Toen de oorlog begon, wekte het onze bitterste verbazing, en een
ontgoocheling die we zoo lang mogelijk getracht hebben van ons te weren,
dat ook de helderst-ziende onder onze oostelijke naburen, ook zij die de
leiders van pruisisch-duitsche regeeringsgroepen levenslang het felst
wantrouwden, plotseling, na binnen hun gesloten grenzen eenige dagen het
wereldverkeer gemist te hebben, alles voor evangelie aannamen wat hun
door die leiders werd voorgehouden. Het noodzakelijk-aanvallend karakter
van Pruisen-Duitschland, de tot wanhoopsdaden prikkelende toestand van
de Habsburgsche monarchie, de noodwendig op verdediging van hun bezit en
aanzien ingerichte toerustingen van Frankrijk en Engeland, gegevens die
vóór de oorlog allen kenden en erkenden, verdwenen onmiddellijk uit hun
herinnering toen Duitschland, bij monde van regeerende personen, als
eerst door Rusland en later door Engeland aangevallen werd voorgesteld.
Het feit dat in tal van kringen, vooral pruisische, sinds tientallen
jaren, van een duitsche grootheid gedroomd werd die men alleen te
verwerklijken achtte door een aanvallende oorlog, verloor plotseling in
hun geest zijn allesbeheerschende tegenwoordigheid. Of juister: de droom
van die grootheid bleef, maakte zich zelfs meester van zulken als er
oorspronkelijk vrij van waren, maar tegelijkertijd zag men de oorlog
waarin men haar hoopte te winnen als verdedigend.
Hoe schoon! riepen zij uit: de eenheid waarin wij thans met al onze
landgenooten verkeeren. Maar zij vergaten dat de regeering die hen tot
die eenheid saamgesmeed had, dat alleen gekund had door het misleiden
van hun lichtgeloovigheid. Meenende, naar het zeggen van die regeering,
de wapenen op te vatten ter verdediging van hun vaderland, steunden zij
de aanval die de pruisisch-duitsche staat begonnen was om de hegemonie
over Europa.
Al hun andere lichtgeloovigheden en misrichte geestdriften—niet het
minst die ten opzichte van België—zijn voortgekomen uit deze eene. En
wanneer wij, in gedachte ons vereenigend met onze duitsche vrienden,
ons afvragen wat wij het meest voor hen hopen, dan is het dit: dat
zij, ook tegenover hun regeering, hun eigen oordeel hernemen zullen, en
tengevolge van eigen onderzoek een eenheid verbreken die ons niet een
geluk, maar een teeken van verblinding schijnt.
Of—kan het zijn dat zij, de weinige geloofwaardigheid van hun regeering
kennende, nochtans die eenheid op prijs stellen en willen handhaven,
omdat zij in de oorlog, aanvallend of niet, een strijd voor de duitsche
beschaving zien? Omdat zij gelooven dat de overwinning de zegepraal van
een duitsche kultuur, de nederlaag haar ondergang, of tenminste haar
vermindering brengen zal?
„An Stelle der Religionskriege”—zegt de schrijver van _J'Accuse_—„ist
nach der Meinung unserer führenden Geister plötzlich seit dem 1. August
1914 ein Kulturkrieg getreten, bei dem um die Gleichberechtigung oder
die Suprematie der verschiedenen „feindlichen Kulturen” gekämpft wird.”
Ook in deze meening—niet uitsluitend een duitsche, want men hoort haar
in Frankrijk vooral niet minder—kan ik niets dan een verblinding zien.
„Haben wir im Jahre 1870 mit der zerschmetternden Niederlage Frankreichs
die Kultur dieses Landes unterdrückt oder auch nur angetastet? Hat die
Napoleonische Fremdherrschaft auch nur ein Blütenstäubchen unserer
deutschen Geisteskultur, die gerade damals auf unvergleichlicher Höhe
stand, hinweggewischt? Haben die Römer mit der Eroberung Griechenlands
auch die griechische Kultur unterworfen? Das gerade Gegenteil ist
eingetreten. Die Expropiateurin is expropriiert worden: der griechische
Geist, die griechische Kunst haben Rom unterjocht. Und das Christentum?
Hat nicht die kleine Landschaft Galiläa dem römischen Weltreich
schliesslich ihren Geist aufgedrückt? Wie kann man überhaupt von
einem Kampf der Kulturen reden, wo es sich nur um einen Kampf der
Antikulturen, der Barbareien gegen einander handelt?”
Ik druk deze zinsnede met genoegen over. Zooveel is er van waar dat niet
onder alle omstandigheden de beschaving van een land afhankelijk is van
zijn overwinningen of zijn nederlagen.
Is het nochtans—ware het dan bij uitzondering—nu het geval? Ik geloof
het niet, omdat ik meen dat veeleer de beschaving thans in al haar
deelen, zelfs in poëzie en kunst, zich niet langer beperkt acht tot
de nationaliteiten; omdat in gevoel en geest de diepste en de wijdste
gemeenschappen thans voortkomen uit de verbindingen van bóven-volkelijke
liefde.
Dáárin juist meen ik met mijn vrienden van over de grenzen één te zijn.