Wat de Duitschers organisatie noemen is inderdaad mécanisatie. Dat
deze, dat een dusdanige macht in Duitschland bestaat, dat ze in tal van
vormen in alle levenskringen optreedt en ze doordringt, dat elk haar
gehoorzaamt, dat ieder op zijn beurt meerdere is en mindere, eerbiedigt
wat boven, geringschat wat beneden hem geplaatst is, niet het talent
eerbiedigt maar de macht, niet de innerlijke leegheid geringschat, maar
de afwezigheid van uiterlijk rangteeken,—dit is de hatelijke draad die
al te zichtbaar door het duitsche wezen loopt, en die de westersche
volken, in hun groote meerderheid, gekant doet zijn tegen de toeneming
van duitsche invloeden.