Bij de algemeene behandeling van het »voor en tegen«, is ree

Produced by The Online Distributed Proofreading Team at

http://www.pgdp.net

+----------------------------------------------------------------+

| |

| OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |

| |

| De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, |

| verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te |

| moderniseren. |

| |

| Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het |

| einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Voetnoten zijn |

| verplaatst naar het eind van de alinea met de verwijzing. |

| |

| Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn |

| gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn behouden. |

| |

| In het origineel cursieve tekst is weergegeven als _cursief_. |

| Vette tekst is weergegeven als #vet#. |

| |

| In het boek worden lage en hoge aanhalingstekens gebruikt. |

| Deze dubbele aanhalingstekens zijn in dit e-boek aangegeven |

| als »aanhalingstekens«. |

| |

| Aan het eind van dit e-boek volgt een overzicht van de |

| aangebrachte correcties. |

| |

| De illustratie is beschikbaar bij de html-versie van dit |

| e-boek op http://www.gutenberg.org |

| |

+----------------------------------------------------------------+

_Prijs 25 Cent._

No. 28 Sport-Bibliotheek.

Voetbal-Sport

OVER HAAR

Voor- en Nadeelen

EENIGE HARER

Strijdvragen

EN HAAR

Rationeele Beoefening

DOOR

JAC. SAMSON.

[Illustratie]

BAARN.--J. F. VAN DE VEN.

Echt Victoriawater

OBERLAHNSTEIN

_Bij den Uitgever dezes verschenen:_

ROMANS.

Ing. Geb.

Robert Hichens, #De Stem van het Bloed# f 2.90 f 3.50

Horace Annesley Vachell, #Haar Zoon# » 1.50 » 1.90

Attie Nieboer, #'t Witte Huiske# » 1.50 » 1.90

Tweede goedkoope druk.

#'n Deil Rêmans van Hanje van Mie.#

D'n jong van Raemaekers hêt'er de

puppekes bij geteikend Prijs 75 Ct.

POËZIE.

Ing. Geb.

E. H. du Quesne-Van Gogh. #Gedichten# f 0.90 f 1.25

» » #Volkslied en Volksdicht# » 0.90 » 1.25

» » #Bretonsche Liederen# » 0.90 » 1.25

* * * * *

_Van dezelfde Schrijfster:_

#Opstellen over Opvoeding# Ingenaaid 60 Ct.

GIDSEN.

Dr. J. van Bergen, #In Zwitserland# f 1.50

#Gids voor Brussel en hare Voorsteden.#

Met plattegrond 50 Ct.

T. Pluim, #Geïll. Gids voor Baarn en Omstreken# 25 »

#Wandelkaart van Baarn en Omstreken# 25 »

VOETBAL-SPORT

over haar

VOOR- EN NADEELEN

eenige harer

STRIJDVRAGEN

en haar

RATIONEELE BEOEFENING

door

JAC. SAMSON

BAARN--J. F. VAN DE VEN

BOEK-, COURANT- EN STEENDRUKKERIJ, G. J. THIEME, NIJMEGEN.

INHOUD.

Bladz.

Voorwoord 5

Inleiding 7

Het voor en tegen van voetbal 9

Voordeelen 10

Nadeelen 18

Eenige strijdvragen 31

Wenken voor een gezonde beoefening van voetbal 40

VOORWOORD.

Dit werkje is ontstaan uit een streven naar practische kennis van wat

om ons is. Het is geschreven voor voetballers en voor niet-voetballers,

maar vooral voor de eersten. Aan niet-voetballers zal het hoop ik

duidelijk maken, dat voetbal nog iets anders is, dan het »met een

echt jongensachtig enthusiasme achter een bal aanhollen en er tegen

trappen«, dat voetbal is: iets moois, iets gelukkigs in het leven van

vele en nog eens vele jonge menschen. Maar voor de voetballers zelf

zal het een aanmoediging zijn, om te trachten hun spel bewust te leeren

spelen en het te veredelen, een waarschuwing vooral, om te waken tegen

overdrijving en ander kwaad, dat in hun sport zou willen binnensluipen

of reeds binnengeslopen is, en ten slotte een raadgever voor een

rationeele en dus gezonde beoefening van voetbal. Moge deze kleine

studie door vele voetballers gelezen worden, hen tot eigen onderzoek

aansporen en er zoo toe bijdragen, de voetbalsport voor hen te doen

zijn: een zegen in hun jonge leven.

_Gouda_, 30 April 1910.

Jac. Samson.

INLEIDING.

Voetbal!--Dat woord kent ieder. Maar niet ieder kent het voetbal zelf.

Er zijn er die het wel eens gezien, er over gehoord of gelezen hebben.

Maar die weten niet wat voetbal is, hoewel velen het denken.

Men moet, jong zijnde, het spel zelf hebben beoefend, men moet het wezen

der voetbalsport hebben doorgrond, om volkomen te kunnen beseffen: het

nut, dat het heeft gesticht en nog zal stichten, onder onze jonge

menschen.

Wat de beteekenis van voetbal is in vele levens, zal ik u straks

duidelijk trachten te maken, voor zoover dat ten minste mogelijk is, als

ik overga tot de behandeling van het voor en tegen, maar allereerst zal

ik u den natuurlijken weg wijzen, waarop de jongen er toe komt, het

voetbal te gaan beoefenen.

De geestelijke ontwikkeling eischt van hem, van jongs af aan, »een lang

achter elkaar zitten« op de schoolbanken en een voortdurend geleer in

vakken, waarvoor hij nu nog nagenoeg niets voelt, die hem tenminste geen

intense vreugde brengen. Dat alles is nu eenmaal niet anders. Maar dan

moet de jeugd ook een tegenwicht tegen het lange stilzitten gegeven

worden, dan moet haar ook een vreugdevol bestaan verschaft worden,

zonder welke een gezond opgroeien van lichaam en geest onmogelijk is.

Dit voelt ook instinctief de gezonde jongen in wiens natuur het ligt,

zooveel mogelijk, een vreugdevol bestaan na te streven, en.... hij

vindt een bevrediging van dien levenseisch in het gezonde jongensspel,

dat hem veel biedt, waaraan hij zoo dringend behoefte heeft:

_Lichaamsbeweging_--_frissche lucht_--_afleiding_--_kerngezonde

vreugde_ en een aanvulling van het schoolleven voor een _harmonische

ontwikkeling_.--Maar de jongen wordt ouder, zijn eischen aan het spel

gesteld, worden hooger en zoo ziet men langzamerhand, de zwakkere, nog

min of meer kinderlijke jongensspelen plaats maken voor krachtiger

spelen die meer overleg vergen, die gelijken tred houden met de

voortschrijdende verstandelijke ontwikkeling van de beoefenaars. Zoo

komt dan ten slotte, na ongeveer het tiende jaar, in het bijzonder het

voetbal in aanmerking, als een combinatiespel, dat al naar gelang de

beoefenaar ouder wordt, ook hooger eischen aan hem kan stellen, als

een spel waarin de beoefenaar steeds nieuwe en moeielijker opdrachten

voor lichaam en geest vindt, als een spel dat hem volkomen afleiding

en vreugde bereidt, maar bovenal, hem van enthusiasme vervult.

HET VOOR EN TEGEN VAN VOETBAL.

Voetbal is een wintersport en als zoodanig een bewegingsspel bij

uitnemendheid. Veel van het goede dat het spel ons biedt, treffen we

ook aan bij andere soorten openluchtspel; maar ook zullen wij voor

elk spel afzonderlijk karakteristieke lichtzijden kunnen aanwijzen

en deze zijn bij het voetbal in hooge mate vertegenwoordigd. Daar de

gemeenschappelijke voordeelen van openluchtspel voldoende bekend zijn,

kan volstaan worden met een even aanstippen hiervan, terwijl aan de

karakteristieke voordeelen meer aandacht geschonken zal worden. Naast de

vele voordeelen vallen helaas ook vaak nadeelen bij de _tegenwoordige_

beoefening van voetbal te constateeren, die voornamelijk de gevolgen

zijn van overdrijving. Bij een rationeele beoefening der sport zouden

geen schaduwzijden bestaan, maar daaraan valt m. i. vooreerst niet te

denken. Daartoe is in de eerste plaats de opvoeding niet geschikt,

die den leerling meestal geheel onwetend laat met de gezondheidsleer

en psychologie (zielkunde) en in de tweede plaats is het menschdom

veelal nog te zwak in de uitoefening van de door het verstand als goed

erkende handelingen. Door velen (voornamelijk personen onbekend met

het voetbalspel) worden echter deze grondoorzaken voor het ontstaan van

schaduwzijden bij het spel, niet als zoodanig erkend. De oorzaak wordt

foutievelijk in het spel zelf gezocht en deze opvatting is het, die

nog voortdurend het voetbalspel tracht te ondermijnen. Waakt op dan

voetballers, gij allen; en bewijst, dat geen nadeelen uw spel behoeven

te ontsieren, bewijst, zooals reeds velen voor u hebben gedaan, dat uw

spel waardige en flinke menschen helpt vormen voor de maatschappij. Dit

alles kunt ge, mits ge u volkomen op de hoogte stelt van het wezen uwer

sport, zoodat ge alle kwaad kunt uitwerpen en het goede beter kunt

vastleggen.

Voordeelen.[1]

[1] Alleen de voordeelen die direct uit het practisch voetbal voortkomen

zullen hier behandeld worden.

Bovenal is voetbal een uitstekende _afleiding_ bij het overvloedige, men

zou haast kunnen zeggen, uitsluitende hersenwerk van onze tegenwoordige

opvoeding, welke hoe langer hoe meer schijnt te vergeten, dat de

ontwikkeling van den mensch niet alleen het hoofd ten doel moet hebben,

maar _den mensch in zijn geheel_.

Een geest, vooral die van de jeugd, verslapt, als hij aan voortdurende

eenzijdige inspanning bloot staat, evenals een boog, die altijd strak

gespannen is. De jeugd wordt oud voor haar tijd en als zij de wereld

moet intreden, is het veelal met een krachtelooze onverschilligheid als

levensopvatting en met den aanleg van één of meer ziekelijke afwijkingen

onder haar leden, als gevolg van de verwaarloozing van het lichaam.

_Kernvreugde_ kent zij niet en toch is juist die kerngezonde

gepaste vreugde vooral in den tijd van den aanleg van krachtige organen,

dus in de jeugd en overgangsjaren, voor een onbelemmerde ontwikkeling,

een vereischte. Het zijn de jongensspelen in de eerste jeugd en het

voetbal en andere spelen later, welke haar die vreugde in rijkelijke

mate doen genieten en het is voornamelijk het voetbal, naast andere

lichaamsbeweging, dat een _te vroeg rijp zijn_ der jeugd voorkomt,

dat als het ware een overgang vormt tusschen jeugd en manlijkheid.

Wat de verdere voordeelen betreft, zijn deze het best in twee groepen

te behandelen.

1e _Die welke de gezondheid van lichaam en geest betreffen_;

2e _Die welke een opvoedkundige waarde hebben_.

Als één van de voornaamste factoren der eerste groep, moet wel het

_licht- en luchtbad_[2] worden beschouwd, dat voetbal zijn beoefenaars

aanbiedt en dat voornamelijk tot zijn recht komt door de gelijktijdig

plaatshebbende _spierbeweging_[3] en de daarmee gepaard gaande

_verhoogde bloedcirculatie_. Evenals een waterbad een reiniging is voor

het uitwendige, is een frisch spel in de openlucht een reinigingsbad

voor het inwendige lichaam. De longen worden door en door van frissche

lucht voorzien en zoo gereinigd.

[2] Licht-, Lucht- en Zonnebaden bij J. F. van de Ven, Baarn.

[3] Hierover wordt later bij de strijdvragen gesproken.

Maar zij deelen ook in ruime mate versche zuurstof toe aan het bloed,

dat vooral daarmee, het geheele lichaam van nieuw leven vervult en de

schadelijke afgewerkte stoffen afvoert en uitscheidt door huid, longen

en nieren.

_Het snelle en diepe ademen_ werkt ook direct gunstig op de ontwikkeling

van het middenrif, de voornaamste ademingsspier, die op zijn beurt

door zijn verhoogde werkzaamheid een weldadige prikkel uitoefent op

de inwendige organen, als maag, nieren en lever. Tevens wordt door

de flinke beweging in open lucht het lichaam _gehard_. De huid wordt

weerstandskrachtig gemaakt zoodat niet bij het geringste tochtje

een verkoudheid volgt. _Het zenuwstelsel_ wordt in de hoogste mate

gunstig beïnvloed door het voetbalspel. De zenuwen die als het ware

de verbinding tusschen lichaam en geest vormen, worden in hun functies

geoefend en gesterkt, waardoor een gelukkig gevoel van kracht en kunnen

ons doorstroomt. Ook de _hersens_ worden door het spel aan het werk

gezet en dit is het vooral wat het spel zoo gewild maakt. Dat telkens,

zelfstandig en in combinatie met de medespelers, zoeken naar den besten

weg die tot het doel leidt, trekt den speler met onweerstaanbaren

kracht aan. Daarbij komt nog dat meest geheel andere hersenfuncties

dan die op school gebruikt worden, in werking worden gezet, zoodat dit

hersenwerk inplaats van meerdere inspanning, ontspanning is, en ons een

schrede nader brengt tot de, voor ons geheele wezen, zoo belangrijke

_harmonische ontwikkeling_, die in den grond der zaak de voorwaarde

vormt voor het verkrijgen of behouden van een _kernachtige_

gezondheid[4].

[4] Zie hiervoor bijv. »De Hygiëne van het zenuwleven«, door Prof. Dr.

A. Forel, in de serie der geneeskundige leekeboekjes.

Niet te onderschatten is de waarde van de _oefening van het oog_

bij het spel. Door onderzoekingen van oogartsen is in Duitschland

aangetoond, dat het procent der bijziende leerlingen in de hoogere

klassen onrustbarend stijgt. Terwijl in Duitschland het procentgetal

der bijzienden in de eerste klassen van vele gymnasia vaak 50 bedraagt,

blijft het in Engeland, waar de spelen algemeen verbreid zijn, en

het leerprogramma niet zoo overdreven groot is, meest onder de 1%.

In de vrije natuur rust het oog weer uit van zijn inspannenden arbeid,

terwijl het gedwongen wordt den bal nu eens van verre, dan weer in de

onmiddellijke nabijheid te volgen. Deze verschillende accommodaties der

ooglens oefenen een bijzonder goeden invloed uit op het lange behoud van

een nagenoeg onverzwakt gezichtsvermogen.

Een ander nut dat voetbal sticht, is van indirect belang voor de

gezondheid. Daar de voetballer geheel opgaat in zijn spel en alles

waardeert wat zijn spelkwaliteit kan verhoogen, bevordert voetbal den

zin voor _het krachtig houden van het lichaam_. Het spel leert hem, wat

de school hem te leeren zoo stelselmatig negeert, nl. _het lichaam te

waardeeren_. Hij leert door ondervinding dat een goede levenswijze

veel voordeelen geeft boven een slechte. Hij ziet ze voor zich: de

vertegenwoordigers dezer verschillende richtingen, de kracht en de

energie aan de ééne, de zwakte en het onverschillig schijngedoe aan

de andere zijde. De keuze tusschen deze twee typen is voorwaar niet

moeielijk en dat vooral niet voor den nog onbedorven voetballeerenden

jongen, die naar zijn aard een onbegrensde vereering koestert voor al

wat krachtig en behendig is. Nu de voordeelen voor de gezondheid in

korte trekken behandeld zijn, kan overgegaan worden tot een beschouwing

van _voetbal als opvoedingsmiddel_.

In Engeland wordt, hetgeen hier nog niet het geval is, de opvoedende

kracht van het spel algemeen erkend, waarschijnlijk omdat het daar

langer bekend is dan bij ons, waar ongeveer geen der tegenwoordige

opvoeders het zelf heeft gespeeld en slechts weinigen genoeg

belangstelling in het vraagstuk der _algemeene opvoeding_ toonen, om

deze kwestie te onderzoeken. Maar erger.--Velen, hoewel totaal onbekend

met voetbal, matigen zich hierover een oordeel aan, of wel, spreken er

een vernietigende meening over uit. Hiervan een sterk staaltje. »De

Sport« zond onlangs een lijstje met vragen aan 43 hoogleeraren der

medische faculteit. Slechts zes hoogleeraren antwoordden. Prof. W.

Koster (Leiden) antwoordde op de vraag:--»Bent u een voorstander van

voetbal?«--het volgende:--»Het komt me niet bijzonder aantrekkelijk

voor, noch uit een artistiek oogpunt noch uit dat van kunstvaardigheid

beschouwd. Het schijnt me een ruw spel, waarin domme krachten den baas

spelen.«--

Een overtuigender bewijs van zijn eigen onbevoegdheid tot eenig oordeel

in dezen, had Prof. Koster nauwelijks kunnen geven. Gelukkig dat er nog

vele andere menschen van jaren zijn, die zich een beter oordeel over het

voetbal hebben gevormd.

Zoo zal ik hier enkele zinnen voor u vertalen van wat Prof. Ragdt over

voetbal schrijft[5].--»Als het krachtigste, moedeischend en moed

bevorderend spel, kan het niet genoeg aanbevolen worden. Behalve moed

ontwikkelt het voetbalspel volharding, behendigheid, tegenwoordigheid

van geest, vastberadenheid en zelfbeheersching. Hoofdzakelijk echter

bevordert het, daar het een _uiterst fijn samenspel_ eischt, het werken

voor een gemeenschappelijk doel, het vrijwillige onderwerpen, het zich

terugtrekken van het enkele, tot het welzijn van het geheel.«--Na deze

aanhaling kunnen we aanvangen met de stuksgewijze bespreking van de

nuttige eigenschappen, die voetbal aankweekt.

[5] Prof. H. Ragdt »Volks- und Jugendspiele«.

De groote opvoedende kracht verleent het aan het feit, dat het een

_combinatiespel_ is, waarbij het al of niet bereiken van het gestelde

doel voor het grootste deel afhankelijk is van de samenwerking der

spelers onderling. Niet alleen hangt de toe te passen speelwijze af

van de capaciteiten en inzichten der partijgenooten, maar zij is ook

in sterke mate afhankelijk van het spel der tegenstanders, zoodat in de

eerste plaats _het opmerkingsvermogen_ door het spel wordt geprikkeld.

Een goed opmerkingsvermogen kan aan een partij de overwinning bezorgen.

Een sprekend voorbeeld hiervan is het volgende: Ajax (Leiden) in 1905

te Antwerpen spelende tegen een »Combination Bruxeloise«, paste voor

rust bijna uitsluitend het korte passeeren (short-passing)[6] toe

en was met 1-0 in het nadeel. Door enkelen werd opgemerkt, dat de

Belgische verdediging niet opgewassen scheen tegen het lange passeeren

(long-passing). Er werd dus besloten na de rust deze laatste methode

te probeeren en de wedstrijd werd gewonnen met 8-2. Er zijn echter ook

vele kleine bijzonderheden bij het spel der eigen- en tegenpartij op te

merken, waarvan de oplettende speler een handig gebruik kan maken voor

den aanval of zich er tegen wapenen, met het oog op de verdediging. De

vaak geuite meening, dat voetbal het altruïsme tegenover het egoïsme

bevordert, zou ik niet maar zooals de mijne willen neerschrijven. Er

komen gevallen voor, dat voetbal het op den achtergrond treden eischt

van het individualisme[7].

[6] Zie hiervoor: J. Buskop »Iets over de techniek van het voetbalspel«.

[7] Ik zet hier liever: individualisme, (dat behalve zichzelf alles

negeert) dan egoïsme, (liefde tot zich zelf) daar een fijn

uitgewerkt egoïsme evengoed als altruïsme (naastenliefde) moet

worden beschouwd. Hier dient echter onderscheid gemaakt te worden

tusschen egoïsme, in zijn werkelijke beteekenis, als liefde tot

zich zelf, en de vaak gehuldigde opvatting van egoïsme, als zou dit

een verzameling zijn van alle mogelijke slechte eigenschappen. Zie

hierbij bijv. Haeckel: »Welträthsel«, of Carneri: »Grundlegung der

Ethik«.

Zoo bijv.: als bij een aanval eener voorhoede op het vijandelijk doel,

een bepaald voorhoedespeler, laten we zeggen de links-binnen, den

bal heeft en waarschijnlijk een doelpunt kan maken, terwijl toch de

middenvoor beter in staat is of er beter voor staat om te schieten, dan

moet de links-binnen den bal, zoo dit mogelijk is, overgeven aan den

middenvoor en afstand doen van de eer, een doelpunt te hebben gemaakt.

Altruïsme kan ik hierin niet zien, daar ik meen dat deze opoffering

voortkomt uit _partijbelang_ dat toch niet tot het altruïsme gerekend

kan worden. Wel zie ik in deze achterstelling van eigenbelang

bij partijbelang, een schitterende erkenning van de _macht der

samenwerking_, een ontwikkeling van een warm, tot opoffering in

staat zijnd, gevoelen voor de partij, waartoe men behoort. Zoo is

het voetbal in staat eigenschappen te bevorderen, die een krachtig

_nationaliteitsgevoel_ in het leven roepen, hetgeen ook, maar

dan direct, wordt bewerkt door de internationale wedstrijden, door

vertegenwoordigende elftallen gespeeld. Het zooeven aangehaalde geval

van opoffering kan ook dienen als voorbeeld, hoe voetbal _het snel

optreden en handelen_ in de hand werkt.

De links-binnen moet daar in één oogopslag zien of de midden-voor

er beter voor staat en of deze zich al of niet in buitenspelpositie

bevindt. In hetzelfde oogenblik echter, moet hij ook handelend

optreden. Staat de midden-voor beter dan hij en bevindt deze zich niet

buitenspel, dan moet de bal hem overgegeven worden, op zulk een wijze,

dat deze, direct als de bal hem bereikt, kan schieten. Blijkt overgeven

niet gewenscht, dan moet hij (de links-binnen) de juiste plaats van

het doel kiezen, waar hij de meeste kans heeft, zijn schot met succes

beloond te zien. Zoo ook een middenspeler die schier in hetzelfde

oogenblik den stand van mede- en tegenspelers moet overzien, het

aanvalsplan der tegenpartij moet doorgronden, de uitvoering daarvan

moet beletten, den bal zoo mogelijk vermeesteren en op de geschiktste

wijze aan zijn voorhoede geven. Zoo is hiertoe een groote mate van

_tegenwoordigheid van geest_ vereischt, evenals _zelfbeheersching_,

_kalmte_ en een flinke _doortastendheid_ op 't juiste moment.

Er behoort ook _moed_ toe, om zich in den strijd te werpen. Men moet

niet bang zijn, een aanval te ondernemen, om een tegenstander den

bal afhandig te maken. Maar het voetbal leert ook, dat men hierbij

_voorzichtig_ moet te werk gaan. Roekeloosheid toch, wordt óf direct

door het spelreglement gestraft, óf geeft aanleiding tot onaangename

gevolgen, bijv.: kwetsuren.

En nog zijn al de genoemde eigenschappen niet voldoende om succes te

verzekeren als het _vrije denkvermogen_ en de _behendigheid_ niet genoeg

helpen, ze productief te maken.

Geen goed voetballer is hij, die zijn hersens niet gebruikt en ook geen

goed voetballer is hij, wien, al weet hij ook nog zoo precies, hoe in

gegeven omstandigheden te handelen, de behendigheid ontbreekt. Ook _het

geduld_ van den speler wordt vaak door het voetbal op een zwaren proef

gesteld. Hoevele malen worden zijn aanvallen op het vijandelijk doel

niet onderbroken?

Hoevele malen wordt hij niet teleurgesteld, als hij denkt te winnen en

toch verliest! Met _volharding_ strijdt hij echter door, _zoekt naar de

oorzaken_ van zijn verlies en _tracht te verbeteren_, waar te verbeteren

valt. En al gelukt het hem misschien nog niet te winnen, toch ziet hij

de betere resultaten als gevolg van zijn onvermoeide pogingen en dit

houdt de _hoop op de toekomst_ in hem levendig. Zoo worden dan alle

krachten van het _zelfstandig denken en optreden_, die later in de

maatschappij onontbeerlijk zijn, door het spel opgewekt.

Het is _de wil_[8] die voortdurend aangekweekt wordt, de wil en _de

durf_ tot het _nemen van initiatief_, de wil om te overwinnen in wat

men ook onderneemt en _het zelfvertrouwen_ om te kunnen overwinnen.

[8] De opvoeding van den wil door de spelen, wordt vrij uitvoerig

behandeld in het werkje van W. van Daatselaar: »De opvoedkundige

waarde van het spel«.

Zoo worden menschen gevormd, die de tanden op elkaar kunnen klemmen,

menschen, die zich in de maatschappij weren zullen. Toch dient de speler

zich reeds er aan te gewennen, _gezag_ boven zich te erkennen. Hij moet

altijd den aanvoerder (captain) zijner partij _gehoorzamen_. De speler

gehoorzaamt niet uit vrees voor straf, maar hij doet dit uit practische

overweging. De gehoorzaamheid is echter ook geen blinde, want er komen

gevallen voor, dat de speler moet afwijken van den regel en hierbij moet

hijzelf besluiten. Bijv.: de aanvoerder heeft den links-buiten gezegd,

bij de grenslijn te blijven. Echter ziet in een bepaald geval, de

links-binnen die den bal heeft, kans, zelfstandig op den uitersten

linkervleugel door de vijandelijke verdediging heen te breken.

In dit geval neemt de links-buiten snel de plaats van den links-binnen

in, waardoor de gebroken aanvalslinie weer hersteld wordt. Een

omvangrijken invloed oefent ten slotte de _kritiek der medespelers_ op

den voetballer uit. Vele onvolkomenheden van het karakter komen bij het

spel in een hel daglicht te staan en onbarmhartig wordt de bezitter

dezer onvolkomenheden daarop attent gemaakt.

Zoo heeft menigeen in de voetbalsamenleving zijn oneerlijkheid,

zelfzucht, verwaandheid of andere slechte eigenschappen afgelegd. Het

mes snijdt dus aan twee kanten. Aan den eenen kant kweekt het voetbal de

goede eigenschappen aan, aan den anderen kant breekt het de slechte af.

Begrijpelijk is het ook, dat bij een spel van zulk een opvoedende kracht

als voetbal, de gelegenheid om _menschenkennis_ op te doen, zeer groot

is. Men leert reeds van jongs aan, de menschen kennen en begrijpen....

De voetballers vormen een maatschappij in het klein, een

jeugdmaatschappij, waar vroolijkheid en ongedwongenheid heerscht en aan

deze jeugdmaatschappij zal in de toekomst, naar we gelooven, niemand de

karaktervormende kracht meer kunnen ontzeggen.

Nadeelen.

Bij de algemeene behandeling van het »voor en tegen«, is reeds gezegd,

dat voetbal bij goede beoefening nagenoeg geen nadeelen met zich brengt.

Maar het spel wordt vaak overdreven en dan vallen er beslist nadeelige

gevolgen van te constateeren. Zoo wil ik dan hier _het vraagstuk der

overdrijving_ bespreken, en tevens de aandacht vestigen op het _gevaar

voor ongevallen_, dat ook zonder overdrijving, altijd min of meer

bestaat. Ook is het mijn doel, om in dit en de volgende hoofdstukken

zooveel mogelijk de wegen aan te geven, die tot verbetering kunnen

leiden. Allereerst echter wil ik u toonen welk gevaar deze overdrijving

naast die voor het individu, ook voor het voetbal zelf oplevert.

De ouders zien de nadeelige gevolgen ervan en wijten die aan het voetbal

zelf, terwijl ook de leeraren vaak het voetbalspel als zoodanig er de

schuld van geven. Vele ouders verbieden dan hun kinderen het spel,

terwijl ook op meerdere andere wijzen het spel er onder lijdt. Toch

wordt door velen bij het onderwijs reeds uitsluitend de overdrijving

als oorzaak der nadeelen erkend. Zoo wil ik hier een schrijven aanhalen

van den Rector van het gemeentelijk gymnasium en den directeur der

gemeentelijke H. B. S. te Nijmegen, gericht tot de ouders der

leerlingen.

Met dit schrijven werd door het college van curatoren en de commissie

van toezicht op het middelbaar onderwijs volkomen instemming betuigd.

De inhoud was als volgt:

»Voor een goeden gang der studiën is het noodig, dat het werken geregeld

worde afgewisseld door gepaste en gezonde uitspanning en wij zijn dus

geheel overtuigd, dat met mate beoefende sport, en voor den leeftijd

onzer leerlingen geschikte vermaken, noodzakelijk zijn. De boog mag

niet steeds gespannen wezen. In de laatste jaren hebben echter bij

velen, vermaken in sport zulk een plaats ingenomen en zoodanig karakter

gekregen, dat de hoofdzaak, de studie er ernstig door geschaad werd.

Bals tot in den nacht, meermalen zelfs tot diep in den nacht; ook

verzuim der lessen den volgenden morgen, om acht uur of half negen

begonnen, kwamen hoe langer hoe meer voor. »De wedstrijd« ontwikkelde

zich in onrustbarende mate en hen die elders de eersten waren, zagen wij

in de studie maar al te vaak achteruitgaan. We achten het hoog tijd, dat

ernstig op het gevaar gewezen worde. Vermindering van belangstelling

in het werk, daling van arbeidskracht, waren onmiddellijke nadeelen;

daarop volgden vroegrijpheid en soms geblaseerdheid. Studie en karakter

leden beide. Ook elders heeft men het euvel geconstateerd en er tegen

gewaarschuwd. In onze stad is eveneens maar al te zeer reden om aan

te dringen op beperking. Wij, die dagelijks in de gelegenheid zijn,

de nadeelige gevolgen te constateeren, verzoeken u daarom dringend,

krachtig mede te willen werken, opdat het kwaad hoe eerder hoe liever

gestuit worde.«

Gelukkig schijnt het nu niet bij deze klachten en waarschuwingen, die

tot nu toe niets vermochten uit te richten, te blijven, getuige het

initiatief van de school-voetbal-commissie[9] van den Nederlandschen

voetbalbond, die onlangs de heeren Dr. A. H. Kan, rector van het

gymnasium te Middelburg en M. Horn, directeur van de H. B. S. te

Schiedam verzocht, respectievelijk op de eerstkomende vergadering van

de vereeniging van leeraren aan de Nederlandsche gymnasia en van de

vereeniging van directeuren van Hoogere-Burgerscholen, het onderwerp:

»School en Voetbal« in te leiden teneinde de omvang van de overdrijving

te kunnen bepalen en de middelen tot bestrijding te bespreken.

[9] Onlangs is de naam gewijzigd tot: »Commissie van den N. V. B. voor

schoolvoetbal en tot onderzoek der paedagogische waarde van het

voetbalspel«.

Ik geloof wel dat zulk een bespreking ons een stap nader zal brengen bij

het onderzoek van de kwestie, maar wat de bestrijding betreft, geloof

ik, dat men de juiste middelen hiertoe niet zal vinden of erkennen, want

die middelen, welke ik u zal aanwijzen en die m. i. de hoofdvoorwaarde

vormen om het kwaad, zoo niet geheel, dan toch voor het grootste deel

tegen te gaan, zijn te ingrijpend in het onderwijs dan dat zij nu al

zullen worden toegepast. _Niet door bloot verbod of tegenwerking is

de overdrijving te weren, maar wel door den voetballers duidelijk alle

nadeelen er van voor oogen te stellen._ Uit eigen overtuiging zal ieder

voor zich dan tegen overdrijving waken. Aan de school de schoone taak,

den leerling in de eerste plaats de zorg voor de gezondheid te leeren

kennen als hoofdvoorwaarde voor een slagen in het leven en in de tweede

plaats hem de noodige kennis te geven, die het zorgen voor de gezondheid

van lichaam en geest vereischt. Tot nog toe heeft de school dit niet

gedaan en dit is m. i. niet alleen de grootste oorzaak voor misbruik van

voetbal, maar eveneens voor misbruik van studie en in het algemeen voor

het zoo vaak voorkomende misbruik van het geheele leven.

Zien de leeraren en ouders dan niet, dat niet alleen bij voetbal, de

gezondheid en andere belangen vaak worden veronachtzaamd, maar dat

deze ook veelal worden genegeerd bij het studeeren, dat door de meeste

scholieren zeer onoordeelkundig wordt gedaan[10], bij de voeding, en

massa's andere verrichtingen van oudere menschen even goed als van

leerlingen? Zien de leeraren dan niet, dat men, door weglaten op het

leerprogramma van een paar vakken als gezondheidsleer en psychologie,

een kapitaal aan volkskracht en levensenergie weigert aan te nemen?

Er is nog veel te zeggen over deze zaken die ik als hoofdoorzaak voor

overdrijving bij voetbal aanmerk, maar dat zou ons te ver voeren.

[10] Vele scholieren zitten bijv. puur uit onwetendheid 's avonds uren

achtereen te leeren, zonder oordeelkundige en tijdige verpoozing,

waartoe buiten 's menschen naam, physiologische overweging ons als

het ware, dwingt.

We willen nu nagaan, waarin de overdrijving bestaat, om daarna

de nadeelen ervan te behandelen. Er dient in de eerste plaats een

onderscheid gemaakt te worden tusschen _overdrijving_ en _verkeerde

toepassing van het voetbalspel_. Onder verkeerde toepassing versta ik:

het spelen van zware wedstrijden des Zondags terwijl in den loop der

week nagenoeg geen lichaamsbeweging wordt genoten. Hoe op de beste wijze

in dit gemis aan lichaamsoefening te voorzien is, zal in een volgend

hoofdstuk worden behandeld bij de bespreking van het verband tusschen

voetbal en athlethiek. Het gevaar der overdrijving is voornamelijk

gelegen in de wedstrijden en het te vaak achtereen voetballen. _De

wedstrijden duren m. i. in het bijzonder voor jonge voetballers te lang

en worden vaak door verschillende omstandigheden te ver opgedreven._

Een duidelijk _bewijs hiervoor_ is wel, dat het bekende gevolg van

oververmoeienis, de stijfheid, zelfs wel optreedt bij getrainde spelers,

die zich geregeld oefenen. Ik ken, naast eigen ondervinding, hier vele

voorbeelden van en ook »Ten Have« haalt het aan[11].

[11] B. ten Have: Lichaamsontwikkeling in verband met geestelijke

werkkracht en over de voor- en nadeelen van gymnastiek en sport

voor alle leeftijden.

Zoo oordeelt Ten Have ook, dat er niet zooveel gevaar is gelegen in den

eigenlijken wedstrijd, indien deze goed geregeld is en de speeltijd niet

te lang wordt gesteld (b. v. een half uur, daarna een kwartier rust en

nogmaals twintig minuten). Mij lijkt deze speeltijd wel wat overdreven

bekort, hoewel ik hem voor zeer jonge spelers aanbevelenswaardig vind.

Een regeling van drie kwartier spelen, tien minuten rust en nogmaals

een half uur spelen of van vijf kwartier spelen met twee rustperioden

lijkt mij het meest bevredigende. Het is niet dan na lange overweging

en proefneming, dat ik tot de besliste meening ben gekomen, dat de

gestelde tijd te lang is, en het is na lang aarzelen, dat ik besloot,

hier op verkorting van den speeltijd aan te dringen, daar ik volkomen

begrijp hoe moeielijk dit is tot stand te brengen (voor oudere spelers

tenminste) in verband met den vastgestelden speeltijd in andere landen.

Ik hoop echter dat mijn opmerking zal meêwerken de aandacht op dit punt

te vestigen en een aansporing zal zijn voor ieder voetballer, om het in

onderzoek te nemen. Niet vergeten dient te worden, dat bij verkorting

van den speeltijd, het voetbal binnen bereik van meerderen komt

die nu, wegens een voor hen te langdurige inspanning, er niet aan

deelnemen. Nimmer moest de speeltijd mogen verlengd worden, zooals

bij seriewedstrijden vaak gebeurt, als er nog geen beslissing is.

Ook het spelen van twee wedstrijden op één dag dat hier plaats vindt,

is afkeurenswaardig en dient zooveel mogelijk te worden tegengegaan.

Eveneens is het wenschelijk het aantal te spelen wedstrijden per seizoen

niet groot te maken, opdat tijd overblijve voor onderlinge oefeningen

en vriendschappelijke spelen (friendly-games) wier aantrekkelijkheid

meestal niet onder behoeft te doen voor die van competitiewedstrijden.

Ik zelf speel bijv. liever een onderlinge partij, dan een wedstrijd.

Wat nog den speeltijd betreft, kan de tegenwoordig bestaande, wel

gehandhaafd blijven _bij de gewone oefeningen_ ten minste voor ouderen.

Het maakt een groot verschil of men een gemoedelijke vroolijke partij

voetbal speelt (een oefening) of dat men een wedstrijd speelt, waar een

zekere _spanning_ heerscht en de _eerzucht_ hoogtij viert.

Bij mijzelf, en ook bij anderen, heb ik wel waargenomen, dat

wedstrijd-spelen meer vermoeide dan gewone oefeningen, hoewel toch

op bedoelde wedstrijden niet meer arbeid werd gepresteerd dan op de

oefeningen. De zenuwspanning schijnt hierbij wel een rol te spelen. Bij

den één zal ze meer, bij den ander, minder werkzaam zijn, afhankelijk

van den individueelen aanleg. Maar ook andere invloeden doen zich

bij de wedstrijden gelden. Zoo hangt dikwijls van één wedstrijd

een kampioenschap af. De spelers willen dan meer presteeren. Hun

capaciteiten blijven dezelfde en de meerdere prestatie wordt dan

geforceerd ten koste van het lichaam dat meer moet geven dan het normaal

kan, in een oververmoeiden toestand wordt gebracht en langen tijd noodig

heeft om zich te herstellen.

Een andere invloed, meestal ten kwade, is die, door het publiek op

de spelers uitgeoefend. Voetbal moet zijn ontspanning, mag ook soms

inspanning zijn, maar moet nooit een zenuwopwindend afbeulen worden. En

hiertoe geeft het publiek door haar luide aanmoedigingskreten, die soms

in schreeuwen, bellen en fluiten ontaarden, meermalen aanleiding.

Toen ik dit gevaar begon in te zien, heb ik mij systematisch er aan

gewend, geen notitie van het publiek te nemen, zoodat alleen het spel

m'n opmerkzaamheid trekt en ik van de toeschouwers nagenoeg niets zie

of hoor. Bij 3de klasse en soms ook bij 1ste en 2de klas-wedstrijden in

den N. V. B. heeft men nog veelal geen last van zulk opwindend gehits,

zooals ik het nu maar eens zal noemen, zoodat het gevaar voor een groot

gedeelte der voetballers slechts gering is. Het publiek betaalt veelal

entree en komt nu wel op het vreemde idee, voor hun geld een mooien

wedstrijd _te kunnen eischen_ (dit geldt voornamelijk voor publiek bij

eerste klas wedstrijden).

Ieder, die het goed met de voetbalsport meent, zal nu inzien, dat het

publiek nooit bij een amateurwedstrijd iets anders voor haar betaling te

eischen _mag_ hebben, dan toegang op het terrein. Zoo gauw men een eisch

op het spel betrekking hebbende, gerechtigd acht, zijn de spelers niet

langer volstrekt amateur. Evenwel kan de voetbalsport tegenwoordig

moeielijk meer buiten de entree's, die het publiek bij de wedstrijden

betaalt. Mocht echter het publiek aanleiding geven tot verwezenlijking

van het gevaar, dat ik u zoo even noemde, dan zou ik in het belang van

het voetbal en zijn beoefenaars het liever zonder publiek stellen en op

een vergeten, waarschijnlijk heel wat minder geriefelijk terrein, deze

sport beoefenen. Beter is het een appel te bezitten, die ofschoon er

van buiten minder mooi uitziende, geheel gezond is, dan één, die een

prachtigen aanblik geeft, maar van binnen verrot is.

Nu wij gezien hebben, wat we onder overdrijving hebben te verstaan en de

voornaamste factoren die haar in de hand werken, hebben nagegaan, zullen

we de gemeenschappelijke _gevolgen van deze overdrijving en de verkeerde

toepassing van voetbal_ bespreken. Ze zijn _schadelijk voor lichaam,

geest en karakter_, als ook voor de _studie of andere dagelijksche

werkzaamheden_. In de eerste plaats ontstaat in den toestand van

oververmoeidheid een _algemeene stijfheid_, die geleidelijk toeneemt,

om na één of meerdere dagen langzaam weer te verdwijnen. Haar optreden

wordt bewerkt door de z.g. vermoeiingsstoffen, die bij spierarbeid

zoowel als bij geestelijken arbeid ontstaan en niet tijdig uitgescheiden

kunnen worden. Zij hebben een giftige werking en verwekken spierpijn bij

te veel lichamelijken dofheid en hoofdpijn, bij te veel geestelijken

arbeid. Zij werken verlammend ook vooral op de hartspier, waardoor

een verzwakte werking van het hart en een versnelde en zwakke polsslag

optreedt. Bovendien brengt deze stijfheid het lichaam in een toestand,

die uiterst vatbaar maakt voor ziekten. _De etenstrek is sterk

verminderd_, daar de groote vermoeidheid een verminderde afscheiding

van het maagsap ten gevolge heeft. Ook _de slaap_ moet het ontgelden.

Hij is _onrustig_. Ja, bij zeer groote vermoeienis is het zelfs niet

mogelijk in slaap te komen.

De gevolgen hoopen zich steeds op en sleepen nog andere na zich. Zoo

ontstaan als indirecte gevolgen, de feiten, waarop gewezen wordt in

het schrijven op blz. 19 aangehaald. De jongelui voelen zich na afloop

van den wedstrijd slap en moe, ontvluchten 's avonds hun thuis, waar ze

natuurlijk meeningen omtrent hun »Voetbal« vinden, die door hun gedrag

in sport veroorzaakt, geheel in strijd met de hunne zijn. Zij zoeken dan

veelal hun troost bij elkaar in een of ander café, onder grootdoenerij.

Deze _verslappingstoestand_ van de jongens wordt een sleur, waaruit de

zoogenaamde _vroegrijpheid_, _geblaseerdheid_ enz. ontstaan. Natuurlijk

zijn ook andere oorzaken van even twijfelachtige waarde mede werkzaam

het vroege kroegbezoek te bevorderen en het verslappingsproces in de

hand te werken, maar hierover zullen we 't niet hebben. We zullen

liever zien, hoe de ophooping van overtredingen der gezondheidswetten,

_blijvende kwalen_ doet ontstaan en ons _vroeg oud_ maken. Het is een

bekend feit dat overmatige lichamelijke arbeid bijna altijd blijvende

hart- en longgebreken ten gevolge heeft. Zoo heeft Prof. Wenckebach, de

Groninger specialiteit voor hartziekten, onlangs de aandacht gevestigd

op de vele, _door sportoverdrijving ontstane hartziekten_, welke o. a.

in Engeland voortdurend weer voorkomen. Het slotresultaat van de

overdrijving is: _hartvergrooting_ met verslapping der hartspieren.

Het verraderlijke van dit verschijnsel is wel, naar Prof. Th. Schott

(Nanheim) aantoont, dat het langzamerhand optreedt, zonder dat de

betrokken persoon het opmerkt. Ook _gebreken der klapvliezen_ en _latere

vaatverkalking_ kunnen gevolg zijn van sportoverdrijving. Van de longen

wordt evenals van het hart veel te veel arbeid gevergd. Ze worden in

oververmoeiden toestand gebracht, die zoowel _acute als chronische

longaandoeningen_ tengevolge kan hebben.

Ook de andere organen moeten zooals vanzelf spreekt op den duur

verzwakken, daar alle organen met elkaar in verband staan en van elkaar

afhankelijk zijn.

Een bijzonder leelijk gevolg van de overdrijving voor jongeren, is de

_belemmering in de ontwikkeling van het geheele lichaam_. Jonge menschen

hebben normaal veel meer voedsel noodig dan ouderen, eenvoudig omdat

voor den groei een meerdere hoeveelheid noodig is. Wordt nu bijv.

door overdreven voetbal te veel arbeid besteed, dan gaat het voedsel

hieraan verloren en de geheele ontwikkeling van den betrokkene lijdt

er onder. Men zal misschien denken, dat dan meerdere voedselopname

de fout weer zal herstellen, maar dat is niet zoo, daar de capaciteit

van de maag een grens heeft, zoodat eerder de fout er door verergerd

wordt. En toch ondanks al de genoemde gevolgen, zou er nog niet zoo over

voetbaloverdrijving worden geklaagd _als de studie er niet zoo ernstig

onder leed_. Goede studie in oververmoeiden toestand is niet mogelijk.

De hersens zijn niet in staat de zaken voldoende te verwerken, terwijl

soms ook zelfs een paar dagen na de gepleegde overdrijving, de

_werklust_ nog nagenoeg _ontbreekt_.

Naast de aanmerkingen hierover wordt ook wel geklaagd, dat voetbal te

veel de gedachten der beoefenaars in beslag neemt, zoodat deze van de

studie worden afgeleid. Maar het kan toch in geen geval aan het voetbal

verweten worden, dat het zoo'n groote belangstelling bij de beoefenaars

verwekt. Het is trouwens best te begrijpen, dat jonge levenslustige

menschen liever aan iets anders denken dan aan de studie, waar zij

dagelijks volop over te hooren krijgen. Dat het juist het voetbal

is, waarover vele leerlingen zoo vaak spreken, meen ik te moeten

toeschrijven aan de weinige algemeene ontwikkeling en liefhebberijen

die zij er op nahouden[12]. Geef zulke leerlingen voor hen interessante

en leerrijke stof ter overdenking en moedig hun liefhebberijen aan,

m. a. w. breidt hun gedachtenkring uit naar andere zaken die zij mooi

vinden, die in staat zijn hun belangstelling gaande te maken en het

resultaat zal meestal spoedig kunnen worden waargenomen. Ik zeg:

meestal, want er zijn ook individuen waarbij niets te bereiken valt,

die als het ware verkeerd willen en deze bestonden vroeger, vóór het

voetbal werd ingevoerd, even goed als nu. Voor zulke typen is het

misschien zelfs een geluk, dat het voetbal er is om hen bezig te houden.

Bestond er geen voetbal, dan zouden zulke patiënten naar mijn meening

met evenveel ijver, andere, wellicht heel wat minder nuttige zaken die

hen genoegen brachten najagen. Bovendien geloof ik dat inplaats van zich

over het sportenthusiasme[13] te verontrusten, men eerder redenen heeft

zich er over te verheugen. Dit idee komt sterk uit in eenige alinea's

van de kanselrede uitgesproken door Ds. Beijerman in de Remonstrantsche

kerk te 's-Gravenhage op 27 Juni 1909. Ik zal ze U hier weergeven.

[12] De tegenwoordige opvoeding bepaalt zich nl. veelal tot afbrekende

kritiek, het verbieden, terwijl opbouwende hulp zelden geleverd

wordt of geleverd kan worden.

[13] Onder dit enthusiasme wordt niet bedoeld, de ziekelijke

belangstelling voor uitslagen van wedstrijden die sommigen

beheerscht.

--»Spreken wij over menschen die met vuur opkomen voor de dingen waarvan

ze vervuld zijn, dan denken we voor alles aan onze jonge mannen als zij

het hebben over hun lichaamsoefeningen. Zij zijn vol van de wedstrijden

die ze onder elkaar organiseeren, hebben een vurige vereering voor hun

clubs en hun kampioenschappen en ijveren vol bezieling voor de sport die

ze beoefenen. O, we zijn er niet blind voor, dat hun studie en hun werk

soms lijden kunnen onder dat groote sportenthusiasme en we zouden niet

gaarne verzuimen hen er aan te herinneren, dat er grooter en hooger

dingen in de wereld zijn, maar toch, laten we er dankbaar voor zijn

en het toejuichen dat onze jongelingschap idealen kent, dat onze jonge

mannen in vuur kunnen komen voor een zaak die zij goed achten, dat daar

in hun hart nog plaats is voor gloed en geestdrift.«--

We hebben nu in voorgaande bladzijden gezien, hoe voetbal bij goede

beoefening ons als een bewonderenswaardig nuttig spel ten dienste staat.

Maar we hebben ook gezien welke slechte gevolgen de overdrijving na zich

sleept. Waar nu is de grens tusschen goed en kwaad? Hoe moet men de

juiste maat vinden bij de beoefening? Het »ken u zelven« moet ieder hier

toepassen, zegt Ten Have[14] terecht. Ieder moet zijn eigen krachten

leeren kennen en in verband met zijn noodzakelijke kennis van de

gezondheidsleer, daaruit besluiten hoever hij gaan kan.

[14] B. ten Have: »Lichaamsontwikkeling in verband met geestelijke

werkkracht.«

Hiermede kan ik het vraagstuk der overdrijving laten rusten, om

het eenige werkelijke nadeel van voetbal te gaan beschouwen, nl.

het _gevaar voor ongevallen_. Gevaar bestaat overal en altijd.

Door onvoorzichtigheid of onstuimigheid kan men van een trap vallen

of op straat uitglijden en den enkel verzwikken, zoo niet erger.

Bij schaatsenrijden kan men door het ijs zakken of zich door vallen

hevig bezeeren. Bij het zwemmen verdrinken jaarlijks tientallen. Niet

te ontkennen valt het echter m. i., dat bij voetbal de kans op een

tijdelijk licht ongeval grooter is, dan bij de meeste andere spelen. We

lezen er meermalen van, dat een speler bij een wedstrijd, wegens een

blessure, het veld moet verlaten. Toch zijn de blessures zeer zelden

ernstig. Mulier[15] schrijft dat bij watersport, ijssport, paardensport

en rijwielsport, veel meer ongelukken voorkomen en ongelukken van

blijvenden aard. Deze laatsten komen nl. bij voetbal nagenoeg niet voor.

[15] W. Mulier: »Losse Gedachten«, in het voetbal-jaarboekje 1909-1910

van den N. V. B.

In het vragenlijstje, gericht tot de hoogleeraren, genoemd op blz. 13,

was de 6de vraag:

»Acht u het voetbalspel bijzonder gevaarlijk of gevaarlijker dan andere

sporten?« 2 hoogleeraren antwoordden: ja, 3 vonden het wel min of meer

gevaarlijk en de rest antwoordde niet. De zevende vraag luidde: »Heeft

uwe praktijk u het bewijs geleverd dat het voetbalspel gevaarlijk is?

Zijn u ernstige ongevallen bekend?« De meeste hoogleeraren antwoordden

weer niet, één antwoordde bevestigend, twee: ontkennend, één zei: nu en

dan en ook een: slechts enkele. Zelf heb ik in de 13 jaar die ik voetbal

slechts enkele blessures opgeloopen, waarvan geen enkele mij heeft

gehinderd mijn studies of anderszins waar te nemen. Meestal zijn de

ongevallen toe te schrijven aan te onbesuisd of te hartstochtelijk spel.

Gelukkig dat het spelreglement hiertegen zooveel mogelijk waakt, doordat

het den scheidsrechter de opdracht geeft, om met vastgestelde straffen

voor verschillende overtredingen tusschenbeide te komen.

_Spel, dat gevaar oplevert of op kan leveren voor lichamelijk letsel

wordt ten allen tijde gestraft._ Dus ook heeft de scheidsrechter de

spelers tegen hun eigen spel te beschermen. Dit is tenminste de meening

van de bewerkers van het spelreglement. Te bejammeren vind ik het, dat

de heer Groothoff[16] deze opvatting bestrijd. Zoo schrijft hij o. a.:

»Verder is het onjuist een vrijen schop te geven omdat een speler den

bal laag bij den grond kopt en er een speler der tegenpartij in de

onmiddellijke nabijheid is. Het is een onvoorzichtigheid van den speler

zelf, waarvoor hij ook zelf verantwoordelijk is.«--Hoeveel gevaar is

er echter niet aan verbonden, laag bij den grond te koppen. Ik zelf

heb het geval bijgewoond dat een speler, door zoo te handelen, een

trap tegen het oog kreeg. Zoo'n voorval is zeker niet geschikt, een

goede meening over het spel te vormen en is tevens zeer onaangenaam

voor alle medespelers en in het bijzonder voor de beide betrokkenen.

Neen, de artikelen tegen gevaarlijk spel _moeten_ ten doel hebben,

alle gevaarlijk spel bij voetbal te weren. Het spelreglement moet even

goed den speler tegen zijn eigen onbesuisdheid beschermen, als tegen

roekeloos spel der medespelers. Iedere andere opvatting kan niet anders

dan het voetbal en zijn beoefenaars nadeel berokkenen, en moet dus op

verkeerde grondslagen berusten. Nu deze kwestie afgehandeld is, zijn

we aan het einde van dit hoofdstuk gekomen. Nog is men wel op zoek

gegaan naar andere nadeelen van het spel en heeft men hier en daar iets

gevonden, dat als zoodanig, echter ten onrechte, werd betiteld. Daar ze

hier dus volstrekt niet thuis hooren, zullen we in het volgend hoofdstuk

mede een paar belangrijkste dezer aantijgingen de revue laten passeeren.

[16] C. J. Groothoff: »De Voetbalscheidsrechter« bij van de Ven, Baarn.

EENIGE STRIJDVRAGEN.

Voetbal-Sport: over haar voor- en nadeelen, eenige harer strijdvragen en haar rationeele beoefening · 第 1 / 3 段