AANBIEDING VAN HET SMEEKSCHRIFT EN DE GEVOLGEN. ORANJE IN
ANTWERPEN. 1566.
Men kan zich begrijpen, dat Margareta niet zonder zorg de stemming
van het volk opmerkte. Terwijl men zich van den kant der edelen op de
demonstratie voorbereidde en het duidelijk werd, dat de verbondenen
weldra tot een openlijke daad zouden overgaan, begon de landvoogdes
zich steeds minder op haar gemak te voelen. De meest overdreven
geruchten waren tot haar doorgedrongen; de krijgsmacht van het Verbond
der Edelen werd zelfs op 30.000 man geschat!
Wat te doen? Haar positie was niet benijdenswaardig en ze voelde zich
bovendien erg verlaten. Viglius en Barlaimont vertrouwde zij niet
volkomen en had zij van zich vervreemd, terwijl de meeste grooten
uit de residentie waren vertrokken en herhaaldelijk verzocht zij hun
terug te keeren om haar met raad en daad bij te staan.
Op het einde van Maart riep zij de ridders van de Vliesorde en de
leden van den Raad van State bijeen en ook Oranje ontving van haar
een dringende uitnoodiging om in Brussel te komen, ten einde haar
raad te geven in den dreigenden toestand. Zijn antwoorden waren eerst
ontwijkend. Zijn zaken hielden hem bezig, zijn vrouw was ziek en al
dergelijke uitvluchten zocht hij om Breda niet te verlaten. De Prins
vond echter genoeg tijd om aan een der Duitsche vorsten een brief
te schrijven, waarin hij uiteenzette, dat de oorlogstoerustingen
van Filips niet alle tegen de Turken bedoeld waren, maar dat het
verzamelde krijgsvolk onder den schijn van een Turkentocht wel
voor een ander doel bestemd zou zijn. Hij hoopte dan ook, dat de
Protestantsche Duitsche rijksvorsten op hun hoede zouden zijn en op
den tegenwoordigen Rijksdag veel goeds en heilzaams zouden weten te
bewerken in het belang van deze landen.
Op den 27en Maart ging echter de Prins naar Brussel en woonde
twee dagen later een vergadering van den Raad van State bij. Lid
voor lid vroeg de regentes de meening der vergadering omtrent de
inquisitie. Allen zonder onderscheid, hetzij ze, gelijk de meesten
katholiek waren, hetzij ze de hervorming sympathie toedroegen, allen
waren van meening, dat de plakkaten moesten worden gematigd en dat
de inquisitie hatelijk was en niet in het belang van den godsdienst.
Toen de beurt aan den Prins kwam, zei hij, dat in alle wereldlijke
zaken de orde moest worden bewaard, in godsdienstige plichten meer
dan in iets anders. De bedoelingen van den koning waren goed, maar zij
hadden het resultaat niet voorzien. De godsdienst ging achteruit. "Een
mensch voor zijn meeningen te zien verbranden, krenkt het volk;
de rechters zullen de plakkaten niet uitvoeren, terwijl de strenge
dekreten niets doen om den godsdienst te handhaven." Hij raadt dus
de vergadering aan, een moderatie te ontwerpen en voor alles op de
nieuwe plaatsen de inquisitie niet in te voeren, terwijl hij hoopt,
dat Hare Hoogheid de bemiddelares zal wezen tusschen den koning en
de inquisiteurs.
De regentes was gedurende de vergadering zeer ontrust, doch toen
de quaestie van de petitie te berde kwam, vermeerderde nog haar
ontroering. Wat zou zij haar broeder zeggen, als zij de Edelen ontving;
het was toch een protest tegen zijn wil en wat zou het volk doen,
als zij hen eens weigerde te ontvangen? De koning was verre en het
volk stond aan haar deur!
Oranje beklaagde zich met Hoorne, dat zij als leden van het verbond
werden aangemerkt. Als stadhouder en als ridder van het gulden
Vlies moest hij die houding aannemen, ook al had hij persoonlijk
zijn goedkeuring aan het verbond gehecht en al vond hij zelfs in het
smeekschrift den grond om het verbond te verdedigen. De Prins schaarde
zich echter in de discussie geheel aan de zijde der regeering. Op
den 1en April schrijft hij aan Lodewijk, toch vooral niet te veel
verbondenen tot den optocht toe te staan, nogmaals bepaald er op
aandringende, dat men ongewapend zal verschijnen.
De 5e April was voor de aanbieding van het smeekschrift vastgesteld.
In den avond van den 3en April 1566 omstreeks 6 uur kwam een cavalcade,
200 ruiters sterk, Brussel binnen. Een ontelbare menigte uit alle
klassen der maatschappij verdrong zich overal waar de stoet zich
vertoonde. Aan het hoofd reed Brederode, die met zijn groote gestalte
en krijgshaftige houding een geschikt aanvoerder scheen voor dezen
troep bataafsche ridders. Onder herhaalde toejuichingen reden ze
langzaam de stad door tot het huis van Oranje, waar Lodewijk van
Nassau en Brederode afstapten, daar zij de gasten van den Prins waren,
terwijl de rest der edellieden in verschillende kwartieren der stad
een onderkomen vonden.
Den volgenden dag kwamen de graven Culemborg en Bergen aan, met
ongeveer 100 volgers. De geheele troep verzamelde zich op den 5en bij
het paleis van Culemborg. Dit huis lag op het plein Petit Sablon, nu
versierd met de standbeelden van de voornaamste petitionarissen. De
plaats, waar het paleis was, is thans ingenomen door een stedelijke
gevangenis.
Wie waren die edelen?
"Het was een mooi gezicht die troep edellieden; de meesten hunner
baardeloos, maar even beschaafd en volmaakt als er eenige in Europa
zouden te vinden zijn. Velen van hen waren even ervaren in de letteren
als in het gebruik van wapenen, maar zeer onkundig in staatszaken,
het gevolg van hun jongen leeftijd. De meest uitstekenden waren Floris
van Pallandt, graaf Culemborg, graaf Lodewijk van Nassau, broeder
van den Prins van Oranje, George de Ligne en andere welbekende edelen.
"Hunne bedoelingen waren zeer verschillend; dientengevolge was hun
verbond slechts van korten duur, want er ontstond verdeeldheid,
waaruit hun geheele ondergang volgde. Sommigen hadden zich bij
het verbond aangesloten uit affectie voor hun land, met geen enkele
gedachte van ontrouw aan den katholieken godsdienst en aan den dienst
des konings. Anderen hoopten de oproerige leeringen van Calvijn in
het land over te planten, doch deze waren niet zeer talrijk. De
groote meerderheid wenschte eenvoudig den bestaanden staat van
zaken te verwarren om, zooals het spreekwoord zegt, in troebel
water te visschen en hun ledige beurzen ten koste van den staat en
de geestelijkheid te vullen. Vooral haatten zij de leden van den
geheimen raad en de betere dienaren des konings, die ze kardinalisten
noemden. Behalve deze drie soorten waren er nog enkele plebejers,
die het Compromis geteekend hadden om daardoor hun nakomelingen een
merkteeken van adeldom te geven. Deze werden later door den hertog
van Alva het strengst vervolgd als de meest schuldigen en zoo kregen
ze hun verdiende loon voor hun ijdelheid."
Deze beschrijving van den katholieken schrijver Pontus Payen bevat
veel waarheid, want die 300 edellieden langer te idealiseeren gaat
niet aan. Er was meer kaf dan koren onder. De adel van die dagen
was niet zoo schitterend en "gaf door zijn onderling verbond het
laatste teeken van leven, dat eerlang door een doodelijke kwijning
zou worden gevolgd."
Het Verbond der Edelen bestond bij lange na niet uit louter
hervormingsgezinden. Wel kunnen zich een groot aantal bij hen
hebben aangesloten uit zuiver geldelijke berekening, maar ook
tal van onverdachte katholieke Edelen uitten zich evenzeer als de
hervormingsgezinden tegen de inquisitie en de plakkaten. Toch was
dit weder oorzaak, dat er spoedig door de volgende gebeurtenissen
verdeeldheid onder die edelen kwam, die meer dan de slimheid der
Landvoogdes tot de oplossing van het verbond heeft meegewerkt.
Ongeveer ten getale van 300 gingen de edelen te voet naar het
koninklijk paleis. Een fraaie, rechte straat leidde vandaar, langs den
top van den heuvel naar het prachtig verblijf van de oude hertogen van
Brabant, thans bewoond door hertogin Margareta. Het was over twaalven,
toen ze het paleis van Culemborg verlieten, waarschijnlijk onmiddellijk
na het eten, dat toen omstreeks elf uur plaats had. Een tallooze
menigte had zich op de markt tegenover het paleis verzameld om de
mannen te begroeten, die geacht werden het land te zullen bevrijden
van de Spaansche heerschappij, de aanhangers van den kardinaal en
van de inquisitie.
Oranje, Hoorne en Egmond en de andere raadsleden waren reeds
ten paleize, om Margareta, die zich van angst nauwelijks kon
beheerschen, bij te staan. Ze had haar geest trachten te vermannen
door gala-kleeding aan te trekken en in hooge statie in de raadkamer
te gaan zitten, die alleen kon bereikt worden door de groote hal,
waar haar vader afstand had gedaan van de regeering. Op haar angstig
gegeven bevel werden de petitionarissen toegelaten. Brederode trad
vooruit, maakte een diepe buiging en las daarop met toestemming van
de landvoogdes de petitie voor.
Het verzoekschrift begon met betuigingen van trouw, zoowel jegens
den koning als jegens de hertogin. Na deze inleiding echter werd er
onbewimpeld in meegedeeld, dat de laatste besluiten van Zijne Majesteit
ten aanzien van de inquisitie een algemeenen opstand zouden teweeg
brengen. Tevergeefs hadden zij genoopt, dat er een poging zou worden
gedaan om het kwaad weg te nemen. Het gevaar nam dagelijks toe en
daarom hadden zij zich gedrongen gevoeld niet langer te wachten, maar
op te komen en hun plicht te doen. Ze deden dit met te meer gerustheid
daar vooral hun landgoederen en huizen het meest waren blootgesteld aan
de rampen, welke gewoonlijk het gevolg waren van inwendige beroerten.
Bovendien was er niemand onder hen, van welken rang of stand ook,
of hij zag bij de bestaande plakkaten elk oogenblik een doodvonnis
boven zijn hoofd hangen op de valsche aanklacht van den eerste den
beste, die zich van de goederen van den aangeklaagde wenschte meester
te maken en die hem slechts had op te geven bij den kettermeester,
aan wiens genade aller leven en bezittingen waren overgeleverd. Zij
verzochten daarom de hertogin een gezant te zenden naar den koning,
teneinde hem met hun smeekschrift bekend te maken, waarin op
afschaffing der inquisitie en wijziging der plakkaten in overleg
met de Staten-Generaal werd aangedrongen. Tevens vroegen zij, of de
Hertogin de inquisitie en de invoering der plakkaten wilde schorsen,
totdat de koning een beslissing had genomen.
Het geschrift eindigde na betuiging van trouw: "Moge Uwe Hoogheid er
er naar hooren, voordat er ander kwaad komt; gij zult dan goed doen."
Margareta werd hoe langer hoe onrustiger onder de voorlezing. Een poos
lang bleef zij daarna zonder een woord te spreken, niet in staat om
de tranen te bedwingen, die haar langs de wangen vloeiden en die de
zekere getuigenis waren van de verslagenheid van haar geest. Zoodra
zij de beheersching over zichzelf had herkregen, zei ze kort, dat
de petitionarissen haar antwoord zouden erlangen, nadat ze met haar
raadslieden overleg had gepleegd.
Die raadpleging begon, zoodra de edelen zich hadden verwijderd. Er
ontspon zich een zeer heftige discussie. Oranje trachtte de ontroerde
regentes te bedaren, door haar te verzekeren, dat die mannen, die
daar voor haar waren verschenen, geen woeste samenzweerders waren,
maar waardige, ernstige, welmeenende en welgeboren edellieden, die
den geest van het land kenden en wier protest eervolle overweging
verdiende. Egmond trok zijn schouders op en zei, dat hij voor genezing
van zijn voetgebrek eerstdaags naar Aix moest gaan. Barlaimont, altijd
even onaangenaam, had in het geheel geen sympathie met het volk,
dat hij eenvoudig voor gepeupel, voor een "beest met vele koppen"
hield. Het was op dat oogenblik dat Barlaimont in heftigen toorn
de merkwaardige woorden uitsprak, die bestemd waren, den naam der
verbonden edelen te veranderen:
"Hoe Mevrouw! kan het zijn, dat Uwe Hoogheid bevreesd is voor deze
bedelaars? Bij den levenden God, indien mijn raad werd gevraagd,
dan zou hun smeekschrift alleen stokslagen tot antwoord hebben en
zij zouden de trappen van het paleis spoediger afdalen, dan dat zij
die waren opgestegen."
Meghen drukte zich even heftig uit. Aremberg meende, dat "hunne
hoogeerwaarden, de verbondenen," op eens de stad moesten worden
uitgezet. De raad ging voor een uur ongeveer uiteen. In groepen
wandelden de edelen door Brussel, tevreden over hun ochtendarbeid,
want zij hadden ongetwijfeld op Margareta indruk gemaakt, hetzij ze
dan al of niet succes zouden hebben. Toen een dier groepen Barlaimonts
huis voorbijging stond deze toevallig met Aremberg voor het venster:
"Kijk," riep Barlaimont, "onze beminlijke bedelaars! Hoe onbeschaamd
om zoo onder onze oogen te komen."
Op den volgenden dag ging Brederode met enkele der voornaamste mannen
naar het paleis en ontving het smeekschrift op plechtige wijze
terug. Margareta had hare kantteekeningen in margine op het adres
geschreven en zeide daarbij, dat ze de zaak bij den koning zou brengen,
doch zij had absoluut geen macht om de plakkaten buiten werking te
stellen. Al wat ze kon doen zou zijn: den ambtenaars voorzichtigheid
aan te bevelen. Zij drukte daarbij de hoop uit, dat de edelen zich op
loyale wijze zouden gedragen en toonen, dat ze geen kwade bedoelingen
hadden tegenover den ouden landsgodsdienst.
Twee dagen gingen voorbij en op den 8en verscheen Brederode
weder voor de poort van het paleis met een antwoord op Margareta's
aanmerkingen. In dat antwoord, recht vriendelijk gesteld, beklaagden
zich de verbondenen, dat de landvoogdes niet uitvoeriger de redenen had
omkleed, die haar hadden bewogen. Zij betreurden het, dat zij niet de
macht had, de inquisitie buiten werking te stellen, maar vertrouwden,
dat zij aan alle gezaghebbende personen de order zou geven, dat de
vervolging zou ophouden, totdat 's konings wil bekend was. Welke
regeling Filips ook trof, ze zouden zich daaraan onderwerpen, als de
Staten-Generaal er hun goedkeuring aan gaven.
Ze beloofden zich als nederige en gehoorzame dienaren des konings te
gedragen, maar verzochten vriendelijk, ten einde alle booze geruchten
en lasterpraatjes omtrent hunne vereeniging te bestrijden, dat hunne
petitie op de koninklijke drukkerij zou gedrukt worden, woord voor
woord, zooals zij door hen was aangeboden. Margareta gaf op die
boodschap een vrij bevredigend antwoord. Zij hoopte zulk een order
te geven aan de inquisiteuren en magistraten dat er "ni désordre,
ni scandale" zou plaats hebben, maar vertrouwde van hare zijde, dat
de verbondenen zich ook aan hunne beloften zouden houden en zelfs
geene kleine geheime praktijken zouden verrichten, om uitbreiding
aan hun bond te geven. Aldus scheen de zaak voorloopig geschikt,
tot de boden heen en weer naar Spanje gereisd waren, om den wil van
den koning zelf te vernemen.
In de oogen van Brederode, den gezworen vijand van de Spanjaarden en
van "klaar water" was er thans niets beters te doen dan aan tafel te
gaan. Hij noodigde dus de verbondenen aan een prachtig gastmaal, dat
hij in het huis van Culemborg in gereedheid had doen brengen. Drie
honderd gasten namen op den 8en April deel aan dezen maaltijd,
bestemd om in de geschiedenis vermaard te worden.
Barlaimonts verachtelijke fraze was den feestgenooten ter oore gekomen
en werd met toenemende vroolijkheid, van mond tot mond herhaald,
toen de wijn rondging.
"Vroolijk vulden de gasten de groote gouden en verguld zilveren bekers
met kostbaren wijn en ze vergaten niet de gezondheid van den Prins van
Oranje en den graaf van Egmond te drinken. Toen de wijn hunne hoofden
had verhit, gaf Brederode, een der geestigsten van het gezelschap,
een teeken aan de gasten om zich stil te houden.
"Hij begon met luider stemme de opmerkingen te verhalen, die Barlaimont
omtrent de verbondenen had gemaakt; hij had den fraaien en eervollen
naam van "bedelaars" op hen toegepast. Welnu, zoo ging Brederode voort,
sinds wij dan bedelaars zijn, bestaat er een goede reden voor ons om
bedelzakken te dragen en uit houten nappen te drinken; op hetzelfde
oogenblik bracht een zijner dienaren hem een bedelzak, die hij op
de manier van het scapulier van een monnik omdeed en daarop nam
hij met beide handen een houten schaal, schonk dien boordevol wijn,
ledigde die in een slok, vulde hem weder en gaf hem zijn buurman,
luid roepende: "Op de gezondheid der bedelaars! Lang leven zij!" Zijn
buurman deed hetzelfde met den zak en de schaal en toen ook hij
hem dus ledigde, riep het gansche gezelschap met luider stemme:
"Lang leven de bedelaars!"
"Elk der gasten deed hetzelfde op zijn beurt. Zij zwoeren elkander
een eed hun verbond te onderhouden, voor elkander te leven en te
sterven, onder de dwaaste en ongerijmdste plechtigheden waarvan ik
ooit gehoord heb. Want hij die den zak omhad en de houten schaal in
de hand, wierp eenige zoutkorrels in den wijn, terzelfder tijd deze
rijmelarij herhalende:
"Bij brood, bij zout, bij bedeltasch,
De Geuzentroep blijft wat zij was!"
"En daarop hadt gij, indien ge er bij tegenwoordig hadt kunnen zijn,
tal van houten nappen en schalen op de tafel kunnen zien werpen,
in plaats van de gouden en zilveren bekers en terwijl de pages van
mijn edellieden zich beijverden om die te vullen, deden hun meesters
nog meer hun best, die te ledigen, niet vergetende bij elken dronk te
roepen: "Lang leven de bedelaars!" Er bestaat een bekend spreekwoord
dat zegt: "Er is geen gehenna [3] behalve in den wijn," want die maakt,
dat we de meest geheime dingen openbaren; zoo deden sommigen van die
verbondenen op dat ongelukkig feest; uit eerbied voor hunne verwanten
zal ik hun namen niet noemen.
"Op een zeer gevorderd uur van het souper kwamen de Prins van Oranje
en de graven van Egmond en Hoorne, die met den graaf van Mansfelt
het avondmaal hadden gebruikt, in het gezelschap. Ook zij dronken de
vereeniging een dronk toe en toen weergalmde de kreet: "Lang leve de
koning, heil den bedelaars!" zoo luid, dat men een donderslag niet
zou hebben gehoord.
"Wat zal ik verder zeggen? Zij gevoelden zich zoo vereerd door den naam
van "bedelaars," een naam, die hen van schaamte moest doen blozen,
dat zij oogenblikkelijk daarna een devies verzonnen, luidende:
"Getrouw aan den koning tot aan den bedelzak."
"Dit devies werd op looden en tinnen medailles gegraveerd, die ze in
plaats van juweelen snoeren om den hals hingen. Aan den eenen kant van
deze medailles was het beeld des konings met deze woorden daaromheen:
"Getrouw aan den koning," en aan de andere zijde waren twee handen,
het geloof beduidende, boven een bedelzak met de rest van het devies:
"tot aan den bedelzak," en ze noemden die medaille: "De orde van
de bedelaars."
Dit is de geschiedenis van het ontstaan van eene uitdrukking, die van
zoo groote beteekenis voor de verbeelding gedurende de volgende jaren
van den burgeroorlog is gebleven. Geheel spontaan ontstond de naam
op een zeer bepaald oogenblik. Van de meeste andere partijnamen ligt
de oorsprong in het duister. De naam van "Geuzen" is misschien een
eenig geval in de geschiedenis, waarvan men het nauwkeurig oogenblik
van zijn ontstaan kent.
Margareta had onder den indruk van het oogenblik eene moderatie van
de plakkaten beloofd, totdat de koning zijn wil zou hebben kenbaar
gemaakt. Doch die moderatie werd op zoo'n geheimzinnige wijze ontworpen
en behandeld, dat de regeering daardoor zelf verraadde, hoe weinig
zij er voor de bevrediging van het volk van verwachtte.
De uitroeiing der ketterij bleef ook in de ontworpen moderatie de
hoofdgedachte, alleen de middelen werden een weinig verzacht en een
ruimer uitvlucht voor berouwhebbenden werd daarin opengesteld. Doch
dat was het niet, wat het volk begeerde; het wenschte niet alleen
afschaffing der inquisitie, maar vrijheid van de prediking van
het nieuwe geloof. Toch werd de moderatie in den Raad van State
goedgekeurd. Ook de Prins durfde niet openlijk het stelsel afkeuren,
waarop het ontwerp berustte.
Nu wenschte de landvoogdes, dat de Staten der gewesten er eveneens hun
zegel aan hechtten, want de Staten-Generaal bijeen te roepen, hetgeen
de edelen en het volk begeerden, zou te zeer tegen den wil des konings
hebben ingedruischt. Zij richtte op den 9en April aan alle stadhouders
en provinciale raden een schrijven over de ontworpen moderatie.
Artois hield zijn vergadering het eerst. Verscheidene leden waren
besliste geuzen, maar ook Egmond was natuurlijk als stadhouder
aanwezig. Diens houding was, gelijk een ooggetuige zegt, zeer
zwak. "De graaf," beweert deze, "sprak geen woord, hield voortdurend
den blik ter aarde gewend en gedroeg zich als iemand die de kluts
kwijt was, niet wetende, waartoe te besluiten." Het gevolg was, dat
de geestelijkheid, die in sterke mate in de Staten vertegenwoordigd
was, den slag won en dat trots het protest van de enkele edelen van
het verbond, het moderatieplakkaat, dat in den grond der zaak niets
beduidde, werd aangenomen en goedgekeurd.
Wij leggen den nadruk op die houding van Egmond, omdat zij, evenals
vroeger te Hoogstraten, den Prins ook maar al te zeer ten jare 1566
heeft doen terugdeinzen. Was de eertijds zoo door het volk gevierde
Egmond een man gebleven, ook Oranje zou in dat gewichtig jaar meer aan
de zijde van het volk dan aan die van de regeering gestaan hebben. Want
de prins plaatste zich in die dagen geheel aan de zijde der regeering,
was de rechterhand van Margareta en woonde tallooze vergaderingen
van den Raad van State bij. Algemeen werd in die vergaderingen
aangedrongen op de overkomst van den koning zelf. Ook Oranje drong
daarop met kracht aan en gaf zelfs als zijne meening te kennen, dat
het beste zijn zou, als de koning naar Italië reisde, om daar nadere
berichten uit de Nederlanden af te wachten en dan te besluiten,
met of zonder leger te komen. In hoever het waarheid was, dat de
Prins in dien tijd zijne spionnen in Spanje had, die hem dagelijks
alles van 't Escuriaal vertelden, is niet met zekerheid te zeggen,
maar men noemt o. a. een van Filips' secretarissen, Van den Esse,
die de geheimen van den koning aan Oranje overbriefde.
Deze dubbelzinnige houding van den Prins, waarop we nog nader
terugkomen, heeft zeker ook veroorzaakt, dat de volksbeweging hem
in 1566 te machtig werd. Want er mag niet vergeten worden, dat het
compromis der edelen vooral de oorzaak is geworden, dat er onder het
volk voor het eerst groote beweging ontstond. Tot dien tijd hadden
de hervormingsgezinden zich zooveel mogelijk schuil gehouden. Nu het
Verbond der Edelen zich hunner had aangetrokken en men in den waan
verkeerde, dat het verbond groot succes had gehad, nu kwamen ze bij
menigte uit hun schuilhoeken te voorschijn, keerden ballingen terug uit
den vreemde en was het volk uitgelaten van vreugde over de plotselinge
verlossing en in den waan verkeerend, dat godsdienstvrijheid werd
toegestaan, snelde men bij duizendtallen hier en ginds naar de openbare
preek, die op de grazige velden, tusschen bosschages verscholen,
werd gehouden.
Eene fatale rol speelde echter in die spontane godsdienstige
beweging het geloofsverschil der Protestanten. De grootste toevloed
der hervormingsgezinden bestond uit Calvinisten en hoewel Oranje
in die dagen nog voor het uiterlijke Katholiek was, had toch het
Lutheranisme vooral door zijn omgang en briefwisseling met de
Duitsche vorsten meer zijn sympathie weten te verwerven. Voor de
geloofsbelijdenis der Lutheranen zou hij te winnen zijn geweest,
maar tegen Calvinisten gevoelde de man, die de orde op den hoogsten
prijs stelde, een heftige antipathie. Dit was te meer te bejammeren,
omdat de ontwaakte volksbeweging, door de consistories geleid en
door de vurigste predikers opgewekt, een zeer sterk Calvinistisch
karakter had. Wel had men in 1565 gestreefd naar een verbroedering
aller Protestanten, waarvoor Lodewijk van Nassau zeer had geijverd,
maar op raad van den beroemden Geneefschen leeraar Beza was er van
die vereeniging niets gekomen.
Antwerpen vooral was een middelpunt van beroering. Daar was het
allerminst een schamele gemeente, die de hervorming voorstond. De
rijkste koopmansstand telde menigen grooten vriend van het
Calvinisme. De komst van Meghen, een der afvalligen van het Verbond
en de vrees voor de komst van Aremberg met een leger bracht in
Antwerpen groote ontroering te weeg, omdat men eene bezetting der
regeering vreesde. Daartegenover verscheen Brederode insgelijks
met een grooten sleep in de stad. Gelijk we begrijpen kunnen, was
dit alles de oorzaak van groote beweging te midden der volksmassa,
die reeds stormenderhand de vrijheid der openbare prediking vroeg.
In dien verontrustenden staat van zaken besloot Margareta den
Prins van Oranje, die burggraaf van Antwerpen was, derwaarts te
zenden, met volmacht om de rust te herstellen. Op den 13en Juli
werd hij met juichkreten in de Scheldestad ingehaald. Volgens de
Antwerpsche autoriteiten was de Prins de eenig mogelijke persoon,
om de opgewonden gemoederen tot rust te brengen. Aan die roepstem
des volks gaf Margareta gehoor, want uit zich zelve zou ze daartoe
niet licht besloten hebben. Oranje deelde toch hare gevoelens op het
stuk van den godsdienst niet. Hij sprak zelfs nog op den 6en Juli
tot haar de woorden: "De godsdienst is de groote zaak van het hart en
den wil der menschen, die door geene uitwendige macht ooit gedwongen
kunnen worden."
In beginsel stond hij derhalve toen reeds op zijn hoog standpunt van
verdraagzaamheid. Maar hoe weinig dit tot het gemoed en verstand van
Margareta kon doordringen--één ding wist ze van hem: hij was een man
die de orde voorstond.
Daar dat optreden van Oranje te Antwerpen van groote beteekenis is
geweest en zijne houding aldaar zoo verschillend is beoordeeld, is
het noodig, dat we ons nog nader de omstandigheden verlevendigen,
waaronder hij derwaarts trok.
De stedelijke autoriteit had tevergeefs getracht de samenkomsten
bij de openbare prediking in het veld tegen te gaan. Op den 24en
Juni was er bij Berchem eene predikatie gehouden, waarbij 4 à 5000
menschen tegenwoordig waren. De Landvoogdes, geraadpleegd, had nog
eerst geantwoord, dat die vergaderingen door kracht van wapenen
moesten worden uiteengejaagd. Maar daartegen zagen de autoriteiten
op, aangezien ze hun eigen zwakheid vreesden. Toen verscheen er met
het oog op de menigte ballingen, die terugkeerden en die in den waan
verkeerden, dat godsdienstvrijheid was toegestaan, een plakkaat,
waarbij de komst van vreemdelingen in de stad en het houden van
openbare prediking werden verboden.
Op denzelfden dag vroegen de hervormden aan de magistraat de vergunning
om die prediking te doen houden en te hooren. En ondertusschen dreigden
vele rijke kooplieden, die de hervorming waren toegedaan, de stad te
verlaten en aldus den handel van Antwerpen te verplaatsen. De overheid
wist, tusschen twee vuren geplaatst, niet wat te doen. Zij vroeg aan
de regentes onmiddellijk in de stad te komen en daartoe was zij eerst
besloten, gelijk uit een brief van den Prins aan Lodewijk blijkt.
De Prins vertelt daarin, dat Madame verzocht had aan hem en Egmond
een dag of drie vóór haar naar Antwerpen te gaan en reeds mededeeling
te doen aan de burgers, dat het preeken niet naar den zin van de
Landvoogdes was. Ook wilde zij weten van de Antwerpsche heeren, welke
zekerheid zij gaven voor de persoonlijke veiligheid van Margareta.
Oranje had haar meegedeeld daarin weinig lust te hebben, maar wel wilde
hij alleen naar Antwerpen gaan en dan met zulk een gezag bekleed als
betamelijk was; dan zou hij, zooveel in zijn vermogen was zijn plicht
vervullen en trachten te voorkomen, dat er eenig tumult of wanorde
in de stad zou plaats hebben.
Ook gaf de Prins te kennen, dat indien de Antwerpenaars hem als hun
burggraaf verzochten te komen, dit hem meer tot eer zou verstrekken,
dan afgezonden te worden als de fourier van de Landvoogdes, die
haar logies kwam bestellen. Ook was dit voor de veiligheid van de
Landvoogdes beter. Aan Lodewijk vraagt hij ten slotte alles in het
werk te stellen, om Brederode te weerhouden, in dien kritieken toestand
in Antwerpen te komen.
Wij zagen reeds, dat Brederode in spijt van Oranje's afkeuring, toch
met een breeden stoet van ruiters in de Scheldestad aankwam en door
zijn aanwezigheid de onrust nog vermeerderde. Zijn komst maakte den
weg voor den Prins niet gemakkelijker om zijn doel te bereiken n.l. de
oproerige geesten tot rust te brengen. Want daar is geen twijfel aan,
of dat doel had hij. Totdat Filips' antwoord op het smeekschrift
komen zou, wilde de Prins voor alle dingen getrouw blijven binnen de
grenzen der April-belofte. Vrijheid van godsdienstoefening ging voor
zijn bewustzijn op dat oogenblik buiten die grenzen, doch hij zag,
al wenschte hij een loyaal dienaar des konings te blijven, reeds
op een afstand een donker punt, buiten 't welk hij vroeg of laat,
met opoffering dier loyaliteit, zou moeten gaan.
Het hinderde hem zeer, dat het antwoord van Filips zoo lang uitbleef
en in het begin van Juli beklaagde de Prins zich daarover in een brief
aan Filips van Hessen, den ouden landgraaf, tevens vragende om zijn
vaderlijken raad en hulp ingeval van noodzakelijkheid. Hoe moeilijk
hij voor zich den toestand vond, blijkt wel uit een schrijven aan de
hertogen van Saksen en Wurtemberg, waarin o. a. stond: "Zwijg ik, dan
staat de ondergang dezer landen voor de deur; streef ik de regeering
tegen, dan wordt dit beschouwd als tekortkoming aan mijn plicht."
Antwerpen was inderdaad de meest kosmopolitische plaats van
de Europeesche wereld van dien tijd. Kooplieden van alle andere
koopsteden hadden daar hun eigen huizen ten bate van hun stadgenooten,
die Antwerpen bezochten met commercieele, financieele of diplomatieke
bedoelingen.
Deze reizigers waren de groote dragers van nieuwe denkbeelden en door
hun bemiddeling waren al de verschillende fasen van godsdienstige
gedachten en belangen, die in Europa gistten, tot in de nauwe
straten van Antwerpen doorgedrongen. Steden als Valenciennes, in de
nabijheid van Frankrijk gelegen, waren bijna geheel Calvinistisch,
maar Antwerpen had Duitsche invloeden ondergaan en daar had men
ook, behalve Calvinisten, groote Luthersche en Anabaptistische
congregaties. Die verschillende secten werden in de eerste helft van
1566 al stoutmoediger en veeleischender.
Nu was Oranje erfelijk burggraaf van Antwerpen, gelijk Engelbert,
Hendrik en Réné van Chalons dat vóór hem geweest waren. Op den 13en
Juli verliet hij Brussel. Verschillende geruchten deden de ronde over
zijn eerste weigering, daarheen te gaan; we hoorden reeds, dat hij er
niet als de lakei van Margareta heen wilde, maar wel als burggraaf
der stad, wien alle gezag was opgedragen. Voor zijn vertrek gaf hij
aan de Landvoogdes en den Raad van State te kennen, dat het niet in
zijn macht, noch in zijn wil lag de prediking te doen ophouden.
Hij vond de stad tegen zich zelf verdeeld. De overheid wantrouwde de
burgers; de burgers het hof en de overheid; de Protestanten het hof,
de overheid en de andere burgers en ten slotte waren de Protestanten
onder elkander verdeeld; aan den eenen kant heftige Calvinisten en aan
de andere zijde kalme Lutheranen en tegenover beiden weder vijandig,
de Anabaptisten.
"De heffe van het volk had gezamenlijk Antwerpen in zijn macht."
Welk een taak, die den Prins daar wachtte! Hij voor zich was een
burger, die zich bovenal aan de wet hield; hij beschouwde den
godsdienst als een deel van de inrichting van den staat, hoewel
hij zelf voor zich nog geen godsdienstige gevoelens kende. Hij had
behoefte aan vrede en welvaart; het volk was zoo dwaas en Filips zulk
een kortzichtige ezel, dat de Prins ontmoedigd werd door de vraag,
hoe deze twee te verzoenen.
Den 14en Juli meldt Oranje aan de Landvoogdes zijn wedervaren in
Antwerpen.
Hij vertelt, dat hij pas te 7 uur aan was gekomen, daar hij door
verschillende zaken werd opgehouden en eerst laat uit Brussel kon
vertrekken. Toen hij in de buurt van Berchem was gekomen, een halve
mijl van de stad, kwam Brederode hem met een groot aantal edelen
tegemoet, die als groet een salvo uit hunne pistolen gaven. Enkele
burgers, die bij dien troep waren, riepen: "Vivent les gueux," hetgeen
zij af en toe op den geheelen weg naar de stad herhaalden. Meer dan
30.000 menschen waren er totaal op de been. Bij de komst in de stad
begon de menigte Fransche psalmen te zingen, maar de Prins gebood
hun aanstonds stil te zijn. Toen daarentegen de kreten al luider
en luider werden en het "Vivent les gueux" ook op de wallen werd
gehoord, trachtte de Prins eerst door teekenen hen te bedaren en toen
dit niet hielp, werd hij zeer driftig en zwoer bij God, dat zij zeer
goed wisten wat ze deden en dat sommigen hunner het zouden betreuren,
als zij daarmee voortgingen.
De overheid was hem tegemoet gereden en had hem eenige ordonnanties
overhandigd om de rust in de stad te herstellen. De Prins beloofde
die zorgvuldig te zullen onderzoeken. Wat de predikaties betreft,
ze hadden plaats buiten de wallen en de Prins had gehoord, dat velen
gewapend naar de vergaderingen gingen om anderen te beschermen,
daar ze vernomen hadden, dat de Drost van Brabant in opdracht had,
hen uiteen te jagen.
Aan het slot van zijn schrijven, spreekt hij wel de hoop uit, dat
ze niet zullen trachten de preeken binnen de wallen te houden, maar
hij vreest, dat aan zijn verzoek niet te vergaderen, geen gevolg zal
worden gegeven.
Tusschen de Landvoogdes en den Prins volgde een dagelijksche
briefwisseling. Spoedig bleek het Oranje, dat de hervormingsgezinden
numeriek te sterk waren om het mogelijk te maken hun de preek te
verbieden. Zeer noodlottig was het daarbij, dat de hervormden het
onderling zoo oneens waren, terwijl de Anabaptisten tegen iedereen
waren en iedereen tegen hen.
Zou de hertogin hen evenals de Lutheranen en de Calvinisten op
denzelfden voet willen behandelen--want ze beschouwde hen allen
zonder onderscheid als ketters--Oranje kon geen wanordelijke daad van
welken aard ook goedkeuren. Niets revolutionairs was er in zijn geest,
zoodat het ons niet verwondert, dat hij het ongeregeld optreden van
Anabaptisten en Calvinisten niet goed kon verdragen.
Terwijl de Prins alzoo naar Antwerpen ging, om, als het kon, hoog
boven de vele partijen in naam der regeering de orde te handhaven,
zonnen de edelen en de consistoriën op middelen, om meer te erlangen
dan het moderatie-plakkaat van April hun schonk. Na een voorloopige
bijeenkomst te Lier werd tegen de helft van de maand Juli St. Truyen
als het verzameloord vastgesteld, waar de verbonden edelen en de
hoofden der gereformeerde partij tot eene overeenkomst zouden trachten
te komen. Geldelijk werden namelijk de consistories gesteund door
het compromis der kooplieden. Was de aaneensluiting gevonden, dan zou
niet alleen de eisch om afschaffing der inquisitie, maar om volkomen
godsdienstvrijheid voor de poorten van Margareta's paleis weerklinken.
De vergadering te St. Truyen staat te kwader naam en faam in de
geschiedenis bekend. Men heeft niet geaarzeld o. a. te vertellen,
dat daar door de edelen de voorslag werd gedaan, om op één nacht
in al de 17 Nederlandsche gewesten de Roomsche geestelijken te
vermoorden. Wij kunnen gerust zeggen, dat deze bewering als zoodanig
lasterlijk was. Doch overigens moet het te St. Truyen wel heet zijn
toegegaan en was er misschien meer dan een op de vergadering, die
wel zijn hand zou geleend hebben tot zulk moordbedrijf.
De Prins heeft door zijn invloed evenals bij het eerste smeekschrift
bewerkt, dat men te St. Truyen niet tot daden kwam, maar zich
nogmaals alleen tot woorden zou bepalen. We vragen niet, of het
misschien heilzamer ware geweest, indien de Prins openlijk de zijde
der gematigde edelen te St. Truyen gekozen had. Naar onze zienswijze
had hij in 1566 zich meer door de stemming van het volk moeten laten
bepalen. Maar ook toen was het weer Egmond, "qui tenait la balance
droit; s'il met l'épée sur l'une, elle l'emporte."
Margareta, bevreesd voor 't geen zij van de samenkomst te St. Truyen
vermoedde, droeg den Prins en Egmond op, naar Duffel te gaan, om
van daar als onderhandelaars met de verbondenen te St. Truyen op te
treden. En zeker is het, dat de Prins daardoor veel moedwil heeft te
keer gegaan en nogmaals met goed gevolg de edelen tot een kalme houding
bij hun tweede verzoekschrift heeft gebracht. De vraag is echter of
hij, die door zijn aanwezigheid te Antwerpen, het brandpunt van de
toenmalige volksbeweging, niet voldoende op de hoogte had kunnen en
moeten zijn van de geweldige stroomingen, die niet langer door woorden
zouden te keeren zijn en of hij door zijne houding, die de hoofden
der Consistories zeer verbitterde, niet mede verantwoordelijk is voor
de geweldige uitbarsting van de volkswoede bij den beeldenstorm.
Wij kunnen ons uitstekend verplaatsen in de hoogst moeilijke positie
van Oranje, maar of thans nog niet het oogenblik was gekomen, om de
Hames' woorden op te volgen: Geen woorden meer, maar daden--wij zouden
niet gaarne deze vraag ontkennend beantwoorden. Wij eerbiedigen ten
volle zijne poging om het revolutionair karakter zoolang mogelijk van
de volksbeweging vreemd te houden, maar dat hij die volksbeweging
in haar diepste oorzaken niet begreep en nog zou moeten leeren
begrijpen, kwam hoofdzakelijk daar vandaan, dat het hem persoonlijk
aan godsdienstig leven schortte. Eerlang zou de tijd komen, waarin
hij begreep, dat alleen daden konden helpen om een volk te verlossen.