde gebruiken, meende Anna,
en onverdragelijk was het haar, zoo uit haar huis te worden weggerukt.
Niets is ongerijmder dan de meening, alsof Anna den Prins tot die
verhuizing had aangezet of eenig deel aan den opstand had genomen door
mede te Spa of elders met de verbondenen te onderhandelen. Anna knorde
en gromde alleen; ze had in 't minst geen denkbeeld van de plichten
van haar gemaal en maakte de laatste dagen van zijn verblijf in Breda,
door haar zelfzuchtigen tegenstand, voor Oranje nog onaangenamer.
Uit Breda schreef de Prins afscheidsbrieven aan Egmond en Hoorne en
ook aan den graaf van Bergen in Madrid. De beide eerste brieven waren
in het latijn. Het zijn antwoorden op de laatste pogingen der beide
graven, om hem in het land te houden. Waarom hij de deftige Latijnsche
taal koos, om aan zijne weigering uiting te geven, is onbekend; maar
't schijnt een stijf en vreemd middel van communicatie tusschen mannen,
die aan dagelijkschen familiaren omgang gewoon waren.
Ook aan Egmond herhaalde hij, dat, wat hem ook verplichtte het land
te verlaten, hij niet ophield Filips' getrouwe vazal te blijven. De
brief aan Hoorne is vrijer van toon en krasser in uitdrukkingen omtrent
het kwaad door Filips aan de Nederlanden bedreven. Bovendien viel de
Spaansche honig, waarvoor Filips van Hessen nog op zijn sterfbed had
gewaarschuwd, niet in zijn smaak.
Den 22en April ging de Prins op reis uit Breda, eerst naar Grave,
van daar naar Kleef en toen naar Dillenburg. Ofschoon hij openlijk
alle toebereidselen had genomen om het land te verlaten en er nog
dagen verliepen, voor hij uit Breda vertrok, wordt toch voorgesteld,
dat alleen lafhartigheid oorzaak was van de groote haast waarmede hij
naar Dillenburg vertrok. Te Kleef vereenigden zich zijn echtgenoote
en hofhouding met hem, terwijl tal van geestverwanten hem volgden.
Aan Margareta werd gemeld, dat een derde deel van de inwoners van
's Hertogenbosch naar Kleef ging.
"Een groote menigte Brabanders en Walen ging voorbij Delfzijl naar
Emden; armen en rijken, vrouwen en kinderen," zoo schreef men den
5en Mei aan Aremberg en deze berichtte den 9en Juni aan Margareta:
"Mevrouw, ik heb vernomen, dat de voornaamste beeldstormers en
oproermakers met tal van Brabanders, Hollanders en anderen dagelijks
vluchtende zijn naar Emden."
Bossu, die in plaats van Oranje tot stadhouder van Holland benoemd was,
werd een maand later ingelicht omtrent het feit, dat Emden boordevol
vluchtelingen was, dat er in het huis van een bakker alleen dertig
waren en er dagelijks nieuwe aankwamen.
Voor Oranje Breda had verlaten, had hij zijn zoon Filips Willem,
die in Leuven studeerde, daar ontboden, om hem vóór zijn vertrek nog
eenmaal te zien; het verbaasde hem bij die gelegenheid, dat de zaken
al zóó ver gekomen waren, dat de vader zonder suspicie den zoon niet
eens kon zien en spreken.
Wij, die het lot van dien zoon kennen en die weten, hoe Filips
Willem, door Alva opgelicht, zijn gansche leven bijna in Spanje heeft
moeten doorbrengen, verbazen ons nog meer, dat de Prins hem te Leuven
liet. Misschien wenschte Oranje, door hem in het land te houden, eenig
vertrouwen in Filips te toonen voor het geval de zaken veranderden,
te meer omdat hij ontwijfelbaar geloofde in het heiligdom van den
neutralen grond der Universiteit, niet kunnende vermoeden, dat die
zelfs door de wreede hand van Alva zou worden geschonden.
Zijn dertienjarige dochter, die aan het hof van Margareta was en zeer
door haar geliefd werd, duldde hij niet langer in het land, dat hij
zelf ging verlaten; ook Juliana van Stolberg vond de aanwezigheid van
Willems dochter daar aan het hof minder gewenscht en achtte het veel
beter, dat Marie in Dillenburg kwam onder hare leiding.
Oranje schreef, dat zijn moeder verlangde haar kleindochter te zien
en daarop ontving hij het volgend briefje van Margareta, dat ook om
andere redenen hier in zijn geheel wordt vermeld.
Mijn neef,
Uit uw brief van den 22en dezer maand heb ik gezien, dat gij
nu eindelijk besloten zijt tot die reis naar Duitschland,
waarop gij reeds lang geleden plan hadt, ter wille van zaken,
die u en uwe verwanten en vrienden betreffen; waarin gij
ook de belofte doet, om, waar gij u ook bevinden moogt,
de nederige en getrouwe dienaar en vazal van den koning,
mijn heer, te blijven.
Ik twijfel dan ook niet, of die belofte oprecht is, te meer
daar ik Uwe groote en goede hoedanigheden ken en gij weet,
dat ge te doen hebt met een vorst, die u altijd liefde en
goeden wil toedroeg. Ook dank ik U voor Uwe goede voornemens,
om mij altijd genegen te zijn, waar gij ook zijt en verzeker u
dat ik u, in alle opzichten vriendschap, hulp en genoegen zal
blijven doen, daar ik u steeds als mijn zoon heb liefgehad. Wat
Mlle Oranje aangaat, haar heb ik steeds bemind als mijn eigen
kind. Maar gelijk gij zegt: Mevrouw uw moeder wenschte haar
voor haar dood te zien; reden genoeg, waarom zij moet gaan, om
haar vaarwel te zeggen. Begeert ze bij mij terug te keeren, ze
zal mijn liefde onverminderd vinden. Gedurende uw afwezigheid
zal ik Uw dienaars en ambtenaars behandelen, alsof gij hier
waart en in uw zaken zal ik niet minder belangstellen, dan ik
gedaan heb. Ik bid den Schepper, dat Hij u goede raadgevingen,
een aangename reis en alle geluk moge geven.
Uit Antwerpen den laatsten April 1567.
Het bleek later zeer gelukkig te zijn, dat Marie bij haar grootmoeder
was gekomen, want in 1570 verscheen een gerechtsdienaar met een bevel
van Alva om haar op te vorderen! Keerde ze niet terug, dan zouden
haar goederen worden verbeurd verklaard.
Het is begrijpelijk, dat deze eigenaardige opvordering geen succes
had en Marie rustig bij haar grootmoeder bleef en ook, dat de latere
vorstin van Hohenlohe haar grootmoeder altijd dankbaar bleef voor
haar redding uit Spaansche handen.
Aldus eindigde het tweede hoofdstuk van Willems leven. Den dag nadat
hij Breda verliet, had hij zijn 34e jaar voleindigd. Zijn leerjaren
als vredelievend staatsman waren voorbij. Nu stond hij geheel op eigen
voeten. Zijn familie, zijn vrienden, het land verwachtten nu van hem
een opbouwende politiek, die grooter lasten van verantwoordelijkheid
op zijn schouders zou leggen, dan de gehoorzaamheid aan de bevelen
van een verwijderd vorst.