De bedoeling van dit hoofdstuk is: vermelding en bestrijding van enkele

aanvallen op voetbal en bespreking van een paar strijdvragen die voor

den voetballer van belang zijn. We zullen aanvangen met de behandeling

van het idee, _als zou voetbal een zeer eenzijdige beweging zijn_. Prof.

W. Koster (Leiden) zegt er bijv. van:--»Het ontwikkelt de beenen buiten

verhouding tot het lichaam.«

Toegeven moet ik, dat de beenspieren bij voetbal wel het meeste werk

verrichten, maar ik voeg er bij, dat in het dagelijksch leven ook aan

de beenspieren meestal hoogere eischen worden gesteld dan aan de andere

spieren van het lichaam. Bovendien zijn het, zooals ieder die genoegzaam

met voetbal bekend is, weet, niet alleen de beenspieren die door voetbal

geoefend worden, maar ook in ruime mate buik-, rug- en borstspieren.

Als nadeel van het voetbal kan het feit dat de beenspieren het meeste

werk verrichten, echter nooit aangemerkt worden. Het is immers ook

geen nadeel van schaatsenrijden of wandelen dat zij, de beenen, het

leeuwenaandeel in hun verrichtingen geven.

Trouwens heb ik ook niet opgemerkt dat de beenen, zooals Prof. Koster

zegt, als regel buiten verhouding tot het lichaam ontwikkeld worden

door het spel. Ik kan dan ook niet gelooven dat Prof. Koster deze

meening, die hij het voetbal als een verwijt toewerpt, aan de praktijk

heeft ontleend, of het moest zijn, dat de meerdere ontwikkeling der

beenspieren ongeveer alleen door medici op te merken is.

In dit geval kan zulks echter onmogelijk zoo schadelijk zijn als Prof.

Koster door zijn opmerking het laat voorkomen.

De meeste vakken immers ontwikkelen enkele spiergroepen min of meer

buiten verhouding tot de anderen. Men kan echter wel zeggen, _dat

voetbal als uitsluitende lichaamsoefening onvoldoende is_. Ja men kan

zelfs verder gaan en zeggen _dat het verkeerd is, voor lichaamsbeweging

uitsluitend het voetbal te beoefenen_. En dit laatste standpunt is het,

dat ik na jaren van ondervinding en proefneming heb ingenomen.

Het is zooals »Ten Have« in zijn reeds op bladz. 21 genoemd werk

opmerkt:--»Voetbal moet _niet uitsluitend_, doch _naast_ andere

lichaamsbeweging beoefend worden. Bovendien eischt voetbal te veel van

de krachten der beoefenaars dan dat het zonder doelmatige voorbereiding,

met voordeel gespeeld kan worden.«--»Als lichaamsbeweging, wielrijden

en andere sport nadeelige gevolgen heeft voor hen die er zich op

toeleggen, dan komt dit zonder uitzondering, doordat dezulken geen

rekening houden met de eischen van de wet der langzame oefening en

training.«--schrijft Prof. Dr. A. Forel[17]. Nu is mijn meening

over voetbal in verband hiermede in het kort de volgende: _Voetbal

is een prachtsport, mits het geregeld beoefend wordt, en andere

lichaamsoefeningen, die rekening houden met een harmonische

lichaamsontwikkeling als voorbereiding en onderhoud tot zijn dienst

heeft._ Het is dus verkeerd zoo nu en dan eens, bijv. een keer in de

twee weken (of met nog langer tusschenruimte) te voetballen, laat staan

wedstrijden te spelen. Het is eveneens verkeerd, zonder voldoende

vooroefening zich op het voetbal toe te gaan leggen of alleen 's Zondags

wedstrijden te spelen, zonder in den loop der week aanvullende en

onderhoudende lichaamsoefeningen te verrichten (de op blz. 21 vermelde:

verkeerde toepassing van het voetbalspel).

[17] »De Hygiëne van het zenuwleven«, door Prof. Dr. A. Forel.

Ik geloof dat een groot deel van het kwaad, dat misschien ten onrechte

op rekening der overdrijving wordt geschoven zou wegvallen, als

bovenstaande ideeën wat beter begrepen en ter harte genomen werden. De

kwestie van al of niet training is echter niet nieuw. Ik herinner mij

dat een paar jaar geleden, na de groote nederlaag van het Nederlandsch

elftal tegen het Engelsche te Darlington, veel over deze strijdvraag is

geschreven. Training zou met zich brengen het beroepsspel, werd toen wel

beweerd en training als middel om voetbal te verbeteren, was dus uit den

booze. Het woord training in voetbalbeteekenis gebruikt, bevat echter

twee begrippen nl.:--_Versterking van lichamelijke geschiktheid tot

het spel_, door methodische lichaamsoefeningen, nevens _vermijding van

schadelijke invloeden_ en _verbetering der spelmethoden_, door een

oefenmeester te bewerken. Van geen dezer beide begrippen kan gezegd

worden, dat zij tot het beroepsvoetbal voeren. Ik geef echter toe, dat

door toepassing van het tweede begrip en de resultaten daarvan, een

enkele speler wel eens op het idee zou kunnen komen, het voetbal als

beroep te gaan beoefenen. Ook ligt er wel iets in dit begrip, als zou

voetbal door toepassing er van, meer doel worden, dan ontspanning en

bijzaak. Toch vind ik in den grond der zaak het idee niet verkeerd, het

voetbalpeil door dit middel te verhoogen.

Maar de zaak mag niet overdreven worden. Dat een Nederlandsch elftal,

hetwelk tegen andere vertegenwoordigende elftallen moet spelen, op

zulk een wijze door een zaakkundigen oefenmeester getraind wordt, acht

ik goed, maar de algemeene toepassing van het begrip, acht ik in het

belang van het voetbal en zijn beoefenaars niet wenschelijk. Het voetbal

wordt er m. i. te veel »doel« door en ook als ontspanning verliest het

spel veel van zijn waarde. Evenwel kan en moet men verbetering der

spelkwaliteit blijven nastreven, hetgeen ook zonder oefenmeester zeer

goed mogelijk is. Stilstand staat hier gelijk met achteruitgang en

vermindert het genoegen en de belangstelling der spelers in hun spel.

Maar ook uit een ander oogpunt is verbetering der spelkwaliteit

aanbevelenswaardig. Het spel zal er niet alleen van hooger waarde

door worden, maar men zal zich ook minder behoeven in te spannen.

't Spel zal vlugger en tegelijk kalmer en gemakkelijker gespeeld worden.

Hiervan geven de Engelschen wel duidelijke bewijzen, als zij in een

internationalen wedstrijd tegen de Hollanders spelen. Men ziet de

laatsten zich tot het uiterste inspannen zonder merkbaar resultaat,

terwijl de eersten genoegelijk, kalm berekenend, spelen en resultaten

bereiken die genoegzaam bekend zijn. Het is echter niet alleen de

tactiek die het spel vergemakkelijkt en verheft, maar waarschijnlijk nog

meer de lichamelijke training. Evenals de tactische speler om iets te

bereiken, minder werk zal behoeven te doen dan een ontactisch speler,

zal een getraind[18] speler, een veel lichter en zekerder spel spelen

dan een, die ongetraind is. Hij zal een bal kunnen onderscheppen, die

hem anders voorbijgaat en hem nog veel moeite kan geven, of wel hij zal

een tegenstander vlug voorbijloopen, hetgeen hem zonder training niet

zou zijn gelukt.

[18] Onder: »getraind« hier te verstaan: »lichamelijk goed onderlegd«.

Het is merkwaardig hoe de buitenlandsche voetballers meestal hooger

staan wat athletiek betreft. Zoo hebben de Hollanders, ofschoon in

tactiek en techniek de meerderen, al menigen wedstrijd aan de Belgen

verloren door hun weinige beoefening der athletiek. In snelheid en

taaiheid (ausdauer) worden de Hollanders meestal overtroffen door de

Belgen, hetgeen, als ze wat meer trainden en aan athletiek deden, niet

het geval zou zijn.

We hebben gezien _hoe de training bij voetbal wordt geëischt uit

gezondheidsoogpunt_ en we hebben ook gezien _hoe het spel er

aantrekkelijker en mooier door wordt_. Maar nu wil ik u een ander

gezichtspunt openen.

Niet alleen de dagelijksche lichaamsoefening en de athletiek om nuttig

voetbal mogelijk te maken, maar deze toegepast om der wille van henzelf,

om der wille van onze gezondheid en ons geheele leven! Is het dan geen

genot te zien hoe door een systematische oefening ons lichaam aan

kracht, schoonheid en doelmatigheid wint?

Is het dan geen genot, te voelen hoe een bron van kracht en energie ons

lichaam meer en meer doortintelt, hoe de wil sterker en sterker wordt en

we ons tot meer in staat voelen dan ooit te voren?

Ge moet Toepoel[19] hier eens over hooren. Bewonderen zult ge de

kracht en het enthusiasme waarmee hij over de lichaamsoefeningen

spreekt, en nog meer bewondering zult ge koesteren voor de

lichaamsoefeningen zelf die hem zoo'n kracht en enthusiasme bijbrachten.

Ge zult, zoo ge ze niet reeds tot uw eigendom gemaakt hebt, zelf de

dagelijksche lichaamsoefeningen ter hand nemen, eerst wijfelend en bij

tusschenpoozen, later zekerder en geregeld. En het slot der zaak zal

zijn dat gij zelf ook krachtig en enthusiast zult meewerken de practijk

der lichaamsoefeningen te verbreiden, om aldus den grondslag te helpen

leggen tot een beter, gezonder en gelukkiger menschdom[20].

[19] Toepoel. »Hoe versterk ik mijn lichaam?« bij van de Ven, Baarn.

[20] Zie bij dit onderwerp bijv. C. L. Torley Duwel: »Plane Vir! Wat de

jeugd van hare leiders verwachten mag«.

En dan, gij voetballer, die zoozeer overtuigd zijt van het noodzakelijke

van flinke lichaamsbeweging, wat zult ge doen, als ge uw practisch

voetbal om de een of andere reden moet vaarwel zeggen? Zult ge dan

in uw verdere leven bij uw hoofdwerk op kantoor of anderszins het

gemis daaraan niet voelen? Zult ge dan toonen, dat uw stem voor

lichaamsbeweging slechts een holle klank was? Neen, dat zult ge niet,

want ofschoon uw voetbal tot het verleden behoort, hebt ge immers nog

altijd tot uw beschikking zijn begeleidende oefeningen, die u steeds uw

jeugd meer of minder zullen doen bijblijven, zoowel wat herinnering als

wat werkelijkheid betreft. In het kort wil ik hier nu nog aangeven, wat

met dagelijksche lichaamsoefeningen en athletiek wordt bedoeld.

De eersten zijn de oefeningen, die men beschreven en besproken kan

vinden in het werk[21]. Zij hebben ten doel, het lichaam harmonisch te

ontwikkelen, het gezond, mooi en krachtig te maken, en voor voetbal

speciaal: het lichaam in een staat te brengen en te houden, die het

mogelijk maakt, dat dit spel tot voordeel voor de gezondheid beoefend

kan worden. Zij worden iederen dag op de slaapkamer al of niet ontkleed

voor een spiegel staande, uitgevoerd en mogen in geen geval aanleiding

geven tot moeheid. De athletiek[22] behoort voort te bouwen op de

dagelijksche lichaamsoefening en voltooit de bovenvermelde taak daarvan

ten opzichte van voetbal. Zij heeft in het algemeen ten doel: het

ontwikkelen van groote spierkracht en het trainen voor wedstrijden, 't

geen voornamelijk bestaat in het vergrooten van het volhardingsvermogen.

Hieruit volgt dat zij wel tot eenige vermoeidheid aanleiding mag geven.

Haar beoefening in verband met voetbal bestaat voornamelijk in hardloop-

en springoefeningen[23]. De Nederlandsche voetbalbond tracht door het

uitloven van medailles voor wedstrijden hardloopen, korte afstand,

en het instellen van een jaarlijksch kampioenschap athletiek voor

voetballers, de athletiek er bij de voetballers zooveel mogelijk in te

brengen. Reeds zien ook verscheidene clubs, plaatselijke en gewestelijke

bonden, het nut der athletiek in, waarvan zij doen blijken, door zich

aan te sluiten bij de Nederlandsche athletiek-Unie.

[21] Bijv. Toepoel: »Hoe versterk ik mijn lichaam?« Handleiding voor

Physical Culture. Prijs 60 cent bij den uitgever van de Ven, Baarn.

[22] Zie hierbij: »Voetbal en Athletiek« door W. Mulier.

[23] Zie »W. C. Hartmann, Hardloopen« bij van de Ven, Baarn.

Voor de athletiek zoowel als voor voetbal hoop ik, dat ook beider

grondslag, de dagelijksche oefeningen niet vergeten zullen worden.

Ik wil nu overgaan tot bestrijding van een inzicht van Ten Have,

over het al of niet mogen deelnemen aan voetbal, 't welk hij als

volgt weergeeft:--»De gezonden, de moedigen, de levenslustigen, de

spierkrachtige jongens, vervallen het gemakkelijkst in overdrijving en

gevaarlijk spel. Zij hebben het voetbalspel uit een hygiënisch oogpunt

beschouwd, ook het minst noodig. Op grond daarvan is, wanneer ik deze

gevallen waarnam, aan zulke leerlingen, deze sport door mij beslist

ontraden.«--

In de eerste plaats ben ik het lang niet met Ten Have eens, dat de

gezonde en spierkrachtige jongens het gemakkelijkst in overdrijving

vervallen. Dat zij meestal het onstuimigst zijn, geef ik toe, maar zij

kunnen onschadelijk meer arbeid presteeren dan de zwakkeren, terwijl het

voetbalspel tamelijk gelijkmatig den arbeid over de spelers verdeelt.

Over het algemeen ligt het niet in den aard der jongens, minder arbeid

te presteeren, dan van hen bij het spel wordt gevergd. Zoo zullen de

zwakkeren, daar de sterken het spel tot hun hoogte willen opheffen, meer

in de verleiding zijn, te overdrijven. Ook de eerzucht zal de zwakkeren

meer aangrijpen dan de sterken, die geen spelers meer boven zich hebben,

tot wier hoogte van arbeidsprestatie zij zich graag zouden opwerken.

Er komen echter nog zooveel factoren bij, die de kans tot overdrijving

beïnvloeden. Zoo geven de karaktereigenschappen veelal den doorslag. In

de tweede plaats vind ik het niet rationeel de deelname tot een spel dat

juist geschikt voor hen is, aan de sterken te ontzeggen, omdat het wel

aanleiding tot overdrijving kan geven. Heel wat verstandiger is het, de

overdrijving te weren met alle goede middelen, die ten dienste staan.

Ook hebben de sterken uit hygiënisch oogpunt wel degelijk een flinke

lichaamsoefening noodig, hetgeen hun veelal meerdere onstuimigheid

bewijst. En mocht men het willen ontkennen, zoo zou men de natuur

toch niet kunnen dwingen en deze zou het ons anders laten zien. Voor

lichamelijk zwakken is voetbal geen geschikte sport, en dit is vaak een

doorn in het oog geweest van verscheiden docenten[24], die één of ander

spel of alleen gymnastiek zouden willen zien toegepast, waaraan zoowel

de zwakken als de sterken konden deelnemen. De beoefening van zoo'n spel

of gymnastiek zou echter medebrengen, dat krachtig ontwikkelde jongelui

gedwongen werden, steeds maar een gedeelte van hun kracht te gebruiken,

hetgeen achteruitgang der physieke kracht van den mensch tot resultaat

zou hebben. Juist het omgekeerde wordt door voetbal bereikt, hetgeen

niet genoeg geapprecieerd kan worden. Meermalen evenwel luidt het

oordeel van ouderen, ook al zijn ze overigens het voetbal goed gezind,

dat het spel _wel wat ruw_ is. Weliswaar wordt soms door enkelen wat te

ruw gespeeld, maar het voetbal als spel kan m. i. toch niet ruw genoemd

worden. Onze volksaard vindt iets zoo gauw ruw en ziet vaak uitingen van

moed, flinkheid en rondborstigheid zooals Mulier[25] terecht zegt, voor

ruwheid aan. Ons volk heeft al te langen tijd met de modepolitoerflesch

rondgeloopen, te veel vormen nageäapt, en het zou al politoerende groot

gevaar loopen, niets meer dan een vorm te worden. Onze volksaard is

veelal nog weinig pittig.--»De rondborstigheid, flinkheid en moed,

dienen nog wel degelijk te worden aangekweekt tot raseigenaardigheid.

Alsdan zal de zoogenaamde ruwheid van het voetbal den anderen niet meer

opvallen.«--[26] Wat betreft de enkele gevallen van ruw optreden en

de dientengevolge of op andere wijze ontstane kwetsuren, tegen dezen

prijs zijn de vele voordeelen die het voetbal biedt, zeker niet te duur

gekocht. Wat betreft verdere strijdvragen acht ik deze hier niet op hun

plaats, daar zij voor den practischen voetballer niet van veel belang

zijn. Wat aanvallen op de voetbalmaatschappij betreft, deze zijn er

nog meerderen. Zij zijn echter hoofdzakelijk het gevolg van naijver en

onbehendigheid met voetbal en zullen wegens hun onbeduidendheid hier

niet vermeld worden.

[24] Zie F. Wesseling: »Sport en Gymnastiek«, waarin een verslag over

een bespreking van het onderwerp: Sport en Gymnastiek, in de

vereeniging van leeraren aan inrichtingen van Middelbaar Onderwijs.

[25] W. Mulier: »Losse gedachten«, voorkomende in het voetbal-jaarboekje

van den N. V. B. 1909-1910.

[26] »Losse gedachten« door W. Mulier, voorkomende in het

voetbal-jaarboekje 1909-1910 van den N. V. B.

WENKEN VOOR EEN GEZONDE BEOEFENING VAN VOETBAL.

Het is niet alleen in dit hoofdstuk dat wenken bij de beoefening van

voetbal een plaats vinden, want zij zijn reeds door het geheele werkje

heengeweven. Feitelijk is geheel deze studie dan ook als zoodanig

bedoeld. Zoo zal dit hoofdstuk dus geen afgesloten geheel vormen, maar

meer een aanvulling zijn, van het reeds vroeger behandelde.

Op de vraag, _wie wel en wie niet mogen voetballen_, kan ieder wel haast

een antwoord geven. Voetbal is een spel der sterke gezonde jongelui

en aan lichamelijk zwakken dient het verboden te worden. Aan stijve

en trage jongens die overigens gezond zijn, kan het voetbal een goede

opfrissching bieden. Men dient evenwel voorzichtig te zijn met het

antwoord op de vraag, of men wel geheel gezond is. Het best doet men

een dokter te raadplegen,[27] liefst den huisdokter. Het kan nl. zeer

goed zijn dat een enkel orgaan aangetast of zwak is, terwijl de overige

organen goed ontwikkeld en nog niet door het zwakkere of aangetaste

orgaan beïnvloed zijn. Men is dan licht geneigd, zijn krachten te

overschatten en er bestaat gevaar dat een normale inspanning van de

sterke deelen, een overspanning van het minder sterke deel, ten gevolge

heeft. Ik doe hierbij het beste om volgens Toepoel zoo'n ongelijkmatig

ontwikkeld lichaam te vergelijken met een stalen ketting, waarin sterke

en zwakke schakels voorkomen. Belast men den ketting overeenkomstig de

draagkracht der sterke schakels dan zal deze op de zwakkere breken. De

waarde van zoo'n ketting zal altijd door de zwakste schakels worden

bepaald. Evenzoo moet de waarde van het lichaam worden bepaald naar de

zwakst ontwikkelde belangrijke organen. En toch wordt dit vaak over 't

hoofd gezien. Hoe licht zal niet iemand die sterk gespierd is en zwakke

longen of andere inwendige organen heeft, zijn kracht overschatten en

daardoor de zwakste deelen en dus op den duur ook de sterkste nekken!

Men dient dus op zijn hoede te zijn en hierop contrôle uit te oefenen.

Heeft men echter het bestaan van bovengenoemd geval bij zichzelf

ontdekt, dan dient men het voetbal te laten varen, of het maar matig

te beoefenen. Tevens moet men maatregelen treffen, die verbetering ten

gevolge kunnen hebben.

[27] Zie: »Schoolvoetbal in verband met lichamelijke geschiktheid«, door

W. Mulier en het reeds meergenoemde werkje van Ten Have.

De tweede vraag die we ons stellen is: _op welken leeftijd de jongen het

voetbal mag gaan beoefenen_. Ten Have oordeelt dat het spel voor het

twaalfde jaar in het algemeen niet gespeeld mag worden, en dit is ook

zoo ongeveer mijn meening, in verband met het op blz. 22 besprokene.

Een _matige_ beoefening van voetbal, zooals door de aspiranten van vele

vereenigingen wordt toegepast, kan evenwel m. i. reeds bij het tiende

jaar plaats vinden. De speeltijd dient dan natuurlijk ook bekort en er

dient toezicht der ouderen te zijn. De deelname aan wedstrijden zou ik

echter in geen geval voor het veertiende jaar opengesteld willen zien,

daar ik dit vroege wedstrijdspelen als nadeelig voor de gezondheid

beschouw. Het is tevens wenschelijk de beoefening van lichte athletiek

en geschikte jongensspelen als voorbereiding voor het voetbal bij de

jongeren in te voeren. Wat betreft _het weer_, waarin gespeeld kan

worden, behoeft men hieraan geen hooge eischen te stellen. Koud weer

is het beste. Bij warm weer, in de zomermaanden, doet men beter de

voetbalschoenen op te bergen. Over het spelen bij regen, mist en sneeuw,

verschillen de inzichten nogal.

Daar het minder aangenaam en veelal ook ongezond is, moet ik het spelen

in den regen en sneeuw afraden, terwijl het spelen in lichte mist, mits

het niet vriest, niet nadeelig kan worden geacht. Den speeltijd heb ik

genoegzaam besproken. Alleen wil ik nog den ernstigen raad geven, bij

gevoel van moeheid, steek-in-de-zij, of kramp, niet verder aan het spel

deel te nemen of wel, eenigen tijd te rusten, zulk een handelwijze

getuigt van meer wilskracht en degelijkheid, dan de zoo vaak bewonderde

onachtzaamheid.

Vermoeien de wedstrijden te veel, dan doet men in zijn eigenbelang

wel, zich tot de gewone partijen te bepalen. Ik weet wel, dat het

eerzuchtsduiveltje zich ten zeerste tegen zulk een besluit zal verzetten

en dat men zich zal schamen, te bekennen, door de wedstrijden te veel

vermoeid te worden. Maar bedenk dan, welke belangen op het spel staan en

het besluit zal zeker zoo moeielijk niet meer vallen.

Tegen de voorschriften die voor _de kleeding_ in acht moeten worden

genomen, heb ik meermalen zien zondigen. _Het spelen in kleeren die men

buiten het spel ook draagt, moet in ieder geval vermeden worden._ Tegen

zoo'n onhygiënische gewoonte kan niet genoeg gewaarschuwd worden. Dus:

voor voetbal een geheel apart tenue. Wat betreft de dikte der kleeding

schrijft Ten Have: »Het is altijd van belang om voorzichtig te zijn en

zich niet te dun te kleeden«. Vele spelers spelen alleen in zwembroek,

broek en shirt, zonder nadeel ervan te ondervinden. Toch kan niet ieder

dat doen en hangt het er veel van af, hoe men van jongs af aan gewend is

geweest. Zich dik te kleeden is eveneens af te raden, want de kleeding

mag in geen geval den speler zijn volle bewegingsvrijheid ontnemen.

Ook nauwe kleeding is uit den booze, daar deze de vrije ademhaling

en bloedsomloop aan de huidsoppervlakte belemmert. Dit slaat zoowel

op de geheele kleeding als op nauwe kousebanden die wel kramp kunnen

veroorzaken, en nauwe hals- en mouwboorden. De knie moet bloot blijven

en hierop moeten broek en kousen ingericht zijn. Een regel, die

voor de geheele kleeding geldt, is, dat ze poreus moet zijn. Beslist

gewaarschuwd moet worden tegen het dragen van gewone linnen hemden onder

het sporthemd (shirt) of jersey, daar dit een voortdurende aanleiding

geeft tot transpireeren en kou vatten. Het best lijkt mij voor onder

het shirt te dragen, tricot, rameh of dun Jaeger geschikt. Flanel is ook

wel goed, zoolang het nieuw is, maar als het eenigen tijd gedragen is,

verdichten de poriën zich door wasschen en transpireeren. Bij de keuze

van nieuwe schoenen moet men ten zeerste oppassen, dat deze niet te nauw

of te wijd zijn.

Van te nauwe of te wijde schoenen heb ik al heel wat narigheid gezien.

Meestal waren kapotte teenen en verminderde spelkwaliteit het directe

gevolg, terwijl natuurlijk ook het pleizier in het spel er een danige

knak door kreeg.

De neuzen der schoenen mogen niet te hoog zijn, terwijl het leer souple

moet aanvoelen, zoodat het zich gemakkelijk naar den voet kan vormen

en deze niet in de beweging belemmert. Voor een goed schot en juist

plaatsen van den bal is dit van veel belang. Het dragen van een pet of

muts is alleen aan te raden bij zeer koud weer, sterke wind of flinken

zonnenschijn. Wat het spel nu zelf aangaat, moet aangeraden worden,

_niet te hard van stapel te loopen_. Begin kalm en neem langzamerhand de

gewone speelwijze aan. Bij wedstrijden kan men zich hier moeielijk aan

houden, waarom men zich hier voor den aanvang even inspeelt door

doeltrappen en loopen.

Voetbal-Sport: over haar voor- en nadeelen, eenige harer strijdvragen en haar rationeele beoefening · 第 2 / 3 段