VII

Toen de oorlog begon, wekte het onze bitterste verbazing, en een

ontgoocheling die we zoo lang mogelijk getracht hebben van ons te weren,

dat ook de helderst-ziende onder onze oostelijke naburen, ook zij die de

leiders van pruisisch-duitsche regeeringsgroepen levenslang het felst

wantrouwden, plotseling, na binnen hun gesloten grenzen eenige dagen het

wereldverkeer gemist te hebben, alles voor evangelie aannamen wat hun

door die leiders werd voorgehouden. Het noodzakelijk-aanvallend karakter

van Pruisen-Duitschland, de tot wanhoopsdaden prikkelende toestand van

de Habsburgsche monarchie, de noodwendig op verdediging van hun bezit en

aanzien ingerichte toerustingen van Frankrijk en Engeland, gegevens die

vóór de oorlog allen kenden en erkenden, verdwenen onmiddellijk uit hun

herinnering toen Duitschland, bij monde van regeerende personen, als

eerst door Rusland en later door Engeland aangevallen werd voorgesteld.

Het feit dat in tal van kringen, vooral pruisische, sinds tientallen

jaren, van een duitsche grootheid gedroomd werd die men alleen te

verwerklijken achtte door een aanvallende oorlog, verloor plotseling in

hun geest zijn allesbeheerschende tegenwoordigheid. Of juister: de droom

van die grootheid bleef, maakte zich zelfs meester van zulken als er

oorspronkelijk vrij van waren, maar tegelijkertijd zag men de oorlog

waarin men haar hoopte te winnen als verdedigend.

Hoe schoon! riepen zij uit: de eenheid waarin wij thans met al onze

landgenooten verkeeren. Maar zij vergaten dat de regeering die hen tot

die eenheid saamgesmeed had, dat alleen gekund had door het misleiden

van hun lichtgeloovigheid. Meenende, naar het zeggen van die regeering,

de wapenen op te vatten ter verdediging van hun vaderland, steunden zij

de aanval die de pruisisch-duitsche staat begonnen was om de hegemonie

over Europa.

Al hun andere lichtgeloovigheden en misrichte geestdriften—niet het

minst die ten opzichte van België—zijn voortgekomen uit deze eene. En

wanneer wij, in gedachte ons vereenigend met onze duitsche vrienden,

ons afvragen wat wij het meest voor hen hopen, dan is het dit: dat

zij, ook tegenover hun regeering, hun eigen oordeel hernemen zullen, en

tengevolge van eigen onderzoek een eenheid verbreken die ons niet een

geluk, maar een teeken van verblinding schijnt.

Of—kan het zijn dat zij, de weinige geloofwaardigheid van hun regeering

kennende, nochtans die eenheid op prijs stellen en willen handhaven,

omdat zij in de oorlog, aanvallend of niet, een strijd voor de duitsche

beschaving zien? Omdat zij gelooven dat de overwinning de zegepraal van

een duitsche kultuur, de nederlaag haar ondergang, of tenminste haar

vermindering brengen zal?

„An Stelle der Religionskriege”—zegt de schrijver van _J'Accuse_—„ist

nach der Meinung unserer führenden Geister plötzlich seit dem 1. August

1914 ein Kulturkrieg getreten, bei dem um die Gleichberechtigung oder

die Suprematie der verschiedenen „feindlichen Kulturen” gekämpft wird.”

Ook in deze meening—niet uitsluitend een duitsche, want men hoort haar

in Frankrijk vooral niet minder—kan ik niets dan een verblinding zien.

„Haben wir im Jahre 1870 mit der zerschmetternden Niederlage Frankreichs

die Kultur dieses Landes unterdrückt oder auch nur angetastet? Hat die

Napoleonische Fremdherrschaft auch nur ein Blütenstäubchen unserer

deutschen Geisteskultur, die gerade damals auf unvergleichlicher Höhe

stand, hinweggewischt? Haben die Römer mit der Eroberung Griechenlands

auch die griechische Kultur unterworfen? Das gerade Gegenteil ist

eingetreten. Die Expropiateurin is expropriiert worden: der griechische

Geist, die griechische Kunst haben Rom unterjocht. Und das Christentum?

Hat nicht die kleine Landschaft Galiläa dem römischen Weltreich

schliesslich ihren Geist aufgedrückt? Wie kann man überhaupt von

einem Kampf der Kulturen reden, wo es sich nur um einen Kampf der

Antikulturen, der Barbareien gegen einander handelt?”

Ik druk deze zinsnede met genoegen over. Zooveel is er van waar dat niet

onder alle omstandigheden de beschaving van een land afhankelijk is van

zijn overwinningen of zijn nederlagen.

Is het nochtans—ware het dan bij uitzondering—nu het geval? Ik geloof

het niet, omdat ik meen dat veeleer de beschaving thans in al haar

deelen, zelfs in poëzie en kunst, zich niet langer beperkt acht tot

de nationaliteiten; omdat in gevoel en geest de diepste en de wijdste

gemeenschappen thans voortkomen uit de verbindingen van bóven-volkelijke

liefde.

Dáárin juist meen ik met mijn vrienden van over de grenzen één te zijn.

Holland en de oorlog · 第 115 / 138 题