Er is misschien geen tijdvak uit de levensgeschiedenis van den
Prins van Oranje, dat zóó door zijn vijanden gebruikt wordt om
hem af te schilderen als het meest dubbelzinnig, huichelachtig en
satanisch karakter, als het tijdvak, dat volgde op zijn zegepraal
over Granvelle. En inderdaad, indien men slechts oppervlakkig de
verschillende episodes daarvan beschouwt en zonder op het verband
te letten het doen en laten van den Prins in die jaren gadeslaat,
dan zou er veel te zeggen zijn voor de meening, dat Oranje in die
jaren geen karakter openbaarde, dat eerbied en bewondering afdwong.
Wanneer men vergeet, dat zijn karakter nog geheel in wording was,
vergeet hoe zijn persoonlijkheid gevormd is door de omstandigheden
en wanneer men hem in die jaren toetst aan hetgeen men noemt, een
man uit één stuk, dan blijft er van eerbied en bewondering niet
veel over. Wie hem echter ook in die jaren neemt gelijk hij was,
wie gelooft, dat hij als mensch en als staatsman nog aan den aanvang
van zijn ontwikkeling stond, die zal met deze fase van een leven,
dat zich later zoo krachtig ontplooide, vrede kunnen hebben, ook al
komt het niet in hem op, zijn zwakheden te verschoonen.
In de eerste maanden na Granvelle's vertrek scheen het, alsof de
edelen de regeering in handen hadden en of home rule een voldongen
feit was. De regentes scheen haar Nederlandschen raadgever geheel te
vertrouwen en de Prins hoopte door wettige middelen de misbruiken weg
te nemen. Margareta was zelfs zeer vriendelijk tegen hem; trouwens
hoe gelukkig was zij, van den meesterachtigen kardinaal verlost te
zijn. Dat de Prins bijzonder in haar gunst deelde, bleek wel hieruit,
dat hij haar op de jacht moest begeleiden, menigmaal haar gast aan
tafel was en dikwijls met de landvoogdes tot laat in den nacht werkte
aan regeeringszaken.
De Raad van State werd nu ook weer door Egmond en Oranje bezocht,
maar al spoedig bemerkten zij daar, dat al hun arbeid met onmacht
zou geslagen zijn, zoolang die Raad niet een andere bestemming had
gekregen, want een eigenlijk regeeringswerktuig was dat lichaam niet,
zijn taak was alleen raad te geven. Vandaar het voorstel van Oranje
en Egmond om den Raad van State tot regeerend lichaam te maken en zijn
macht zelfs zoo uit te breiden, dat de andere Raden tot bureaux zouden
verlaagd worden. Margareta keurde dit plan goed, maar het stuitte
af op den onwil van den koning, die wel Granvelle wilde opofferen,
maar zijn regeeringsstelsel nooit.
Viglius en Barlaimont bleven zich eveneens vijandig tegenover Oranje en
zijn voorstellen tot verbetering van den toestand plaatsen, terwijl
in het bijzonder Viglius met Granvelle in briefwisseling bleef,
waardoor deze geheel op de hoogte werd gehouden van de gebeurtenissen
in Brussel. Spoedig zou het blijken, dat men eigenlijk met Granvelle's
vertrek niets gewonnen had en dat deze eerste rooskleurige dagen
weder het begin zouden zijn van nieuwe naderende onheilen.
Met 's Prinsen bijzondere zaken ging het ook niet naar wensch. Zoowel
zijn geldmiddelen, als zijne echtgenoote, zoowel het prinsdom Oranje,
als zijn Duitsche nabestaanden, kostten hem moeite en hoofdbreken. Hoe
moeilijk het was zijn vermogen van schulden te zuiveren, bewijst
o. a. de volgende brief aan Lodewijk:
"Met onze zaken is het nagenoeg hetzelfde als toen gij
vertrok. Ik kan werkelijk niet leven zooals mijne positie van
mij vordert en wel kan ik zeggen: "Sic ut erat in principio
et nunc et semper et in saecula saeculorum" (zooals het in
het begin was, is het nu en zal het wel altijd blijven tot in
der eeuwigheid). Het schijnt een familietrek van ons te zijn,
dat wij in onze jeugd slechte huishouders zijn, maar als wij
ouder worden, dan komen we op den beteren weg, gelijk onze
overleden vader. De grootste moeite heb ik met mijn valkeniers;
al heb ik hunne uitgaven verminderd, ze kosten me nog 1200
florijnen. Het komt mij voor, dat ik geheel uit de schulden
zou kunnen komen, indien dit punt in het reine was. Toch
hoop ik, omdat er maar 1500 florijnen per jaar overblijven,
spoedig van de schulden bevrijd te zijn.
Wat Oranje aangaat, steeds komen er nieuwe gezantschappen tot
mij en ik ben niet in staat, de zaken te herstellen; daar is
zooveel inwendig verschil en het is moeilijk, de middelen te
vinden ten einde de partijen te verzoenen. Daarbij komen er
klachten van den koning van Frankrijk en van den Paus over het
volk. Ik geef u te gissen hoe ik gestemd ben ... Ik zou wel
wenschen, dat gij hier waart, om mij een beetje te troosten,
want het beste is nog, dat ik mij altijd in goed gezelschap
bevind; dat geeft mij wat verlichting, zooals bij het balspel
of bij de valkenjacht, waarmee ik mij zelfs op dit oogenblik
met het mooiste weer van de wereld ga amuseeren enz.
Uw goede broeder, die steeds tot uw dienst is,
Willem van Nassau.
Uit Breda, 25 Jan. 1564."
De gezantschappen, in dien brief bedoeld, kwamen van de arme
protestanten uit Oranje, die ter wille van hun godsdienst niet met
rust werden gelaten. Evenals de Nederlanders waren zij ook verlangend
naar hun afwezigen souverein, opdat die eenig belang zou stellen in
hunne zaken.
Meenden zij, dat de nieuwe godsdienst geen groote kans had, zich
uit te breiden, de paus dacht daar anders over en zond in December
1563 een brief aan den Prins vol klachten over den treurigen toestand
van den godsdienst in het kleine rijkje, een brief waarvan de inhoud
neerkwam op de klacht: "Ketters, ketters overal!"
De paus achtte den toestand noodlottig voor den staat, grievend voor
alle katholieken en gaf niet onduidelijk te verstaan, dat als zijn
vaderlijke waarschuwingen niet hielpen en de Prins voortging zijn
duidelijken plicht te verwaarloozen, er dan gestrenger maatregelen
genomen zouden worden. "Indien onze krachten en die van de heilige
Roomsche kerk niet voldoende zijn, dan zullen wij tot menschelijke
hulp onze toevlucht moeten nemen."
Ook de protestanten van Oranje deden daarop een beroep; zij schreven
aan Calvijn en verzochten hem met hun vorst, ten behoeve van hun
godsdienst tusschenbeide te komen.
Nu de hulp van den Prins werd ingeroepen, zoowel door den paus als door
de protestantsche bevolking, was het begrijpelijk, dat zijn houding
tegenover den godsdienst en de godsdienstige verdeeldheid wel een
noodzakelijk deel moest gaan vormen van zijn staatkundig program. Van
persoonlijke sympathie voor de protestanten, van persoonlijken ijver
voor den godsdienst was tot dat oogenblik bij Oranje geenerlei sprake.
Terwijl hij echter de hervorming in de Nederlanden steeds meer
vorderingen zag maken en hem dit als raadgever van Margareta vanzelf
moest aanzetten tot eene besliste houding in de godsdienstquaestie,
kwam daarbij nu nog uit zijn eigen vorstendom een roepstem van de
aanhangers van het nieuwe geloof tot hem om bescherming. Begrijpelijk
is het, dat het jaar 1564 daarom kan gelden als het merkwaardigste
jaar, niet van zijn eigen godsdienstige bekeering, maar als dat
waarin hij belangstelling in het godsdienstig vraagstuk aan den dag
begon te leggen, al was het alleen maar, omdat de staatkunde er hem
toe verplichtte. Oranje bevredigde de hervormden in zijn prinsdom
voorloopig door aan den paus te schrijven, dat hij overeenkomstig
de ligging van zijn vorstendom verplicht was zich te houden aan de
Fransche edicten, die in die dagen, uitgenomen in Parijs, voor de
protestanten zeer mild waren.
Ook zijn huiselijke omstandigheden veroorzaakten den Prins zorgen
en verdriet. Reeds in 1564 bleek Anna van Saksen een vreemde,
zonderlinge vrouw te zijn. Zoo wordt verteld, dat de Prins zich aan
tafel van de landvoogdes eens had uitgelaten over het vreemde leven,
dat zijn vrouw leidde. "Zij at heel weinig en het gebeurde nu en dan,
dat zij 14 dagen in haar kamer bleef zonder uit te gaan en zonder eenig
gezelschap te willen hebben." Zoo melankoliek was haar gemoedstoestand,
dat dezelfde zegsman eens aan Granvelle schreef, dat de Prinses niet
lang geleden in Brugge had vertoefd, maar dat zij ook daar niet uit
haar kamer was geweest en dat zelfs, terwijl dagelijks de vensters
gesloten bleven, zij geen ander licht wenschte dan een kandelaar. Die
melankolieke gemoedstoestand scheen zelfs van jaar tot jaar erger te
worden, tenminste in 1565 schreef de Prins aan zijn broer Lodewijk
over haar op een toon, die veel kwaads doet veronderstellen. De
Prins draagt daar namelijk aan zijn broer op, eens bij den keurvorst
van Saksen een boekje over zijn nicht open te doen. Hij mag gerust
onderzoeken, zelfs bij haar kamenier, de kleine Duitsche, hoe en op
welke manier zij zich gedraagt; haar eigenzinnigheid had haar reeds tot
tamelijke ongehoorzaamheid gebracht en de Prins vreesde, al had zij
ook beterschap beloofd, dat het toch weer zou terugkeeren. Lodewijk
wordt daarin door Oranje verzocht maar eens aan den keurvorst te
vragen, of hij eenig geneesmiddel wil bedenken voor de zielekwaal
van zijn echtgenoote.
Toch schonk Anna in December 1564 het leven aan een zoon, die
Maurits werd gedoopt, doch die zoo ziekelijk was, dat hij reeds in
Maart d. a. v. overleed. Het ontbreekt wel aan de noodige gegevens
om al te groote gevolgtrekkingen te maken voor het karakter van den
Prins uit zijn tweeden ongelukkigen echt, doch het kan niet anders,
of die huiselijke tweedracht moet den vroeger maar al te lichtzinnigen
Oranje tot meerder levensernst gebracht hebben. Het samenvallen van de
ernstige gebeurtenissen van het land met zijn huiselijk onheil heeft
ongetwijfeld meegewerkt tot de vorming van zijn karakter. En niet
alleen zijn vrouw, ook zijn bloedverwanten kostten hem in die jaren
hoofdbreken genoeg. De opvoeding en de positie van zijn jongsten
broer Hendrik brachten veel zorgen en bemoeiingen mede, zooals we
later zullen zien.
Welke houding nam de Prins nu aan in de Nederlanden?
In Augustus 1564 kwamen er orders van Filips II, die duidelijk toonden,
dat de schijn van kalmte na Granvelle's vertrek bedriegelijk was
geweest en dat er een beroering voor de deur stond van vrij wat
ernstiger karakter dan die door den kardinaal was veroorzaakt. Het
concilie van Trente, dat reeds met tusschenpoozen van 1545 af was
vergaderd geweest, eindigde in 1563 met bevestiging van de oude
leerstellingen omtrent de absolute autoriteit der kerk.
Voor den fanatieken koning van Spanje waren de eindbesluiten van
het concilie natuurlijk van onfeilbare kracht en hij greep ze dan
ook direct aan om aan zijn eigen besluiteloosheid ten opzichte van
de Nederlanden voor goed een einde te maken. Aan Margareta werd
bericht gezonden, dat de besluiten in de Nederlanden moesten worden
afgekondigd en dat de inquisiteurs door alle burgerlijke ambtenaren
gesteund moesten worden, teneinde tot volstrekte gehoorzaamheid
aan die besluiten te dwingen en elk persoonlijk oordeel in zake den
godsdienst te beteugelen.
Reeds in 1525, gedurende de regeering van Karel V, waren er
inquisiteurs aangesteld, wier plicht het was, met kracht de Hervorming
tegen te gaan, terwijl tal van plakkaten waren uitgevaardigd, die
hetzelfde doel beoogden. Ook onder Filips had het waarlijk niet
ontbroken aan pogingen in diezelfde richting. De bisschoppelijke
organisatie van 1561 bedoelde vooral, krachtigen steun te verleenen
aan de inquisitie in de verschillende gewesten. Dat er luide protesten
tegen die inrichting werden vernomen, behoeft waarlijk geen betoog;
was Brabant tot dien tijd er vrij van gebleven, in de andere gewesten
bestond een krachtige oppositie tegen dien gruwel en sedert 1559
ontstond er ook bij Oranje verzet tegen de harde maatregelen, welke
de inquisitie eischte.
Het was den Prins duidelijk geworden, ook uit de jongste gebeurtenissen
der naburige landen, dat de geest der hervorming overal doordrong en
tevens, dat bestrijding van dien geest door middel van geweld veel meer
uitbreiding dan vernietiging tengevolge had. Al was hij voor zichzelf
tot heden trouw gebleven aan het katholieke geloof, of liever, al had
hij zich persoonlijk weinig of niets om den godsdienst bekreund--al had
hij de geheele wereld tot dien tijd wel Amadissen de Gaule in handen
willen geven en gaillardes willen leeren dansen, om de melankolieke
quaestie van den godsdienst te vergeten--ook hij begon toch in te
zien, dat de godsdienst iets meer was, dan een zwaarmoedige stemming,
die moest worden overwonnen; dat hij even groot gewicht in de schaal
legde in het leven der individuen als der volken.
Hij moest zich, geprikkeld door de onophoudelijke klachten over
de ketterij in zijn vorstendom Oranje, aangevuurd door hetgeen hij
onmiddellijk rondom zich in de Nederlanden aanschouwde--wel rekenschap
gaan afvragen van de roeping van den staatsman tegenover het geloof.
Is het daarom niet merkwaardig, dat nagenoeg in denzelfden tijd, in
den nazomer van 1564, de Prins van Oranje een geheime samenkomst met
François Baudouin in het bosch van Soignies had. Baudouin behoorde
tot die eigenaardige geesten uit de 16e eeuw, die gelijk Cassander
e. a., hoewel de dwalingen der kerk inziende, nochtans zoo afkeerig
waren van den strijdlust der protestanten, dat ze naar verzoening
streefden. Hij was Nederlander van geboorte, stond bekend als een
groot jurist en daar hij reeds een verzoenende rol in Frankrijk en
Duitschland had willen spelen, riepen de Nederlandsche grooten hem in
1563 naar zijn vaderland terug en benoemden hem tot hoogleeraar in
Douai. De bedoeling was, dat Baudouin, eenmaal lid van den geheimen
raad geworden, in vereeniging en overleg met Willem van Oranje mede
zou werken tot eene nieuwe wetgeving op het punt der religie, waarbij
eendracht in kerk en staat op den voorgrond zou staan.
Hoewel de zaak geen gevolgen heeft gehad en Baudouin ten slotte
niet de rechte bemiddelaar bleek te zijn, toch is deze poging van
belang, omdat er duidelijk door wordt, hoe de Prins in 1564 zoowel
door den toestand in Oranje, als door zijn positie in de Nederlanden,
met alle macht zocht naar een ander middel dan de bloedige plakkaten,
ten einde de rust in staat en kerk te herstellen. Aan eerbied voor de
kerkleer, zooals die in Trente was vastgesteld, ontbrak het hem niet,
maar afkeer van de bloedige vervolging, zucht tot vrede, deden hem
en de zijnen opkomen tegen de noodlottige inquisitie en tegen alle
gewelddadige maatregelen.
Nemen we dit een en ander in aanmerking, dan is ons de houding van
Oranje in den Raad van State geen raadsel meer, nadat Margareta in
December 1564 met de grooten den toestand van het land had besproken
en Viglius een veel te zwakke instructie had opgesteld voor Egmond,
die persoonlijk naar Spanje zou gaan.
Van de gedenkwaardige rede, welke toen door den Prins in den Raad van
State werd gehouden en die Viglius zoo deed ontstellen, dat hij door
een beroerte werd getroffen, is slechts een uittreksel van weinige
regels bekend, maar deze zijn voldoende om ons te overtuigen, dat we
Oranje op een van de hoogtepunten van zijn leven leeren kennen.
Nadat door niemand bedenkingen waren ingebracht tegen het door
Viglius opgestelde stuk, kwam aan Oranje de beurt, zijn stem erover
uit te brengen.
"Het is thans tijd," zoo sprak de Prins, "ronduit te spreken en niet
langer te verbloemen, want de toestand, waarin het land gebracht is,
kan niet voortduren. De koning dwaalt, als hij meent dat Nederland
te midden van landen, waar godsdienstvrijheid bestaat, voortdurend
de bloedige plakkaten verdragen kan; evenals elders zal men ook hier
oogluikend veel moeten toestaan. En hoezeer ik aan het katholiek
geloof gehecht ben, ik kan niet goedkeuren, dat de vorsten over het
geweten hunner onderdanen willen heerschen en hun de vrijheid van
geloof en godsdienst ontnemen."
Zulke woorden waren nog nooit in den Raad van State gehoord en
inderdaad openden ze een nieuw tijdvak in de verhouding van de
Nederlanden tot Filips. De groote kampioen van de verdraagzaamheid en
de gewetensvrijheid was met die woorden in den Prins geboren. Tot dien
tijd had Oranje wel krachtiger aandeel aan het bestuur en uitbreiding
van de bevoegdheid van den Raad van State gevraagd, maar toch altijd
aan den koning beloofd, de ketterij mede te willen bestrijden, al was
het niet langs den weg der bloedige plakkaten. Ook in zijne antwoorden
aan den paus zette hij steeds nog zijn ijver voor de katholieke kerk
en leer op den voorgrond.
Nu echter komt hij openlijk voor den godsdienstvrijheid uit, in
navolging van Duitschland, ook al bleef hij erkennen, voor zich zelf
aan het katholiek geloof gehecht te zijn. Alles had, gelijk we zagen
medegewerkt, om hem tot dat hooger standpunt op te voeren. Zonder
nog zelf behoefte te hebben aan een reiner geloof, was er toch door
zijn levenservaringen meer ernst in zijn gemoed gekomen; de landen,
waartoe hij in betrekking stond, leerden hem dagelijks al meer en
meer, dat de godsdienst als gewetenszaak der individuen niet aan
banden te leggen was en zijn omgang met zijn Duitsche betrekkingen,
die in gewetensvrijheid zooveel ruimer ademhaalden, dwong hem tot
de erkenning, dat diezelfde vrijheid, trots den wil des konings,
in de Nederlanden moest veroverd worden.
Of Oranje, die zoo beslist had gesproken, veel vertrouwen had in de
zending van Egmond naar Spanje, kan worden betwijfeld. En inderdaad,
die twijfel zou gewettigd geweest zijn. Want het is bekend, dat Egmonds
zending, hoe hij ook zich zelf eerst gevleid en gestreeld achtte met
's konings beloften, geheel als mislukt was te beschouwen. In Brussel
teruggekeerd, kon de graaf de vragen zijner achterdochtige vrienden
niet beantwoorden en moest hij van Oranje de harde waarheid hooren,
dat hij de algemeene belangen om zijn bijzondere verzuimd had.
De Prins deed dat laatste in die dagen zeker niet, want dan had hij
ook geen recht gehad, Egmond hard te vallen. Maar of we hem daarom als
een held des geloofs hebben te begroeten op grond van die verdediging
der godsdienstvrijheid in den Raad van State, deze vraag zou alleen
bevestigend kunnen beantwoord worden door hen, die andere trekken uit
zijn leven van die dagen voorbijzien, of daaraan ter wille van een
vooraf opgevatte meening niet die beteekenis geven, die ze inderdaad
hebben. Wij vinden namelijk in de briefwisseling van den Prins uit
denzelfden tijd bewijzen te over, dat ook bij hem het tijdelijk
belang groot gewicht in de schaal legde en die ons overtuigen, dat
destijds ook bij Oranje "de zaak van den godsdienst geen bezielend
idee, maar een schakel in zijn politiek plan was, waarin een zekere
engbegrensde hervorming, een zekere godsdienstige verdraagzaamheid
was opgenomen, als onontbeerlijk voor het eigen belang en voor het
belang van het volk."
Vreemd klinkt het zeker, dat de Prins terzelfder tijd, dat hij in den
Raad van State die lans voor de godsdienstvrijheid brak, briefjes
vol toewijding aan den koning schreef met beloften van trouw aan
zijn dienst en aan de zaak der religie. Ook van Filips ontving hij
in die dagen meer dan één schrijven, om hem dank te zeggen voor de
trouw, die hij in zijn dienst bewees. De Prins zegt zelf in een van
die brieven o. a.: "Het was niet noodig, Sire, dat Uwe Majesteit mij
aanbeval te willen voortgaan met de bevordering van den godsdienst,
want zij kan zich verzekerd houden enz."
Nog vreemder echter schijnt het volgende: Juliana van Stolberg volgde
met groote bezorgdheid de schreden van haar jongsten zoon Hendrik
van Nassau. Zij vreesde telkens dat hij besmet zou worden met de
paapsche afgoderij en vertrouwde hem nauwelijks te Leuven, waar hij
nog zijn studiën in 1565 voortzette. Strookte het dan met de inzichten
van die moeder, dat Willem van Oranje zijn jongsten broeder Hendrik
bestemde voor kerkelijke ambten in het door en door streng katholieke
Nederland? En toch, de Prins koesterde dit plan. De bisschop van Luik
was gestorven en daardoor viel de zeer winstgevende betrekking van
de proostdij van St. Salvator te Utrecht open. Naar dat ambt stond
Oranje voor Hendrik en inderdaad gelukte die candidatuur in zoover,
dat de jonge graaf van Nassau, met goedkeuring van den koning en
met voorbijzien van meer dan één geestelijke, die er alle recht op
kon doen gelden wegens geleerdheid en onberispelijkheid van zeden,
het jaargeld ontving aan dat ambt verbonden; het ambt zelf kreeg
een tegen-candidaat, de graaf van Rennenberg. Dit geschiedde in
den aanvang van 1566, maar ook in 1565 waren Oranje's zorgen voor
Hendrik in strijd met de inzichten zijner moeder. Hij toch schrijft
in Aug. 1565 aan zijn broeder Lodewijk o. a.:
"Ik ben zeer verdrietig over mijn broeder Hendrik en volstrekt
niet tevreden over het besluit, dat Mevrouw onze moeder en onze
broeder (Jan) genomen hebben. Hem naar Frankrijk te zenden,
komt geheel niet te pas, niet om Hugenoterij, maar om andere
redenen, die ik u vroeger genoemd heb; even verkeerd acht ik
het, dat hij rechtstreeks uit Duitschland naar Italië gaat,
zonder hier drie of vier maanden te vertoeven en dat nog wel
met een Duitsch edelman, die bij den Paltzgraaf en zijn zoon
is geweest. Gij kunt er zeker van zijn, dat wij zoodoende
alle middelen geheel verliezen om hem te doen slagen in het
verkrijgen van eenige waardigheden, die groote voordeden
en geene lasten noch verplichtingen met zich brengen; want
ik kan u verzekeren, dat men er reeds van spreekt en dat
zij, die goedgezind zijn om hem te helpen, terugdeinzen,
vermoedende, dat wij hem in een anderen godsdienst willen
opleiden; enkelen hebben mij zelfs reeds gevraagd, waar
hij zoo lang blijft. Ik zend u hierbij een uittreksel uit
een brief van den bisschop van Utrecht, waaruit blijkt, hoe
gegrond dat vermoeden is, dat van dag tot dag sterker worden
zal. Al onze gunstige verwachtingen zullen op die wijze in
rook vervliegen. Ik blijf bij de meening, dat het beter is,
dat mijn broeder eerst 4 à 5 maanden hier vertoeft, om dan naar
Italië te gaan onder begeleiding van een edelman de par deça,
dien men daarvoor geschikt acht, zooals Mevrouw mijn moeder
en mijn broeder dat wenschen. Door dat middel zal men alle
vermoedens kunnen onderdrukken en in die 4 à 5 maanden alle
zaken kunnen afdoen. Daarna kan mijne moeder haar wil ten
uitvoer brengen. Zoo moet het gebeuren en anders zal alles
tot groot schandaal en onze schande afloopen."
Daarop geeft hij zelfs in dien brief te kennen, dat er zich nog een
andere gelegenheid heeft voorgedaan, om Hendrik te bevoordeelen. De
graaf van Schauenburg was namelijk bij hem geweest met graaf van den
Berg en die had hem beloofd, dat hij graaf Hendrik tot coadjutor van
zijn proostdij Hildesheim wilde bevorderen. Oranje voegt daaraan toe,
dat die betrekking een graaf zeer goed past en vooral deze woorden
zijn merkwaardig, dat die betrekking geenerlei verplichting oplegt,
dat ieder betreffende den godsdienst kan leven gelijk hem goeddunkt,
mits men een weinig bescheiden is en de onderhoorigen niet worden
gedwongen. Ook hoopte de graaf van Schauenburg, dat de broeder van
den graaf van Königstein, graaf Christoffel, die de proostdij van
Halberstadt bezat, Hendrik ook tot zijn coadjutor zou maken, welke
proostdij zooveel rente gaf, dat de bezitter daarvan gemakkelijk 20
paarden met hun ruiters en equipage kon onderhouden. Buitendien lagen
die beide proostdijen slechts 5 mijlen van elkander.
"Waar ons zulke aanbiedingen gedaan worden, moeten we niet slapen, maar
het met inspanning van al onze krachten trachten te bereiken en omdat
het noodzakelijk is, daarvoor de goedkeuring van den paus te hebben, is
het goed, dat mijn broeder hier is, anders is alle moeite vergeefsch."
Deze geheele zaak bewijst ten duidelijkste, hoe Oranje op dat tijdstip
alle godsdienstige belangen ondergeschikt maakt aan de tijdelijke en
het verwondert ons dan ook niet, dat Juliana van Stolberg en graaf Jan,
hoe zij ook den oudsten zoon en broeder vertrouwden, in dit opzicht
zijn raad, niettegenstaande den krachtigen aandrang van den Prins,
niet hebben willen opvolgen. Wel weigerden zij niet absoluut, maar
ze hielden de zaak slepend, zoodat Jan in den volgenden zomer aan
Lodewijk schreef, dat hij nog steeds onwillig was, om Hendrik naar
Brussel te doen terugkeeren. Hij vreesde den aankomenden jongeling
onder katholieke invloeden te brengen. De daarop gevolgde toestand
in de Nederlanden vernietigde van zelf dit plan omtrent Hendrik.
Dit is het echter niet, dat ons het meest belang inboezemde,
wel de kennis, die wij uit dien langen brief van den Prins aan
Lodewijk putten omtrent Oranje's eigenlijke gezindheid. En dan
kan niet ontkend worden, dat, hoe Oranje ook in den Raad van State
voor godsdienstvrijheid pleitte, toch de godsdienst zelf voor hem
in dat jaar nog geheel ondergeschikt gemaakt werd aan stoffelijke
belangen. Van wezenlijken ijver voor de heiligste zaak is bij hem
volgens dien brief geen sprake. De godsdienst vindt in de rij van
andere stoffelijke belangen een gedrongen plaats. Wel moet erkend
worden, dat Oranje zoowel als alle edelen in groote moeilijkheid
geraakte door deze omstandigheden. Zij stonden tusschen twee uitersten
in, die beiden als radicaal konden beschouwd worden en zij wilden
een middenweg. Maar die middenweg werd de ondergang van den adel en
de tijdelijke verduistering van Oranje's ster. "De Nederlandsche
adel had zijn belangen liever dan de zaak van den godsdienst." De
krachtige uitlatingen van den Prins in den bewusten brief over de
belangen van graaf Hendrik laten omtrent hem zelf geen ander oordeel
in dit tijdperk van zijn leven toe.
In den daarop volgenden brief drukte de Prins, terwijl hij nog blijft
aandringen op Hendriks komst, het grootste verlangen uit naar het
gezelschap van Lodewijk, daar hij zich zoo bitter alleen en verlaten
voelt. "Kom als het kan, al is het slechts voor 14 dagen." Hij heeft
behoefte aan zijn broeder zoowel voor zaken van belang als om zich
met hem te ontspannen. Al moest hij tegen wil en dank erkennen, dat
het noodzakelijk was, dat Lodewijk naar Dillenburg ging, zoo hoopte
hij toch, dat hij intijds terug zou zijn voor de bruiloft van Montigny
en dat hij deel zou kunnen nemen aan het tournooi.
Lodewijks bezigheid in Duitschland was op dat oogenblik, in overleg te
treden met de Duitsche vorsten en hij werd daar langer opgehouden, dan
men verwacht had. Als trouwe hulp stond hij den Zwijger in die dagen
niet minder dan later bij; thans vooral om mede te werken tot meerder
eensgezindheid tusschen de verschillende protestantsche sekten. Hij
was het geweest, die in 1564 den Prins tot Baudouin bracht, ten einde
door dezen een middel te vinden om katholieken en protestanten te
hereenigen. Nu was vooral Lodewijk bezig, een poging aan te wenden
om een vergelijk tot stand te brengen tusschen de Lutheranen en de
Calvinisten, terwijl hij hoopte de Duitsche vorsten zooveel mogelijk
te verzoenen met zijn broeder, den katholieken Prins van Oranje,
wien hij tevens raad en steun vroeg.
Dit toch werd met den dag een dringender eisch. De toestand in
de Nederlanden werd hoe langer hoe meer gespannen. Weer duurde het
geruimen tijd, eer na Egmonds terugkeer uit Spanje de koning aan zijn
belofte voldeed, om nader te schrijven. Hij was er eerst niet tegen,
een vergadering van geestelijken en rechtsgeleerden te beleggen,
die zouden beraadslagen over andere middelen tot wering der ketterij,
maar het advies dier vergadering, om verzachting der straf in enkele
gevallen toe te staan, droeg allerminst de goedkeuring des konings weg.
Daarom schreef Filips weder na maanden op den 17en October 1565,
"dat de straffen niet verminderd mochten worden; de inquisitie moest
blijven, gelijk ze was en dat de magistraten en de regenten die
moesten steunen."
Deze heillooze brieven uit Segovia werden in de eerste dagen van
November te Brussel ontvangen. Filips' orders waren ondubbelzinnig,
maar het was hoogst twijfelachtig, of het in de macht van zijn zuster
zou liggen, die orders uit te voeren. Op het verzet van het volk werd
in geen enkel opzicht acht geslagen. De plakkaten moesten zonder eenig
voorbehoud worden toegepast. Margareta sprak verscheiden dagen niet
over den inhoud van die brieven, maar haar sombere stemming kon ze
niet verhelen; niet moeilijk was het naar de oorzaak daarvan te gissen.
Tegen December werd er een vergadering van den Raad van State
bijeengeroepen. De brieven van Spanje werden voorgelezen en de
ontroering daarover was algemeen. Egmond, "de gelukkigste man der
wereld", zooals hij zich bij terugkeer in een brief aan Filips
noemde, erkende nu voor het eerst, dat alle beloften, die de koning
hem mondeling had gedaan, volkomen waardeloos waren. Viglius zelfs,
blijkbaar bevreesd over de heillooze uitwerking op de gespannen
gemoederen, gaf den raad, nog eenmaal de zaak bij Filips terug te
brengen, althans slechts gedeeltelijk den wil des konings te volvoeren
en in de aanschrijving geen gewag te maken van de inquisitie. Maar
Oranje verklaarde zich, nu het na zoovele ervaringen gebleken was,
dat de koning geen acht wilde slaan op de stem des volks, tegen alle
halfheid en voor de onmiddellijke uitvoering van de bevelen. Het was
nog beter, dat het volk wist, waaraan men zich voortaan te houden had,
dan het langer in onzekerheid te laten.
De koning van Spanje zou toch niet--dat was duidelijk genoeg
gebleken--van gedachten veranderen; een middenweg was niet meer te
vinden. In dien zin werd dan ook besloten. Aan de stadhouders en aan
de gerechtshoven zouden lastbrieven gezonden worden, om 's konings
bevelen onverwijld op te volgen. Toen dat besluit was genomen,
moet Oranje iemand naast hem in de ooren gefluisterd hebben: "Nu
zullen we het begin van een fraai treurspel zien." Viglius, die die
woorden heeft medegedeeld, voegde er bij, dat de Prins ze uitsprak,
"als ware hij verblijd en bij voorbaat zeker van de overwinning."
Er is geen ander bladzijde uit 's Prinsen leven, waaruit door zijn
vijanden tot heden toe meer venijn getrokken is, dan uit die houding
en die woorden van Oranje. Hier wordt hij niet langer alleen de
huichelaar en de eerzuchtige gescholden, hier wordt hij voorgesteld
als de satanische geest, als de Lucifer, die er behagen in had de
lont in het kruit te werpen, die, hoewel beseffende dat zijne daad de
droeve tragedie van den oorlog zou openen, met een vroolijk gelaat
en als zeker van zijne overwinning, al de ellenden en gruwelen van
den afval van Spanje en den koning op zijn geweten had.
Zeker uit het oogpunt van zijn feilen bestrijder, daarbij nog
voorgelicht door den subjectieven indruk, dien Viglius ontving, is er
inderdaad iets satanisch in Oranje's houding op dat oogenblik. Wat
kan vreeselijker gedacht worden, dan met volle bewustzijn, louter
gedreven door persoonlijke eerzucht en al de jammerlijke gevolgen aan
zijn daad verbonden kennende, van zulk een tragedie met lachend gelaat,
niet de aanleiding, maar de onmiddellijke oorzaak te zijn. Wij zullen
dan ook die opvatting niet veroordeelen, want op een bevooroordeeld
standpunt is geene andere opvatting mogelijk. Op dat standpunt is
Willem van Oranje hier terecht de incarnatie van dien Lucifer, wien
Vondel deze woorden in den mond legt, als Belzebub hem voor goed
heeft gewonnen voor den opstand tegen God:
Ja eer we zwichten, zal dit hemelsblauw gewelf
Zoo trots, zoo vast gebouwd, met zijn doorluchte bogen
Te bersten springen en verstuiven voor onz' oogen,
't Geradbraakt aardrijk zien als een wanschapen romp
Dit wonderlijk heelal in zijnen mengelklomp
En wilde woestheid weer verwarren en verkeeren.
Laat zien wie Lucifer durft trotsen en braveeren.
Geheel anders wordt echter onze voorstelling, indien we ons te binnen
brengen, dat er aan dat hemelsblauw gewelf van de Nederlanden reeds
lang zeer donkere en onheilspellende wolken waren aanschouwd; dat
de man die die woorden sprak: "Nu zullen we het begin van een fraai
treurspel zien," langzamerhand ontwaakte tot het bewustzijn van zijn
roeping; dat zijn karakter bezig was zich te vormen voor den grooten
strijd, die niet uit kon blijven, nu de koning van Spanje zich zoo
onwijs bleef verzetten tegen den geest van het volk en den geest van
zijn tijd.
Moedig was integendeel de daad van den Prins na de heillooze brieven
uit Segovia; noem het een somberen moed, mij wel; want niet elk
sterveling is er op aangelegd, om op die wijze de lont in het kruit
te steken; maar evenmin als het ons voegt een steen te werpen op
historische personen, die mannen van staal en bloed zijn geworden,
omdat zij een hoog volksideaal tot verwezenlijking moesten brengen door
bloed en tranen heen, al blijft ook hun karakter, uit het oogpunt van
de gangbare moraal raadselachtig; evenmin voegt ons hier een oordeel
over Willem van Oranje, die door zijn houding in den Raad van State
de droeve tragedie met volle bewustheid heeft geopend.
De gebeurtenissen moesten hun loop hebben; wie de verantwoordelijkheid
van die gebeurtenissen op zich neemt, zal altijd blootstaan aan
het oppervlakkig oordeel der menigte. Wij zijn niet van meening,
dat deze bladzijde tegen den Prins getuigt. Zelfs onpartijdige
historieschrijvers hebben er Oranje om veroordeeld; anderen hebben
getracht de beteekenis der woorden te verzwakken. Wij daarentegen
vinden in deze fase, toen het den Prins nog ontbrak aan den hoogen
en diepen ernst van waren godsdienst, toen hij, hoewel geneigd de
slachtoffers van de inquisitie te beschermen, toch nog voor tijdelijke
belangen voorgaf den R-Katholieken godsdienst aan te hangen; wij
vinden er een echt menschelijke uiting in van een wordend karakter
en wel verre van hier een Lucifer-incarnatie in hem te aanschouwen,
begroeten we hem hier als een geestverwant van dien ander, die somber
de wonderspreuk uitte: "Ik ben niet gekomen, om vrede te brengen,
maar het zwaard."
Het is te begrijpen, hoe grooten indruk het in de gewesten maakte,
toen men vernam, dat 's konings bevelen moesten worden uitgevoerd. De
hervorming, die onder alle standen en rangen der maatschappij reeds
wortel had geschoten en zich vooral in Antwerpen onder de Duitsche
kooplieden, daar woonachtig, zich sterk had uitgebreid, was niet
meer te keeren en er was dan ook in 1565 slechts één verlangen onder
het volk: dat Filips zijn eischen zou matigen. Het misnoegen was
werkelijk zeer groot; overal, op straat, in de herberg, op het veld,
op de markt of in de kerk, bij eene begrafenis of bij een bruiloft,
zoowel op het kasteel van den edele, als in de hut van den landman,
zoowel in de woning van den daglooner, als onder de kooplieden op de
beurs--overal en altijd werd slechts over dat ééne verschrikkelijke
onderwerp gesproken.
In Brabant, dat altijd krachtens bijzondere privilegiën van de
inquisitie was verschoond gebleven, wilde men de nieuwe inbreuk op de
rechten van het volk niet dulden en in Vlaanderen en Namen protesteerde
men ook krachtig. Geen wonder, dat de stadhouders der verschillende
gewesten er bezwaar in hadden, de bevelen uit te voeren en verzochten,
vervangen te worden door mannen, die zich in staat zouden achten,
de bevelen van Filips op te volgen. Ook Oranje gaf in zijn qualiteit
van stadhouder te kennen, dat de uitvoering, waartoe hij als lid van
den Raad van State had moeten meewerken, voor hem ondoenlijk was.
In den zomer van 1565 was tijdens een verblijf van Lodewijk
van Nassau te Spa, het eerste denkbeeld omtrent een verbond van
edelen ontstaan. Het is zeer waarschijnlijk, dat het niet alleen
gezondheidsredenen waren, die Lodewijk bewogen daar de baden te
gebruiken. Spa was, evenals in onze dagen verschillende badplaatsen,
in dien tijd dikwijls het vereenigingspunt voor andere doeleinden
dan het watergebruik.
Zeker, Lodewijk was op dat oogenblik ongesteld; Oranje vraagt hem naar
den invloed van de baden op zijn gezondheid en Brederode waarschuwt
hem op zijn manier, om toch niet te veel water te drinken en den wijn
niet te vergeten, maar de Prins schreef ook tevens aan zijn broeder,
dat zijn verblijf te Spa, nu Bergen daar ook was, misschien een
goede gelegenheid zou zijn, "om een weinig te praten over de zaken,
die wij overlegden."
Onbekend is, of Bergen, met wien Lodewijk in Spa druk verkeerde, heeft
deelgenomen aan de besprekingen, die op de badplaats de aanleiding
zijn geworden tot het verbond der edelen.
Lodewijk van Nassau ontmoette aldaar eenige leiders van de
Calvinistische partij, twee edelen, n.l. Jan van Marnix, den broeder
van Marnix van St. Aldegonde en Nicolaas de Hames, wapenheraut van het
Gulden Vlies en een vertegenwoordiger van den rijken burgerstand Gilles
le Clercq van Doornik. Over die ontmoeting, of ze toevallig was, dan
op afspraak berustte, noch over de bijzonderheden van de samenkomst
bestaan eenige berichten. Alleen weet men met zekerheid, dat er met
Lodewijk door de drie genoemde personen van gedachten gewisseld is over
het oprichten van een verbond, tot verdediging der gewetensvrijheid.
Of de Prins hiervan geheel was ingelicht, is onzeker. In 't algemeen
ried de voorzichtige man in die dagen groote behoedzaamheid aan,
gelijk o. a. blijkt uit zijn reeds vermelden brief over Hendrik,
waarin hij aan Lodewijk den raad geeft, toch zoo weinig mogelijk te
schrijven over dergelijke zaken, hetgeen waarschijnlijk ziet op de
hulp, die men van de Duitsche rijksvorsten wachtte.
Wat te Spa begonnen was, werd in het einde van November te Brussel
voltooid. Ondertusschen waren de brieven uit Segovia gekomen en was
de toestand veel meer gespannen geworden. Het huwelijk van Alexander
Farnese met Donna Maria van Portugal werd te Brussel gevierd en daar
het hof bij die gelegenheid openstond voor alle Nederlandsche edelen
van hooger en lager rang, hadden deze een ongezochte gelegenheid
meermalen samen te komen, zonder dat dit achterdocht zou wekken. Ook
Lodewijk van Nassau kwam einde November uit Dillenburg om deel te
nemen aan alle feesten, maaltijden en vermaken, waartoe dat huwelijk
aanleiding gaf.
Geen wonder, dat bij die gelegenheid weer het onderwerp van Spa
ter sprake kwam. Men trachtte de jonge edelen voor het denkbeeld
van een verbond te winnen en in het paleis van Floris van Pallandt,
heer van Culemborg, werd er na het aanhooren van eene predikatie van
den Calvinistischen prediker Junius, die te Antwerpen leeraar was,
over de zaak gesproken, hetgeen twee dagen later ten huize van den
genoemden de Hames tot het Compromis der Edelen leidde. De hoofdpersoon
in die vergadering was Jan van Marnix, heer van Toulouse. Dezelfde
mannen dus, die het vier maanden geleden te Spa hadden beraamd,
waren hier de voornaamsten, die het oprichtten; terecht kan men hen
niet beschuldigen in overijling gehandeld te hebben.
Een belangrijke vraag doet zich nu voor, n.l. in hoeverre de Prins
aandeel heeft gehad aan dat verbond en hoe zijn houding daarbij was,
want ook hier zal het ons blijken, hetgeen trouwens elke bladzijde
van het leven van den Prins van Oranje bewijst, dat het moeilijk,
ja onmogelijk is, zijn persoon uit de gebeurtenissen te lichten. Het
blijkt ons, dat Willem van Oranje tegenover het Compromis der Edelen
van het begin af eer waarschuwend en intoomend, dan aansporend en
opwekkend gestaan heeft. Zijn broeder Lodewijk was zeer voortvarend
geweest, al verklaarde hij later ook in zijn Apologie, dat hij eerst
niet had willen teekenen, maar er slechts op aandrang zijner vrienden
toe was overgegaan; in Maart 1566 was Lodewijk reeds met Hendrik van
Brederode, de erkende leider der beweging.
De Prins hield niet op, hem in den aanvang althans te waarschuwen,
zich toch niet te veel bloot te geven; zelfs vond Oranje, dat Lodewijk
zich reeds te ver had gewaagd. Men beschuldigde Lodewijk zelfs de hand
te hebben gehad in een geschrift tegen de inquisitie. Zijn broeder
keurde in den aanvang het Verbond der Edelen af als een begin van
opstand tegen de regeering, vandaar dat hij den graaf naar aanleiding
van het gerucht, dat hij de schrijver zou zijn van het stuk, dat in
den nacht van 23 December op drie of vier plaatsen in Antwerpen was
aangeplakt, het volgende schrijft:
12 Januari.
"Mijn broeder!
Ik wacht ongeduldig op nieuws van U en zou wel duizend kronen
willen geven, als gij hier waart, want daar is een zaak, die U
betreft en die zeer geruchtmakend is.... Gij wordt beschuldigd
de schrijver te zijn van het geschrift, dat in Antwerpen is
gevonden en ook van verschillende andere dingen, waarover ik nu
geen tijd heb te schrijven, wordt gij verdacht. Als ik in Breda
ben, zal ik U meer in bijzonderheden schrijven. Ik verzoek
u echter van zulke dingen den schijn niet meer op u te nemen."
Het blijkt uit dezen brief, dat, hoe groot ook de vertrouwelijkheid
tusschen den Prins en zijn broeder Lodewijk moge geweest zijn, Oranje
toch meende, dat hij niet in al de geheimen van Lodewijk deelde.
Willem van Oranje bleef, wilde althans in 1566 de loyale dienaar van
den koning blijven. Hij wilde den strijd tusschen de onderdanen en
den souverein vermijden, zoolang het mogelijk was. Wel had hij niet
geaarzeld, om in den Raad van State den raad te geven 's konings
bevelen uit te voeren, doch al wist hij, dat dit 't begin zou zijn
van een jammerlijk treurspel, tot de opening daarvan verder mee te
werken, achtte hij in 1566 nog ongeoorloofd.
Hij voorzag de mogelijkheid van ernstige onlusten, maar zocht tegelijk
naar het middel om ze te voorkomen. Geen wonder, dat de schijnbare
tegenstrijdigheid zijner handelingen in dat jaar aanleiding heeft
gegeven tot verklaringen van den kant zijner vijanden ten nadeele van
zijn karakter. Dubbelzinnigheid en huichelarij zijn karaktertrekken
van den Prins, in den mond zijner vijanden bestorven. Voor hem, die
althans iets dieper weet te peilen in zijn ondoorgrondelijk karakter,
is zijn houding in dat jaar niet geheel onverstaanbaar. En al zullen
wij niet ontkennen, dat Oranje in 1566 de kracht van den volkswil
heeft miskend, dat hij m. a. w. nog steeds de staatsman in wording
was, de snelle loop der gebeurtenissen, die dagelijks de kans van
burgerkrijg vermeerderde, maakte hem, die in 1566 nog geen vaste
plannen had, destijds besluiteloos en angstvallig.
Wie een karakter, als dat des Prinsen wil beoordeelen en hem in
dat voor den staatsman zoo bange jaar 1566 wil begrijpen, mag dit
bij de volgende uiteenzetting geen enkel oogenblik uit de gedachte
verliezen. Ook mag men de verschillende qualiteiten niet vergeten,
waarin de Prins moest handelen. Als lid van den Raad van State had hij
de onmiddellijke opvolging van Filips' bevelen mede doorgevoerd; als
stadhouder moet hij ook toen reeds het onmogelijke van die uitvoering
begrepen hebben. Althans hij schrijft op den 24en Januari 1566 aan
Margareta o.a. het volgende:
"Ik heb de brieven van Uwe Hoogheid ontvangen, waarin Zij mij den wil
van Z. M. op drie punten te kennen geeft, mij uitdrukkelijk bevelende
in alle plaatsen van mijn stadhouderschap elk dezer stiptelijk
te doen uitvoeren. Hoewel ik nu Mevrouw, in die zaak van zulk een
groot gewicht en gevolg om advies gevraagd ben (natuurlijk in zijn
qualiteit van stadhouder), zoo gevoel ik mij toch, als loyaal dienaar
en vazal van Z. M., die begeerig ben om te verrichten al wat ik aan
mijn staat en eed verschuldigd ben, verplicht, mijn meening rond en
open te zeggen, daar ik liever de kans loop voor 't tegenwoordige
ondank in te oogsten wegens mijn waarschuwingen en betoogen, dan door
oogluiking en stilzwijgen, na de verwoesting van het land, geblameerd
te worden van ontrouw en verwaarloozing als stadhouder."
Achtereenvolgens bespreekt hij dan de drie punten. Wat de uitvoering
van de besluiten van het concilie aangaat, de reformatiën der priesters
en andere kerkelijke verordeningen, dat zijn zaken, die niet tot zijn
roeping behooren; die zal hij overgeven aan hen, die er mee belast
zijn en zorgen, waar het noodig is, dat aan het bevel des konings
wordt voldaan.
Wat echter het tweede punt betreft, dat de stadhouders en andere
ambtenaars de inquisiteurs moeten helpen, dienaangaande schrijft hij
aan Margareta:
"Uwe Hoogheid moet zich herinneren, dat de klachten en moeilijkheden,
door de bisschoppelijke organisatie verwekt, geen anderen grond hadden,
dan de vrees, dat men onder dit voorwendsel eenigen vorm van inquisitie
zou invoeren. Want niet alleen de uitvoering, maar reeds de naam er
van klinkt hatelijk en onaangenaam.
"Buitendien kan Uwe Hoogheid weten, dat Zijne Keizerlijke Majesteit
en Koningin Maria herhaaldelijk aan de inwoners van de Nederlanden
verzekerd hebben, dat de inquisitie in deze landen niet zou worden
ingevoerd, maar het geheele land zou bestuurd en geregeld worden als
van ouds.
"Die verzekeringen en beloften hebben den handel dezer landen steeds
doen bloeien.
"Wat aangaat het derde punt, om al de plakkaten door den keizer
en den koning uitgevaardigd, in al hun gestrengheid toe te passen,
Mevrouw! dit schijnt mij zeer moeilijk toe, daar de plakkaten zoo
talrijk en verschillend zijn geweest en nooit ten strengste zijn
opgevolgd, zelfs niet in den tijd, toen de algemeene ellende niet zoo
groot was als tegenwoordig. Hunne uitvoering zou ondragelijk zijn en
is derhalve niet raadzaam."
De Prins gaat zoo ver, dat hij zegt, dat de godsdienstige vrijheid
in naburige landen de onderdrukking zeer onrechtvaardig zou maken en,
volgens hem zou het het toppunt van dwaasheid zijn, de hartstochten op
te wekken, juist nu het volk in zulk een groote bezorgdheid verkeert
wegens de duurte der tarwe. Hij hoopt, dat alle gestrenge maatregelen
zullen uitgesteld worden tot Filips zelf hier zal komen, om door zijn
tegenwoordigheid al het kromme weer recht te maken. Hij eindigt met
te zeggen dat, als de koning, in spijt van zijne waarschuwingen,
blijft aandringen op de uitvoering van zijne bevelen, hij liever
zijn ambt wil nederleggen, dan de "blaam mij op den hals te halen,
die me zou bevlekken, als aan het land, waarover ik als stadhouder ben
aangesteld, een ongeluk overkwam." Met vernieuwde uiting van trouw aan
den koning eindigt dit schrijven. Zoolang hij leeft, zal hij al wat
hij in de wereld heeft, in den dienst van Z. M. en het land stellen,
zijn persoon, ja vrouw en kinderen zelfs.
Deze uitdrukking van loyaliteit ware ongetwijfeld in verband
met hetgeen reeds was voorafgegaan onverklaarbaar, als niet deze
uitzondering daarop gemaakt werd: "Behalve indien de zaken van het
land anders gaan, dan voor de welvaart noodig is."
En geen wonder, dat hij die uitzondering als mogelijk stelde. Want
al keurde hij in den aanvang het Verbond der Edelen af, hij verdacht
Filips in diezelfde dagen reeds maatregelen te beramen, om zijn plannen
met geweld in de Nederlanden door te voeren. Er kwamen toch berichten
tot hem, dat de koning aan hertog Eric van Brunswijk, een der weinige
Duitsche vorsten, die voor geld beide partijen wilde dienen, bevolen
had troepen te verzamelen, teneinde de rebellen te straffen. Op die
mogelijkheid was de Prins dan ook terzelfder stond bedacht en hij
schreef aan Lodewijk om toch George von Holl en andere Duitschers te
overreden, naar de Nederlanden te komen, "hetgeen zij zeker zouden
doen, als zij alles wisten." Hij schreef zelfs: "Hoe rustiger de
zaken kunnen gehouden worden, des te beter; wees alleen gereed met
het oog op mogelijke gebeurtenissen." Ja wat nog meer zegt, in die
dagen ging de gedachte reeds in hem om, het land te verlaten, onder
voorwendsel, deel te nemen aan de beraadslagingen van den Duitschen
Rijksdag. Twee motieven drongen hem daartoe. Allereerst de sympathie
van Maximiliaan II voor de Lutherschen en tevens het beroep, dat hij
bij den Rijksdag zou kunnen doen op het verdrag van Augsburg van 1548,
waarbij de Nederlanden wel als een afzonderlijke kreits waren erkend,
doch niet alle banden met Duitschland waren opgelost. Zelfs dacht
hij na over pogingen om geld op te nemen, indien het noodig was.
Uit een en ander blijkt, dat Oranje zelf ook wel degelijk op
toekomstige mogelijke gebeurtenissen bedacht, gereed wilde zijn, als
die gebeurtenissen hem dwongen een andere houding aan te nemen, dan die
van loyaal dienaar des konings. Maar toch was het verschil tusschen hem
en de stormachtige edelen, die hun verbond hadden gesloten, zeer groot.
Gedurende den winter was Oranje in Breda, van waar hij vele brieven
schreef aan de hertogen van Saksen en Wurtemberg, om hun den staat
van zaken in de Nederlanden duidelijk te maken en hun raad in te
winnen. Elke stap voorwaarts moest met groote zorg gedaan worden. In
het eind van Februari was er een groot aantal edelen in Breda. Die
hadden in dien tusschentijd niet stil gezeten. Zoowel met het beramen
van plannen als met het winnen van nieuwe leden hadden de verbondenen
de laatste maanden doorgebracht. Vooral onder den lageren adel
breidde zich van dag tot dag het verbond uit. Van het verbondschrift,
waarschijnlijk het werk van St. Aldegonde, waren afschriften gemaakt en
in een paar maanden stonden twee à driehonderd namen op de lijsten. Wat
hunne plannen aangaat, met zekerheid is dit niet te zeggen. Doch
volgens Junius, denzelfden predikant, die bij de oprichting aanwezig
was, waren de verbondenen voornemens zich van Antwerpen meester te
maken en vandaar uit het land in beweging te brengen. Van die plannen
hoorde de Prins nu in Breda in 't eind van Februari en hij keurde ze
ten stelligste af. Ook Nicolaas de Hames was daarbij tegenwoordig.
Teneinde het verschil naar waarde te schatten, dat er bestond
tusschen de revolutionaire partij onder de edelen, die voor geen
geweld terugdeinsden en den voorzichtigen Prins, is het merkwaardig
in dit verband een brief van dien Nicolaas de Hames te lezen, die
voor geen heftigen maatregel terugdeinsde en die onder den indruk
van de voorzichtige, afwachtende houding van Oranje, al zijn spijt
en wrevel in een brief aan Lodewijk uitdrukt:
"Monseigneur! Sedert uw vertrek uit deze landen hebt gij, naar ik meen,
van niet een der verbondenen eenig bericht gehad betreffende onze zaak;
al hebben wij verscheiden malen zeer begeerd een middel te vinden
om u op de hoogte te houden van de dingen, die wij in grooten getale
hebben behandeld, zonder tot eenig besluit te komen. Zoo stonden de
zaken, toen op de laatste vergadering, waar Mr. de Warou, luitenant
van den admiraal, Mr. Dolhain, Mr. de Louverval, Mr. de Toulouse,
Mr. de Leefdael en ik tegenwoordig waren, een besluit werd genomen,
dat volgens het oordeel van allen voordeeliger en gemakkelijker was,
dan een der andere plannen, die vroeger geopperd waren. Wij namen
het onder correctie en advies van den Heer van Brederode, wien wij
alle bijzonderheden der onderneming mededeelden, terwijl we den Prins
alleen het algemeen plan vertelden. Brederode vond de zaak uitstekend,
de Prins verwierp het algemeene denkbeeld; hij hield zich verzekerd van
den onmogelijken uitslag. Hij is van meening, dat we de toevlucht tot
de wapenen nog niet mogen nemen en zonder deze is het ons onmogelijk,
ons plan uit te voeren. Met een ongelooflijk verlangen zien wij uw
terugkeer tegemoet hopende, dat gij zult helpen, om het vuur in de
harten van die heeren te doen ontvlammen, die te langzaam vooruit
willen en daardoor krachteloos zijn.
Zij willen dat wij tegenover de koppigheid en de verstoktheid van die
begeerige wolven slechts remonstranties en requesten, kortom alleen
woorden zullen stellen, daar waar zij van hun kant niet ophouden
te verbranden, te onthoofden, te verbannen en op allerlei wijze
hun woede te uiten. Wij hebben het middel in de hand, om zonder
oproer, zonder moeilijkheid, zonder bloedstorting, zonder oorlog
hen te beteugelen en men wil het niet. Welnu, laten wij dan de pen
en zij het zwaard ter hand nemen, wij de woorden, zij de daden. Wij
zullen huilen en zij zullen lachen. De Heer zij over alles geprezen,
maar zonder tranen kan ik u dit niet schrijven. Alle arme geloovigen
zijn radeloos, ziende dat het geneesmiddel zoo wordt uitgesteld. Een
tijdlang hebben we ze getroost met de belofte van spoedige hulp,
maar door de lauwheid van hen, die er het meest voor moesten bezield
zijn, zie ik die hulp nog op een verren afstand. De vier steden van
Brabant (Brussel, Antwerpen, Leuven en 's Hertogenbosch) hebben aan
den kanselier en de raden van hun gewest een geschrift aangeboden,
betreffende het laatste bevel, maar het schijnt, dat zij de vroegere
edicten erkennen, alleen de inquisitie verwerpen en met den naam
spelen, terwijl ze de zaken laten, gelijk ze zijn.
Men zegt, dat Vlaanderen een dergelijk geschrift gereed maakt. Ook
Holland. Maar ik zie niet in, dat er eenige vrucht van al dat schrijven
kan komen; altijd zal men weer van voren af beginnen. De ziekte en het
verderf van onzen staat zijn te groot, om die te genezen met zachte
dranken en siropen. Er moet een veel sterker purgatief of fistel worden
aangewend. De Staten-Generaal hebben volle macht, zij zijn het eenig
geneesmiddel voor onze kwalen; wij hebben zonder twijfel het middel
in onze macht om die vergadering samen te brengen, maar men wil niet
genezen zijn. Hoe meer men de venusziekte vleit en liefkoost, des te
kwaadaardiger wordt zij en verbreidt zich totdat de aangetaste op het
kerkhof ligt. Onze venusziekte is de corruptie van het geloof, van
het recht, van de munt; eindelooze schulden, achteruitgang, ja bijna
vernietiging van den adel; ambten en bedieningen in de handen van enkel
onwaardige personen. Ja komaan, genees dat alles eens met woorden!"
Nicolaas de Hames eindigt dien merkwaardigen brief met een oproep
tot Lodewijk van Nassau, om toch spoedig te komen en van raad te
dienen en zeker tractaat mee te brengen, dat hij beloofd had, de
redenen behelzende, waarom de ondergeschikte magistraat de wapens
kan opnemen, als de opperste magistraat slaapt of tyranniseert. Wij
noemen dien brief hoogst merkwaardig, omdat een man, zeker van heftig
karakter, maar van een edele gezindheid, hierin krachtig het verschil
uitspreekt, dat er bestond tusschen de edelen, die wilden doortasten
en de grooten, die tot voorzichtigheid aanspoorden. Het zal wel altijd
moeilijk blijven juist te beoordeelen wie te dezen opzichte gelijk
had. Merkwaardig is het zeker, dat de stichters van het Verbond der
Edelen reeds in 1566 hetzelfde plan koesterden, als tien jaren later
tot uitvoering kwam. Terecht begrepen zij, dat Filips zich door geen
woorden tot het verleenen van godsdienstvrijheid zou laten bewegen;
dat alleen geweld van wapenen zou kunnen beslissen.
Maar of Oranje en de zijnen daarom niet nog hooger stonden, die op
dat oogenblik nog van dat geweld afkeerig waren, die vraag zou ik
niet gaarne ontkennend beantwoorden. Althans bewees hij daardoor te
begrijpen, dat de poging die de edelen zich voorstelden te doen,
hoogstwaarschijnlijk geen kans van slagen hebben zou en wel zou
afstuiten op dezelfde tweedracht en naijver, waardoor zelfs tien jaar
later de pacificatie van Gent werd verijdeld.
Toch begrijpen we aan den anderen kant het ongeduld van mannen als De
Hames zeer goed. De aarzeling en beraadslaging, de terughouding en
voorzichtigheid, waarmede Oranje elken stap voorwaarts deed, de rem
toepassend bij elke wenteling van het wiel, waren ontmoedigend voor
mannen van één denkbeeld, die begrepen, dat het vroeg of laat toch
tot wapengeweld moest komen. Daartegenover was het natuurlijk, dat de
Prins, die de gevolgen kende van den burgeroorlog in Frankrijk, door
dergelijke oorzaken aangewakkerd als hier aanwezig waren en die wist,
hoe daar het geneesmiddel nog erger dan de kwaal scheen te worden,
waarschuwde tegen gewelddadige maatregelen.
De samenkomst te Breda in 't eind van Februari had den Prins geleerd,
dat de vurige partij onder de edelen niet licht haar plan zou opgeven;
de brief van De Hames onder den indruk dier samenkomst geschreven,
kan ook ons daarvan overtuigen. Mannen als De Hames zouden, aan
zichzelf overgelaten, tot onberaden stappen komen.
Vandaar dat enkele dagen, nadat de Prins de plannen van die partij ten
sterkste had afgekeurd, door hem eene samenkomst van de voornaamste
grooten, eerst in Breda en kort daarop te Hoogstraten werd geleid,
waarin hij dezen ter voorkoming van de gevaren die uit het Verbond
der Edelen konden voortvloeien, opwekte zich met hem aan het hoofd
der beweging te plaatsen.
Welk plan daar te Hoogstraten door den Prins zelf geopperd werd,
is niet geheel zeker. Wel bewijst de aanwezigheid van Lodewijk van
Nassau en van George von Holl aldaar en het beroep, dat de Prins
op hen deed, dat de gedachte toch ook in hem omging, om desnoods
door wapengeweld het land tegen een aanval van Spaansche troepen te
verdedigen. Misschien wilde hij wel, zonder zich van Antwerpen meester
te maken, de Staten-Generaal bijeenroepen en gedekt door de toezegging
van vreemde hulptroepen, vrij met den koning onderhandelen. Doch ook
aan dit plan, zoo het aldus werd voorgesteld, lag wapengeweld ten
grondslag en daarvan wilde Egmond niets weten. Ook Meghen en Mansfelt
kozen Egmonds zijde.
Het is hier de plaats niet om een oordeel over Egmond uit te
spreken. Hard, zeer hard wordt hij om die houding aangevallen; door
anderen, die zijn loyauteit blijven roemen, daarom geëerbiedigd, al
bejammeren ook deze zijn nauwgezetheid, die zooveel ongeluk aan het
land berokkende. Doch, terwijl we het oordeel in dezen over Egmond
aan anderen overlaten, die zijn karakter bestudeeren, voor ons,
wie het te doen is om den Prins, is daarom alleen Egmonds verzet te
Hoogstraten merkwaardig, omdat de Prins ook toen zijn ontwerp opgaf
en ten stelligste aanried, de daden nog uit te stellen en alleen met
woorden te beginnen.
Het is jammer genoeg, dat Egmonds voorbeeld zoo aanstekelijk op den
Prins heeft gewerkt. In 1566 en 1567 zullen we Oranje meer dan eens
onder den invloed van Egmonds versaagdheid zien. De kracht van den
volkswil heeft hij in het eind van 1566 miskend en in plaats van in
1568 had hij wellicht beter gedaan in dat jaar reeds de vaan van den
opstand te ontrollen.
Aan Lodewijk van Nassau werd opgedragen, het adres van de edelen aan
Margareta op te stellen. Hij en Brederode waren in Maart de erkende
leiders. Doch ook de Prins had grooten invloed op den inhoud van het
smeekschrift; althans terwijl Lodewijk met de samenstelling bezig was,
vertoefde hij meestal bij zijn broeder in Breda. Gezamenlijk zou dit
smeekschrift aan de landvoogdes worden aangeboden. Op uitdrukkelijk
verlangen van Oranje zouden de edelen bij die aanbieding ongewapend
verschijnen. Het mocht geen revolutionaire maatregel zijn, maar een
eenvoudig protest tegen een regeeringsdaad.
Nadat de zaak alzoo geschikt was, viel er nog veel te doen voor hen,
die aan het hoofd stonden en met de geestdrift en den ijver van
moderne leiders der politieke bewegingen togen ze aan den arbeid. De
verbondenen--die naam werd niet voor April gebruikt--verdeelden
de gewesten onderling om onderteekeningen voor de petitie te
verwerven. Lodewijk nam o. a. Zeeland, Friesland en Antwerpen,
Brederode Holland voor zijn rekening. De Hames alleen beroemde er zich
op, in korten tijd meer dan 2000 handteekeningen op het smeekschrift
te hebben verworven.